24 maart 2017 • Recordzware bruine dwergster heeft maagdelijke samenstelling
Astronomen hebben een bruine dwerg – een ster die te klein is om energie op te wekken door middel van kernfusie – opgespoord die zwaarder en ‘zuiverder’ van samenstelling is dan alle reeds bekende bruine dwergen. Het object, dat SDSS J0104+1535 heet, maakt deel uit van de zogeheten halo – het buitengebied – van onze Melkweg, waar de oudste sterren te vinden zijn. SDSS J0104+1535 staat op een afstand van 750 lichtjaar in het sterrenbeeld Vissen. De bruine dwerg bestaat voor meer dan 99,99 procent uit waterstof en helium en is daarmee ongeveer 250 keer zuiverder van samenstelling dan onze zon. Zijn ‘oersamenstelling’ wijst erop dat hij heel oud is – ongeveer tien miljard jaar. Verder blijkt uit metingen met de Europese Very Large Telescope dat hij ongeveer negentig keer zoveel massa heeft als de planeet Jupiter. De ontdekking toont aan dat er ook al bruine dwergen ontstonden toen het heelal nog niet zo sterk was verrijkt met elementen zwaarder dan helium. Volgens de astronomen die SDSS J0104+1535 hebben onderzocht is dat verrassend. (EE)
Meer informatie:
Astronomers identify purest, most massive brown dwarf

   
23 maart 2017 • Verre melkwegstelsels zijn gehuld in ‘superhalo’s’
Met behulp van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) hebben astronomen een tweetal Melkweg-achtige sterrenstelsels waargenomen waarvan het licht er ruim 12 miljard jaar over heeft gedaan om ons te bereiken. De vroege voorlopers van de huidige spiraalstelsels, waartoe ook onze Melkweg behoort, lijken omgeven te zijn door reusachtige halo’s van waterstofgas die zich tot op vele tienduizenden lichtjaren van het eigenlijke stelsel uitstrekken (Science, 24 maart). Astronomen hebben de twee uiterst zwakke stelsels oorspronkelijk ontdekt door het licht te analyseren van twee quasars – de heldere kernen van actieve sterrenstelsels die nog eens honderden miljoenen lichtjaren verder weg staan. Wanneer dit licht onderweg naar de aarde door een tussenliggend sterrenstelsel heen gaat, laat het in dit stelsel aanwezige gas een spectrale ‘vingerafdruk’ achter. Op die manier kan indirect allerlei informatie worden verkregen over de tussenliggende stelsels, maar rechtstreeks waarneembaar waren ze tot nu toe niet. Hun zwakke gloed ‘verdronk’ in het veel helderdere schijnsel van de achtergrondquasars. Met ALMA is het astronomen nu voor het eerst gelukt om ver-infraroodstraling van de beide stelsels op te vangen. Deze gloed wordt toegeschreven aan actieve, gasrijke stervormingsgebieden. Het merkwaardige is dat de betreffende stervormingsgebieden vanaf de aarde gezien een flink stuk naast de quasars liggen. Bij het ene stelsel bedraagt de onderlinge afstand 137.000 lichtjaar, bij het andere 59.000 lichtjaar. De meest voor de hand liggende verklaring is dat de eerder waargenomen vingerafdrukken in het licht van de verre quasars worden veroorzaakt door een omvangrijke halo van waterstofgas. Het is echter ook denkbaar dat het gaat om gas dat vanuit de omgeving naar de beide sterrenstelsels toe stroomt. De nieuwe ALMA-gegevens laten zien dat de twee jonge sterrenstelsels al roteren, net als de grote spiraalstelsels die we in het huidige heelal waarnemen. Ook blijkt uit de gegevens dat de stelsels productieve ‘sterfabrieken’ zijn: het ene levert ongeveer 100 zonsmassa’s aan sterren per jaar af, het andere ongeveer 25 zonsmassa’s per jaar. (EE)
Meer informatie:
Milky Way-like Galaxies in Early Universe Embedded in 'Super Halos'

   
23 maart 2017 • Superzwaar zwart gat ontsnapt uit zijn sterrenstelsel
Een internationaal team van astronomen heeft, met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop, een superzwaar zwart gat ontdekt dat uit het centrum van het verre sterrenstelsel 3C186 is weggeschoten. Het vermoeden bestaat dat dit is gebeurd onder invloed van zwaartekrachtgolven. Het is voor het eerst dat een superzwaar zwart gat op zo’n grote afstand van het centrum van zijn moederstelsel is aangetroffen. De astronomen schatten dat het zwarte gat een miljard keer zoveel massa heeft als onze zon. Om zo’n kolos uit een sterrenstelsel te ‘schoppen’ is een hoeveelheid energie nodig die overeenkomt met 100 miljoen supernova’s die tegelijk afgaan. De opnamen die Hubble van 3C186 maakte, lieten direct al zien dat er iets bijzonders aan de hand is met het 8 miljard lichtjaar verre stelsel. De beelden laten een heldere quasar zien – een actief zwart gat dat enorm veel energie produceert – maar dat bevindt zich niet in de kern van het bijbehorende sterrenstelsel. Spectroscopisch onderzoek van het gas rond het zwarte gat (dat zelf niet rechtstreeks waarneembaar is) laat zien dat het object zich met een snelheid van 7,5 miljoen kilometer per uur uit de voeten maakt. Het is inmiddels ongeveer 35.000 lichtjaar van het centrum van het sterrenstelsel verwijderd. Hoewel ook andere scenario’s mogelijk zijn, vermoeden de astronomen dat één à twee miljard jaar geleden twee sterrenstelsels – elk met een centraal zwart gat – met elkaar in botsing zijn gekomen. De beide zwarte gaten, van ongelijke massa, spiraalden geleidelijk naar elkaar toe, waarbij ze steeds krachtigere zwaartekrachtgolven opwekten. Toen ze uiteindelijk samensmolten, zou de niet-symmetrische massaverdeling en dito zwaartekrachtgolven erin hebben geresulteerd dat het uiteindelijke zwarte gat uit het centrum van zijn stelsel wegschoot. Een aanzienlijk minder spectaculaire mogelijkheid is dat de heldere quasar helemaal niet bij het stelsel 3C186 hoort, maar daar toevallig precies achter staat. (EE)
Meer informatie:
Hubble detects supermassive black hole kicked out of galactic core

