24 april 2014 • Heldere supernova stond achter kosmische ‘loep’
Een uitzonderlijk heldere supernova die enkele jaren geleden oplichtte bevond zich achter een natuurlijke ‘lens’. Tot deze conclusie komt een internationaal team van astronomen na nauwkeurig kosmisch detectivewerk met de Keck-I-telescoop (Science, 25 april). In 2010 ontdekten astronomen een verre supernova, PS1-10afx, die veel helderder was dan soortgelijke supernova’s. Dat leidde tot een stevige discussie: volgens sommige onderzoekers ging het om een nieuw soort supernova, maar anderen meenden dat het een normale supernova van type Ia was die zich toevallig achter een zogeheten gravitatielens (in de vorm van een superzwaar zwart gat) bevond. De supernova is allang uitgedoofd, maar de vermeende gravitatielens zou er nog steeds moeten zijn. Daarom hebben astronomen nog eens goed gekeken naar het sterrenstelsel waarin PS1-10afx destijds is verschenen. Ze vergeleken het licht dat in 2010 spectroscopisch is ontleed met het licht dat nu nog van het stelsel wordt opgevangen. Daarbij is vastgesteld dat dit licht de spectrale vingerafdrukken van twéé sterrenstelsels vertoont: het verre stelsel waartoe PS1-10afx behoorde en een klein stelsel dat daar precies vóór staat. Bij de eerdere waarnemingen is dat voorgrondstelsel over het hoofd gezien, omdat het door de heldere gloed van de supernova werd overstraald. PS1-10afx was dus een ‘gewone’ supernova van type Ia – een exploderende witte dwergster. Stom toevallig is zijn licht onderweg naar de aarde afgebogen door het superzware zwarte gat in de kern van een onopvallend sterrenstelsel. En door dat kosmische lenseffect is het licht van de supernova met een factor dertig versterkt. Voor astronomen is dat een hele opluchting, want supernova’s van type Ia staan juist bekend om hun voorspelbare helderheid. Daarom worden deze objecten gebruikt als ‘standaardkaarsen’ waarmee grote afstanden in het heelal kunnen worden gemeten. (EE)
Cosmic Illusion Revealed: Gravitational Lens Magnifies Supernova

   
22 april 2014 • Aarde wordt elke zes maanden geraakt door kleine planetoïde
Gemiddeld eens in de zes maanden komt er een kleine planetoïde in botsing met de aarde. In verreweg de meeste gevallen exploderen die kosmische rotsblokken - met afmetingen van enkele meters - op grote hoogte in de dampkring, waarbij tussen de 1 en de 600 kiloton TNT aan energie vrijkomt (ter vergelijking: de atoombom van Hiroshima had een explosie-energie van 15 kiloton). De inslagfrequentie van kleine planetoïden is afgeleid uit gegevens van de Nuclear Test Ban Treaty Organization, die met behulp van infrageluidsensoren speurt naar dampkringexplosies die het gevolg zouden kunnen zijn van illegale kernproeven. Tussen 2000 en 2013 zijn 26 van die explosies geregistreerd, stuk voor stuk veroorzaakt door een kosmische inslag. Dat maakten astronauten Ed Lu, Tom Jones en Bill Anders vandaag bekend op een persconferentie in Seattle, georganiseerd door de B612 Foundation. De inslag boven Tsjeljabinsk, vorig jaar februari, had een energie van 600 kiloton; de inslag boven Tunguska, in 1908, had een energie van naar schatting 5 tot 15 megaton. Op basis van de nieuwe statistische gegevens schatten astronomen dat de aarde gemiddeld eens in de honderd jaar getroffen wordt door een 'city killer' - een planetoïde die groot genoeg is om een stad volledig te verwoesten. Daarvoor is een energie van een paar megaton nodig. Gezien het percentage van het aardoppervlak dat door steden in beslag wordt genomen, komt het naar schatting gemiddeld eens in de 25.000 jaar voor dat er ook daadwerkelijk een metropool van de kaart wordt geveegd. De B612 Foundation ontwikkelt de particulier gefinancierde infraroodruimtetelescoop Sentinel, waarmee jacht gemaakt gaat worden op potentiële 'city killers' in het zonnestelsel. Hun aantal bedraagt naar schatting ca. één miljoen, maar daarvan zijn er nog geen tienduizend ontdekt. Ook de 26 dampkringexplosies die sinds de eeuwwisseling zijn geregistreerd, werden veroorzaakt door kleine planetoïden die niemand van tevoren had zien aankomen. (GS)
Video Evidence of 26 Atom-Bomb-Scale Asteroid Impacts Since 2000 (origineel persbericht)

   
22 april 2014 • XMM-Newton ontdekt dubbel zwart gat in ver sterrenstelsel
Met de Europese röntgenruimtetelescoop XMM-Newton is een dubbel superzwaar zwart gat ontdekt in de kern van een ver verwijderd sterrenstelsel. Vrijwel alle sterrenstelsels herbergen een superzwaar zwart gat in hun kern. Dubbele zwarte gaten - twee zwarte gaten die op relatief kleine afstand om elkaar heen draaien - kunnen ontstaan wanneer twee sterrenstelsels met elkaar botsen en versmelten. Tot nu toe zijn dubbele zwarte gaten alleen aangetroffen in actieve sterrenstelsels. Zo'n actief stelsel produceert energierijke röntgenstraling doordat het zwarte gat continu gas opslokt, dat sterk verhit wordt voordat het in het zwarte gat verdwijnt. Uit de waargenomen röntgenstraling kanin sommige gevallen worden afgeleid dat er in werkelijkheid twee zware zwarte gaten om elkaar heen bewegen. Bij het sterrenstelsel J120136.02+300305.5 (kortweg J120136 genoemd) is daar echter geen sprake van: het stelsel is niet actief, waardoor het centrale zwarte gat normaalgesproken niet waarneembaar is. XMM-Newton heeft in 2010 echter een tijdelijke uitbarsting van röntgenstraling waargenomen, veroorzaakt doordat een ster uiteen werd gerukt door de getijdenkrachten van het zwarte gat. De 'toevallige' ontdekking was mogelijk door een nieuwe waarnemingsstrategie van XMM-Newton, waarbij de instrumenten aan blijven staan in de periode dat de röntgentelescoop van het ene naar het andere waarnemingsobject wordt gedraaid. Op die manier worden delen van de sterrenhemel waargenomen die eigenlijk niet op het waarnemingsprogramma staan. Uit het gemeten helderheidsverloop van de röntgenstraling leiden astronomen af dat er sprake moet zijn van een dubbel zwart gat. De onderlinge afstand van de twee zwarte gaten bedraagt ongeveer 20 miljard kilometer. Ze hebben massa's tussen één en tien miljoen zonsmassa's. Over ca. twee miljoen jaar zullen de twee zwarte gaten versmelten tot één superzwaar zwart gat. De resultaten worden op 10 mei gepubliceerd in The Astrophysical Journal. (GS)
Unique pair of hidden black holes discovered by XMM-Newton (origineel persbericht)

