20 april 2017 • Viervoudige afbeelding van een en dezelfde supernova-explosie waargenomen
Een astronomische onderzoeksteam onder Zweedse leiding heeft met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop gekeken naar een supernova-explosie die door een natuurlijk lenseffect viervoudig is afgebeeld. De vier afzonderlijke beelden van de ontploffende ster zullen worden gebruikt om de uitdijingssnelheid van het heelal te meten (Science, 21 april). Het licht van de supernova, die de aanduiding iPTF16geu heeft gekregen, heeft er 4,3 miljard jaar over gedaan om de aarde te bereiken. Onderweg is dat licht afgebogen door het zwaartekrachtsveld van een tussenliggend sterrenstelsel dat bijna half zo ver weg staat. Dit zogeheten zwaartekrachtlenseffect heeft ervoor gezorgd dat er rond dat sterrenstelsel vier afbeeldingen van de ontploffende ster te zien zijn. De waargenomen supernova is van een type dat een voorspelbare intrinsieke helderheid heeft. Dat betekent dat astronomen uit de helderheid van iPTF16geu kunnen afleiden hoe ver deze van ons is verwijderd. Het voor het eerst dat een viervoudig afgebeelde supernova van dit ‘type Ia’ is waargenomen. Momenteel zijn de astronomen bezig om heel nauwkeurig te meten hoe lang het licht van de vier beeldjes van de supernova onderweg is geweest. Dat licht heeft ons immers langs afzonderlijke wegen bereikt en zal dus kleine verschillen in ‘reistijd’ vertonen. Deze verschillen kunnen worden gebruikt om heel nauwkeurig de zogeheten Hubble-constante uit te rekenen – een grootheid die aangeeft hoe snel het heelal uitdijt. (EE)
Meer informatie:
Hubble observes first multiple images of explosive distance indicator

   
20 april 2017 • Nog geen kunstmatige buitenaardse signalen opgepikt met ‘Breakthrough Listen’
Breakthrough Listen – een initiatief van internet-investeerder Yuri Milner, gericht op het zoeken naar kunstmatige radiosignalen uit de ruimte – heeft de eerste oogst aan meetgegevens gepubliceerd. Tijdens het eerste jaar zijn 692 sterren ‘afgeluisterd’ met de grote Green Bank-radiotelescoop in West Virginia (VS). Daarbij zijn elf opvallende signalen opgepikt, maar nader onderzoek heeft uitgewezen dat het waarschijnlijk niet om kunstmatige signalen van buitenaardse oorsprong gaat. Van elk van de 692 sterren zijn drie keer vijf minuten radiowaarnemingen gedaan. Vervolgens zijn de registraties met behulp van speciale software geanalyseerd. Bij deze analyse wordt gelet op radiosignalen die zich onderscheiden van natuurlijke processen. Te denken valt aan signalen met een smalle bandbreedte, pulsaties, onregelmatigheden in het spectrum en andere ongewone kenmerken. Speciale algoritmen moeten ervoor zorgen dat signalen van aardse bronnen, zoals satellieten, buiten beschouwing worden gelaten. De wetenschappers van Breakthrough Listen zullen vanaf nu ongeveer eens per half jaar verslag doen van hun waarnemingen. Het project loopt tot 2026. (EE)
Meer informatie:
Breakthrough Listen Initiative Publishes Initial Results

   
20 april 2017 • Hubble-ruimtelescoop wordt 27
Op 24 april a.s. is het 27 jaar geleden dat de Hubble-ruimtetelescoop uit het laadruim van de spaceshuttle Discovery werd gezet. De ruimteagentschappen ESA (Europa) en NASA (VS) vieren dat feit elk jaar met de presentatie van een spectaculaire nieuwe opname. Op de foto van dit jaar staan twee zeer verschillende spiraalstelsels die buren van elkaar zijn: NGC 4302 en NGC 4298. NGC 4302, die we van opzij zien, en NGC 4298 staan beide op een afstand van ongeveer 55 miljoen lichtjaar in het noordelijke sterrenbeeld Haar van Berenice. Het tweetal, dat in 1784 door de Britse astronoom William Herschel is ontdekt, maakt deel uit van de zogeheten Virgo-cluster, een samenscholing van bijna tweeduizend afzonderlijke sterrenstelsels die door de zwaartekracht bijeengehouden worden. NGC 4302 is net iets kleiner dan onze eigen Melkweg, NGC 4298 maar half zo groot. De kleinste afstand tussen de beide stelsels bedraagt slechts 7000 lichtjaar. Maar merkwaardig genoeg lijken ze elkaar nauwelijks te verstoren. Naar verwachting zal dit niet de laatste verjaardagsfoto van de Hubble-ruimtetelescoop zijn. Hoewel zijn opvolger – de James Webb-ruimtetelescoop – bijna in de startblokken staat, wordt er nog volop onderzoek gedaan met Hubble. Als er geen groot defect optreedt zal hij nog jaren in bedrijf kunnen blijven. (EE)
Meer informatie:
Hubble Celebrates 27 Years With Two Close Friends

   
19 april 2017 • ‘Aardscheerder’ 2014 JO25 is pindavormig
NASA-wetenschappers hebben radarbeelden gemaakt van de relatief grote planetoïde 2014 JO25, die onze planeet afgelopen woensdag op een veilige afstand van 1,8 miljoen kilometer passeerde. De beelden laten een pindavormig object zien met een rotatieperiode van ongeveer vijf uur. De vorm van de planetoïde doet vermoeden dat hij is opgebouwd uit twee kleinere objecten die lang geleden met elkaar ‘versmolten’ zijn. De grootste van de twee lobben heeft een middellijn van ongeveer 620 meter. Het zal nog zeker vijfhonderd jaar duren voordat 2014 JO25 weer zo dichtbij komt als nu. (EE)
Meer informatie:
NASA Radar Spots Relatively Large Asteroid Prior to Flyby