   
23 maart 2017 • Ster Delta Cephei pulseert ook op röntgengolflengten
De ster Delta Cephei – het prototype van de zogeheten cepheïden – blijkt niet alleen op zichtbare golflengten te pulseren, de ster doet dat ook op röntgengolflengten. Dat blijkt uit onderzoek waarvan de resultaten vanmiddag in The Astrophysical Journal zijn gepubliceerd. Cepheïden zijn een bekende klasse van sterren die regelmatige helderheidsveranderingen vertonen. Het bijzondere aan deze sterren is dat er een verband bestaat tussen hun pulsatieperiode en de hoeveelheid licht die zij produceren. Dankzij deze eigenschap kunnen astronomen aan het pulsatiegedrag van een cepheïde zien hoe ver deze van ons verwijderd is. De cepheïden zijn vernoemd naar de eerste ster waarbij dit type helderheidsveranderingen zijn waargenomen: de 890 lichtjaar verre ster Delta Cephei. Recente waarnemingen met de röntgensatellieten Chandra en XMM-Newton hebben nu laten zien dat Delta Cephei röntgenvariaties vertoont die dezelfde periode laten zien (5,4 dagen) als de normale lichtwisselingen van de ster. De röntgenstraling vertoont een scherpe piek rond het moment dat de pulserende ster zijn maximale omvang (45 keer de grootte van de zon) bereikt. Dat een ster als deze überhaupt röntgenstraling kan produceren, is vrij verrassend. Cepheïden zijn van zichzelf namelijk niet uitzonderlijk zwaar of heet. Analyses van de röntgengegevens wijzen erop dat er ergens in of rond Delta Cephei plasma (geïoniseerd gas) aanwezig moet zijn met een temperatuur van meer dan 10 miljoen graden. Mogelijk ontstaat de röntgenstraling doordat de pulsaties schokgolven in de atmosfeer van de ster veroorzaken, maar er zijn ook andere verklaringen mogelijk. Behalve op röntgengolflengten is Delta Cephei ook in het ultraviolet – straling die iets minder energierijk is dan röntgenstraling – onderzocht. Bij die waarnemingen, verricht met de Hubble-ruimtetelescoop, is plasma met temperaturen tot ‘maar’ 300.000 graden Celsius gedetecteerd. Ook op ultraviolette golflengten fluctueert de helderheid van Delta Dephei, maar opmerkelijk genoeg bereikt de uv-straling juist haar hoogtepunt rond de momenten dat de ster op zijn kleinst is. Waarom röntgenhelderheid en uv-helderheid zo uit de pas lopen, is nog een raadsel. (EE)
Meer informatie:
The Surprising Discovery of a New Class of Pulsating X-Ray Stars

   
23 maart 2017 • Energierijke röntgenstraling van Andromedastelsel lijkt afkomstig van pulsar
De meest energierijke röntgenstraling van het Andromedastelsel, de meest nabije grote buur van onze Melkweg, is waarschijnlijk afkomstig van een object dat Swift J0042.6+4112 heet. Dat blijkt uit waarnemingen met de NASA-satelliet NuSTAR, die laten zien dat het röntgenspectrum van dit object sterke overeenkomsten vertoont met dat van een pulsar – het sterk magnetische, rondtollende restant van een ontplofte ster. Vermoedelijk maakt de kandidaat-pulsar deel uit van een dubbelstersysteem waarin materie van een stellaire begeleider naar de pulsar stroomt. Daarbij kan de overgedragen materie dermate hoge temperaturen bereiken, dat zij röntgenstraling gaat uitzenden.Doorgaans gingen astronomen ervan uit dat zulke energierijke röntgenstraling afkomstig moet zijn van zwarte gaten die materie opslokken. Maar Swift J0042.6+4112, die aanzienlijk minder massa heeft, is in dit deel van het elektromagnetische spectrum helderder dan alle zwarte gaten in het Andromedastelsel bij elkaar. Zelfs het superzware zwarte gat in de kern van het stelsel is geen sterke bron van hoogenergetische röntgenstraling. (EE)
Meer informatie:
Andromeda's Bright X-Ray Mystery Solved by NuSTAR

   
22 maart 2017 • Stand rotatie-as Ceres varieert sterk
De dwergplaneet Ceres staat lang niet altijd zo rechtop als nu: haar ashelling varieert tussen de 2 en 20 graden. Dat blijkt uit berekeningen door onderzoekers van NASA’s ruimtemissie Dawn. De variaties in de stand van Ceres worden veroorzaakt door de zwaartekrachtsinvloeden van de planeten Jupiter en Saturnus. Deze zorgen ervoor dat de dwergplaneet een trage schommelbeweging maakt met een periode van ongeveer 24.500 jaar. Nog maar 14.000 jaar geleden was de ashelling maximaal. De asschommeling heeft gevolgen voor de voorraden waterijs die zich in diepe kraters op Ceres kunnen verzamelen. Deze ijsvoorraden kunnen zich alleen handhaven op plaatsen die nooit zonlicht zien. In tijden zoals nu, als de rotatie-as van Ceres vrijwel rechtop staat, ontvangen relatief grote delen van het oppervlak nooit zonlicht, met name rond de polen. Maar met toenemende ashelling worden steeds meer kraters rond de polen blootgesteld aan de zon. Vandaar dat alleen in kraters die ook bij maximale ashelling in het duister liggen ijsafzettingen zijn gevonden.Overigens is nog steeds niet helemaal duidelijk waar de ijsafzettingen vandaan komen. Het betreffende water zou afkomstig kunnen zijn van ingeslagen planetoïden en kometen, maar het is ook denkbaar dat het uit het inwendige van Ceres zelf komt. (EE)
Meer informatie:
Ice in Ceres' Shadowed Craters Linked to Tilt History

   
22 maart 2017 • Donkere strepen op Mars hoeven niet nat te zijn
In het warme seizoen verschijnen langs steile wanden op de planeet Mars opvallende donkere strepen die ‘nat’ lijken. Volgens wetenschappers uit Frankrijk en Slowakije komt aan het ontstaan van deze strepen echter geen druppel water te pas. Het zouden simpelweg zandverschuivingen zijn, die worden veroorzaakt door het samenspel van zon en schaduw (Nature Geoscience, 20 maart). De vingerachtige sporen in het zand werden in 2011 voor het eerst opgemerkt. Omdat ze alleen tijdens warme seizoen te zien zijn, meenden sommige wetenschappers dat ze door zoutrijk smeltwater werden veroorzaakt. Andere onderzoekers vonden dit echter niet waarschijnlijk, omdat ijs op Mars niet echt smelt, maar sublimeert - d.w.z. direct in dampvorm overgaat. Ook de suggestie dat de strepen ontstaan door condenserend atmosferisch water heeft een zwak punt: de atmosfeer van Mars bevat bijzonder weinig vocht. Volgens nieuwe computersimulaties ontstaan de strepen doordat de bovenste laag van zand en stof in het warme seizoen opwarmt, terwijl de onderliggende deeltjes koud blijven. Deze temperatuurgradiënt veroorzaakt veranderingen in de druk van het gas in de kleine holtes tussen de zandkorreltjes. Als gevolg hiervan stijgt het gas op en komen de zanddeeltjes zodanig in beroering dat ze omlaag glijden. Dat de strepen donker zijn, zou volgens de wetenschappers een gevolg zijn van een bekend sorteereffect dat ervoor zorgt dat de wat grovere deeltjes, die meer schaduwwerking veroorzaken, aan de oppervlakte komen te liggen. Ook zouden de fijnste stofdeeltjes tijdens de zandverschuivingen kunnen wegschieten. Dat de strepen vervolgens weer vervagen zou komen door de afzetting van fijn stof uit de atmosfeer. (EE)
Meer informatie:
Mars’ Dark Streaks May Be Caused by Dry Landslides, Not Water

