22 januari 2015 • Rosetta-komeet bestaat mogelijk uit twee delen
Gegevens van de om komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko cirkelende ruimtesonde Rosetta laten zien dat de atmosfeer of ‘coma’ van dit ijzige hemellichaam veel minder homogeen is dan verwacht. Ook blijkt de gasuitstoot van de komeet aanzienlijke variaties te vertonen. Dat zijn slechts twee van de ontdekkingen die deze week worden gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Science, dat grotendeels aan de Rosetta-missie is gewijd. Wanneer een komeet de zon nadert, warmt hij op en begint het aanwezige ijs te verdampen. Tot nu toe gingen wetenschappers ervan uit dat kometen grotendeels uit bevroren water bestaan. Maar de Rosetta-metingen laten zien dat ’67P’ het ene moment veel waterdamp uitstoot en enkele uren later vooral koolstofdioxide. Die variatie kan simpelweg een gevolg zijn van de veranderende temperatuur van het ijs, maar het is ook denkbaar dat er iets bijzonders aan de hand is met de komeet. Komeet Churyumov-Gerasimenko bestaat uit twee lobben, verbonden door een smalle ‘nek’. Volgens de onderzoekers speelt deze ‘badeend’-vorm een belangrijke rol bij de waargenomen variaties. Door de draaiing van de komeet is nu eens de ene lob naar de zon gericht, dan weer de andere. Als de wisselende samenstelling van de coma een afspiegeling is van de samenstelling van de vaste kern van de komeet, kan dit erop wijzen dat laatstgenoemde is ontstaan bij de botsing tussen twee kleinere hemellichamen die uit verschillende delen van het zonnestelsel afkomstig waren. Gehoopt wordt dat naarmate de komeet dichter bij de zon komt – de kleinste afstand wordt op 13 augustus bereikt – er meer duidelijk wordt over zijn samenstelling. Nu al is te zien dat zijn gasuitstoot flink aan het toenemen is. (EE)
Rosetta data reveals more surprises about comet 67P

   
22 januari 2015 • Drie bijzondere objecten ontdekt in nabij sterrenstelsel
Een internationaal team van wetenschappers heeft drie bijzondere objecten ontdekt in een van de buurstelsels van onze Melkweg. In dat sterrenstelsel, de 170.000 lichtjaar verre Grote Magelhaense Wolk, zijn een superbubbel, een pulsarwindnevel en de restanten van een supernova opgespoord (Science, 23 januari). De superbubbel is nog wel de grootste verrassing van de drie ontdekkingen. Het is een enorm gebied waar veel sterren ontstaan en exploderen. Sterwinden en explosies blazen het aanwezige gas weg. Daardoor ontstaat een ijl gebied: een bubbel. ‘Volgens sommige theorieën is deze omgeving ideaal om deeltjes te versnellen tot zeer hoge energieën. Het feit dat we nu voor het eerst hoge-energie gammastraling waarnemen uit zo’n bubbel, lijkt die theorieën te bevestigen,’ aldus teamlid dr. Jacco Vink van de Universiteit van Amsterdam. Bij elke nieuwe exploderende ster in de bubbel ontstaat een schokgolf die duizenden jaren met duizenden kilometers per seconde voortraast. In 30 Dor C, de naam van de superbubbel, is de schokgolf inmiddels 150 lichtjaar groot. De nieuw ontdekte pulsarwindnevel N 157B lijkt in veel opzichten een tweelingzusje van de Krabnevel in onze eigen Melkweg. Een groot verschil is dat de nieuwe nevel zo’n tien keer meer gammastraling uitzendt. Dat komt waarschijnlijk onder andere doordat dicht bij de nieuwe nevel de afgelopen vier miljoen jaar zo’n duizend sterren zijn ontstaan die veel licht geven. De deeltjes in de pulsarwindnevel zetten dit licht om in gammastraling. De derde vondst, de overblijfselen van supernova N 132D, plaatst de onderzoekers voor een nieuw raadsel. De ster is duizenden jaren geleden al ontploft, maar straalt nog steeds gammastraling van hoge energie uit. Normaal gesproken doen oude supernovaresten dat niet. De drie objecten zijn ontdekt met de High Energy Stereoscopic System afgekort H.E.S.S.. Dat is een opstelling van telescopen die speciaal voor de detectie van gammastraling is gemaakt. De telescopen staan in de woestijn van Namibië.
Volledig persbericht

   
22 januari 2015 • Ver superzwaar zwart gat is op dieet gezet
Amerikaanse astronomen hebben voor het eerst een quasar van gedaante zien veranderen. Het verre object is in een paar jaar tijd zes tot zeven keer minder helder geworden. Quasars zijn de heldere kernen van verre, actieve sterrenstelsels. Ze ontlenen hun energie aan een superzwaar zwart gat dat materie uit zijn omgeving opslokt. Bekend was al dat er verschillende soorten quasars zijn. Maar niet altijd is even duidelijk of die verschillen worden veroorzaakt door het gedrag van de quasar c.q. het zwarte gat zelf of simpelweg het gevolg zijn van het feit dat deze objecten ten opzichte van de aarde verschillend georiënteerd zijn. Op quasar J0159+0033 lijkt zich het eerste van toepassing te zijn. Niet alleen is het object veel zwakker geworden ook zijn spectrum is veranderd. Die veranderingen wijzen erop dat de aanvoer van materie naar het superzware zwarte gat is verminderd. Het als het ware op dieet gezet. De waarnemingen laten dus zien dat het superzware zwarte gat dat quasars van energie voorziet niet altijd even actief is. Overigens bestaat de kans dat de ‘eetpauze’ van J0159+0033 van korte duur is: het is heel goed mogelijk dat de quasar over een aantal jaren weer opleeft. (EE)
Black hole on a diet creates a ‘changing look’ quasar