   
19 april 2017 • Veelbelovende ‘superaarde’ ontdekt bij nabije rode dwergster
Een internationaal team van astronomen heeft een ‘superaarde’ ontdekt die zich binnen de leefbare zone van de slechts veertig lichtjaar verre ster LHS 1140 bevindt. De planeet is een beetje groter en aanzienlijk zwaarder dan de aarde en zou een atmosfeer kunnen hebben. Omdat hij eens in de 25 dagen voor zijn moederster langs schuift, maakt dit hem tot een interessant object voor toekomstig atmosfeeronderzoek (Nature, 20 april). LHS 1140 is een zwakke rode dwergster in het sterrenbeeld Walvis. Rode dwergen zijn veel kleiner en koeler dan de zon. Hierdoor ontvangt exoplaneet LHS 1140b, hoewel hij zich tien keer dichter bij zijn ster bevindt dan de aarde bij de zon, maar ongeveer half zoveel licht van zijn ster als de aarde. Daarmee bevindt hij zich in het hart van de leefbare zone rond de ster, wat betekent dat de temperatuur op zijn oppervlak zo gematigd is, dat er vloeibaar water kan bestaan. Rode dwergsterren zijn berucht om hun wispelturige gedrag. Ze produceren vaak grote uitbarstingen, die funest zijn voor de atmosferen van nabije planeten. Maar LHS 1140 zendt minder hoogenergetische straling uit dan vergelijkbare sterren met weinig massa. Hierdoor bestaat de kans dat LHS 1140b een atmosfeer heeft weten te behouden, al staat dat nog niet vast. In dat geval zou er ook vloeibaar water op zijn oppervlak kunnen zijn. De astronomen schatten dat de planeet minstens vijf miljard jaar oud is. Ook hebben zij vastgesteld dat hij 1,4 keer zo groot is als de aarde – bijna 18.000 kilometer. Uit het feit dat zijn massa ongeveer zeven keer zo groot is als die van onze planeet kan worden afgeleid dat hij grotendeels uit ijzer en gesteente bestaat. Waarnemingen die binnenkort met de Hubble-ruimtetelescoop worden gedaan, moeten uitsluitsel geven over de hoeveelheid straling die op LHS 1140b neerregent, zodat zijn ‘levensvatbaarheid’ nader kan worden bepaald. Zodra nieuwe grote telescopen zoals de Europese Extremely Large Telescope in bedrijf zijn, kunnen astronomen ook zijn eventuele atmosfeer aan een gedetailleerd onderzoek onderwerpen. (EE)
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
19 april 2017 • Wind en drukgolven maken planetoïdeninslag dodelijk
Als er ooit weer een planetoïde op aarde inslaat, wat eist dan de meeste slachtoffers: de verzengende hitte, het rondvliegende puin of de enorme tsunami’s? Britse aardwetenschappers hebben het onderzocht en komen tot de conclusie dat hevige winden en drukgolven de grootste bedreiging vormen (Geophysical Research Letters, 19 april). Bij het onderzoek zijn – met behulp van computermodellen – zeven effecten onder de loep genomen die door inslaande planetoïden (kunnen) worden veroorzaakt: hitte, drukgolven, rondvliegend puin, tsunami’s, windstoten, aardschokken en kratervorming. Voor elk van deze effecten is uitgerekend hoeveel dodelijke slachtoffers deze zou eisen. De berekeningen laten zien dat windstoten en schokgolven verreweg het dodelijkst zijn: meer dan zestig procent van alle slachtoffers komt voor hun rekening. De hitte die bij de inslag vrijkomt is goed voor nog eens dertig procent. Aardschokken, kratervorming en rondvliegend puin richten de minste schade aan. Ook zijn inslagen op land gemiddeld veel gevaarlijker dan planetoïden die ergens in de oceaan belanden. Deze laatste kunnen weliswaar tsunami’s veroorzaken, maar de modellen laten zien dat de hoge vloedgolven doorgaans stukslaan op het continentaal plat – de geleidelijke overgang tussen oceaan en continent. Alleen inslagen dicht bij de kust veroorzaken veel schade. Volgens de wetenschappers kunnen gegevens als deze worden gebruikt om de bevolking van onze planeet beter te kunnen voorbereiden op een op handen zijnde inslag. De kans daarop is overigens heel klein. De aarde wordt maar ongeveer eens in de 1500 jaar getroffen door een planetoïde met afmetingen van minimaal zestig meter. Exemplaren van 400 meter treffen onze planeet slechts maar eens in de 100.000 jaar. Daarbij komt nog dat bijna driekwart van de binnenkomende planetoïden in een van de oceanen plonst. (EE)
Meer informatie:
New Study Ranks Hazardous Asteroid Effects From Least to Most Destructive

   
18 april 2017 • Aardverschuivingen op Ceres wijzen op ondergronds ijs
Dicht onder het oppervlak van de dwergplaneet Ceres - met een middellijn van 950 kilometer het grootste hemellichaam in de planetoïdengordel - komen grote hoeveelheden ijs voor. Daar waren al eerder aanwijzingen voor gevonden, maar onderzoekers van het Georgia Institute of Technology komen nu met nieuw bewijs. In Nature Geoscience beschrijven ze aardverschuivingen op de dwergplaneet, die mogelijk gemaakt worden doordat zich direct onder het oppervlak een mengsel bevindt van gesteente en naar schatting 10 tot 50 procent ijs. Op Ceres blijken zeer veel aardverschuivingen voor te komen: één op de drie kraters met een middellijn van meer dan 10 kilometer vertoont er op de een of andere manier de sporen van. Op basis van gedetailleerde foto's van de Amerikaanse ruimtesonde Dawn onderscheiden de onderzoekers drie typen aardverschuivingen. Type I vertoont overeenkomsten met gletsjers op aarde; type II met lawines, en verschuivingen van type III ontstaan wanneer een deel van het ijs (als gevolg van de energie van een kosmische inslag) is gesmolten. Uit de verdeling van de aardverschuivingen over het oppervlak van Ceres blijkt overduidelijk dat ze in de poolgebieden veel talrijker zijn dan dichter bij de evenaar. Dat is volgens de onderzoekers een extra aanwijzing dat ze mede veroorzaakt worden door de aanwezigheid van ondergronds ijs. Uit eerdere Dawn-metingen met een neutronenspectrometer bleek namelijk al dat de toplaag van Ceres in de poolgebieden meer waterstofatomen bevat dan dichter bij de evenaar. (GS)
Meer informatie:
Landslides on Ceres Reflect Hidden Ice (origineel persbericht)