   
22 maart 2017 • Astronomen ontdekken reusachtige magnetische velden
Duitse astronomen hebben met de 100-meter radiotelescoop van Effelsberg een aantal clusters van sterrenstelsels onder de loep genomen. Aan de grenzen van deze grote samenscholingen van sterrenstelsels, gas en donkere materie hebben ze buitengewoon gelijkmatige magnetische velden ontdekt die zich over vele miljoenen lichtjaren uitstrekken. Daarmee zijn het de omvangrijkste magnetische velden die tot nu toe in het heelal zijn waargenomen (Astronomy & Astrophysics, 22 maart). Clusters zijn de grootste structuren in het heelal die door de zwaartekracht bijeen worden gehouden. Met karakteristieke afmetingen van ongeveer 10 miljoen lichtjaar – honderd keer de middellijn van onze Melkweg – bieden ze plaats aan grote aantallen sterrenstelsels die ingebed zijn door heet gas en magnetische velden. Onderlinge botsingen tussen clusters leiden tot schokgolven die dat hete clustergas en de magnetische velden samendrukken. Daarbij ontstaan boogvormige structuren, ‘relicten’ geheten, die opvallen door de radio- en röntgenstraling die zij uitzenden. Sinds de eerste ontdekking in 1970 zijn bij ongeveer zeventig clusters van zulke relicten opgespoord. De samendrukking van de magnetische velden heeft een ordenend effect op de veldlijnen. Dat heeft ook gevolgen voor de radiostraling van het magnetische veld: dat wordt lineair gepolariseerd. Met de Effelsberg-telescoop is dit polarisatie-effect nu bij vier clusters waargenomen – bij één daarvan voor het eerst. Uit de metingen blijkt dat de magnetische velden, die zich over vijf tot zes miljoen lichtjaar uitstrekken, van vergelijkbare sterkte zijn als die in onze Melkweg. Ook kon worden vastgesteld dat de botsingen waarbij de onderzochte relicten zijn ontstaan zich hebben voltrokken met snelheden van 2000 kilometer per seconde – wat sneller is dan uit eerdere röntgenmetingen was afgeleid. Verder zijn er aanwijzingen gevonden dat de geordende magnetische velden zich tot ver buiten de clusters uitstrekken. (EE)
Meer informatie:
Giant Magnetic Fields in the Universe

   
22 maart 2017 • Jonge sterren hinderen planeetvorming
Sterren hoeven niet groot en zwaar te zijn om het materiaal rond naburige sterren te doen verdampen, zo blijkt uit onderzoek van de protoplanetaire schijf rond de jonge zonachtige ster IM Lupi. De waarnemingen laten zien dat de schijf, waarin zich planeten kunnen vormen, in hoog tempo ‘vervliegt’ terwijl de hoeveelheid straling van omgevingssterren vrij beperkt is. In stervormingsgebieden ontstaan sterren van uiteenlopende afmetingen. Bekend was al dat wanneer de protoplanetaire schijf rond een betrekkelijk kleine ster zich in de buurt van een zware ster bevindt, deze laatste delen van de schijf kan doen verdampen. Vermoed werd echter dat dit alléén gebeurt wanneer de schijf wordt bestraald door zeer zware sterren. Dat blijkt dus niet zo te zijn. Als de schijf rond IM Lupi in het huidige tempo massa blijft verliezen, dan raakt hij in de loop van zijn 10 miljoen jaar durende bestaan 3300 aardmassa’s aan materiaal kwijt. Volgens de onderzoekers kan dit gevolgen hebben voor de diversiteit die exoplanetenstelsels kunnen vertonen. Zo zou het licht van doodnormale buursterren een beperkende factor kunnen zijn voor de maximale afmetingen die een planetenstelsel kan bereiken. De astronomen die IM Lupi hebben onderzocht, vermoeden overigens dat de protoplanetaire schijf rond deze ster extra gevoelig is voor sterlicht, omdat hij nog zo groot is. Hij heeft een straal van ongeveer 400 astronomische eenheden (AE), d.w.z. tien keer de afstand zon-Pluto. Berekeningen wijzen erop dat de schijf, die net als zijn ster nog geen miljoen jaar oud is, tijdens zijn korte bestaan al is gehalveerd. (EE)
Meer informatie:
Fledgling stars try to prevent their neighbours from birthing planets

   
22 maart 2017 • UV-straling verklaart geringe aantal dwergstelsels
Het ontbreken van grote aantallen kleine dwergsterrenstelsels in het heelal is vermoedelijk te wijten aan de energierijke ultraviolette achtergrondstraling in de kosmos. Dat schrijven astronomen in Montly Notices of the Royal Astronomical Society, op basis van spectroscopische waarnemingen die verricht zijn met het MUSE-instrument op de Europese Very Large Telescope in Chili. Volgens de gangbare kosmologische modellen moeten grote sterrenstelsels zoals het Melkwegstelsel omgeven worden door talloze kleine dwergstelseltjes. Daarvan zijn er echter veel minder waargenomen dan voorspeld. Sterrenkundigen van Durham University in het Verenigd Koninkrijk denken nu dat dat komt doordat de vorming van nieuwe sterren in de kleine dwergstelsels al in een vroeg stadium tot stilstand wordt gebracht door de alomtegenwoordige ultraviolette straling in het heelal. Als er te weinig nieuwe sterren ontstaan in de dwergstelsels, blijven ze onzichtbaar voor aardse telescopen. De kosmische UV-achtergrondstraling wordt geproduceerd door hete reuzensterren en superzware zwarte gaten. De energierijke straling verhit het waterstofgas in de kleine sterrenstelsels, waarbij het gas zelf zichtbaar begint te 'fluoresceren' op rode golflengten. Gaswolken met een te hoge temperatuur kunnen minder gemakkelijk ineenstorten tot nieuwe sterren. In grotere sterrenstelsels speelt dat effect een veel kleinere rol. Het fluoresceren van waterstofgas onder invloed van de kosmische UV-achtergrondstraling is waargenomen rond het sterrenstelsel UGC 7321, op 30 miljoen lichtjaar afstand van de aarde. (GS)
Meer informatie:
Universe’s ultraviolet background could provide clues about missing galaxies (origineel persbericht)

   
21 maart 2017 • Veranderend uiterlijk voor Rosetta-komeet
Komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko - de komeet die de afgelopen jaren van nabij is bestudeerd door de Europese ruimtesonde Rosetta - heeft opvallende uiterlijke veranderingen ondergaan tijdens de periheliumpassage (het moment waarop de komeet in zijn langgerekte baan de kleinste afstand tot de zon bereikte). Dat blijkt uit een gedetailleerd onderzoek aan foto's van de komeet, gemaakt door Rosetta. De nieuwste resultaten zijn vandaag gepubliceerd door het Amerikaanse weekblad Science en door het Britse tijdschrift Nature Astronomy. Kometen zijn kleine en betrekkelijk poreuze hemellichamen, bestaande uit ijs en steen. Ze hebben maar een zeer zwak zwaartekrachtveld. Als gevolg van de toenemende zonnewarmte tijdens de periheliumpassage produceert een komeet geisers en fonteinen van gas en stof. Daardoor erodeert het oppervlak, wat tot allerlei uiterlijke veranderingen kan leiden. Komeetonderzoekers hebben gezien hoe tientallen meters grote rotsblokken zich over grote afstanden verplaatsten. Steile kliffen zijn ineengestort; scheuren en barsten in het oppervlak zijn breder geworden. Eén grote scheur - in de smalle 'nek' van de komeet - is ca. 100 meter breder geworden. Dat kan erop wijzen dat de haltervormige komeet in de toekomst in tweeën breekt. Dat proces zou versneld kunnen worden door de toename in de rotatieperiode van 67P, die ook door Rosetta is gemeten. (GS)
Meer informatie:
The Many Faces of Rosetta's Comet 67P (origineel persbericht)