   
22 januari 2015 • Geen wereldwijde brand na inslag planetoïde
Nieuw onderzoek roept twijfel op over de theorie dat de inslag van een planetoïde, die 65 miljoen jaar geleden tot het uitsterven van de dinosaurussen zou hebben geleid, grootschalige branden heeft veroorzaakt. Onderzoekers van drie Britse universiteiten hebben de immense energie die vrijkwam bij de inslag nagebootst in een laboratorium. En daarbij hebben ze vastgesteld dat de intense, maar kortstondige hitte rond de inslagplek niet in staat was om levende planten vlam te laten vatten (Journal of the Geological Society, 22 januari). Dat betekent dat de bossen in Noord-Amerika waarschijnlijk gespaard zijn gebleven. Opmerkelijk genoeg laten computersimulaties zien dat er elders wél brand kan zijn ontstaan. In Nieuw-Zeeland bijvoorbeeld was de hitte minder intens, maar wel van langere duur: zeven minuten. En dat kan voldoende zijn geweest om grote natuurbranden te veroorzaken. Tot nu toe werd aangenomen dat de massa-extinctie die het leven op onze planeet 65 miljoen jaar geleden trof, voor een belangrijk deel te wijten was aan wereldwijde branden. Maar het lijkt er nu dus op dat er een andere verklaring moet worden gezocht voor die mondiale catastrofe. (EE)
Doubt cast on global firestorm generated by dino-killing asteroid

   
21 januari 2015 • Planetaire bouwstenen waren onverwacht lang magnetisch
Bij onderzoek van meteorieten hebben geologen van de universiteit van Cambridge ontdekt dat deze ruimtestenen waardevolle informatie bevatten over de magnetische velden van hun moederlichamen – de planetesimalen waaruit de planeten van ons zonnestelsel zijn ontstaan (Nature, 22 januari). Tot nu toe werd aangenomen dat meteorieten een slecht magnetisch ‘geheugen’ hebben. Tijdens hun lange verblijf in de ruimte zou hun magnetische informatie vele malen zijn gewist en herschreven. Uit het nieuwe onderzoek blijkt echter dat in een bepaald type meteorieten – zogeheten pallasieten – nanodeeltjes zijn opgeslagen die in magnetisch opzicht extreem stabiel zijn. Door de variaties in het magnetische signaal van deze delen nauwkeurig in kaart te brengen, zijn de wetenschappers erin geslaagd om de geschiedenis van de magnetische activiteit van het moederlichaam van de meteoriet te reconstrueren. Daarbij kon onder meer worden vastgesteld wanneer het magnetische veld is weggevallen. Het onderzoek laat zien dat de magnetische velden die door de planetesimalen werden opgewekt veel langer bleven bestaan dan gedacht: tot enkele honderden miljoenen jaren na hun vorming. Die magnetische velden ontstonden op dezelfde manier als het magnetische veld van onze aarde: door stromingen in het vloeibare metaal in de (toen nog) hete kern van het object. Omdat de planetesimalen veel kleiner waren dan de aarde, koelden ze ook eerder af. Maar vermoed wordt dat ook de metalen kern van onze planeet bezig is om te stollen. Wanneer dat merkbare gevolgen zal hebben voor het aardmagnetische veld, is nog onduidelijk. Het stollingsproces zal nog miljarden jaren duren. (EE)
Death of a dynamo – A hard drive from space

   
20 januari 2015 • Supernova’s produceren weinig radioactieve elementen
Wetenschappers die de oceaanbodem onderzoeken hebben een ontdekking gedaan die de bestaande theorieën over supernova’s overhoop lijkt te gooien. Deze exploderende sterren lijken doorgaans veel minder radioactieve elementen de ruimte in te blazen dan tot nu toe werd gedacht (Nature Communications, 19 januari). De wetenschappers hebben een tien centimeter dik monster van de aardkorst genomen. Het verzamelde materiaal bestaat uit sediment dat zich in de loop van 25 miljoen jaar op de oceaanbodem heeft verzameld. En een klein deel van dit sediment bestaat uit fijn ‘puin’ dat afkomstig is van zware sterren die in onze kosmische achtertuin zijn ontploft. Zware sterren zijn de producenten van zware elementen als lood, zilver en goud, maar ook van de nog zwaardere radioactieve elementen uranium en plutonium. Dat laatste element komt van nature niet meer voor op aarde: zelfs het meest stabiele plutoniumisotoop heeft een halveringstijd van slechts 80 miljoen jaar. Wat er ooit aan plutonium was, is dus allang tot lichtere elementen vervallen. Als er plutonium op de oceaanbodem wordt aangetroffen, moet dat dus ergens anders vandaan komen. En de meest voor de hand liggende bron zijn de supernova’s. Uit het onderzoek blijkt dat het verzamelde sediment inderdaad plutonium bevat. Maar de hoeveelheid is honderd keer zo klein als verwacht. Volgens de wetenschappers lijkt het erop dat gewone supernova’s veel minder van de allerzwaarste elementen produceren dan wordt aangenomen. Mogelijk komen elementen als uranium en plutonium alleen vrij bij de allerzwaarste supernova-explosies. Als dat klopt, krijgen lang niet alle planeten in onze Melkweg bij hun ontstaan zoveel radioactieve elementen mee als onze aarde. In dat geval koelt hun inwendige veel sneller af, en vallen geologische processen als vulkanisme en continentverschuiving veel sneller stil. (EE)
Ocean floor dust gives new insight into supernovae

   
19 januari 2015 • SKA gaat grootste kosmische 3D-kaart ooit maken
Over tien jaar moeten astronomen de grootste 3D-kaart van het heelal ooit in handen hebben. Die kaart, die de ruimtelijke verdeling van materie in een zeer groot deel van het heelal toont, gaat gemaakt worden op basis van metingen met de toekomstige Square Kilometre Array (SKA), een kolossaal radio-observatorium dat uit vele duizenden afzonderlijke antennes bestaat, verspreid over uitgestrekte gebieden in zuidelijk Afrika en Australië. De 3D-kaart moet nieuwe informatie opleveren over de eigenschappen en de ware aard van donkere materie en donkere energie. Bovendien kan hij gebruikt worden om Einsteins relativiteitstheorie te testen en om de evolutie van het heelal te reconstrueren. Op radiogolflengten gaat SKA de verdeling van neutraal waterstofgas in kaart brengen - het meest voorkomende element in het heelal. Een relatief snelle en minder gevoelige totaal-survey kan midden jaren twintig al klaar zijn, twee jaar nadat de eerste fase van de SKA-telescoop is gerealiseerd. Als ook fase 2 klaar is (rond 2025) kan aan een gedetailleerde survey worden begonnen, waarbij de ruimtelijke posities van minstens één miljard sterrenstelsels nauwkeurig worden vastgelegd. Volgens wetenschappers van de International SKA Organization, waarin 11 landen zijn vertegenwoordigd, kan een tweede survey, twaalf jaar later, zelfs een directe meting van de uitdijing van het heelal opleveren. De plannen voor de SKA-surveys zijn gepubliceerd in een reeks artikelen op de preprintserver arXiv. (GS)
Experiment will combine signals from hundreds of radio dishes to make cosmic atlas (origineel persbericht)