   
22 april 2014 • Rode sterrenstelsels hebben een groter hart
Astronomen hebben een (relatief) simpel verband ontdekt tussen de kleur van een sterrenstelsel en de grootte van zijn centrale verdikking (‘bulge’). Kort gezegd: hoe groter het hart, des te roder is het sterrenstelsel (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society). Het heelal telt vele miljarden sterrenstelsels die stuk voor stuk uit honderdduizenden tot honderden miljarden sterren bestaan. Veel van die stelsels zijn ellipsvormig, rood van tint en bestaan grotendeels uit oude sterren. Bekender zijn de spiraalstelsels, die vaak worden gedomineerd door een dunne schijf van jonge, blauwe sterren, maar een rood centrum hebben.De astronomen hebben een half miljoen van die spiraalstelsels geïnventariseerd. Daarbij is gekeken hoe het aandeel rode sterren in zo’n stelsel varieert met andere eigenschappen. De conclusie: hoe groter de bulge, des te roder is het stelsel. Anders gezegd: spiraalstelsels met een groot hart bestaan voornamelijk uit oude sterren. Daar is ook een verklaring voor. In een grote bulge gaat doorgaans ook een groot superzwaar zwart gat schuil. En bekend is dat de activiteit van deze kolossen funest is voor de stervormingsactiviteit in het omringende stelsel. (EE)
Red stars and big bulges: how black holes shape galaxies

   
21 april 2014 • Messenger voltooit 3000ste rondje om Mercurius
De Amerikaanse planeetverkenner Messenger heeft op 20 april zijn 3000ste omloopbaan rond de kleine planeet Mercurius voltooid. Messenger bewoog aanvankelijk in een baan met een omlooptijd van 12 uur; in april 2012 vond een baancorrectie plaats waardoor de omlooptijd werd teruggebracht naar 8 uur. Het laagste punt van die baan is sinds maart 2013 steeds verder omlaag gebracht; momenteel ligt het op een hoogte van 199 kilometer. Door die kleinere omloopbaan kunnen veel waarnemingen van Mercurius, zoals metingen van de topografie, de oppervlaktesamenstelling en de eigenschappen van het magnetisch veld, veel nauwkeuriger worden uitgevoerd. Op 17 juni staat een nieuwe baancorrectie gepland. (GS)
MESSENGER Completes Its 3,000th Orbit of Mercury, Sets Mark for Closest Approach (origineel persbericht)

   
19 april 2014 • Kosmische inslag boven Moermansk?
Ruim een jaar nadat er boven de Russische stad Tsjeljabinsk een ca. 17 meter grote meteoriet in de dampkring explodeerde, is in de nacht van vrijdag 18 op zaterdag 19 april een vergelijkbaar verschijnsel waargenomen (en gefilmd) boven de stad Moermansk. Ook hier werd de heldere bolide vastgelegd door verschillende dashboardcamera's. Officiële bevestigingen dat het om een kosmische inslag ging zijn er (nog) niet; er zijn ook geen meldingen van schade of van teruggevonden meteorieten. (GS)
Nieuwsbericht van persbureau Russia Today

   
18 april 2014 • Maansonde LADEE is neergestort
Het Amerikaanse ruimteagentschap NASA heeft bekendgemaakt dat de Lunar Atmosphere and Dust Environment Explorer – kortweg LADEE – vrijdagochtend rond 7 uur Nederlandse tijd te pletter is geslagen. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de kleine ruimtesonde nog tot 21 april op minder dan vliegtuighoogte om de maan zou cirkelen. Vanwege brandstofgebrek heeft de vluchtleiding hem echter wat eerder laten inslaan op het maanoppervlak. Op het moment van de inslag had LADEE een snelheid van 5800 kilometer per uur. Vermoed wordt dat die snelheid groot genoeg was om de ruimtesonde geheel te laten desintegreren of zelfs verdampen. Mogelijk zijn daarbij een paar ondiepe kraters geslagen. In de komende maanden zal worden geprobeerd om een andere maansonde, de Lunar Reconnaissance Orbiter, opnamen van de inslagplek te laten maken.LADEE heeft vanaf 20 november 2013 metingen gedaan. Daarbij is de samenstelling van de ijle maanatmosfeer onderzocht. Ook moeten de gegevens antwoord geven op de vraag tot op welke hoogte het fijne maanstof onder invloed van zonnestraling en meteorietinslagen kan opstuiven. (EE)
NASA Completes LADEE Mission with Planned Impact on Moon's Surface

   
17 april 2014 • Nieuw instrumenten gaat exoplaneten chemisch ontleden
Binnenkort zullen in New Mexico (VS) de eerste metingen worden gedaan met een nieuw meetinstrument waarmee de chemische samenstelling van exoplaneten kan worden bepaald. Op 3 april jl. heeft het instrument, NESSI geheten, zijn eerste testwaarnemingen gedaan. De afkorting NESSI staat voor New Mexico Exoplanet Spectroscopic Survey Instrument. Het is dus een spectrometer: een instrument dat het licht van objecten kan ontleden, om erachter te komen welke chemische elementen deze bevatten. NESSI is gekoppeld aan een 2,4-meter telescoop. Het instrument zal ongeveer honderd, reeds bekende exoplaneten onder de loep nemen. Deze planeten variëren in grootte van ‘superaardes’ (planeten die wat zwaarder zijn dan onze eigen planeet) tot ‘hete jupiters’ (reuzenplaneten die op geringe afstand om hun moederster cirkelen). De planeten zullen worden waargenomen op het moment dat ze – vanaf de aarde gezien – voor hun ster langs trekken. Op dat moment absorbeert de atmosfeer van zo’n planeet specifieke golflengten van het licht van de ster, die karakteristiek zijn voor zijn chemische samenstelling. Rond het begin van de zomer zal NESSI zijn eerste exoplaneten onderzoeken. (EE)
Exoplanets Soon to Gleam in the Eye of NESSI