   
20 maart 2017 • Marsvulkaan Arsia Mons was mogelijk 50 miljoen jaar geleden nog actief
De grote Marsvulkaan Arsia Mons was mogelijk 50 miljoen jaar geleden nog actief - geologisch gesproken zeer recent. Planeetwetenschappers hebben gedetailleerde foto's van de vulkaan bestudeerd, gemaakt door de Amerikaanse Mars Reconnaissance Orbiter. De leeftijden van verschillende lavastromen konden onder andere bepaald worden op basis van kratertellingen: hoe ouder een (gestolde) lavastroom is, hoe meer kleine inslagkraters erop te zien zullen zijn. Arsia Mons is de zuidelijkste van de drie grote vulkanen die gelegen zijn op de Tharsis-bergrug (daarnaast heeft Mars nog een kolossale vulkaan, Olympus Mons geheten). De basismiddellijn van Arsia Mons is 110 kilometer; de hoogte bedraagt ca. 20 kilometer. In de caldera op de vulkaantop zijn 29 vulkanische openingen geïdentificeerd. Uit de nieuwe leeftijdsbepalingen blijkt dat de laatste activiteitsperiode van Arsia Mons ca. 200 miljoen jaar geleden begon en ca. 150 miljoen jaar geleden zijn hoogtepunt bereikte. Gedurende die periode ontstond er gemiddeld eens in de 1 à 3 miljoen jaar een nieuwe grote lavastroom. De vulkaan produceerde tussen de 1 en 8 kubieke kilometer lava per miljoen jaar. De jongste lavastromen ontstonden mogelijk slechts 50 miljoen jaar geleden. Dat betekent dat de vulkanische activiteit van Arsia Mons definitief aan het uitdoven was rond de tijd dat op aarde de dinosaurussen uitstierven. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in Earth and Planetary Science Letters, en vandaag gepresenteerd op de Lunar and Planetary Science Conference die deze week wordt gehouden in The Woodlands, Texas. (GS)
Meer informatie:
Mars Volcano, Earth's Dinosaurs Went Extinct About the Same Time (origineel persbericht)

   
20 maart 2017 • Swift-satelliet ziet ster in zwart gat verdwijnen
Een uitbarsting van zichtbaar licht en ultraviolette straling in een ver sterrenstelsel, waargenomen in november 2014, is vermoedelijk veroorzaakt doordat langgerekte gasslierten van een uiteengerukte ster met elkaar in botsing kwamen. Dat schrijven Amerikaanse astronomen in Astrophysical Journal Letters, op basis van metingen met NASA's röntgen- en gammakunstmaan Swift. De uitbarsting, die plaatsvond in het centrum van een sterrenstelsel op 290 miljoen lichtjaar afstand, is ASASSN-14li genoemd (naar het telescopennetwerk waarmee hij werd ontdekt). Swift detecteerde ongeveer een maand later ook variabele röntgenstraling uit hetzelfde gebied. Alles lijkt erop te wijzen dat een zonachtige ster te dicht in de buurt is gekomen van het centrale zwarte gat van het sterrenstelsel, dat naar schatting 3 miljoen maal zo zwaar is als de zon. Bij zo'n tidal disruption event wordt de ster uiteengerukt; het gas hoopt zich uiteindelijk op in een afgeplatte en snel roterende 'accretieschijf', die zo heet wordt dat hij röntgenstraling uitzendt. De eerdere uitbarsting van zichtbaar licht en ultraviolette straling is volgens de auteurs waarschijnlijk veroorzaakt doordat het gas van de uiteengerukte ster aanvankelijk een sterk elliptische baan rond het zwarte gat beschreef. Verschillende langgerekte gasslierten kwamen daarbij met elkaar in botsing, wat leidde tot schokvolgen en uitbarstingen van sttraling op optische en ultraviolette golflengten. (GS)
Meer informatie:
NASA's Swift Mission Maps a Star's 'Death Spiral' into a Black Hole (origineel persbericht)

   
20 maart 2017 • Maantjes en ringen wisselden elkaar bij Mars misschien af
De planeet Mars heeft in de afgelopen paar miljard jaar mogelijk afwisselend ringen en maantjes gehad. Dat concluderen wetenschappers van Purdue University op basis van computersimulaties. Mars heeft momenteel twee kleine manen. De grootste (en binnenste) van de twee, Phobos, beweegt langzaam maar zeker steeds dichter naar de planeet toe. Over ca. 70 miljoen jaar zal hij door de sterker wordende getijdenkrachten van Mars uiteen worden gerukt, en raakt de planeet omgeven door een ijl ringenstelsel van stof- en gruisdeeltjes. Uit de computersimulaties van de astronomen blijkt dat zo'n ringenstelsel zich in de loop van de tijd in radiale richting uitbreidt. Op relatief grote afstand van de planeet kan een deel van het ringmateriaal dan opnieuw samenklonteren tot een maantje. Dat is dan ca. 5 maal zo klein als zijn voorganger, en zal uiteindelijk hetzelfde lot ondergaan. De rest van het ringmateriaal zou op Mars terechtkomen. Het kolossale noordpoolbekken op de planeet is 4,3 miljard jaar geleden mogelijk ontstaan bij een gigantische kosmische inslag, en volgens de onderzoekers kan die inslag het proces op gang hebben gebracht. In totaal zouden ringen en maantjes elkaar misschien drie tot zeven maal hebben afgewisseld, zo schrijven ze in Nature Geoscience. (GS)
Meer informatie:
Does Mars Have Rings? Not Right Now, But Maybe One Day (origineel persbericht)

   
17 maart 2017 • Hubble-ruimtetelescoop spoort ‘zoekgeraakte’ ster op
Ongeveer 540 jaar geleden speelde zich een klein drama af in de Orionnevel, een bekende stervormingsgebied op 1300 lichtjaar van de aarde. Twee sterren die deel uitmaakten van een drievoudig stersysteem naderden elkaar zo dicht, dat het systeem destabiliseerde. De drie jonge sterren stoven verschillende kanten op. Twee ervan werden in 1967 ontdekt, maar nummer drie was tot voor kort spoorloos. Deze ‘wegloopster’ is onlangs opgespoord met de Hubble-ruimtetelescoop. Waarnemingen lieten zien dat de sterren 1 en 2 met hoge snelheid in tegengestelde richting bewegen. Hun oorsprong bleek in het centrum van de Orionnevel te liggen. Direct al bestond het vermoeden dat er nog een derde ster in het spel moest zijn, maar die werd niet onmiddellijk gevonden. Dat hij nu alsnog is opgespoord, berust op toeval. Hij is ontdekt bij een zoekactie naar vrij rondzwervende planeten in de Orionnevel – planeten die van hun moederster zijn gescheiden. Bij deze survey is een ster ontdekt die zich bijzonder snel blijkt te verplaatsen: met een snelheid van ruim 200.000 kilometer per uur. Berekeningen laten zien dat hij zich ruim 500 jaar geleden dicht in de buurt van de beide andere sterren moet hebben bevonden. Vermoed wordt dat de drie niet de enige wegloopsterren in de omgeving van de Orionnevel zijn. Uit computersimulaties blijkt dat in jonge sterrenhopen, zoals die in de Orionnevel, wel vaker zwaartekrachtsinteracties plaatsvinden waarbij sterren zich met hoge snelheid uit de voeten maken. Het opsporen van deze sterren is niet zo eenvoudig: de Orionnevel is rijk aan gas en stof, waardoor veel van de jonge sterren niet waarneembaar zijn op zichtbare golflengten. (EE)
Meer informatie:
Hubble Discovery of Runaway Star Yields Clues to Breakup of Multiple-Star System