   
17 april 2017 • LISA Pathfinder werkt ook als stofdetector
NASA-onderzoekers hebben gedemonstreerd dat de Europese ruimtesonde LISA Pathfinder gebruikt kan worden als detector voor kosmisch stof. LISA Pathfinder is een ruimtemissie die in december 2015 is gelanceerd en die in 2016 technologieën heeft uitgetest die in de toekomst nodig zijn voor het detecteren van zwaartekrachtgolven vanuit de ruimte. De zogeheten 'testmassa's' in het hart van de ruimtesonde (vrij zwevende kubusjes van een goud-platinalegering) verkeren daartoe in perfecte vrije val in hun baan rond de zon; minieme verstoringen in de oriëntatie en de beweging van de 'omhullende' ruimtesonde worden opgemeten en gecompenseerd door micro-stuurraketjes. Een deel van die 'externe ruis' wordt veroorzaakt door de inslag van microscopisch kleine stofdeeltjes, die voornamelijk afkomstig zijn van kometen. De NASA-wetenschappers hebben nu laten zien dat het mogelijk is om uit de activiteit van de micro-stuurraketjes informatie af te leiden over de herkomstrichting, bewegingssnelheid en massa van de botsende stofdeeltjes. In de toekomst kunnen vergelijkbare algoritmes ook gebruikt worden bij de uiteindelijke LISA-missie (Laser Interferometer Space Antenna), die rond 2030 gelanceerd moet worden en die daadwerkelijk zwaartekrachtgolven gaat opmeten. Onderzoek aan botsingen met interplanetaire stofdeeltjes op grote afstand van de aarde biedt veel informatie over de verdeling van het stof in het zonnestelsel. (GS)
Meer informatie:
NASA Team Explores Using LISA Pathfinder as 'Comet Crumb' Detector (origineel persbericht)

   
17 april 2017 • Kilometer grote planetoïde scheert langs aarde
Een rotsblok met een middellijn van ca. 1 kilometer scheert op woensdag 19 april op relatief kleine afstand langs de aarde. De dichtste nadering vindt plaats om 14.24 uur Nederlandse tijd. De kleine planetoïde, met de officiële aanduiding 2014 JO25, zal de aarde dan tot 1,77 miljoen kilometer - minder dan vijf keer de afstand tussen de aarde en de maan. Het hemellichaam heeft een snelheid van 33 kilometer per seconde. Kleinere kosmische projectielen vliegen regelmatig op veel kleinere afstanden voorbij, maar in de afgelopen 13 jaar is een rotsblok met deze afmetingen niet dichter bij de aarde gekomen. De vorige keer dat 2014 JO25 de aarde zo dicht naderde, was 400 jaar geleden. Er bestaat geen enkel gevaar voor een kosmische inslag, en het kleine hemellichaam is ook niet met het blote oog zichtbaar. De astronomische videodienst Slooh wijdt wel een speciale uitzending aan de scheervlucht, in de nacht van woensdag 19 op donderdag 20 april, tussen 01.00 en 01.30 uur Nederlandse tijd. (GS)
Meer informatie:
Asteroid to Fly Safely Past Earth on April 19 (origineel persbericht)

   
14 april 2017 • Nog een nieuwe theorie over het geluid van vallende sterren
Wetenschappers hebben een nieuwe theorie bedacht voor het feit dat meteoren (‘vallende sterren’) soms gelijktijdig te zien én te horen zijn. Dezelfde hypothese zou ook de geluiden kunnen verklaren die sommige waarnemers bij het optreden van poollicht menen te horen (Geophysical Research Letters, 9 april). Al eeuwenlang beweren waarnemers van meteoren dat deze hemelverschijnselen gepaard gaan met sissende geluiden. Dat is opmerkelijk, omdat meteoren worden veroorzaakt door ruimtesteentjes die op tientallen kilometers hoogte door de dampkring suizen. Je zou dus verwachten dat hun eventuele geluiden minuten later bij de waarnemer aankomen dan hun licht. De oorzaak van het waargenomen geluid wordt dan ook veelal gezocht bij iets dat net zo snel beweegt als het licht: laagfrequente radiostraling. Deze straling zou alledaagse voorwerpen zoals omheiningen, haren en zelfs brillen aan het trillen brengen en op die manier hoorbaar geluid genereren – een verschijnsel dat elektrofonica wordt genoemd. Het probleem is echter dat het geluid lang niet altijd waarneembaar is, en bovendien is onduidelijk hoe die radiostraling precies ontstaat. Voor dat laatste hebben Michael Kelley van de Cornell University en Colin Price van de universiteit van Tel Aviv nu een scenario bedacht. Wanneer een meteoor (of beter gezegd: meteoroïde) zich een weg baant door de atmosfeer, wordt de omringende lucht geïoniseerd, dat wil zeggen: gesplitst in positief geladen ionen en lichtere, negatief geladen elektronen. De ionen blijven de meteoor volgen, maar de elektronen worden afgebogen door het aardmagnetische veld. Door deze scheiding van ladingen ontstaat een sterk elektrisch veld dat een stroom opwekt. En het is deze laatste die de radiogolven doet ontstaan. De grootte van het binnenkomende deeltje en de snelheid waarmee het beweegt zouden bepalend zijn voor de frequentie van de radiogolven. Eerder dit jaar presenteerden onderzoekers van Sandia National Laboratories een andere verklaring voor het geluid van meteoren. Volgens hen zouden heldere meteoren een snelle, geringe opwarming van de lucht rond de waarnemer veroorzaken, die in kleine drukgolven (geluid dus) resulteert – een verschijnsel dat foto-akoestische koppeling wordt genoemd. Price en Kelley achten dat echter onwaarschijnlijk: meteoren zouden zo helder moeten zijn als de volle maan om dergelijke geluidsgolven te kunnen produceren. In het nieuwe model zijn alle meteoren daartoe in staat, alleen gebeurt dat vaak op frequenties die wij niet kunnen horen. (EE)
Meer informatie:
New theory may explain the ‘music of the meteors’

   
13 april 2017 • Saturnusmaantje Atlas heeft ‘donzig’ oppervlak
Afgelopen woensdag vloog de Amerikaanse ruimtesonde Cassini op een afstand van slechts 11.000 kilometer langs het kleine Saturnusmaantje Atlas. Bij die gelegenheid zijn de tot nu toe meest gedetailleerde opnamen van dit merkwaardig gevormde object verkregen. Bekend was al dat Atlas een beetje op een vliegende schotel lijkt (of een platgeslagen oliebol of een raviolo). Uit de nieuwe beelden blijkt nu ook dat de dunne opstaande rand langs zijn evenaar opmerkelijk glad is. Het lijkt erop dat deze is bedenkt met ‘donzig’ materiaal. Daarin onderscheidt Atlas zich van het Saturnusmaantje Pan, dat weliswaar ongeveer dezelfde vorm heeft, maar veel scherpere structuren vertoont. Het enige andere grote verschil tussen beide is dat Pan zich binnen een van de ringen van Saturnus bevindt en Atlas zich daar vlak buiten verblijft. Volgens de meest gangbare theorie zouden de dunne randen van maantjes als deze zijn opgebouwd uit ijsdeeltjes die afkomstig zijn uit de ringen. De maantjes zouden dit materiaal simpelweg hebben opgeveegd. Maar de opvallende verschillen tussen Atlas en Pan wijzen erop dat het wel eens om een ingewikkelder proces zou kunnen gaan. (EE)
Meer informatie:
Cassini Sees 'Flying-Saucer' Moon Atlas Up Close