   
17 april 2014 • Aarde-achtige planeet Kepler-186f heeft mogelijk oceanen
Voor het eerst is in de 'bewoonbare zone' van een andere ster een planeet ontdekt die ongeveer even groot - of liever gezegd: even klein - is als de aarde. Op de planeet zouden oceanen kunnen voorkomen, en in principe zou er leven kunnen zijn ontstaan. De ontdekking, gedaan door de Amerikaanse ruimtetelescoop Kepler, wordt deze week beschreven in het weekblad Science. Planeet Kepler-186f is hooguit tien procent groter dan de aarde - dat blijkt uit de hoeveelheid sterlicht die hij onderschept wanneer hij eens per omloop voor zijn moederster langs beweegt. Het is zo goed als zeker dat het een rotsachtige planeet is. Voor eerdere planeten die gevonden zijn in de bewoonbare zones van andere sterren is dat minder evident. De planeet beschrijft een baan rond een rode dwergster op 490 lichtjaar afstand van de aarde, samen met vier andere planeten. Kepler-186f is de buitenste van het vijftal; hij bevindt zich aan de buitenzijde van de bewoonbare zone van de ster - het gebied waar het niet te warm en niet te koud is voor het vóórkomen van vloeibaar water aan het oppervlak. Een echt tweelingzusje van de aarde is Kepler-186f toch nog steeds niet. Rode dwergen vertonen regelmatig krachtige 'zonnevlammen', die het ontstaan van leven zouden kunnen bemoeilijken. Ook de architectuur van het planetenstelsel van Kepler-186 is compleet anders dan dat van ons zonnestelsel, wat erop zou kunnen wijzen dat de planeten zelf ook andere eigenschappen hebben. Een zoektocht naar mogelijke kunstmatige radiosignalen uit de richting van Kepler-186, uitgevoerd met de Allen Telescope Array van het SETI-instituut, heeft tot nu toe geen resultaat opgeleverd. (GS)
New Rocky Planet May Have Liquid Water (origineel persbericht)

   
17 april 2014 • Gravitatielenseffect maakt dubbelster helderder
Twee astronomen van de universiteit van Washington hebben het eerste bekende geval van een zichzelf ‘versterkende’ dubbelster ontdekt. Bij zo’n dubbelster fungeert het zwaartekrachtsveld van de ene ster als het ware als een loep die het licht van de andere ster versterkt (Science, 18 april). Astronomen vermoeden dat bijna de helft van alle sterren aan de hemel dubbelsterren zijn: ze bestaan uit twee (of meer) om elkaar cirkelende sterren. In sommige gevallen ligt de aarde precies in het baanvlak van zo’n dubbelster, wat tot gevolg heeft dat de twee sterren – van ons uit gezien – met grote regelmaat voor elkaar langs schuiven. Doorgaans heeft zo’n onderlinge bedekking tot gevolg dat de helderheid van de dubbelster afneemt. Maar in sommige gevallen gebeurt het tegenovergestelde: de dubbelster wordt juist een beetje helderder. Dat komt door een verschijnsel dat al door Einstein is voorspeld: de afbuiging van licht door de zwaartekracht. Dat resulteert in een soort lenswerking die het gravitatielenseffect wordt genoemd. Voorspeld was al dat dit effect ook waarneembaar kan zijn bij dubbelsterren bestaande uit een normale ster, zoals onze zon, en een witte dwerg – een kleine ster met grote massa. Als de kleinere ster voor de grotere schuift, zou deze als een lens moeten fungeren. En dat is precies wat de beide astronomen nu bij de dubbelster KOI 3278 hebben waargenomen. (EE)
Astronomers discover first self-lensing binary star system (Phys.org)

   
17 april 2014 • Heldere stippen in zonsatmosfeer verraden patronen in het zonsinwendige
Wetenschappers hebben ontdekt dat heldere stippen in de zonsatmosfeer kunnen worden gebruikt om stromingen onder het zonsoppervlak in kaart te brengen. Dat betekent dat de ontwikkelingen in het kolkende inwendige van de zon voortaan zo’n beetje op de voet kunnen worden gevolgd. Doorgaans wordt het inwendige van de zon onderzocht met behulp van een techniek die helioseismologie wordt genoemd. Daarbij meten wetenschappers de snelheden van golven – vergelijkbaar met seismische golven op aarde – om inzicht te krijgen in het inwendige van de zon. Dergelijke metingen hebben laten zien dat het zonsinwendige een mêlee van opstijgende en dalende bellen is – ongeveer zoals kokend water in een pan, maar dan op veel grotere schaal. De kleinste bellen, die granules worden genoemd, hebben afmetingen van enkele duizenden kilometers. Daarnaast zijn er ook ‘supergranules’ die ongeveer twee keer zo groot zijn als de aarde. Bij het nieuwe onderzoek is geen gebruik gemaakt van seismische golven, maar zijn met een instrument van de Solar Dynamics Observatory (SDO) magnetische velden op het zonsoppervlak in kaart gebracht. Daarbij is gelet op die delen van de zon die magnetisch in evenwicht zijn. Dat wil zeggen: gebieden waar net zo veel magnetische veldlijnen naar buiten treden als de diepte in duiken. De wetenschappers hebben ontdekt dat de afmetingen van deze ‘magnetische pakketten’ overeenstemmen met die van granules en supergranules. Daarnaast zijn ook structuren ontdekt die nog eens vijf keer zo groot zijn. Vermoed wordt dat deze overeenkomen met nog grotere cellen van stromend materiaal in de zon. De onderzoekers hebben dezelfde gebieden ook bekeken met een ander instrument van de SDO, dat de ultraviolette en röntgenstraling van de ijle buitenste atmosfeer van de zon in beeld brengt. Daarbij viel het hen op dat heldere stippen in deze zogeheten corona vaak precies boven allergrootste magnetische pakketten te vinden zijn. Aan de hand van deze heldere stippen kan dus worden gevolgd wat zich onder het zonsoppervlak afspeelt. (EE)
Bright Points in Sun's Atmosphere Mark Patterns Deep In Its Interior