   
17 maart 2017 • ALMA-telescoop brengt kosmisch ‘gat’ in beeld
Japanse astronomen die gebruik maken van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) zijn erin geslaagd om een ‘radiogat’ rond een 4,8 miljard lichtjaar verre cluster van sterrenstelsels in beeld te brengen. Het resultaat is de meest nauwkeurige afbeelding van zo’n gat, dat wordt veroorzaakt door het Soenjajev-Zeldovitsj-effect, die ooit is verkregen. De astronomen gebruikten ALMA om het hete gas in de cluster RX J1347.5-1145 in kaart te brengen. Hoewel dat gas zelf geen radiostraling uitzendt die detecteerbaar is met ALMA, verstrooit het wel de radiostraling van de kosmische achtergrondstraling – een overblijfsel van de oerknal. Hierdoor vertoont de kosmische achtergrondstraling – vanaf de aarde gezien – in en rond deze cluster van sterrenstelsels een lagere intensiteit. Het Soenjajev-Zeldovitsj-effect in RX J1347.5-1145 is al veel vaker waargenomen met radiotelescopen. Daarbij is ontdekt dat het hete gas in de cluster een ongelijkmatige verdeling vertoont, die op röntgengolflengten niet waarneembaar is. De ALMA-waarnemingen, die de verdeling van het gas veel duidelijker en gedetailleerder laten zien, bevestigen de eerdere bevindingen. De discrepantie tussen radio- en röntgenwaarnemingen brengt de astronomen tot de conclusie dat er sprake is van een botsing tussen twee clusters, waarbij een samenballing van zeer heet gas is ontstaan. (EE)
Meer informatie:
ALMA’s ability to see a “cosmic hole” confirmed

   
16 maart 2017 • Europees/Russische Marssonde krijgt nieuwe omloopbaan
De Europees/Russische ruimtesonde ExoMars Trace Gas Orbiter (TGO), die sinds 19 oktober 2016 in een langgerekte baan om de planeet Mars beweegt, heeft al zijn tests doorstaan. Dat betekent dat hij klaar is voor zijn hoofdtaak: het onderzoeken van de Marsatmosfeer. Maar voor het zover is, zal hij een jaar lang met vaste tussenpozen een korte duik maken in diezelfde atmosfeer – een reeks manoeuvres die nodig is om hem in een lage cirkelvormige omloopbaan om Mars te brengen. De afgelopen maanden zijn met de wetenschappelijke instrumenten van de TGO allerlei proefmetingen gedaan, ter voorbereiding van het eigenlijke meetprogramma dat volgend jaar van start gaat. Het belangrijkste onderdeel daarvan is het opsporen van methaangas in de ijle Marsatmosfeer. Als er naast methaan ook propaan en ethaan worden gedetecteerd, zou dat erop kunnen wijzen dat er levende organismen zijn op Mars. Wordt methaan alleen in combinatie met zwaveldioxide aangetroffen, dan zijn geologische processen de meest waarschijnlijke bron. Als alles volgens plan verloopt, zal de TGO straks ook kunnen fungeren als communicatiesatelliet voor het tweede deel van de ExoMars-missie: een combinatie van een vast meetplatform en een mobiele onderzoeksrobot. De aankomst daarvan wordt in het voorjaar van 2021 verwacht. (EE)
Meer informatie:
ExoMars: science checkout completed and aerobraking begins

   
16 maart 2017 • Nederlandse Sterrenkunde Olympiade 2017 in Groningen
Het Kapteyn Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen organiseert de Nederlandse Sterrenkunde Olympiade 2017. Leerlingen van de bovenbouw havo en vwo kunnen tussen 15 maart en 15 mei thuis meedoen aan de voorronde. De finale is van 5 tot en met 7 juli in Groningen. De beste inzenders strijden in deze finale om de hoofdprijs, een reis naar de sterrenwacht op La Palma. Meedoen aan de olympiade is eenvoudig. De vragen van de voorronde zijn vanaf 15 maart beschikbaar op www.sterrenkundeolympiade.nl. Deze vragen maken de leerlingen thuis en bestaan uit een aantal meerkeuzevragen, enkele open vragen en computeropdrachten. De antwoorden moeten zij uiterlijk 15 mei insturen, waarna een deskundige jury deze nakijkt. De beste kandidaten mogen meedoen aan de finale in Groningen. De finalisten volgen de eerste dagen colleges over verschillende sterrenkundige onderwerpen en zullen daarnaast samen leuke activiteiten ondernemen. Na de colleges volgt een examen met vragen over de onderwerpen die tijdens de colleges zijn behandeld. Op basis daarvan wijst de jury de winnaars aan. De olympiade wordt afgesloten met een feestelijke prijsuitreiking. De hoofdprijs is traditiegetrouw een reis naar het Roque de los Muchachos-observatorium op het Canarische eiland La Palma, waar de winnaars zelf met een professionele telescoop naar het heelal mogen kijken.
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
15 maart 2017 • Sterrenstelsels in het vroege heelal bevatten (nog) weinig donkere materie
Nieuwe waarnemingen met de Europese Very Large Telescope wijzen erop dat tijdens de hoogtijdagen van het ontstaan van sterrenstelsels, 10 miljard jaar geleden, sterrenstelsels voornamelijk uit baryonische oftewel ‘normale’ materie bestonden. Dat is in schril contrast met de huidige sterrenstelsels, waarin de geheimzinnige donkere materie de overhand lijkt te hebben. Dit verrassende resultaat suggereert dat donkere materie in het vroege heelal minder invloedrijk was dan nu (Nature, 16 maart). De materie die wij in het heelal zien bestaat uit helder stralende sterren, gloeiend gas en wolken van stof. Maar de ongrijpbare donkere materie straalt geen licht uit en absorbeert of weerkaatst het ook niet – zij is alleen waarneembaar via de zwaartekracht die zij op haar omgeving uitoefent. De aanwezigheid van donkere materie kan verklaren waarom de buitenste delen van nabije spiraalstelsels sneller draaien dan je zou verwachten als de stelsels volledig uit normale materie zouden bestaan. Een internationaal team van astronomen, onder leiding van Reinhard Genzel van het Max-Planck-Institut für extraterrestrische Physik, heeft nu de rotatie gemeten van zes zware, sterren-vormende stelsels in het verre heelal. Daarbij hebben de astronomen een intrigerende ontdekking gedaan: anders dan bij spiraalstelsels in het huidige heelal, lijken de buitenste delen van deze verre stelsels langzamer te draaien dan de delen dichter bij de kern. Genzel wijst daar twee oorzaken voor aan: ‘Allereerst worden de meeste van deze vroege zware sterrenstelsels gedomineerd door normale materie, en speelt donkere materie een veel kleinere rol dan in het lokale heelal. Op de tweede plaats waren de schijven van deze vroege stelsels veel turbulenter dan de spiraalstelsels die we in onze kosmische nabijheid zien.’ De beide effecten lijken sterker tot uiting te komen naarmate astronomen dieper het vroege heelal in kijken – verder naar het verleden dus. Dit wijst erop dat het aanwezige gas zich drie tot vier miljard jaar na de oerknal al op efficiënte wijze had georganiseerd in platte, draaiende schijven, terwijl de omhullende halo’s van donkere materie zich nog over een veel groter volume uitstrekten. Kennelijk deed de donkere materie er miljarden jaren langer over om zich te verdichten, waardoor haar dominante uitwerking pas nu tot uiting komt. Deze verklaring is in overeenstemming met waarnemingen die laten zien dat vroege sterrenstelsels veel gasrijker en compacter waren dan de huidige sterrenstelsels. Modelberekeningen laten zien dat waar de onderzochte stelsels bij elkaar voor ongeveer de helft uit normale materie bestaan, het rotatiegedrag van de verste sterrenstelsels volledig door normale materie wordt gedomineerd. Het nieuwe resultaat zet overigens geen vraagtekens bij de noodzaak van donkere materie als fundamenteel bestanddeel van het heelal. Het wijst er alleen op dat de donkere materie in en rond schijfstelsels vroeger anders was verdeeld dan nu. (EE)
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
15 maart 2017 • Meren op Saturnusmaan Titan kunnen bruisen
Laboratoriumexperimenten laten zien dat de methaanmeren op de grote Saturnusmaan Titan zo af en toe flink kunnen bruisen. In de extreem koude meren kunnen namelijk aanzienlijke hoeveelheden stikstofgas uit de atmosfeer worden opgelost. En een kleine verandering in temperatuur, luchtdruk of samenstelling is dan voldoende om het stikstof weer te laten ontsnappen. Dat effect is vergelijkbaar met het opendraaien van fles koolzuurhoudende frisdrank. Het opborrelen van stikstof zou een verklaring kunnen zijn voor een raadselachtig verschijnsel dat is waargenomen door de ruimtesonde Cassini: het ontstaan en weer verdwijnen van raadselachtige ‘eilanden’. Het is denkbaar deze eilanden bestaan uit bellen van stikstofgas die aan de oppervlakte zijn gekomen. Voor het radarinstrument van Cassini zouden zulke velden van gasbellen eruitzien als vaste structuren. (EE)
Meer informatie:
Experiments Show Titan Lakes May Fizz with Nitrogen