   
13 april 2017 • Op Saturnusmaan Enceladus zijn mogelijk hydrothermale bronnen actief
Gegevens van de ruimtesonde Cassini wijzen erop dat er op de bodem van de ‘ondergrondse’ oceaan van de Saturnusmaan Enceladus hydrothermale bronnen actief zijn. Het waterstofgas dat deze bronnen uitstoten zou, in combinatie met in water opgelost koolstofdioxide, door eventueel aanwezige micro-organismen als energiebron kunnen worden gebruikt. Bij de reactie tussen waterstof en koolstofdioxide ontstaat methaan (Science, 14 april). Dat de oceaan onder de ijskorst van Enceladus waterstof bevat, is ontdekt toen Cassini eind oktober 2015 zijn diepste ‘duik’ maakte in de pluim van gas en ijsdeeltjes die via barsten in de ijskorst bij de zuidpool van Enceladus ontsnapt. De metingen laten zien dat deze pluim voor bijna 98 procent uit waterdamp bestaat, voor één procent uit waterstof en voor de rest uit een mengsel van andere moleculen, waaronder koolstofdioxide en methaan. In een gelijktijdig gepubliceerd artikel in The Astrophysical Journal Letters maakt een ander team van wetenschappers bekend dat ook de veel grotere Jupitermaan Europa regelmatig pluimen van materiaal de ruimte in blaast. Deze uitstoot werd in 2014 voor het eerst opgemerkt door de Hubble-ruimtetelescoop, en lijkt zich in 2016 te hebben herhaald. Volgens de wetenschappers zou het bij Europa eveneens kunnen gaan om waterdamp die via barsten in de ijskorst naar de ruimte ontsnapt. (EE)
Meer informatie:
NASA Missions Provide New Insights into 'Ocean Worlds' in Our Solar System

   
13 april 2017 • Frankrijk en Japan willen landen op Marsmaan
De ruimteagentschappen van de Frankrijk en Japan overwegen een missie waarbij een ruimtesonde materiaal van het oppervlak van de Marsmaan Phobos gaat ophalen. Daartoe hebben Parijs en Tokio afgelopen maandag een principe-overeenkomst getekend. De lancering zou in 2024 moeten plaatsvinden. De enigszins eivormige Marsmaan Phobos is slechts 27 kilometer lang. Over zijn oorsprong bestaat nog veel onduidelijkheid, en een analyse van zijn samenstelling zou daar een einde aan kunnen maken. Het maantje zou een ingevangen planetoïde kunnen zijn, maar het is ook denkbaar dat het bestaat uit puin dat na een inslag op Mars de ruimte in werd geblazen. Het zou niet voor het eerst zijn dat er een ruimtesonde in de richting van Phobos vertrekt. In 1988 stuurde de toenmalige Sovjet-Unie twee ruimtesondes naar het Marsmaantje, waarvan er slechts één zijn doel bereikte (en kort daarna uitviel). In 2011 lanceerde Rusland de Phobos-Grunt, die eveneens bodemmonsters zou gaan inzamelen, maar door een probleem bij de lancering strandde deze in een baan om de aarde. (EE)
Meer informatie:
France, Japan aim to land probe on Mars moon

   
12 april 2017 • Verre soortgenoot van Pluto opgemeten
Astronomen hebben, met behulp van de ALMA-telescoop in het noorden van Chili, de verre ‘ijsdwerg’ 2014 UZ224 – ook wel DeeDee genoemd – onder de loep genomen. DeeDee is het op één na verste object in ons zonnestelsel waarvan de omloopbaan goed bekend is. Alleen de dwergplaneet Eris schopt het nog verder. Uit de ALMA-gegevens blijkt dat DeeDee een vrij donker oppervlak heeft en ongeveer 635 kilometer groot is. Daarmee is zij ongeveer een derde kleiner dan de dwergplaneet Ceres, die tussen Mars en Jupiter om de zon cirkelt. Dat zou, gezien haar ijsachtige samenstelling, voldoende moeten zijn om DeeDee min of meer bolvormig te laten zijn – het criterium waaraan voldaan moet zijn om tot de dwergplaneten te worden gerekend. Met een afstand van bijna 14 miljard kilometer bevindt DeeDee zich momenteel ongeveer drie keer zo ver van de zon als de dwergplaneet Pluto. Over één rondje om de zon doet ze meer dan 1100 jaar. (EE)
Meer informatie:
ALMA Investigates ‘DeeDee,’ a Distant, Dim Member of Our Solar System

   
12 april 2017 • Bestaan van ‘bruggen’ van donkere materie bevestigd
Astronomen van de universiteit van Waterloo (Canada) hebben de eerste compositiefoto gemaakt van de ‘brug’ van donkere materie die sterrenstelsels met elkaar verbindt. De foto bevestigt de voorspelling dat de sterrenstelsels in ons heelal met elkaar verbonden zijn door een kosmisch ‘web’ van donkere materie (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, 12 april). Donkere materie is een mysterieuze substantie die ongeveer een kwart van de totale hoeveelheid energie en materie in ons heelal voor zijn rekening neemt. Deze substantie straalt geen licht uit en absorbeert of weerkaatst ook geen licht. Zij verraadt haar bestaan alleen door de aantrekkingskracht die zij op haar omgeving uitoefent. Het is die zwaartekracht die de Britse onderzoekers in staat heeft gesteld om het bestaan van bruggen van donkere materie aan te tonen. De kracht zorgt ervoor dat de afbeeldingen van verder weg staande sterrenstelsels enigszins vervormd raken. Omdat het beeld-vervormende effect van één enkele donkeremateriebrug heel gering is, zijn voor het nieuwe onderzoek opnamen van meer dan 23.000 paren sterrenstelsels op 4,5 miljard lichtjaar bij elkaar opgeteld. Door middel van een statistische analyse laten de onderzoekers zien dat dergelijke bruggen het sterkst zijn tussen stelsels die minder dan 40 miljoen lichtjaar van elkaar verwijderd zijn. (EE)
Meer informatie:
Waterloo researchers capture first “image” of a dark matter web that connects galaxies