   
19 januari 2015 • 'Fast Radio Burst' voor het eerst live waargenomen
Radiosterrenkundigen hebben voor het eerst 'live'-waarnemingen verricht aan een zogeheten Fast Radio Burst (FRB). Dat gebeurde op 14 mei 2014; de waarnemingen zijn vandaag gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. De ware aard van de mysterieuze radioflitsen is nog niet opgehelderd, maar dat zal waarschijnlijk niet lang meer duren. In 2007 werd voor het eerst een FRB gevonden in oude waarnemingen van de 64-meter radiotelescoop in Parkes, Australië. Later zijn er nog 5 gevonden in bestaande Parkes-data, en één in meetgegevens van de 300-meter Arecibo-radiotelescoop op Puerto Rico. In al die gevallen ging het om extreem kortstondige uitbarstingen van radiostraling, met een duur van ca. een duizendste seconde. Nu is voor het eerst zo'n Fast Radio Burst 'live' waargenomen, opnieuw met de Parkes-telescoop. Over de hele wereld werden direct andere telescopen ingezet, om te checken of er - net als bij gammaflitsen - sprake is van een zogeheten 'nagloeier' op andere golflengten (infrarood, zichtbaar licht, ultraviolet of röntgen). Zo'n nagloeier is er niet gevonden. Dat betekent in ieder geval dat de FRB's niet geassocieerd zijn met normale supernova's of lange gammaflitsen. Het is nog wel mogelijk dat er sprake is van korte gammaflitsen, imploderende neutronensterren of uitbarstingen op magnetars - neutronensterren met een extreem sterk magnetisch veld. Uit de metingen valt af te leiden dat de FRB van 14 mei 2014 plaatsvond op een afstand van ca. 5,5 miljard lichtjaar. Dat betekent dat er in één milliseconde evenveel energie geproduceerd is als de zon uitzendt in één dag. Ook zijn metingen verricht aan de polarisatie van de radiostraling; daaruit blijkt dat er sprake is van magnetische velden. De hoop is dat toekomstige live-waarnemingen in staat zullen zijn om de ware aard van de mysterieuze radioflitsen op te helderen. (GS)
Cosmic radio burst caught red-handed (origineel persbericht)

   
19 januari 2015 • Dawn krijgt Ceres in het vizier
De Amerikaanse ruimtesonde Dawn, die in 2011 en 2012 veertien maanden rond de grote planetoïde Vesta cirkelde, heeft de eerste redelijk gedetailleerde foto's gemaakt van zijn volgende reisdoel: de dwergplaneet Ceres, het grootste hemellichaam in de planetoïdengordel. De afgebeelde foto, op 13 januari gemaakt vanaf ca. 383.000 kilometer afstand, is qua resolutie ('scherpte') vergelijkbaar met de beste opnamen die vanuit een baan om de aarde gemaakt zijn door de Hubble Space Telescope. Eind januari worden er nieuwe opnamen gemaakt met een hogere resolutie. Ceres heeft een middellijn van 950 kilometer en bevat veel ijs. Mogelijk gaat er onder het bekraterde oppervlak een oceaan van vloeibaar water schuil. Op 6 maart wordt Dawn in een omloopbaan rond Ceres gebracht. (GS)
Dawn Delivers New Image of Ceres

   
16 januari 2015 • Drie ‘aardse’ planeten ontdekt bij nabije ster
De Amerikaanse ruimtetelescoop Kepler heeft een ster ontdekt waar drie planeten omheen draaien die maar net iets groter zijn dan onze aarde. De buitenste van de drie bevindt zich in de ‘leefbare zone’ – het gebied rond de ster waar de temperaturen aan het oppervlak van een planeet zo gematigd zijn dat er vloeibaar water kan bestaan. De ster, EPIC-201, is een koele rode dwergster die ongeveer half zo groot en zwaar is als onze zon. Met een afstand van 150 lichtjaar behoort hij tot de meest nabije sterren waarbij planeten zijn ontdekt. De drie planeten zijn 2,1, 1,7 en 1,5 keer zo groot als de aarde. De buitenste en kleinste van de drie ontvangt ongeveer net zo veel licht en warmte van zijn ster als de aarde van de zon. Door hun nabijheid zullen astronomen in staat zijn om de eventuele atmosferen van het drietal te onderzoeken. De planeten zijn ontdekt tijdens de zogeheten K2-missie van Kepler. Kepler maakt jacht op exoplaneten door te speuren naar de periodieke helderheidsdipjes in het licht van sterren, die ontstaan wanneer er planeten voor hen langs schuiven. Voor het detecteren van zulke planeetovergangen of ‘transits’ is een extreem nauwkeurig standregelsysteem nodig. Nadat in het voorjaar een onderdeel van het standregelsysteem van de ruimtetelescoop stukging, leek er een abrupt einde te zijn gekomen aan zijn planetenjacht. Maar met wat technische kunstgrepen is Kepler sinds afgelopen voorjaar weer in bedrijf. Die vervolgmissie – ‘K2’ – begint zijn waarde te bewijzen. (EE)
Three nearly Earth-size planets found orbiting nearby star

   
16 januari 2015 • Marslander Beagle-2 alsnog gevonden
Na elf jaar is de Britse Marslander Beagle-2, die eind 2003 zoekraakte, alsnog gevonden. De Beagle-2 liftte mee met de Europese ruimtesonde Mars Express en moest op 25 december 2003 een zachte landing op Mars maken. Maar na de geplande touchdown liet hij niets meer zich horen. In de loop van de jaren zijn diverse vergeefse pogingen ondernomen om de laatste rustplaats van de slechts twee meter grote Marslander te vinden. En nu is het dan eindelijk gelukt. Beelden die gemaakt zijn met de hogeresolutiecamera van de Amerikaanse Mars Reconnaissance Orbiter laten zien dat de Beagle-2 bij de landing min of meer intact is gebleven. Rest de vraag wat er dan precies is misgegaan. Het lijkt erop dat niet alle zonnepanelen van de Marslander opengevouwen zijn. Maar of dat ook de oorzaak is van zijn stilzwijgen, is onduidelijk. (EE)
Beagle-2 lander found on Mars