   
15 maart 2017 • Protoster maakt groeispurt door
Een zware protoster, diep ingenesteld in zijn stofrijke stellaire kraamkamer, heeft onlangs een opleving gehad, waarbij hij honderd keer zo helder werd. De uitbarsting, waarschijnlijk veroorzaakt doordat er een flinke portie stervormingsgas op het oppervlak van de ster neerstortte, bevestigt de theorie dat jonge sterren flinke groeispurten kunnen ondergaan die hun omgeving veranderen. De ontdekking is gedaan door astronomen die recente waarnemingen van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) in Chili vergeleken met waarnemingen die in 2008 – toen ALMA nog niet bestond – zijn gedaan met de Submillimeter Array (SMA) op Hawaï. De uitbarsting speelde zich af in een actief stervormingsgebied dat bekendstaat als NGC 6334, maar ook wel de Kattenpootnevel wordt genoemd. Deze nevel ligt vanaf de aarde gezien op een afstand van 5500 lichtjaar in het sterrenbeeld Schorpioen. Ergens in de nevel bevindt zich een dichte wolk van stof en gas, waarin enkele sterren-in-wording schuilgaan: samenballingen van gas die zo’n hoge dichtheid hebben bereikt dat ze onder invloed van hun eigen zwaartekracht samentrekken. Een groot deel van de tijd verloopt dat proces vrij rustig, maar soms krijgen de in ‘aanbouw’ zijnde sterren zoveel gas vanuit hun omgeving aangevoerd dat het tot een uitbarsting komt. Recente ALMA-waarnemingen, gedaan in 2015 en 2016, laten de gevolgen van zo’n groeispurt zien. Het betreffende deel van de Kattenpootnevel is op millimeter-golflengten vier keer zo helder geworden, wat betekent dat de lichtkracht van de protoster die daarin verscholen met een factor honderd is toegenomen. Bij de uitbarsting werd het stof in de omgeving van de protoster tot gloeien gebracht. Het is dit warme, gloeiende stof dat de astronomen met ALMA hebben waargenomen. (EE)
Meer informatie:
Protostar Blazes Bright, Reshaping Its Stellar Nursery

   
14 maart 2017 • 'Fake'-supernova lijkt stuiptrekking van reuzenster
Een supernova-achtige explosie die voorjaar 2015 werd waargenomen in het sterrenstelsel NGC 2770 is vermoedelijk een zware uitbarsting geweest van een luminous blue variable (LBV) die op weg is te evolueren tot een zogeheten Wolf Rayet-ster. Dat schrijft een internationaal team van astronomen onder leiding van Christina Thöne van het Instituut voor Astorfysica in Andalusië in Astronomy & Astrophysics. Uit archiefonderzoek blijkt dat de ster in kwestie al minstens sinds 1994 opmerkelijke helderheidsuitbarstingen vertoont. In februari 2015 werd de eerste zware uitbarsting van de ster geklassificeerd als een 'supernova impostor' - een 'fake'-supernova, die de aanduiding SN 2015bh kreeg. Op 16 mei van dat jaar vond een nog veel krachtiger uitbarsting plaats, waarbij ongeveer even veel energie vrijkwam als tijdens een reguliere supernova. Bij een supernova is echter sprake van de volledige destructie van de exploderende ster. Daar is in het geval van SN 2015bh geen sprake van. De explosieve ster is wel zwakker en blauwer geworden. Volgens de onderzoekers gedraagt de ster zich vrijwel hetzelfde als enkele andere lichtsterke blauwe veranderlijke sterren (LBV's); het helderheidsverloop van SN 2015bh - met een extreem zware explosie die 40 tot 80 dagen eerder voorafgegaan wordt door een iets zwakkere uitbarsting - is zelfs vrijwel identiek aan dat van SN 2009ip, een andere 'fake'-supernova. Ook de heldere ster Èta Carinae in ons eigen Melkwegstelsel vertoont vergelijkbaar gedrag, met een zeer krachtige explosie in 1843. De sterrenkundigen vermoeden dat de explosies van LBV-sterren ertoe kunnen bijdragen dat ze in korte tijd evolueren tot zogeheten Wolf Rayet-sterren - de laatste fase in het leven van een extreem zware, hete en heldere ster. (GS)
Meer informatie:
SN2015bh: the end of a star or an "impostor" supernova? (origineel persbericht)