   
16 april 2014 • Atmosferen aarde en Mars verschilden al vroeg
Chemisch onderzoek van veertig Marsmeteorieten die op aarde zijn neergeploft heeft nieuwe inzichten opgeleverd over de veranderende samenstelling van de Marsatmosfeer. De resultaten laten zien dat de atmosferen van Mars en de aarde al heel vroeg in de geschiedenis van het zonnestelsel van elkaar begonnen te verschillen (Nature, 17 april). De veertig ruimtestenen bestaan uit vulkanisch gesteente dat op Mars is ontstaan, bij een grote inslag de ruimte in is geblazen en uiteindelijk op aarde terechtkwam. De oudste meteoriet in het onderzoek is ongeveer 4,1 miljard jaar oud en is dus ontstaan toen het zonnestelsel nog maar 500 miljoen jaar oud was. De jongste exemplaren zijn enkele honderden miljoenen jaren oud. Bij hun onderzoek hebben de wetenschappers het zwavelgehalte van de Marsmeteorieten bepaald. Zwavel komt van nature in vier vormen of isotopen voor. Door de verhoudingen tussen de verschillende zwavelsoorten in een gesteente te meten, kan worden vastgesteld of de zwavel afkomstig is van magma diep onder het oppervlak, uit de atmosfeer of van biologische processen. Een nauwkeurige analyse van de zwavelisotopen in de meteorieten blijkt dat de daarin aanwezige zwavel deels afkomstig is uit de atmosfeer en deels van vulkanische processen. ‘Biologische zwavel’ is niet aangetroffen. Ook is vastgesteld dat de chemische reacties in de Marsatmosfeer waarbij zwavel betrokken is heel anders waren dan die in de jonge aardatmosfeer. Dat wijst erop dat de twee planeten al in een vroeg stadium een zeer verschillende atmosfeer hadden. De belangrijkste oorzaak daarvan is waarschijnlijk dat Mars als heel snel een groot deel van zijn atmosferische gassen is kwijtgeraakt. (EE)
Meteorites Yield Clues to Red Planet’s Early Atmosphere

   
16 april 2014 • Zuidelijke dubbelsterren onder de loep genomen
Veel sterren maken deel uit van een dubbelstersysteem. Sommige hebben zelfs meer dan één begeleider. Astronomen van twee Amerikaanse instituten hebben met behulp van een geavanceerde techniek de baanbewegingen van honderden van deze stelsels in kaart gebracht. Dat levert informatie op over de massa’s van de afzonderlijke sterren, maar bijvoorbeeld ook over de mogelijke aanwezigheid van (onwaarneembaar) zwakke sterren of planeten. Het onderzoek is uitgevoerd met een nieuwe ‘spikkelcamera’ van de 4,1-meter Southern Astrophysical Research-telescoop in Chili. Met deze camera worden heel kort belichte opnamen gemaakt, die vervolgens met behulp van een speciale beeldtechniek worden gecorrigeerd voor het atmosferische ‘twinkelen’ van de sterren. Op die manier kunnen zeer scherpe opnamen van afzonderlijke sterren worden gemaakt. In de afgelopen zeven jaar zijn bijna tweeduizend dubbelsterren aan de zuidelijke hemel onder de loep genomen. Het is voor het eerst dat zulke grote aantallen zuidelijke dubbelsterren systematisch onderzocht zijn. Behalve gegevens over reeds bekende dubbelsterren heeft het onderzoek ook tientallen nieuwe dubbelsterren opgeleverd. (EE)
A Sharp Eye On Southern Binary Stars

   
15 april 2014 • Sterkere aanwijzingen voor ontstaan leven op oceeanbodem
Astrobiologen van NASA's Jet Propulsion Laboratory in Pasadena, Californië, hebben in een uitgebreide metastudie nieuwe ondersteuning gevonden voor de theorie dat het leven op aarde enkele miljarden jaren geleden is ontstaan op de oceaanbodem, in de omgeving van zogenaamde alkaline hydrothermische bronnen. Verschillen in zuurgraad en in elektrische eigenschappen tussen het warme alkaline bronmateriaal en de koude, veel zuurdere oceaan kunnen geleid hebben tot chemische processen die aan de basis van het leven liggen; bovendien kunnen er complexe koolwaterstofverbindingen zijn gevormd. Twee mineralen - ijzerhydroxide ('groene roest') en een molybdeenverbinding - zouden als primitieve 'enzymen' dienst gedaan kunnen hebben, om bepaalde chemische reacties op gang te brengen en te versnellen. De nieuwe studie is gepubliceerd in het aprilnummer van het tijdschrift Astrobiology. Het idee dat leven in de omgeving van alkaline hydrothermische bronnen is ontstaan is al een kwart eeuw oud, maar nooit eerder zijn zoveel aanwijzingen en ondersteuningen voor de theorie bijeengebracht. In de afgelopen kwart eeuw zijn niet alleen ondergrondse oceanen ontdekt op sommige planeetmanen, maar zijn ook tal van 'waterwerelden' gevonden in banen rond andere sterren. (GS)
New Study Outlines 'Water World' Theory of Life's Origins (origineel persbericht)

   
15 april 2014 • Sterrenstof trekt ‘oerknalgolven’ in twijfel
De ‘vingerafdruk’ in de zwakke ‘echo’ van de oerknal die wordt toegeschreven aan rimpelingen in de ruimtetijd is mogelijk veroorzaakt door de restanten van een supernova-explosie. In het ergste geval zou dat de bejubelde ontdekking van vorige maand geheel onderuit halen. Maar het zou deze ook beter in overeenstemming kunnen brengen met andere waarnemingen. Op 17 maart jl. maakten astronomen bekend dat ze met behulp van de BICEP2-telescoop op Antarctica sporen hadden ontdekt in de kosmische achtergrondstraling die door zwaartekrachtsgolven in het pasgeboren heelal zouden zijn veroorzaakt. Sommige wetenschappers reageerden direct al kritisch op de ontdekking, die het doorslaggevende bewijs zou zijn voor de zogeheten inflatie-hypothese. In een nog niet gepubliceerd artikel opperen drie astronomen nu dat de polarisatiesignatuur die met BICEP2 is gedetecteerd niet – of niet helemaal – is veroorzaakt door zwaartekrachtsgolven kort na de oerknal, maar door stofdeeltjes in de interstellaire ruimte van onze eigen Melkweg. Volgens de astronomen hebben de BICEP2-onderzoekers daar weliswaar rekening mee gehouden, maar de mogelijke bijdrage van ijzerhoudende deeltjes over het hoofd gezien. Zulke deeltjes zijn te vinden in de ijle, sterk uitgedijde restanten van supernova-explosies die lang geleden hebben plaatsgevonden. En een van de kolossale schillen van zo’n supernova blijkt dwars door het beeldveld van de BICEP2-telescoop te lopen. Onduidelijk is nog of dit het volledige BICEP2-resultaat onderuit kan halen. Het is ook denkbaar dat de bijdrage van de ijzerdeeltjes juist het verschil verklaart met de voorlopige resultaten van metingen met de Europese Planck-satelliet, die een veel zwakkere vingerafdruk van de zwaartekrachtsgolven laten zien. Het wachten is nu op de definitieve cijfers van Planck, die in oktober worden verwacht. (EE)
Star dust casts doubt on recent big bang wave result (New Scientist)