   
16 januari 2015 • Koude gasuitstoot van verre sterrenstelsels verklaard
Britse astronomen hebben ontdekt hoe quasars – de extreem heldere kernen van verre sterrenstelsels – erin slagen om grote hoeveelheden koud gas met snelheden tot 2000 kilometer per uur de ruimte in te blazen. Hoe dit koude gas – de grondstof voor de vorming van nieuwe sterren – zulke hoge snelheden kan bereiken, was tot nu toe een raadsel. Door nieuwe gegevens van de radiotelescoop IRAM te vergelijken met computersimulaties van deze objecten, hebben de astronomen nu meer inzicht gekregen in wat er gebeurt. In de buurt van het zwarte gat wordt het gas eerst verhit tot temperaturen van tientallen miljoenen graden. Hierdoor bouwt zich een enorme druk op, die het gas uit het sterrenstelsel verdrijft. De computersimulaties laten zien dat een deel van het hete gas onderweg net genoeg kan afkoelen om waarneembaar te zijn met een radiotelescoop als IRAM. Een quasar ontleent zijn energie aan het superzware zwarte gat dat in het centrum van de meeste sterrenstelsels te vinden is. Door gaswolken en sterren naar zich toe te trekken ontstaat er een schijf van hete materie rond het zwarte gat. Een deel van dat gas verdwijnt uiteindelijk niet in het zwarte gat, maar wordt de ruimte in geblazen. De nieuwe resultaten zijn vandaag gepubliceerd in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society en Astronomy & Astrophysics. (EE)
Galactic ‘hailstorm’ in the early Universe

   
15 januari 2015 • Ruimtesonde maakt zich op voor ontmoeting met Pluto
Op 25 januari begint de Amerikaanse ruimtesonde New Horizons met het waarnemen van Pluto. De waarnemingen zijn bedoeld als voorbereiding op de scheervlucht langs de verre dwergplaneet, die voor 4 juli op het programma staat. New Horizons werd in januari 2006 gelanceerd en is inmiddels bijna vijf miljard kilometer van de aarde verwijderd. Die afstand is in recordtijd afgelegd. Over ruim een week richt New Horizons zijn ‘langeafstandscamera’ LORRI op Pluto. De honderden beelden die hij de komende maanden zal maken, moeten meer inzicht geven in de baanbewegingen van de vijf manen van de dwergplaneet. Dat is van belang voor de laatste koerscorrecties die de ruimtesonde zal ondergaan. Het is de bedoeling dat hij Pluto tot op minder dan tienduizend kilometer nadert. Terwijl hij bezig is om de laatste 220 miljoen kilometer naar Pluto te overbruggen, onderzoekt New Horizons de omstandigheden in het buitengebied van ons zonnestelsel. Met zijn deeltjesdetectors meet hij energierijke deeltjes die van de zon afkomstig zijn, en zijn ‘stofdeeltjesteller’ houdt bij hoe stofrijk de ruimte ter plaatse is. Het onderzoek van Pluto zal in mei verder worden opgevoerd. Vanaf dat moment zullen de camera’s en spectrometers van New Horizons betere beelden van de dwergplaneet kunnen maken dan de beste telescopen op en rond de aarde. (EE)
New Horizons Begins First Stages of Pluto Encounter

   
15 januari 2015 • Bescheiden atmosfeer geeft exoplaneten dag/nacht-cyclus
Een relatief dunne atmosfeer, zoals die van de aarde, kan voldoende zijn om te voorkomen dat planeten in een situatie terechtkomen waarbij steeds dezelfde kant van het hemellichaam naar de ster is gericht waar het omheen draait. Dat blijkt uit onderzoek door astronomen van de universiteit van Toronto (Science, 16 januari). Bij planeten die op geringe afstand om hun ster draaien, gaat de rotatie gemakkelijk in de pas lopen met de omloop rond de ster. Dan ontstaat dezelfde situatie als bij onze maan, waarvan de ‘achterkant’ vanaf de aarde nooit te zien is. Voor de leefbaarheid van een planeet is die synchrone rotatie funest: al het aanwezige water verzamelt zich uiteindelijk aan de donkere achterkant, waar het ijskoud is. Wetenschappers gingen er tot nu toe van uit dat planeten dat lot maar op één manier kunnen ontlopen: ze moeten een dichte atmosfeer hebben, zoals de planeet Venus in ons eigen zonnestelsel. Het nieuwe onderzoek laat echter zien dat zelfs een bescheiden atmosfeer als die van de aarde in staat is om de rotatie van een planeet zodanig te versnellen of te vertragen, dat er een dag/nacht-cyclus tot stand komt. Oorzaak zijn de luchtstromingen die in zo’n atmosfeer optreden. Dat betekent dat waarschijnlijk lang niet alle exoplaneten die in krappe omloopbanen om hun ster draaien een synchrone rotatie vertonen. En dat vergroot de kans dat sommige van die planeten leefbaar zijn. (EE)
Planets Outside Our Solar System More Hospitable To Life Than Thought

   
14 januari 2015 • Forse planetoïde nadert aarde
Op 26 januari komt er weer eens een forse planetoïde in de buurt van de aarde. Het ongeveer vijfhonderd meter grote object met de aanduiding 2004 BL86 komt niet dichterbij dan 1,2 miljoen kilometer – ongeveer driemaal de afstand aarde-maan. Hij vormt dus geen enkele bedreiging voor onze planeet. Wetenschappers verheugen zich op de komst van planetoïde 2004 BL86: zo vaak krijgen ze de kans niet om een exemplaar van deze omvang van ‘dichtbij’ te bekijken. Voor zover bekend zal het tot 2027 duren voordat er opnieuw een planetoïde van deze omvang de aarde nadert. Rond zijn passage zal het rotsachtige object onder meer worden waargenomen met radarsystemen van NASA. Amateur-waarnemers op het noordelijk halfrond kunnen de voorbijkomende planetoïde volgen met een telescoop of een sterke verrekijker. Op dit moment is het object alleen waarneembaar voor waarnemers op het zuidelijk halfrond. (EE)
Asteroid to Fly By Earth Safely on January 26