   
13 maart 2017 • Eerste monster-zwarte gaten groeiden snel dankzij straling buurstelsel
Een internationaal team van theoretici denkt een verklaring gevonden te hebben voor het bestaan van relatief veel superzware zwarte gaten in de jeugd van het heelal. In de afgelopen jaren zijn ca. 25 zwarte gaten ontdekt in de kernen van verre sterrenstelsels die we waarnemen zoals ze er in de eerste 800 miljoen jaar na de oerknal uitzagen. Deze superzware zwarte gaten hebben massa's van ca. één miljard zonsmassa's. Lange tijd was onduidelijk hoe ze in zo'n korte tijd zo sterk gegroeid kunnen zijn. De oplossing, volgens de onderzoekers in Nature Astronomy, ligt in de aanwezigheid van een groot naburig sterrenstelsel dat veel ultraviolette straling produceert. Waterstofmoleculen (H2) in koude gaswolken in het gaststelsel van het zwarte gat (waaruit normaal gesproken veel sterren zouden ontstaan) vallen onder invloed van die energierijke straling uiteen in afzonderlijke waterstofatomen. De stervorming in het gaststelsel komt tot stilstand, en het atomaire waterstofgas wordt door het zwarte gat opgeslokt. Simulaties wijzen uit dat het op die manier mogelijk is om in slechts 100.000 jaar een groot, zwaar zwart gat te doen ontstaan. De astronomen hopen hun theorie in de nabije toekomst te kunnen toetsen aan de hand van gedetailleerdere waarnemingen van de James Webb Space Telescope, die eind 2018 wordt gelanceerd. (GS)
Meer informatie:
New Study Finds Radiation from Nearby Galaxies Helped Fuel First Monster Black Holes (origineel persbericht)

   
13 maart 2017 • Witte dwerg draait eens in 28 minuten rond zwart gat
In de grote bolvormige sterrenhoop 47 tucanae, op 14.800 lichtjaar afstand in het zuidelijke sterrenbeeld Toekan, bevindt zich een dubbelstersysteem waarin een compacte witte dwergster eens in de 28 minuten een omloopbaan beschrijft op ca. één miljoen kilometer afstand van een zwart gat. Nooit eerder is een ster ontdekt die in zo'n korte tijd rond een zwart gat draait. De dubbelster was al bekend als röntgenbron X9. Metingen met het Australische radio-observatorium ACTA doen vermoeden dat er sprake is van een zwart gat en een witte dwerg. Röntgenmetingen, verricht met NASA's Chandra X-ray Observatory en met de eveneens Amerikaanse röntgenstelescoop NuSTAR, laten een periodiciteit in de röntgenhelderheid zien van 28 minteun - de vermoedelijke omlooptijd van het systeem. Het zwarte gat zuigt kennelijk materie op van de witte dwerg; vlak voordat dat gas in het zwarte gat verdwijnt, zendt het nog röntgenstraling uit. De Chandra-waarnemingen laten zien dat er veel zuurstofgas in het stelsel voorkomt, wat klopt met de aanname dat de begeleider van het zwarte gat een compacte witte dwergster is. In de verre toekomst zal de dwergster mogelijk volledig 'verdampen' onder invloed van de zwaartekracht van het zwarte gat. Volgens de onderzoekers, die hun waarnemingen hebben gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, bestaat er ook nog een kleine kans dat de witte dwerg niet rond een zwart gat wentelt, maar rond een neutronenster. Om verschillende redenen lijkt dat echter minder waarschijnlijk. Kleine, compacte dubbelstersystemen zoals X9 zenden continu zwaartekrachtgolven uit. Die hebben echter een veel te lage frequentie om waargenomen te kunnen worden met aardse zwaartekrachtgolfdetectoren zoals LIGO en Virgo. De toekomstige Laser Interferometer Space Antenna (LISA) moet de zwaartekrachtgolven van het stelsel echter kunnen detecteren. (GS)
Meer informatie:
Star Discovered in Closest Known Orbit Around Likely Black Hole (origineel persbericht)

   
13 maart 2017 • ‘Oceaan’ van Saturnusmaan Enceladus zit minder diep dan gedacht
In 2005 lieten beelden van de ruimtesonde Cassini voor het eerst zien dat Enceladus geologisch actief is. Via breuken in de ijskorst aan de zuidpool van deze Saturnusmaan ontsnappen waterdamp en ijsdeeltjes de ruimte in. Dat wijst erop dat er onder die ijskorst een reservoir van vloeibaar water zit, en nieuw onderzoek lijkt dat te bevestigen. Uit microgolfwaarnemingen van het zuidpoolgebied van Enceladus blijkt namelijk dat de ijskorst ter plaatse op een diepte van enkele meters tot wel twintig graden warmer is dan verwacht (Nature Astronomy, 13 maart). De wetenschappers die de waarnemingen hebben geanalyseerd vermoeden dat dit komt doordat de ijskorst ter plaatse aan de dunne kant is, waardoor deze heftiger op en neer gaat door de getijdenwerking van Saturnus dan elders. Hierdoor komt meer warmte vrij, die de ondergrondse oceaan ‘vloeibaar’ helpt te houden. Mogelijk zit het water hier maar enkele kilometers onder het oppervlak. (EE)
Meer informatie:
Enceladus' South Pole Is Warm Under the Frost