   
11 april 2017 • New Horizons meet helderheid van het heelal
Astronomen hebben de helderheid van het heelal gemeten. Anders gezegd: ze hebben de helderheid bepaald van de zogeheten 'optische achtergrond' - de gezamenlijke zichtbare straling van alle sterren en sterrenstelsels in het heelal. De metingen zijn uitgevoerd met de LORRI-camera aan boord van de Amerikaanse ruitmesonde New Horizons, die in 2015 op kleine afstand langs de verre dwergplaneet Pluto vloog. Metingen van de optische achtergrond vanuit de binnendelen van het zonnestelsel zijn moeilijk, omdat ze verstoord worden door lichtverstrooiing aan microscopisch kleine stofdeeltjes. In de buitendelen van het zonnestelsel komt enorm veel minder stof voor, waardoor de metingen veel 'schoner' zijn. Uit de waarnemingen blijkt dat de gemeten helderheid van de optische achtergrond in goede overeenstemming is met de verwachtingen op basis van het aantal sterrenstelsels op grote afstanden in het heelal. De resultaten zijn gepubliceerd in Nature Communications. (GS)
Meer informatie:
RIT scientist measures brightness of the universe with NASA’s New Horizons spacecraft (origineel persbericht)

   
11 april 2017 • WHAM brengt geïoniseerd waterstof van Melkwegstelsel in kaart
Met een relatief kleine telescoop op de Cerro Tololo-sterrenwacht in Chili is de meest gedetailleerde kaart ooit vervaardigd van de verdeling van ijl geïoniseerd waterstofgas in het Melkwegstelsel. De Wisconsin H-Alpha Mapper (WHAM) heeft de afgelopen twintig jaar vrijwel continu metingen verricht aan de zwakke gloed van het hete gas. Het meeste geïoniseeerde waterstofgas bevindt zich in een relatief dikke centrale laag in het Melkwegstelsel, met een middellijn van ca. 75.000 lichtjaar en een dikte van ca. 6000 lichtjaar. Deze laag wordt de Reynoldslaag genoemd, naar de astronoom die eind jaren zeventig als eerste ontdekte dat zich vrijwel overal in de interstellaire ruimte heet geïoniseerd waterstofgas bevindt. De oorzaak van de ionisatie wordt overigens nog steeds niet volledig begrepen. Mogelijk ontstaat de Reynoldslaag voornamelijk onder invloed van de energierijke straling van zeer heldere, hete reuzensterren in de centrale schijf van het Melkwegstelsel. (GS)
Meer informatie:
UW project brings Milky Way’s ionized hydrogen into focus (origineel persbericht)

   
11 april 2017 • Ruimtesonde New Horizons in winterslaap gebracht
De Amerikaanse ruimtesonde New Horizons is op 7 april om 21.32 uur Nederlandse tijd met succes in winterslaap gebracht. New Horizons werd in januari 2006 gelanceerd en maakte in juli 2015 een scheervlucht langs de dwergplaneet Pluto en zijn grote maan Charon. Tijdens de winterslaapperiode gebruikt de ruimtesonde vrijwel geen energie. Op 11 september wordt hij weer gewekt; dan beginnen de voorbereidingen voor de scheervlucht langs een relatief klein hemellichaam in de Kuipergordel: de ijsdwerg 2014 MU6, waar New Horizons op 1 januari 2019 op kleine afstand langs zal vliegen. New Horizons bevindt zich momenteel op 5,7 miljard kilometer afstand van de aarde; een radiosignaal doet er (met de lichtsnelheid van 300.000 kilometer per seconde) ruim vijf uur over om die afstand te overbruggen. (GS)
Meer informatie:
Nap Time for New Horizons: NASA Spacecraft Enters Hibernation (origineel persbericht)

   
11 april 2017 • 'Grote Koude Vlek' ontdekt in Jupiterdampkring
Behalve een Grote Rode Vlek - een kolossale wervelstorm - komt er in de dampkring van de reuzenplaneet Jupiter ook een Grote Koude Vlek voor. Dat blijkt uit onderzoek met de Europese Very Large Telescope in Chili en met NASA's Infrared Telescope Facility op Hawaii. De ontdekking is gepubliceerd in Geophysical Research Letters. De Grote Koude Vlek is een enorm gebied van ca. 24.000 bij 12.000 kilometer in de hooggelegen thermosfeer van de planeet. De temperatuur is er ca. 200 graden lager dan in de omgeving. De 'vlek' wordt veroorzaakt door de poollichtactiviteit van Jupiter: het poollicht transporteert energie naar de lager gelegen delen van de dampkring, waardoor er in de hoge, ijle thermosfeer een sterke afkoeling optreedt. Uit onderzoek aan infraroodfoto's blijkt dat de Grote Koude Vlek al minstens vijftien jaar op min of meer dezelfde locatie voorkomt. Wel is de vlek zeer veranderlijk, zowel in temperatuur als in afmetingen. (GS)
Meer informatie:
‘Cold’ Great Spot discovered on Jupiter (origineel persbericht)

   
11 april 2017 • Röntgentelescoop XMM-Newton zag mogelijk materie direct naar zwart gat vallen
Een relatief dichtbij gelegen actief melkwegstelsel heeft flarden van processen in zijn binnenste kern laten zien. Die flarden geven astronomen nieuwe hints over wat er gebeurt bij superzware zwarte gaten, die behoren tot de meest exotische en tegelijk fundamentele objecten in het universum. Mogelijk betekenen de waarnemingen zelfs dat de onderzoekers materie zagen, die direct naar het zwarte gat viel. De kern van NGC 2617, een zogenoemde Active Galaxy Nucleus (AGN) in een melkwegstelsel op 200 miljoen lichtjaar van de aarde, trok de aandacht van Margherita Giustini van SRON, Netherlands Institute for Space Research en haar mede-onderzoekers. De kern veranderde namelijk van een relatief rustige AGN in een behoorlijk felle. Waarnemingen van NGC 2617 met de telescoop Integral voor gammastralen en vooral met röntgentelescoop XMM-Newton, lieten iets zien wat nog niet vaak is waargenomen dicht bij superzware zwarte gaten: het signaal van materie die z’n energie verliest. Bij het analyseren van de spectroscopische data uit de telescopen stelden Giustini en haar collega’s vast dat de samenstelling van de materie hoofdzakelijk ijzer betrof. Ze presenteerden drie natuurkundige scenario’s die het waargenomen signaal konden verklaren. Een mogelijkheid is dat aanvankelijk weggeblazen materie terug word getrokken door de sterke zwaartekracht van het superzware zwarte gat. Een andere mogelijkheid is dat het sterke zwaartekrachtsveld het signaal verstoort omdat de materie zo dicht bij het zwarte gat zelf is. En als laatste mogelijkheid hebben we misschien voor het eerst waargenomen dat materie direct naar de waarneemhorizon van het actieve zwarte gat is gevallen vanaf de accretieschijf, de omringende schijf met stof. Dit laatste scenario is iets anders, met ook een wezenlijk andere 'vingerafdruk' in het waargenomen signaal,dan zogeheten 'tidal disruption events' waarbij een inactief zwart gat wakker wordt om een voorbijganger uit elkaar te trekken en te verslinden. Dat was namelijk wel al eerder waargenomen. In elk geval hebben Giustini en haar collega’s naar dat gedeelte van de schijf met materie rond het zwarte gat gekeken, dat het dichtste bij het zwarte gat zelf zit. En misschien dus zelfs wel naar materie die er vanaf de zogeheten accretieschijf in viel: een voor astronomen spannende en veelbelovende waarneming om meer te weten te komen over hoe de natuurkundige wetten luiden, zo dicht in de buurt van zo’n een extreem kosmisch object. Gevestigd in het centrum van melkwegstelsels, blijken superzware zwarte gaten grote invloed te hebben op de eigenschappen van het melkwegstelsel waar ze in vertoeven, wat astronomen erg fascineert. Er moet een complexe diepgaande kosmische interactie zijn tussen melkwegstelsels en hun centrale superzware zwarte gat. De studie van zwarte gaten helpt astronomen dan ook het ontstaan en de evolutie van de kosmische structuren als geheel beter te begrijpen.
Meer informatie:
Origineel persbericht