   
15 april 2014 • ‘Inslagglas’ vertoont sporen van biologische activiteit
Kan leven gedijen in het verbrijzelde gesteente dat achterblijft na een meteorietinslag? Nieuw onderzoek wijst erop dat dit inderdaad het geval zou kunnen zijn. De onderzoekers hebben mogelijke sporen van biologische activiteit ontdekt in de Nördlinger Ries, een oude krater met een middellijn van ongeveer 24 kilometer in het zuiden van Duitsland (Geology, 10 april). Bij de Ries-inslag moet een hoeveelheid energie zijn vrijgekomen die overeenkomt met 1,8 miljoen atoombommen. De klap, die ongeveer 14,6 miljoen jaar geleden plaatsvond, deed kubieke kilometers aan gesteenten smelten. Tijdens het afkoelen van die gesmolten massa ontstond een soort glas dat impactiet wordt genoemd. In dit glas hebben de onderzoekers allerlei microscopisch kleine structuren ontdekt, waaronder raadselachtige buisjes met een middellijn van enkele micrometers. Na onderzoek met spectroscopen en rasterelektronenmicroscoop komen de wetenschappers tot de slotsom dat de buisvormige structuurtjes het resultaat zijn van biologische activiteit. Dat lijkt althans de meest waarschijnlijke verklaring. De onderzoekers wijzen erop dat impactiet ook op andere planeten sporen van eventueel (voormalig) leven zou kunnen bevatten. (EE)
Meteorite impact craters may have hosted early life on Earth

   
14 april 2014 • Geboren: Peggy, nieuw mini-maantje van Saturnus
Saturnus heeft een nieuw maantje, dat de (onofficiële) naam Peggy heeft gekregen. Het is een poreuze ijsbal met een middellijn van ongeveer één kilometer - véél kleiner dan de andere ijsmanen van de geringde planeet. Maar volgens astronomen kan de geboorte van Peggy veel inzicht opleveren in de ontstaanswijze van de grotere manen van Saturnus. Het bestaan van Peggy wordt afgeleid uit merkwaardige verstoringen aan de buitenrand van de heldere A-ring van Saturnus, gefotografeerd door de Amerikaanse planeetverkenner Cassini. De opvallendste verstoring is een heldere 'boog' van 10 kilometer breed en 1200 kilometer lang. Uit computersimulaties blijkt dat alle waargenomen verstoringen aan de rand van de A-ring goed verklaard kunnen worden door de aanwezigheid van een klein ijsmaantje dat in het ringenstelsel is ontstaan en langzaam maar zeker naar buiten is gemigreerd. Het minimaantje is zelf niet waargenomen; het is zelfs mogelijk dat het in de komende tijd weer uiteen zal vallen. In een artikel dat vandaag online gepubliceerd is door het vakblad Icarus speculeren Carl Murray (Queen Mary University of London) en zijn collega's dat het ringenstelsel van Saturnus lang geleden veel meer materie bevatte, en dat daar door zwaartekrachtseffecten grotere hemellichamen in zijn samengeklonterd die vervolgens geleidelijk naar buiten bewogen. Op die manier zouden de grotere ijsmanen van de planeet ontstaan kunnen zijn. Nu het ringenstelsel veel minder ijs bevat dan lang geleden, kunnen er geen grote manen meer in ontstaan, maar af en toe nog wel kleintjes zoals Peggy, aldus de planeetonderzoekers. Cassini zal eind 2016 op kleinere afstand van de A-ring bewegen en dan misschien in staat zijn om het nieuwe mini-maantje te fotograferen. (GS)
NASA Cassini Images May Reveal Birth of a Saturn Moon (origineel persbericht)

   
14 april 2014 • Supercomputer laat zien hoe zwart gat ster verzwelgt
Astronomen van het Georgia Institute of Technology hebben gedetailleerde computersimulaties uitgevoerd van de manier waarop sterren uiteen worden gerukt door de getijdenkrachten van superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels. Naar schatting komt zo'n catastrofaal verschijnsel in een gemiddeld sterrenstelsel ongeveer eens in de tienduizend jaar voor. De computersimulaties, deels uitgevoerd met supercomputers van het Texas Advanced Computing Center, zijn voor publicatie aangeboden aan The Astrophysical Journal. Uit de simulaties blijkt dat er bij het verorberen van een ster door een superzwaar zwart gat eerst in korte tijd veel straling wordt geproduceerd, die daarna in de loop van ca. tien jaar op een karakteristieke wijze in intensiteit afneemt. Met dergelijke simulaties hopen astronomen meer inzicht te krijgen in waarnemingen van zulke verschijnselen. Zo is enkele jaren geleden waargenomen hoe een heliumrijke sterkern uiteengerukt en verorberd werd door een superzwaar zwart gat op 2,7 miljard lichtjaar afstand van de aarde. Met grote survey-projecten, die in korte tijd de gehele sterrenhemel afspeuren, zullen de komende jaren naar verwachting veel meer van dit soort verschijnselen worden waargenomen, aldus de astronomen. (GS)
Georgia Tech researchers use XSEDE supercomputers to understand and predict how black holes swallow stars (origineel persbericht)

   
13 april 2014 • Mars was niet langdurig nat
De atmosfeer van Mars is nooit in staat geweest om het water op de planeet langdurig vloeibaar te houden. Tot die conclusie komen wetenschappers uit de VS en Israël (Nature Geoscience online, 13 april).  Hun conclusie is gebaseerd op onderzoek van kraters in het stroomgebied van een van de rivieren die Mars 3,6 miljard jaar geleden rijk was. Tot nu toe werd het bestaan van zulke rivierbeddingen gezien als een belangrijke aanwijzing dat er op grote schaal water stroomde.  In dat geval zou de Marsatmosfeer echter veel minder ijl moeten zijn geweest dan nu. En dat zou betekenen dat kleine meteoroïden – stenen uit de ruimte – in de lucht verbrokkelden vóórdat ze kraters konden slaan.  Uit de opbouw van de onderzochte kraterpopulatie blijkt inderdaad dat de atmosferische druk op Mars aanzienlijk hoger was dan nu. Maar lang niet hoog genoeg om het planeetoppervlak langdurig boven het vriespunt van water te houden.  Volgens de wetenschappers zouden de waterstromen op Mars tijdelijke verschijnselen zijn geweest. Ze zouden bijvoorbeeld het gevolg zijn geweest van vulkanische activiteit of van inslagen van grote objecten. (EE)
Vakpublicatie