   
14 januari 2015 • Kunstmatige intelligentie helpt zonnevlammen te voorspellen
Hoewel wetenschappers nog niet helemaal begrijpen hoe zonnevlammen ontstaan, wordt het optreden van deze reusachtige explosies op de zon wel steeds voorspelbaarder. Wetenschappers van de Stanford-universiteit (VS) hebben software ontwikkeld die de analyse van zonne-uitbarstingen automatisch afhandelt. Bij een zonnevlam komt vele malen meer energie vrij dan bij de explosie van een atoombom. Genoeg zelfs om 150 miljoen kilometer verderop – op aarde dus – communicatie- en stroomvoorzieningen te verstoren. Deze explosieve uitbarstingen komen voort uit de verstrengelde magnetische velden die over de hele zon optreden. De Stanford-wetenschappers hebben, met behulp van kunstmatige intelligentie, de enorme hoeveelheid waarnemingen van zonnevlammen geanalyseerd die gedaan zijn door het Solar Dynamics Observatory (SDO), een Amerikaanse zonnesatelliet. Daarbij is gekeken in hoeverre gegevens over de magnetische velden rond zonnevlekken – relatief koele plekken op de zon – kunnen worden gebruikt om de sterkte van komende zonnevlammen te voorspellen. De onderzoekers verzamelden SDO-gegevens van tweeduizend actieve gebieden op de zon waarvan sommige wel en andere geen sterke zonnevlammen produceerden. Vervolgens werd de computer gevoed met zeventig procent van de gegevens, om hem te ‘trainen’ in het herkennen van relevante kenmerken. De overige dertig procent van de gegevens werd gebruikt om te toetsen in hoeverre de computer iets van deze exercitie had ‘geleerd’. De resultaten laten zien dat het optreden van zonnevlammen aan de hand van slechts enkele gegevens over het magnetische veld en de daarin opgeslagen energie kan worden voorspeld. De verwachting is dat de methode nog verder kan worden verfijnd. (EE)
Artificial intelligence helps Stanford physicists predict dangerous solar flares

   
14 januari 2015 • Planetoïden bestaan uit samengeklonterd planetair bouwstof
Volgens planeetwetenschappers Jay Melosh en David Minton van Purdue University (VS) zijn planetoïden – anders dan gedacht – geen overgebleven planetaire bouwstenen. Ze zouden zijn ontstaan uit materiaal dat meer dan vier miljard jaar geleden is opgestoven bij de talrijke botsingen tussen de echte planetaire embryo’s (Nature, 15 januari). Wanneer een brokstuk van een planetoïde op aarde terechtkomt, wordt dat een meteoriet genoemd. Bekend is dat deze brokstukken talrijke ’kraaltjes’ van gestold gesmolten gesteente bevatten: zogeheten chondrulen. Over de oorsprong van deze deeltjes bestaat al lang discussie. Chondrulen vertonen opvallende overeenkomsten met ’sferulen’ – materiaal dat wordt aangetroffen op plaatsen waar grote inslagen hebben plaatsgevonden. Aangenomen wordt dat deze bolletjes zijn ontstaan uit gesmolten gesteente dat bij de inslag is opgeworpen en na stolling terugviel naar de aarde. Melosh en Minton denken dat chondrulen op vergelijkbare wijze zijn ontstaan. Het zou gaan om puin dat direct aan het begin van een inslag onder hoge druk en temperatuur in gesmolten toestand is weggeschoten – een proces dat ‘jetting’ wordt genoemd. Het idee dat chondrulen door jetting zijn ontstaan is niet echt nieuw. Maar eerdere modellen liepen spaak, omdat er chondrulen uit voortkwamen die niet de juiste (chemische) eigenschappen hadden. Ook leek het erop dat er bij jetting veel minder chondrulen werden gevormd dan er in meteorieten worden aangetroffen. De berekeningen van Melosh en Minton, gebaseerd op de meest recente inzichten omtrent de omstandigheden in de begintijd van het zonnestelsel, geven een veel realistischer resultaat. Het meeste puin dat destijds bij de relatief trage botsingen tussen planetesimalen – de talrijke brokken gesteente met afmetingen van honderden kilometers die om de zon cirkelden – werd opgeworpen, viel terug naar het oppervlak van deze planetaire embryo’s. Maar door jetting konden er genoeg druppeltjes gesmolten gesteente naar de ruimte ontsnappen. Door het nog rond de zon aanwezige gas werden de ontsnapte chondrulen zo sterk afgeremd, dat ze gemakkelijk konden samenklonteren. Op die manier zouden in de loop van de miljoenen jaren de huidige planetoïden zijn ontstaan. (EE)
Meteorite material born in molten spray as embryo planets collided

   
14 januari 2015 • Nieuwe telescoop opent jacht op exoplaneten
Bij de Europese sterrenwacht op Paranal, in het noorden van Chili, is een nieuw instrument in gebruik genomen: de Next-Generation Transit Survey (NGTS). Hiermee wordt naar exoplaneten gezocht die – vanaf de aarde gezien – vóór hun moederster langs trekken en daarbij het licht van de ster enigszins verzwakken. De nieuwe faciliteit is gericht op de ontdekking van planeten ter grootte van Neptunus en kleiner. De NGTS bestaat uit een opstelling van twaalf kleine telescopen, elk met een opening van 20 centimeter. Het systeem zal autonoom de helderheden van honderdduizenden relatief heldere sterren aan de zuidelijke hemel in de gaten houden. Om de gezochte planeetovergangen te kunnen detecteren moeten de sterhelderheden tot op één promille nauwkeurig worden gemeten. Mogelijke ‘treffers’ worden nader onderzocht met grotere telescopen, zoals de naburige Very Large Telescope. Een van de doelen is het opsporen van kleine planeten die helder genoeg zijn om hun massa’s te kunnen bepalen. Hieruit kan dan de dichtheid van deze planeten worden afgeleid, wat weer aanwijzingen geeft over hun samenstelling. Ook kunnen in sommige gevallen de atmosferen van de planeten onderzocht worden: tijdens een planeetovergang gaat een deel van het sterlicht door de eventuele planeetatmosfeer, die een kleine, maar meetbare signatuur achterlaat. (EE)
Nieuwe telescopen op Paranal voor jacht op exoplaneten