   
10 april 2017 • Ook Mars heeft metaalionen in de dampkring
De Amerikaanse Marsverkenner MAVEN (Mars Atmosphere and Volatile Evolution Mission) heeft op grote hoogte in de atmosfeer van de rode planeet metaalionen ontdekt. Zulke elektrisch geladen atomen komen ook voor in de dampkring van de aarde, maar het is voor het eerst dat hun permanente aanwezigheid is aangetoond in de atmosfeer van een andere planeet. MAVEN vond ionen van ijzer, magnesium en natrium. De ontdekking is gepubliceerd in Geophysical Research Letters. De ionen zijn afkomstig van micrometeoroïden die bij hun reis door de ijle dampkring van Mars verdampen en vervolgens een of meer van hun elektronen verliezen. Omdat ze vervolgens meegevoerd worden door stromingen in de hooggelegen ionosfeer van de planeet, kan hun verdeling inzicht geven in de bewegingen in deze atmosferische laag. De verdeling van de metaalionen in de Marsdampkring is wel anders dan die in de aardse atmosfeer, doordat Mars geen globaal magnetisch veld heeft. Alleen boven gebieden met een plaatselijk magneetveld vertonen de metaalionen dezelfde gelaagde verdeling als in de aardatmosfeer. (GS)
Meer informatie:
NASA's MAVEN mission reveals Mars has metal in its atmosphere (origineel persbericht)

   
9 april 2017 • Vernieuwde Hobby-Eberly Telescope officieel geopend
Vandaag is de vernieuwde Hobby-Eberly Telescope op de McDonald-sterrenwacht in de Amerikaanse staat Texas tijdens een ceremoniële opening officieel in gebruik genomen. De Hobby-Eberly Telescope (HET) is al 20 jaar operationeel. Hij heeft een ruim 10 meter grote gesegmenteerde spiegel, en is daarmee een van de grootste telescopen ter wereld. Het ontwerp is echter bijzonder: de telescoop staat altijd op dezelfde hoogte boven de horizon gericht (wat de bouw indertijd veel goedkoper maakte), en kan dus niet de gehele sterrenhemel waarnemen. Dankzij een ingenieus volgsysteem ('tracker') bovenin de telescoop kan een bepaald hemelgebied wel geruime tijd in het oog gehouden worden. De optiek is bovendien minder secuur dan van vergelijkbare grote telescopen, waardoor de HET vooral geschikt is voor spectroscopisch onderzoek, en minder voor het maken van extreem gedetailleerde foto's. Dankzij de upgrade van 40 miljoen dollar is het beeldveld van de telescoop nu enorm veel groter (70 procent van de middellijn van de Volle Maan), en is de 'tracker' compleet vernieuwd. Daardoor is de telescoop nu zeer geschikt voor statistisch onderzoek aan posities en afstanden van verre sterrenstelsels - een essentieel aspect van het Hobby-Eberly Telescope Dark Energy Experiment (HETDEX), waarmee astronomen de invloed van donkere energie op de uitdijing van het heelal in kaart hopen te brengen.  De HET is bovendien uitgerust met vier nieuwe gevoelige spectrografen, waaronder de Habitable Zone Planet Finder, die jacht gaat maken op exoplaneten die zich in de bewoonbare zones van hun moederster bevinden. (GS)
Meer informatie:
Upgraded Hobby-Eberly Telescope to Be Dedicated (origineel persbericht)

   
7 april 2017 • ALMA kiekt dramatisch stellair vuurwerk
Sterexplosies worden meestal in verband gebracht met supernova's: de spectaculaire dood van sterren. Maar nieuwe ALMA-waarnemingen geven inzicht in explosies aan het andere eind van de levenscyclus van sterren: de geboorte. Astronomen legden dramatische beelden vast toen ze het ontstaan van een groep zware sterren onderzochten. De beelden tonen dat ook stervorming een heftig, explosief proces kan zijn. Op 1350 lichtjaar afstand van de aarde, in het sterrenbeeld Orion, bevindt zich een actieve stervormingsfabriek genaamd de Orion Molecular Cloud 1 (OMC-1). De wolk maakt deel uit van de beroemde Orionnevel. Sterren worden geboren als een gaswolk, die honderden keren zo zwaar is als onze zon, begint te bezwijken onder zijn eigen zwaartekracht. In de dichtste gebieden ontbranden protosterren die vervolgens gaan rondzwerven. Na een tijdje vallen sommige sterren naar een gemeenschappelijk zwaartepunt dat meestal wordt gedomineerd door een bijzonder grote protoster. Als de sterren dicht bij elkaar in de buurt komen, ontstaan er heftige interacties. Ongeveer 100.000 jaar geleden, diep in de OMC-1, ontstonden meerdere protosterren. De zwaartekracht trok ze steeds sneller naar elkaar toe totdat 500 jaar geleden twee van die sterren met elkaar in aanraking kwamen. Astronomen weten niet zeker of ze elkaar slechts lichtjes schampten of dat ze vol op elkaar knalden. In ieder geval veroorzaakte het een krachtige uitbarsting die ervoor zorgde dat andere protosterren en honderden reusachtige gas- en stofstromen met snelheden tot 150 kilometer per seconde door de ruimte schoten. Bij deze catastrofe kwam net zo veel energie vrij als onze zon in 10 miljoen jaar uitstoot. Nu, 500 jaar later, gebruikte een team van sterrenkundigen onder leiding van John Bally (University of Colorado, VS) de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) om in het hart van de wolk te kijken. Daar vonden ze het weggeslingerde puin van de explosieve geboorte van de groep zware sterren. Het ziet eruit als de kosmische variant van vuurwerk waarbij reusachtige fonteinen wegschieten in alle richtingen. Zulke explosies duren waarschijnlijk relatief kort. De resten, zoals die gezien met ALMA, blijven slechts enkele eeuwen zichtbaar. Alhoewel ze vluchtig zijn, komen explosies van protosterren waarschijnlijk veel voor. Daarnaast kunnen ze, doordat ze hun moederwolk vernietigen, het stervormingsproces in de gigantische moleculaire wolken helpen reguleren. Dat het puin in OMC-1 weleens een opvliegend karakter kon hebben, werd voor het eerst onthuld met de Submillimeter Array in Hawaii in 2009. Bally en zijn team bekeken de wolk ook in het nabije infrarood met de Gemini South-telescope in Chili. Ze ontdekten toen de opmerkelijke structuur van de fonteinen die bijna een lichtjaar lang zijn. De nieuwe ALMA-beelden tonen het explosieve karakter in hoge resolutie. Ze brengen belangrijke details aan het licht over de verdeling en de beweging van koolmonoxidegas (CO) in de fonteinen. Dit helpt astronomen bij het beter begrijpen van de onderliggende kracht van de uitbarsting en van de impact die zulke gebeurtenissen hebben op stervorming in de Melkweg.
Meer informatie:
Origineel persbericht