   
11 april 2014 • Noorse ‘meteoriet’ was waarschijnlijk een gewoon steentje
Op 3 april doken in Noorse media berichten op over een skydiver die tijdens een sprong bijna door een meteoriet zou zijn getroffen. De videobeelden die van de nipte misser werden gemaakt, zijn sindsdien zes miljoen keer bekeken. Bovendien kwam er een levendige discussie op gang, met als conclusie: het was waarschijnlijk een steentje dat bij het opvouwen per ongeluk in de parachute is terechtgekomen. Vooral de ballistische analyse van NASA-ingenieur Phil Metzger wordt als een belangrijke bijdrage aan de discussie gezien. Zijn berekeningen tonen aan dat de vluchtbaan van het object zowel in overeenstemming is met een klein steentje dat bij het ontvouwen van de parachute omlaag viel als met een grote meteoriet die de springer op twaalf tot achttien meter miste. Maar dat het een steentje is geweest, is – mede gezien de timing – simpelweg vele malen waarschijnlijker. De onderzoekers die zich met de videobeelden hebben beziggehouden, beschouwen de zaak hiermee als afgedaan. Maar het blijft een mooi verhaal. (EE)
Follow-Up on Skydiving Meteorite: Crowdsourcing Concludes it Was Just a Rock

   
11 april 2014 • Gabby Aitink-Kroes is Engineering PowerWoman 2014
De prijs ‘Engineering PowerWoman 2014’ is toegekend aan Gabby Aitink-Kroes, ingenieur bij de Nederlandse Onderzoekschool voor Astronomie (NOVA) en ASTRON Netherlands Institute for Radio Astronomy. Aitink-Kroes heeft belangrijke bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van geavanceerde optische instrumenten voor sterrenkundig onderzoek. De prijs werd vandaag uitgereikt op de WoMenPower-conferentie in Hannover, Duitsland. De Engineering PowerWoman 2014 wordt jaarlijks toegekend aan een vrouw die met succes actief is op het gebied van wiskunde, informatica, natuurwetenschappen of techniek, en belangrijke bijdragen heeft geleverd aan haar werkgever vanwege haar toewijding, ideeën en resultaten. Aitink-Kroes is sinds 1992 verbonden aan NOVA en ASTRON. Zij heeft een sleutelrol gespeeld bij de ontwikkeling van het MIRI-instrument dat zal worden geïnstalleerd op de James Webb Space Telescope. Door slim gebruik te maken van symmetrie heeft zij het ontwerpen, de productie en het testen weten te bespoedigen. Daarnaast heeft zij bijgedragen aan de ontwikkeling van vele instrumenten voor ESO’s Very Large Telescope en leidt zij momenteel de ontwikkeling van de mechanische componenten van het METIS-instrument voor de toekomstige European Extremely Large Telescope. Haar specialiteit ligt bij het ontwerpen van instrumenten die moeten werken bij een temperatuur van circa 240 graden onder nul.
Volledig persbericht

   
11 april 2014 • Draaikolken zwengelen pulsars aan
Een team van astronomen, onder wie Danai Antonopoulou en Anna Watts (Universiteit van Amsterdam), heeft ontdekt dat de plotselinge toenames in de rotatiesnelheid van pulsars een minimumgrootte hebben, en dat ze niet door één draaikolk onder het oppervlak worden veroorzaakt, maar door miljarden van die draaikolken. Dit resultaat is deze week gepubliceerd in het tijdschrift Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Pulsars zijn roterende neutronensterren – de overblijfselen van zware sterren die in een supernova-explosie aan hun einde zijn gekomen. Ze fungeren als uiterst precieze kosmische vuurtorens die bundels radiostraling rondzwiepen. Pulsars gaan mettertijd steeds langzamer draaien, maar soms neemt hun rotatiesnelheid weer wat toe. Zo’n ‘glitch’ ontstaat doordat de korst van de pulsar een stukje opschuift ten opzichte van het deeltjesmengsel daaronder. Aangenomen werd dat zo’n glitsch wordt veroorzaakt doordat een draaikolk in het deeltjesmengsel onder de korst zich verplaatst. Uit waarnemingen van de Krabpulsar leiden de astronomen echter af dat de kleinste afname in zijn rotatieperiode 0,055 nanoseconden bedraagt. Dat is veel meer dan waar ze op gerekend hadden. En dat betekent dat er voor zo’n glitch veel meer dan één draaikolk nodig is. (EE)
Oorspronkelijk persbericht

   
10 april 2014 • Nieuwe techniek maakt afstandsmetingen met ‘Hubble’ nauwkeuriger
Dankzij een nieuwe techniek kunnen astronomen met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop voortaan de afstanden van sterren tot op 10.000 lichtjaar meten – tien keer verder dan tot nu toe mogelijk was. De nieuwe techniek, ‘spatial scanning’ geheten, is gebaseerd op de vertrouwde parallaxmethode. Parallaxmetingen zijn de betrouwbaarste manier om afstanden in het heelal te meten. Het is in feite dezelfde techniek die landmeters op aarde gebruiken: als je van een driehoek de lengte van één zijde (de basis) en de grootte van de aanliggende hoeken kent, kun je de lengte van de beide andere zijden berekenen. Astronomische ‘landmeters’ gebruiken de middellijn van de aardbaan als basis. De aanliggende hoeken worden vastgesteld door de positie van een ster tweemaal te meten, met een onderbreking van een half jaar. Hoe kleiner de afstand van de ster, des te meer lijkt hij tussen die twee metingen heen en weer te springen. Astronomische parallaxmetingen leveren betrouwbare resultaten op zolang de ster in kwestie maar niet meer dan ongeveer duizend lichtjaar van ons verwijderd is. De nieuwe techniek vergroot dat bereik tot ongeveer tienduizend lichtjaar. Dat betekent dat van veel meer cepheïden – veranderlijke sterren die een belangrijke rol spelen bij de meting van veel grotere afstanden in het heelal – de afstand nauwkeurig kan worden bepaald.Bij ‘spatial scanning’ wordt niet de positie van een ster gemeten, maar laten de astronomen de ster een spoor trekken door het beeldveld van de ruimtetelescoop. Het heen en weer springen van zo’n recht sterspoor ten gevolge van de beweging van de aarde om de zon kan veel nauwkeuriger worden gemeten dan het heen en weer springen van één enkel stipje. (EE)
Hubble Stretches Stellar Tape Measure 10 Times Farther Into Space