   
14 januari 2015 • Heldere transneptunische objecten zijn schaars
De kans dat er voorbij de baan van de planeet Neptunus nog heldere objecten te vinden zijn is klein. Tot die conclusie komen planeetwetenschapper Michael Brown en elf van zijn collega’s in een artikel dat binnenkort in de Astronomical Journal zal worden gepubliceerd. De wetenschappers baseren hun conclusie op een nauwgezette computeranalyse van de gegevens van twee hemelsurveys, waarbij in de loop van zeven jaar vrijwel de volledige hemel in kaart is gebracht. Deze surveys waren eigenlijk bedoeld voor het opsporen van planetoïden in de buurt van de aarde. Maar daarbij werden onvermijdelijk ook de – veel trager langs de hemel bewegende – helderste objecten aan de rand van ons zonnestelsel vastgelegd. Bij de analyse van al dat beeldmateriaal werden acht relatief heldere, verre objecten ‘ontdekt’. In alle gevallen bleek het om reeds bekende leden van ons zonnestelsel te gaan. Dat betekent dat de kans klein is dat er nog hemellichamen op ontdekking wachten die qua helderheid vergelijkbaar zijn met bijvoorbeeld de dwergplaneten Pluto en Eris. Helemaal nul is die kans echter niet, omdat het deel van de hemel waarlangs de Melkweg zich uitstrekt nog niet is verkend. Het grote aantallen sterren in deze lange hemelstrook maakt de zoektocht naar verre planeetachtige objecten erg lastig. Ook wil het gebrek aan heldere objecten niet zeggen dat er in de verre buitenwijken van ons zonnestelsel geen GROTE hemellichamen meer te vinden zijn. De helderheid van zo’n object wordt niet alleen bepaald door de hoeveelheid zonlicht die het weerkaatst, maar ook door zijn afstand. Het is dus best mogelijk dat – zoals ook uit recente berekeningen blijkt – er nog hemellichamen zijn die groter zijn dan Pluto en Eris. Maar die zijn dan wel erg ver weg. (EE)
Ten years of Eris

   
13 januari 2015 • Namen-wedstrijd voor exoplaneten van start
Vanaf vandaag kunnen geregistreerde astronomieclubs en niet-commerciële organisaties deelnemen aan een internationale wedstrijd om namen toe te kennen aan exoplaneten en hun moedersterren. De NameExoworldsContest, georganiseerd door de Internationale Astronomische Unie (IAU), bestaat uit twee rondes. In de eerste ronde kunnen deelnemende organisaties maximaal 20 populaire exoplaneten kiezen (uit een lijst van vele honderden). In ronde 2 kunnen namen worden voorgesteld voor de meest populaire planeten en hun moedersterren. Deelnemende organisaties moeten zich vooraf wel officieel aanmelden. De resultaten van de wedstrijd worden in augustus bekendgemaakt tijdens de driejaarlijkse algemene vergadering van de IAU in Honolulu. (GS)
NameExoWorlds Contest Opens (origineel persbericht)

   
13 januari 2015 • Ontstaan grote-schaalstructuur in clusters beter begrepen
Theoretici van het Japanse Kavli Institute for the Physics and Mathematics of the Universe hebben ontdekt dat het ontstaan van clusters van sterrenstelsels beter begrepen wordt wanneer grootschalige effecten zoals getijdenkrachten in rekening worden gebracht. Volgens de gangbare theorieën klontert donkere materie in de jeugd van het heelal eerst samen tot zogeheten donkere-materie-halo's, die in een later stadium gas aaantrekken waaruit sterrenstelsels en sterren kunnen ontstaan. In computersimulaties worden echter veel meer donkere-materie-halo's gevormd dan je zou verwachten op basis van waarnemingen van clusters. Dit 'halo bias'-probleem kan volgens de Japanse onderzoekers vermeden worden door niet-lokale effecten in rekening te brengen, zoals getijdenkrachten die zich over veel grotere afstanden doen gelden dan de afmetingen van afzonderlijke sterrenstelsels. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in Physical Review D. (GS)
Decoding the gravitational evolution of dark matter halos (origineel persbericht)

   
9 januari 2015 • Nieuwe financiële mijlpaal voor grootste camera ter wereld
Het Stanford Linear Accelerator Center (SLAC) heeft groen licht en subsidie van het Amerikaanse Department of Energy gekregen voor het verder ontwikkelen van de grootste digitale camera ter wereld: de 3,2-gigapixel-camera voor de Large Synoptic Survey Telescope (LSST). Afgelopen zomer is ook de eerste fase van de bouw van de telescoop, op Cerro Páchon in Noord-Chili, goedgekeurd. Met behulp van de kolossale camera (zo groot als een personenauto en met een gewicht van 3 ton) zal de LSST vanaf 2022 ongeveer drie maal per week de gehele zichtbare sterrenhemel zeer gedetailleerd vastleggen. De waarnemingen gaan informatie opleveren over donkere materie en donkere energie, de evolutie van sterrenstelsels, supernova's en veranderlijke sterren, planetoïden en ijsdwergen, etc. Naar verwachting levert de LSST-camera uiteindelijk 6 miljoen gigabyte per jaar aan data op. (GS)
World’s Most Powerful Camera Receives Funding Approval (origineel persbericht)

   
8 januari 2015 • Gammaflits-supernova's produceren meer nikkel
Energierijke supernova-explosies die ook waarneembaar zijn als gammaflits, produceren meer nikkel dan 'gewone' supernova's. Dat blijkt uit gedetailleerd onderzoek aan drie gammaflitsen die geassocieerd zijn met supernova-uiitbarstingen. De resultaten zijn gepubliceerd in Astronomy & Astrophysics. Sterren die meer dan ca. 9 maal zo zwaar zijn als de zon eindigen hun leven in een catastrofale supernova-uitbarsting, waarbij in de meeste gevallen een compacte neutronenster achterblijft. Van de nog veel energierijkere gammaflitsen is ontdekt dat de langer durende exemplaren (van enkele seconden tot enkele minuten) soms geassocieerd zijn met een supernova-uitbarsting. Algemeen wordt aangenomen dat gammaflitsen ontstaan wanneer de exploderende ster heel snel roteert. Een internationaal team van astronomen uit 19 landen heeft nu drie gammaflits-supernova's zeer gedetailleerd onderzocht op basis van waarnemingen met in totaal 13 verschillende telescopen. Een van de opmerkelijkste resultaten is dat uit spectroscopische waarnemingen van de supernova-explosie blijkt dat er in deze gevallen meer radioactief nikkel de ruimte in is geblazen. Ook is uit de waarnemingen afgeleid dat er in één geval (GRB 130831A, op 4,9 miljard lichtjaar afstand) een neutronenster achterbleef met een rotatieperiode van niet meer dan 12 milliseconden en een magnetische veldsterkte van 100 miljard gauss (het magneetveld van de aarde heeft een sterkte van ca. 0,5 gauss). (GS)
Novel vision of the death of massive stars (origineel persbericht)