   
13 maart 2017 • ALMA zoomt in op stervormingsgebieden buiten onze Melkweg
Een internationaal team van astronomen, onder leiding van Andreas Schruba (MPE), heeft de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) gebruikt om in te zoomen op stervormingsgebieden in het nabijgelegen sterrenstelsel NGC 6822. De nieuwe ALMA-waarnemingen geven een dermate gedetailleerd beeld van de structuur van sterren-vormende gaswolken, dat het mogelijk is om deze te vergelijken met soortgelijke gebieden in ons eigen Melkwegstelsel. De onderzoekers, onder wie Ewine van Dishoeck van de Sterrewcht Leiden, wijzen erop dat de fysica van de stervorming in lichte, maagdelijke sterrenstelsels – de bouwstenen van grotere stelsels – gelijk is aan die in onze eigen Melkweg. Het onderzoek is geaccepteerd voor publicatie in The Astrophysical Journal. Waarnemingen in de Melkweg hebben laten zien dat sterren ontstaan in de dichte kernen van reusachtige gaswolken, waar het gas temperaturen kan bereiken die laag genoeg zijn om de wolk onder invloed van zijn eigen zwaartekracht te doen samentrekken. Dezelfde omstandigheden stimuleren de vorming van moleculen die onmisbaar zijn voor het kunnen opsporen van gas in sterrenstelsels. Tot nu toe was het niet gelukt om afzonderlijke stervormingsgebieden buiten de Melkweg op te sporen. Andere sterrenstelsels zijn veel verder weg, waardoor ze veel kleiner lijken. Daarbij komt nog dat de stelsels die zich het dichtst bij de Melkweg bevinden maar weinig massa hebben en in een traag tempo nieuwe sterren vormen, wat de verrijking van hun gasvoorraad met zware elementen beperkt en de waarnemingen verder bemoeilijkt. Deze maagdelijke omstandigheden resulteren niet alleen in een gebrek aan moleculen, maar mogelijk ook in een omgeving waar zich minder makkelijk koud gas vormt, wat de vorming van sterren veel moeilijker maakt. ALMA heeft deze observationele beperking overwonnen door opnamen te maken die twee ordes van grootte scherper zijn dan doorgaans het geval is. Doelwit was het nabije, lichte sterrenstelsel NGC 6822, een klein sterrenstelsel op een afstand van 1,5 miljoen lichtjaar dat 500 keer zo weinig massa heeft als de Melkweg. De beelden van de stervormingsgebieden laten een overvloed aan kleine, dichte kernen zien, waarbij alleen de meest compacte exemplaren sporen van moleculen vertonen. Deze zijn veel minder omvangrijk dan stervormingsgebieden in onze Melkweg, zoals de Orionwolk. “De uiterlijke verschillen tussen de sterren-vormende gaswolken in NGC 6822 en die in onze Melkweg zijn frappant,” merkt Andreas Schruba, die vanuit het MPE leiding gaf aan het onderzoeksteam, op. “De waargenomen moleculen zijn alleen te vinden in zeer kleine, dichte kernen, wat verklaart waarom ze bij eerdere waarnemingen vaak onopgemerkt bleven.” De hoge spectrale resolutie van ALMA leverde nog een tweede belangrijke ontdekking op. Geheel onverwacht blijken de dichte gaskernen, ondanks de verschillende verdeling van moleculen, dezelfde kinematica te vertonen als structuren van vergelijkbare afmetingen in onze Melkweg. “Uit de breedte van de moleculaire lijnen kunnen we de kinematische eigenschappen van het gas in deze kernen afleiden,” legt coauteur Ewine van Dishoeck uit. “Dat is het sterkste observationele bewijs tot nu toe dat de fysica van het stervormingsproces in deze lichte sterrenstelsels op die in onze Melkweg lijkt.” Deze waarnemingen dragen daarmee in belangrijke mate bij aan een beter begrip van de vorming van sterren in lichte sterrenstelsels, die de bouwstenen zijn van zwaardere sterrenstelsels zoals de Melkweg. Ze kunnen als voorbeeld dienen voor de interpretatie van de minder detailrijke waarnemingen van verder weg staande sterrenstelsels.
Meer informatie:
Origineel persbericht

   
10 maart 2017 • VS en Rusland overwegen gezamenlijke onderzoeksmissie naar Venus
Een team van door NASA gesponsorde wetenschappers zal volgende week een ontmoeting hebben met vakgenoten van het Russische ruimteonderzoeksinstituut IKI. NASA en IKI onderzoeken de mogelijkheid om gezamenlijk een ruimtemissie naar Venus te sturen. Daarbij zou voor het eerst sinds 1985 weer een landing op deze helse planeet moeten plaatsvinden. Venus is al tientallen jaren een intrigerend doelwit voor wetenschappers. Van alle planeten lijkt Venus qua samenstelling en afmetingen nog het meest op de aarde. Het grote verschil is haar atmosfeer, die dermate veel broeikasgassen bevat, dat de temperatuur op het oppervlak kan oplopen tot ver boven de 400 °C. Een van de doelen van de nieuwe Venera-D-missie is om meer te weten te komen over het klimaat op Venus, en het bijbehorende broeikaseffect. Voor dat onderzoek zouden een om de planeet cirkelende orbiter en een landingsmodule worden ingezet. Ook wordt overwogen om met behulp van een zeppelin-achtig luchtschip de hoge atmosfeer van Venus te verkennen. (EE)
Meer informatie:
NASA Studying Shared Venus Science Objectives With Russian Space Research Institute

   
9 maart 2017 • Ruimtemissie naar waterrijke Jupitermaan heeft een naam
NASA’s toekomstige ruimtemissie naar de intrigerende Jupitermaan Europa heeft een officiële naam gekregen: Europa Clipper. De naam verwijst naar de gestroomlijnde zeilschepen waarmee in de negentiende eeuw goederen over de oceanen werden vervoerd. De lancering van de Europa Clipper moet ergens tussen 2022 en 2025 plaatsvinden. Na aankomst, een aantal jaren later, zal de ruimtesonde in een vrij wijde baan om Jupiter worden gebracht, die hem om de twee weken dicht in buurt van Europa brengt. In totaal zijn 40 tot 45 van deze flyby’s gepland. De Europa Clipper zal onderzoek gaan doen aan de ijskorst en het inwendige van de Jupitermaan. Vermoed wordt dat zich onder die ijskorst een omvangrijke oceaan van vloeibaar zout bevindt. Het uiteindelijke doel van de missie is om vast te stellen of die oceaan warm genoeg is en de juiste chemische bestanddelen bevat voor het ontstaan van leven. (EE)
Meer informatie:
NASA Mission Named 'Europa Clipper'

   
9 maart 2017 • Het zwarte gat in het Melkwegcentrum lijdt al miljoenen jaren honger
Het superzware zwarte gat in het centrum van onze Melkweg heeft al een hele tijd geen echte ‘maaltijd’ meer gehad. Uit onderzoek met de Hubble-ruimtetelescoop blijkt dat het minstens zes miljoen jaar geleden voor het laatst een grote hoeveelheid gas heeft opgeslokt. Aansluitend heeft het nog een flinke boer gelaten, in de vorm van twee gasbellen die nu uitstulpen boven en onder het galactisch centrum. De kolossale uitstulpingen van gas werden in 2010 voor het eerst opgemerkt door de Amerikaanse gammasatelliet Fermi. Maar het zijn recente waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop die inzicht hebben gegeven in het moment waarop de noordelijke gasbel is ontstaan. Met Hubble is gekeken naar de snelheid waarmee het relatief koele gas in de gasbel zich uit de voeten maakt. Daaruit kan worden afgeleid dat het gas zes tot negen miljoen jaar geleden door het zwarte gat is weggeblazen. Eerder onderzoek met de ruimtetelescoop kwam nog uit op twee miljoen jaar. Het gaat alles bij elkaar om een aanzienlijke hoeveelheid gas: genoeg voor twee miljoen sterren van het formaat zon. Vermoedelijk betreft het gas dat oorspronkelijk deel uitmaakte van de Melkweg, en door het ‘boerende’ zwarte gat is weggeblazen. De rand van de noordelijke bel is inmiddels 23.000 lichtjaar van het vlak van de Melkweg verwijderd. (EE)
Meer informatie:
Hubble Dates Black Hole’s Last Big Meal

   
9 maart 2017 • Ruimtesonde Cassini maakt verbluffende opname van Saturnusmaantje Pan
Dat Pan, een van de binnenste maantjes van de planeet Saturnus, er vreemd uitziet, was al een tijdje bekend. Van een afstand gezien, deed het object aan een walnoot of een vliegende schotel denken. Maar van dichtbij blijkt het slechts 35 kilometer grote maantje eigenlijk nog het meest op een platte oliebol te lijken. Pan draait om Saturnus in een van de lege gordels in het ringenstelsel van de planeet. Daarbij trekt hij ringmateriaal aan, dat zich langs zijn evenaar ophoopt. Hierdoor heeft zich een opmerkelijk hoge, steile richel gevormd. (EE)
Meer informatie:
Cassini Reveals Strange Shape of Saturn's Moon Pan