   
10 april 2014 • Astronomen ontdekken ‘recept’ voor stervorming
Astronomen hebben een nieuwe manier gevonden om het tempo te voorspellen waarin een moleculaire gaswolk – een stellaire kraamkamer – nieuwe sterren produceert. Daarbij is een nieuwe techniek gebruikt om de driedimensionale structuur van zo’n gaswolk te reconstrueren (Science, 11 april). Stervorming vindt plaats in enorme wolken van interstellaire gas en stof. Als er binnen zo’n moleculaire wolk plekken ontstaan waar de dichtheid groot genoeg is, trekken deze onder invloed van hun eigen zwaartekracht vanzelf verder samen. Zodra temperatuur en druk in het hart van zo’n verdichting hoog genoeg zijn om kernfusiereacties te laten plaatsvinden, is de ster ‘geboren’. Het stervormingsproces wordt dus vooral bepaald door de dichtheidsverdeling binnen een moleculaire wolk. Maar bij de meeste wolken is die verdeling niet goed bekend. Nu hebben drie astronomen echter een methode bedacht om de dichtheidsverschillen binnen een moleculaire wolk op eenvoudige wijze in kaart te brengen. Daarbij maken ze gebruik van het feit dat licht van verre sterren dat door de wolk heen schijnt, door het in de wolk aanwezige stof wordt afgezwakt. De astronomen hebben deze zogeheten extinctie benut om van zestien nabije moleculaire wolken de dichtheidsverschillen te bepalen. Vervolgens berekenden ze met behulp van computermodellen hoeveel sterren er in dergelijke wolken zouden moeten ontstaan, en vergeleken de uitkomsten de waargenomen aantallen pasgeboren sterren. Op manier is ontdekt dat alleen die delen van gaswolk tot sterren samentrekken waar de dichtheid de drempel van 5000 waterstofmoleculen per kubieke centimeter overschrijdt. Deze waargenomen drempelwaarde ligt aanzienlijk lager dan de theoretisch voorspelde ‘kritische dichtheid’. Anders gezegd: stervorming komt sneller op gang dan gedacht. (EE)
Recipe for star formation

   
10 april 2014 • Lichtende nachtwolken worden talrijker
Satellietonderzoek toont aan dat er steeds vaker lichtende nachtwolken ontstaan. De toegenomen frequentie lijkt verband te houden met een daling van de temperatuur op grote hoogte in de atmosfeer. Lichtende nachtwolken zijn zilverachtige wolkenslierten laag boven de noordelijke horizon die nog oplichten als de zon allang onder is. Dit spookachtige verschijnsel is alleen waarneembaar als de zon niet ver onder de horizon zakt. Bij ons is dat in de periode mei-juli het geval. Voor het ontstaan van lichtende nachtwolken zijn drie dingen nodig: zeer lage temperaturen, waterdamp en stofdeeltjes (afkomstig van meteorieten of van zware vulkaanuitbarstingen). De stofdeeltjes fungeren als kiemen waaraan de waterdamp kan vastvriezen. De eerste waarnemingen van lichtende nachtwolken dateren van 1885. Aanvankelijk waren ze vrij zeldzaam en alleen waarneembaar op hoge breedtegraden, maar in de loop van de twintigste eeuw doken ze steeds vaker en ook op lagere geografische breedte op. Wetenschappers hebben nu vastgesteld dat ook de gegevens van enkele satellieten, waaronder de in 2007 gelanceerde NASA-missie AIM, een toename van het aantal lichtende nachtwolken laten zien. Tegelijkertijd is op de hoogte waar de lichtende nachtwolken ontstaan – 75 tot 85 kilometer boven het aardoppervlak – de temperatuur gedaald. Over de oorzaak van die daling bestaat nog veel onduidelijkheid. Vermoed wordt dat er een verband is met de enigszins veranderlijke hoeveelheid energie en warmte die de zon in de loop van haar 11-jarige activiteitscyclus uitzendt. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of die variabiliteit inderdaad de verklaring kan zijn voor de afkoeling die de hoge atmosfeer in de periode 2002-2011 heeft vertoond. (EE)
Appearance of Night-Shining Clouds Has Increased

   
10 april 2014 • Planetoïdenmissie krijgt groen licht
Het NASA-team dat de leiding heeft over de eerste Amerikaanse missie om bodemmonsters van een planetoïde te verzamelen heeft groen licht gekregen voor de bouw van een ruimtesonde en bijbehorende faciliteiten. De lancering van de ruimtesonde, OSIRIS-REx geheten, staat gepland voor het najaar van 2016. Zijn reisdoel is de ongeveer 500 meter grote planetoïde Bennu, die vanaf het jaar 2169 enkele malen zo dicht in de buurt van de aarde komt, dat een inslag niet helemaal ondenkbaar is. OSIRIS-REx zal het oppervlak Bennu ruim een jaar lang op afstand verkennen. Vervolgens zal hij ongeveer zestig gram bodemmateriaal verzamelen en naar de aarde terugbrengen. De aankomst ervan wordt in 2023 verwacht. Het zal hoe dan ook niet voor het eerst zijn dat een ruimtesonde materiaal van een planetoïde naar de aarde brengt. In 2010 leverde de Japanse ruimtesonde Hayabusa een minieme hoeveelheid deeltjes van de planetoïde Itokawa af. De OSIRIS-REx-missie is onder meer bedoeld om meer te weten te komen over de samenstelling van het jonge zonnestelsel en de bron van organische materialen die het leven op aarde mogelijk hebben gemaakt. Daarnaast wil NASA meer te weten komen over de eigenschappen van ‘aardscherende’ planetoïden als deze. Voor je weet maar nooit. (EE)
Construction To Begin On Nasa Spacecraft Set To Visit Asteroid In 2018