   
6 april 2017 • Ruimtetelescoop Kepler ontdekt 'zusje van Venus' rond dwergster
Met de Amerikaanse ruimtetelescoop Kepler is een hete planeet ontdekt in een kleine omloopbaan rond een dwergster op 219 lichtjaar afstand van de aarde. De planeet, Kepler 1649b geheten, is een slag groter dan de aarde, en draait in slechts 9 dagen rond zijn moederster. De hoeveelheid straling die de planeet van de ster ontvangt is 2,3 maal zo groot als de hoeveelheid licht en warmte die de aarde ontvangt van de zon. Ter vergelijking: de 'broeikasplaneet' Venus ontvangt 1,9 maal zo veel straling van de zon als de aarde. De ontdekking, beschreven in The Astronomical Journal, helpt astronomen om meer zicht te krijgen op de omstandigheden op planeten die rond rode dwergsterren draaien - de meest talrijke sterren in het Melkwegstelsel. (GS)
Meer informatie:
Possible Venus Twin Discovered Around Dim Star (origineel opersbericht)

   
6 april 2017 • Zonneactiviteit geeft dwergplaneet Ceres zijn 'dampkring'
De dwergplaneet Ceres, het grootste hemellichaam in de planetoïdengordel tussen de banen van de planeten Mars en Jupiter, heeft zijn sporadische, ijle dampkring te danken aan de activiteit van de zon. Dat schrijven onderzoekers van NASA's Dawn-missie in Astrophysical Journal Letters. Ceres heeft een middellijn van ca. 900 kilometer en heeft te weinig zwaartekracht om een dampkring van enige betekenis vast te houden. Toch zijn er incidenteel concentraties van onder andere waterdamp ontdekt in de directe omgeving van het mini-planeetje. Lange tijd werd aangenomen dat die gassen afkomstig waren door sublimatie van oppervlakteijs onder invloed van zonnewarmte - een proces dat ook bij kometen voorkomt. Uit een nieuwe analyse van Dawn-metingen blijkt echter dat het niet de warmte van de zon is die Ceres af en toe van een extreem ijle dampkring voorziet, maar de elektrisch geladen deeltjes die van de zon afkomstig zijn tijdens perioden van grote zonneactiviteit. Die deeltjes (voornamelijk elektronen en protonen) botsen met watermoleculen in ijskristallen aan het oppervlak, waardoor die moleculen losgeslagen kunnen worden. Eerder was al ontdekt dat er vlak onder het Ceres-oppervlak veel ijs voorkomt, vooral op hoge noordelijke en zuidelijke breedtegraden. Op de bodems van sommige kraters aan het oppervlak is ook ijs ontdekt. (GS)
Meer informatie:
Ceres' Temporary Atmosphere Linked to Solar Activity (origineel persbericht)

   
6 april 2017 • Hubble fotografeert Jupiter tijdens oppositie
De reuzenplaneet Jupiter staat vandaag (7 april 2017) in oppositie met de zon. Dat betekent dat de planeet gezien vanaf de aarde tegenover de zon aan de hemel staat, en dus de gehele nacht goed zichtbaar is, als een opvallende 'ster' in het sterrenbeeld Maagd. Bovendien is de afstand tussen de aarde en Jupiter rond de oppositiedatum het kleinst, waardoor Jupiter extra helder is. Planeetonderzoekers hebben de oppositie van Jupiter aangegrepen om een gedetailleerde opname van de planeet te maken met de Wide Field Camera 3 van de Hubble Space Telescope. De opname, die deel uitmaakt van Hubble's Outer Planets Atmospheres Legacy programma (OPAL), tonen de opvallend oranjekleurige Grote Rode Vlek (links), alsmede tal van kleinere stormen en wolkenbanden. (GS)
Meer informatie:
Hubble takes close-up portrait of Jupiter (origineel persbericht)

   
6 april 2017 • Voor het eerst dampkring ontdekt rond 'aarde-achtige' planeet
Voor het eerst is het bestaan van een dampkring aangetoond rond een planeet die qua afmetingen en massa enigszins vergelijkbaar is met de aarde. De ontdekking is gepubliceerd in The Astronomical Journal. Exoplaneet GJ1132b is 1,4 maal zo groot en 1,6 maal zo zwaar als de aarde. De planeet beschrijft elke 1,6 dagen een kleine baan rond een rode dwergster op 30 lichtjaar afstand in het zuidelijke sterrenbeeld Vela (Zeilen). Vanaf de aarde zien we de baan van opzij, zodat de planeet eens per omloop voor de ster langs beweegt en een klein beetje licht onderschept. Met de 2,2-meter ESO/MPG telescoop op de Europese La Silla-sterrenwacht in Noord-Chili zijn die planeetovergangen nu waargenomen op zeven verschillende golflengten. Voor een dampkringloze planeet moet de hoeveelheid onderschept sterlicht op al die golflengten even groot zijn. Uit de metingen blijkt echter dat de planeet in het infrarood wat groter lijkt. Dat wijst erop dat hij omgeven wordt door een dampkring die infrarode straling absorbeert, maar transparant is voor andere soorten licht. Uit modelberekeningen blijkt dat de metingen goed verklaarbaar zijn door een dampkring die rijk is aan waterdamp en methaangas. Tot nu toe was alleen bij grotere en zwaardere exoplaneten het bestaan van een dampkring aangetoond. GJ1132b zal in de toekomst veel gedetailleerder bestudeerd kunnen worden door grote telescopen op aarde en in de ruimte. De ontdekking van een dampkring zegt overigens nog helemaal niets over het al dan niet voorkomen van leven op de planeet. Ook is niet met zekerheid bekend in welke mate de planeet echt op de aarde lijkt. (GS)
Meer informatie:
Atmosphere around Super-Earth detected