   
8 januari 2015 • Andromedastelsel is ‘normaler’ dan de Melkweg
Uit gedetailleerd onderzoek van de bewegingen van verschillende populaties van sterren in de schijf van het Andromedastelsel zijn opmerkelijke verschillen met onze eigen Melkweg aan het licht gekomen. Dat wijst erop dat het Andromedastelsel vaker met kleine sterrenstelsels in botsing is gekomen. Zoals verwacht eigenlijk. Het nieuwe onderzoek is gebaseerd op gegevens van de Hubble-ruimtetelescoop en de Keck-telescoop op Hawaï. De gegevens zijn gebruikt om te onderzoeken in hoeverre de snelheden waarmee jonge, middelbare en oude sterren om het centrum van het Andromedastelsel draaien een sterke spreiding vertonen. Een analyse van deze gegevens laat zien dat de jongste sterren ongeveer dezelfde snelheden vertonen en dicht bij het vlak van de schijf van het Andromedastelsel blijven. Oudere sterren bewegen veel wanordelijker en komen ook verder boven en onder de schijf uit. Op zich is dat niet zo verrassend. De meest gangbare theorie over het ontstaan van grote schijfvormige stelsels voorspelt namelijk dat driekwart van deze stelsels de afgelopen 8 miljard jaar minstens één kleiner sterrenstelsel heeft opgeslokt. En bij zo’n botsing worden de bestaande sterpopulaties flink door elkaar geklutst. Opmerkelijk is wél dat de sterren van onze Melkweg ordelijker bewegen dan zelfs de meest ordelijk bewegende sterpopulatie van het Andromedastelsel. Het heeft er dus alle schijn van dat het Melkwegstelsel een galactisch buitenbeentje is. De nieuwe resultaten zijn gepresenteerd op de 225ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in Seattle. (EE)
Study of Andromeda's stellar disk indicates more violent history than Milky Way

   
8 januari 2015 • Posities van Saturnus en zijn manen nauwkeurig gemeten
Amerikaanse wetenschappers hebben, met behulp van een groot netwerk van radiotelescopen, de posities van de planeet Saturnus en zijn manen tot op ongeveer anderhalve kilometer nauwkeurig gemeten. De metingen moet meer inzicht geven in de dynamica van ons zonnestelsel en helpt ook de navigatie van toekomstige ruimtemissies te verbeteren. De onderzoekers hebben het VLBA-netwerk gebruikt om de ruimtesonde Cassini te lokaliseren, terwijl deze om Saturnus cirkelde. Dat leverde meetwaarden op die vijftig tot honderd keer zo nauwkeurig zijn als die van normale optische telescopen. Deze hoge meetnauwkeurigheid is te danken aan de grote omvang van het VLBA-netwerk: de tien schotelantennes staan verspreid over een gebied dat zich uitstrekt van Hawaï tot de Maagdeneilanden en fungeren als één grote radiotelescoop met een denkbeeldige middellijn van 8600 kilometer. De wetenschappers zijn van plan om met dezelfde techniek ook het Jupiterstelsel op te meten. Daarbij krijgen ze hulp van de ruimtesonde Juno, die medio 2016 bij de grote planeet aankomt. (EE)
Improved Saturn Positions Help Spacecraft Navigation, Planet Studies, Fundamental Physics

   
8 januari 2015 • Hemelse bromtol vermist
Een internationaal team van astronomen onder leiding van Joeri van Leeuwen heeft de kromming van de ruimtetijd gemeten in een dubbelster en daaruit de massa bepaald van een neutronenster – vlak voor die verdween. Zulke massabepalingen zijn essentieel voor een beter begrip van de zwaartekracht. Dat is de ‘lijm’ die tijd en ruimte verbindt, en ons heelal van klein tot groot bij elkaar houdt. De resultaten verschijnen in The Astrophysical Journal, en worden vandaag gepresenteerd op de 225ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in Seattle (VS). Het onderzoek richtte zich op het relativistische dubbelstersysteem PSR J1906+0746 (J1906). Eén van de sterren van dit systeem is een pulsar, een rondtollende neutronenster. De radiobundels van die pulsar zwiepen, zoals de lichtbundel van een vuurtoren, zeven maal per seconde over de aarde. Tegelijkertijd draait de pulsar in iets minder dan vier uur om een andere ster – ook een neutronenster of misschien een witte dwergster. J1906 is in 2004 door Van Leeuwen en collega’s ontdekt met de grote radioschotel van Arecibo. Sindsdien wordt de pulsar bijna dagelijks gevolgd met de vijf grootste radiotelescopen op aarde, waaronder die van Westerbork. Door de pulsar voortdurend in de gaten te houden, konden de astronomen elke flits van deze kosmische vuurtoren registreren – meer dan een miljard in totaal. Dat heeft hen in staat gesteld om de beweging van de pulsar om zijn begeleider heel nauwkeurig in kaart te brengen. Uit de waarnemingen blijkt dat de rotatie-as van de pulsar onder invloed van het zwaartekrachtsveld van zijn nabije begeleider aan het schommelen is gebracht. Daardoor is die as inmiddels zo ver gekanteld, dat de bundels van de pulsar de aarde inmiddels niet meer raken. Dat is overigens maar tijdelijk: de schommelbeweging gaat door, waardoor de bundels over ongeveer 160 jaar weer vanaf de aarde te zien zijn.
Volledig persbericht

   
8 januari 2015 • Jacht op ‘nabije’ supernova’s loont
Terwijl veel astronomen steeds grotere telescopen op de hemel richten om diep het heelal in te kijken, is Ohio State University vorig jaar een project gestart waarbij juist kleine, geautomatiseerde telescopen worden ingezet. Doel: het opsporen van supernova’s – ontploffende zware sterren – in relatief nabije sterrenstelsels. Tijdens de bijeenkomst van de American Astronomical Society, die deze week in Seattle wordt gehouden, hebben astronomen de eerste oogst van deze ‘All-Sky Automated Survey for Supernovae’ gepresenteerd. Sinds mei 2014 zijn 89 heldere supernova’s ontdekt – meer dan alle andere professionele surveys bij elkaar. Daarnaast zijn nog honderden andere sterren opgespoord die opvallende helderheidsveranderingen vertonen. Op dit moment wordt de supernovaspeurtocht uitgevoerd met zes 15-centimeter telescopen – vier op Hawaï en twee in Chili – en een aantal telescopen die door amateurs ter beschikking zijn gesteld. Deze instrumenten hebben een bereik van ‘slechts’ 500 miljoen lichtjaar, maar vreemd genoeg bestond er tot nu toe geen goed overzicht van wat zich allemaal in dit deel van het heelal – onze kosmische achtertuin – afspeelt. Omdat de ontdekkingen van de survey openbaar zijn – ze verschijnen op http://www.astronomy.ohio-state.edu/~assassin – kunnen amateur-astronomen de ontwikkelingen op de voet volgen en ook zelf aan het project bijdragen. (EE)
‘Assassin’ Targets Supernovae In Our Neighborhood Of The Universe