   
10 april 2014 • Mogelijke exomaan ontdekt
Astronomen hebben mogelijk een glimp opgevangen van een ‘exomaan’ – een maan die om een planeet buiten ons zonnestelsel cirkelt. Letterlijk een glimp, want het gaat om een niet-reproduceerbare waarneming. De potentiële exomaan en zijn moederplaneet hebben hun bestaan verraden via het zogeheten gravitationele microlenseffect. Dit effect ontstaat als een (onzichtbaar) zwak voorgrondobject vanaf de aarde gezien precies voor een verre ster langs schuift. Het voorgrondobject – of beter gezegd: zijn zwaartekrachtsveld – werkt in zo’n geval als een soort vergrootglas die het licht van de verre ster tijdelijk versterkt. Zo’n gebeurtenis duurt doorgaans slechts enkele weken. Dat voorgrondobject kan van alles zijn: een vrij rondzwervende planeet, een zwakke ster, maar ook een ster waar een planeet omheen cirkelt of een planeet met een maan. In die laatste twee gevallen kunnen er – kort na elkaar – als het ware twee vergrootglazen voor de achtergrondster schuiven. En dan wordt de ster twee keer wat helderder dan normaal. Dat is nu precies wat een internationaal team van astronomen onlangs heeft waargenomen. Het probleem is echter dat niet valt vast te stellen op welke afstand het dubbele object ‘MOA-2011-BLG-262’ zich bevond. Daardoor zal ook altijd onduidelijk blijven wát het was. Een planeet met maan op relatief kleine afstand veroorzaakt namelijk dezelfde ‘lichtshow’ als een ster met planeet op grotere afstand. (EE)
Faraway Moon or Faint Star? Possible Exomoon Found

   
9 april 2014 • Wetenschappers reconstrueren ‘mega-inslag’
Een internationaal team van wetenschappers zegt aanwijzingen te hebben gevonden dat zich 3,26 miljard jaar geleden – ergens tussen Zuid-Afrika en West-Australië – een ongeveer vijftig kilometer grote planetoïde in de aardkorst heeft geboord. Een projectiel van dat kaliber slaat een krater met een middellijn van vijfhonderd kilometer en veroorzaakt kolossale aardbevingen en tsunami’s. Dat er drie tot vier miljard jaar geleden nog forse inslagen op aarde hebben plaatsgevonden wordt al een tijdje vermoed. Maar de sporen die deze planetoïden achterlieten zijn grotendeels uitgewist door erosie. Wetenschappers moeten zich dus behelpen met relatief schamel indirect bewijsmateriaal. Een belangrijke aanwijzing voor de inslag die 3,26 miljard jaar zou hebben plaatsgevonden bestaat uit zeer oude gesteenten die in het zogeheten Kaapvaal Kraton in Zuid-Afrika zijn aangetroffen. Bekend was al dat deze gesteenten kenmerken vertonen die sterk aan een planetoïdeninslag doen denken. Maar tot nu toe was onduidelijk hoe groot die inslag moet zijn geweest. Bij het nieuwe onderzoek is gebruik gemaakt van geologische gegevens en fysische modellen – niet alleen van het Kaapvaal Kraton, maar ook van plekken waar hevige aardbevingen en kleinere inslagen hebben plaatsgevonden. Met behulp van deze gegevens hebben de wetenschappers berekend hoe sterk de seismische golven moeten zijn geweest die de Zuid-Afrikaanse gesteenten hebben ondervonden. De in het tijdschrift Geochemistry, Geophysics, Geosystems gepubliceerde resultaten geven aan dat het met een snelheid van ongeveer 20 kilometer per seconde inslaande object 37 tot 58 kilometer groot moet zijn geweest. De klap zou een kracht van 10,8 op de schaal van Richter hebben gehad. (EE)
Scientists Reconstruct Ancient Impact That Dwarfs Dinosaur-Extinction Blast

   
9 april 2014 • Instrumentenmodule van nieuwe ruimtetelescoop is compleet
Het ‘hart’ van de James Webb Space Telescope (JWST) – de opvolger van de Hubble-ruimtetelescoop – is compleet. Technici hebben het laatste van de vier grote instrumenten in de instrumentenmodule geplaatst: de nabij-infraroodcamera NIRCam. NIRCam is de belangrijkste camera van de JWST: hij stelt de ruimtetelescoop in staat om dieper het heelal in te kijken dan al zijn voorgangers. Hierdoor zouden astronomen zicht moeten krijgen op de verste sterrenstelsels in het heelal. Het licht dat deze stelsels miljarden jaren geleden hebben uitgezonden is, door de uitdijing van het heelal, opgeschoven naar het golflengtegebied waarin NIRCam opereert. Het is de bedoeling dat de camera interessante kandidaatstelsels opspoort, waarna deze met de overige instrumenten van de ruimtetelescoop nader onderzocht kunnen worden. De lancering van de JWST, die al vele malen is uitgesteld, staat nu gepland voor 2018. De naar schatting 8,8 miljard kostende onderzoeksmissie moet vijf tot tien jaar gaan duren. (EE)
Near Infrared Camera Integrated into James Webb Space Telescope

   
9 april 2014 • Marskrater Gusev bevatte mogelijk toch een meer
Heeft er nou wel of geen water gestaan in de Marskrater Gusev? Over die vraag discussiëren aardwetenschappers al jaren. De resultaten van een nieuwe analyse van oude gegevens wijzen erop dat het antwoord toch ‘ja’ kan zijn. De ruim 160 kilometer brede krater Gusev was in 2004 de landingsplek van het kleine Marswagentje Spirit. De reden: de zuidelijke rand van de krater vertoont een bres waar lang geleden water door naar buiten lijkt te zijn gestroomd. Dat werd gezien als een sterke aanwijzing dat de krater onder water heeft gestaan. De teleurstelling was dan ook groot toen de gegevens die Spirit naar de aarde zond lieten zien dat de kraterbodem niet uit sedimenten van een meer bestond, maar uit vulkanische gesteenten. Later werden bij een honderd meter hoge heuvelrug even verderop in de krater alsnog oude gesteenten gevonden die door water waren aangetast. Maar ook dat waren geen sedimenten: het leek er meer op dat hier (vulkanische) warmwaterbronnen aan het werk waren geweest. Een belangrijke aanwijzing in die richting was de ontdekking van magnesiumrijke kalkgesteenten. De nieuwe analyse van de chemische samenstelling van die gesteenten heeft nu laten zien dat het ook kan gaan om vulkanisch materiaal dat een tijdje met koud water in aanraking is geweest. Dat water was mogelijk afkomstig van ondergelopen vlakten buiten Gusev, dat via de bres in de kraterwand naar binnen (!) is gestroomd. (EE)
Gusev Crater once held a lake after all