   
5 april 2017 • Nieuwe submillimeter-telescoop voor Noord-Chili
Hij wordt een stuk minder groot dan oorspronkelijk de bedoeling was, maar de bouw van een nieuwe telescoop voor het bestuderen van hoogfrequente submillimeterstraling uit het heelal heeft eindelijk groen licht gekregen. De Cerrro Chajnantor Atacama Telescope-prime (CCAT-p) krijgt een schotelmiddellijn van 6 meter en komt te staan op de 5612 meter hoge bergtop Cerro Chajnantor in Noord-Chili - een van de vulkaantoppen rond de 5000 meter hoge Chajnantor-vlakte waar zich nu het ALMA-observatorium bevindt. Oorspronkelijk wilden de Cornell-universiteit en het California Institute of Technology (Caltech) een 25 meter grote telescoop bouwen (het acroniem CCAT stond eigenlijk voor Cornell Caltech Atacama Telescope), maar de financiering bleek een groot probleem. Mede dankzij particuliere giften van Cornell-alumnus Fred Young is het nu gelukt om van start te gaan met de bouw van een kleiner instrument. Het project wordt gerealiseerd door verschillende instituten in de Verenigde Staten, Duitsland en Canada. Voor het waarnemen van submillimeterstraling is een extreem grote hoogte en een zeer droge atmosfeer van kardinaal belang. Met CCAT-p, die in 2021 operationeel moet zijn, is het mogelijk om de polarisatie van de kosmische achtergrondstraling (de 'echo' van de oerknal) te bestuderen, alsmede de oorsprong van de allereerste sterrenstelsels, de evolutie van de groteschaalstructuur van het heelal (die geregeerd wordt door donkere materie en donkere energie), en de eigenschappen van kosmische neutrino's. (GS)
Meer informatie:
Breakthrough Telescope to Map Origins of Stars, Galaxies and the ‘Cosmic Dawn’ (origineel persbericht)

   
5 april 2017 • Reusachtig sterrenstelsel in jong heelal plaatst astronomen voor raadsel
Een internationaal team van sterrenkundigen, onder wie de Leidse astronomen Corentin Schreiber en Ivo Labbé, heeft een reusachtig sterrenstelsel ontdekt uit de tijd dat het heelal pas 1,6 miljard jaar jong was. Het stelsel moet kort na de oerknal extreem snel gegroeid zijn, wat ingaat tegen alle heersende theorieën. De onderzoekers publiceren hun bevindingen donderdag in Nature. "Het reuzenstelsel is te vergelijken met een baby van honderd kilo met een baard", zegt co-auteur Ivo Labbé (Universiteit Leiden). "Het stelsel is zwaarder dan onze Melkweg en stopte met het vormen van nieuwe sterren toen het heelal pas zo'n 1 miljard jaar jong was. Ter vergelijking, onze Melkweg is al meer dan twintig keer zo lang aan het groeien." Enkele jaren geleden kregen Caroline Straatman (nu werkzaam bij het Max-Planck-Institut für Astronomie in Heidelberg, Duitsland) en Labbé het sterrenstelsel in het vizier in afbeeldingen van de ZFOURGE-survey. Het sterrenstelsel, ZF-COSMOS-20115, bleek een bijzonder rode kleur te hebben die mogelijk was veroorzaakt door een ophoping van oude sterren. Om meer bewijs te vinden voor deze bewering waren spectroscopische waarnemingen nodig die de vingerafdruk van oude sterren aantonen. Labbé regelde daarom samen met Karl Glazebrook (Swinburne University, Australië) waarneemtijd op de Keck-telescopen in Hawaï voor januari en februari 2016. Uit de analyse van de waarnemingen blijkt dat er diepe absorptielijnen van waterstofgas te zien zijn. Die lijnen duiden op oude sterren en leveren het bewijs voor de unieke aard van het sterrenstel. Corentin Schreiber (Universiteit Leiden) analyseerde de gegevens: "Het lijkt erop dat het stelsel al 500 miljoen jaar eerder tot rust is gekomen. Dus het moet binnen een miljard jaar na de oerknal zo zijn gegroeid. Dat is echt ongelofelijk." Het is onduidelijk hoe het sterrenstelsel zo snel heeft kunnen groeien. Het stelsel zou dan namelijk om sterren te vormen bijna al het gas in zijn omgeving moeten hebben gebruikt, terwijl de huidige theorieën ervan uitgaan dat sterrenstelsels minder dan tien procent van het gas benutten. De onderzoekers denken dat er nog meer van zulke sterrenstelsels zijn. Die verschuilen zich mogelijk achter stofwolken of zijn te zwak om vanaf de aarde te zien. Met de James Webb-ruimtelescoop, die eind 2018 wordt gelanceerd, en met het ALMA-observatoriumin Chili hopen de onderzoekers in de toekomst meer duidelijkheid te krijgen.
Meer informatie:
Origineel persbericht

   
5 april 2017 • Kleine IJstijd verdient die naam niet, volgens Britse onderzoekers
De zogeheten Kleine IJstijd was veel minder ingrijpend dan vaak wordt gesuggereerd, en kan ook zeker niet volledig worden toegeschreven aan een langdurige periode van geringe zonneactiviteit. Die conclusie trekken Britse onderzoekers onder leiding van Mike Lockwood van de Universiteit van Reading in een artikel in Astronomy & Geophysics, op basis van uitgebreid onderzoek aan historische en meteorologische gegevens. Tussen 1650 en 1710 en tussen 1790 en 1825 was de zon veel minder actief dan gemiddeld (de twee perioden staan bekend als het Maunder- en het Dalton-minimum), en in de 17de eeuw kwamen in Europa regelmatig zeer strenge winters voor, die onder andere werden vastgelegd door Nederlandse en Vlaamse landschapsschilders. Lockwood en zijn collega's vinden de term 'Kleine IJstijd' echter misleidend. De gemiddelde temperatuur in Europa was slechts 0,5 graden lager dan normaal (tijdens een 'echte' ijstijd gaat het om een verschil van minstens 8 graden); de effecten waren regionaal; naast incidentele strenge winters was er ook regelmatig sprake van zeer hete zomers, en de zon kan zeker niet als enige oorzaak worden aangewezen. (GS)
Meer informatie:
Paintings, sunspots and frost fairs: rethinking the Little Ice Age (origineel persbericht)