   
8 januari 2015 • Zwarte gaten in botsende sterrenstelsels zijn niet altijd actief
Een nieuwe opname, gemaakt met de Amerikaanse NuSTAR-satelliet, heeft de vraag beantwoord welke van de twee superzware zwarte gaten in het object Arp een sterke bron van röntgenstraling is. Arp 299 bestaat uit een tweetal sterrenstelsels op 134 miljoen lichtjaar van de aarde, die met elkaar in botsing zijn. Beide stelsels hebben een superzwaar zwart gat in hun kern. Uit de NuSTAR-opname blijkt dat het rechter stelsel een bron van energierijke röntgenstraling is. Dat wijst erop dat het daarin aanwezige zwarte gat bezig is om gas uit zijn omgeving op te slokken. Het andere zwarte gat is in rust of gaat schuil achter dichte wolken van gas en stof. Wanneer twee sterrenstelsels met elkaar in botsing komen, wordt het daarin aanwezige gas zodanig in beroering gebracht, dat het naar de kernen van de twee stelsels stroomt. Eenmaal aangekomen in de directe omgeving van het centrale zwarte gat is dit gas dermate heet geworden, dat het röntgenstraling uitzendt. De NuSTAR-opname laat zien dat dit niet hoeft te betekenen dat de superzware zwarte gaten in de kernen van beide stelsels voortdurend actief zijn. Maar naarmate de botsing vordert, en de kernen dichter bij elkaar komen, zullen gas en sterren in de twee stelsels steeds meer door elkaar geklutst worden. Daarbij neemt de kans toe dat ook het tweede zwarte gat actief wordt. (EE)
Will the Real Monster Black Hole Please Stand Up?

   
8 januari 2015 • Schaduwspel vertekent planeetvormende schijf
Chileense astronomen hebben een plausibele verklaring gevonden voor twee merkwaardige donkere structuren in de planeetvormende schijf rond de ster HD142527. Het lijken simpelweg schaduwen te zijn. Planeten ontstaan uit de schijven van gas en stof rond jonge sterren. Verondersteld werd dat zo’n protoplanetaire schijf doorgaans min of meer vlak is. Maar bij HD142527, een ster op 457 lichtjaar van de aarde, lijkt dat niet het geval te zijn. Wanneer zich in een protoplanetaire schijf een grote planeet begint te vormen, veegt deze het gas en stof langs zijn omloopbaan op. Hierdoor ontstaat een lege gordel in de schijf. Bij HD142527 is die leemte extreem breed, mogelijk omdat zich hier meerdere Jupiterachtige planeten hebben gevormd. De leemte deelt de schijf rond HD142527 in tweeën. Het binnendeel heeft een omtrek die overeenkomt met de omloopbaan van Saturnus in ons eigen zonnestelsel. Het buitendeel begint op een veertien keer zo grote afstand van de ster. In 2011 werd ontdekt dat de ‘buitenschijf’ twee donkere inkepingen vertoont. Met behulp van computermodellen hebben astronomen van de universiteit van Chili nu laten zien wat de oorzaak van deze donkere plekken is. Doordat de binnenschijf een hoek van ongeveer 70 graden met de buitenschijf maakt, werpt hij zijn schaduw op de buitenschijf. Hoe deze configuratie is ontstaan, is nog onduidelijk. (EE)
Shadows cast by a warp in a planet forming system

   
7 januari 2015 • Computermodel verklaart wispelturig gedrag van kolossale dubbelster
Nieuwe waarnemingen met satellieten en telescopen op aarde en theoretische modellen geven steeds meer inzicht in Èta Carinae, een zware dubbelster op 7500 lichtjaar van de aarde die zeer wispelturig gedrag vertoont. Astronomen werken aan een driedimensionaal computermodel van dit object om dit gedrag te kunnen verklaren. Èta Carinae bestaat uit een ster die 90 keer zo veel massa heeft als onze zon en een ster van ‘maar’ 30 zonsmassa’s. De twee zwaargewichten, die respectievelijk 5 miljoen en 1 miljoen keer zo veel licht geven als de zon, draaien in krappe, langgerekte banen om hun gezamenlijke zwaartepunt. Eens in de 5,5 jaar bereiken ze een kleinste onderlinge afstand van 225 miljoen kilometer – de gemiddelde afstand zon-Mars. In de maanden voor en na dat ‘periastron’ vertoont de dubbelster opvallend gedrag: röntgenuitbarstingen, het verdwijnen en weer tevoorschijn komen van structuren in de naaste omgeving van de sterren en zelfs een spel van licht en schaduw dat optreedt wanneer de kleinere ster dicht langs zijn grote buur scheert. Op basis van deze verschijnselen hebben wetenschappers van NASA’s Goddard Space Flight Center een computersimulatie van Èta Carinae gemaakt. Dat model voorspelt wat er tijdens komende periastrons te zien zal zijn, zodat astronomen hun waarnemingsprogramma’s daaraan kunnen aanpassen. Volgens dit computermodel kunnen veel van de periodiek optredende veranderingen die de dubbelster vertoont worden toegeschreven aan de interactie tussen de hevige sterrenwinden (deeltjesstromen) die de beide sterren produceren. Wanneer hij dicht langs de hoofdster scheert, blaast de kleinere ster een spiraalvormige holte in de dichte gaswolk rond de hoofdster. Waar de beide sterrenwinden met elkaar in botsing komen, ontstaan schokgolven die het gas tot temperaturen van honderden miljoen graden verhitten, waardoor dit een bron van röntgenstraling wordt. Uit het feit dat de röntgenintensiteit van Èta Carinae flinke variaties vertoont leiden astronomen af dat de sterrenwind van de kleinere ster een wisselende intensiteit heeft. Vermoed wordt dat de twee zware sterren van Èta Carinae hun leven ooit zullen afsluiten met een supernova-explosie. Op dit moment zijn er echter nog geen aanwijzingen dat dit al heel binnenkort zal gebeuren. (EE)
NASA Observatories Take an Unprecedented Look into Superstar Eta Carinae