4 februari 2016 • Hoofdspiegel van nieuwe ruimtetelescoop is compleet
Het 18de en laatste segment van de hoofdspiegel van de toekomstige James Webb Space Telescope (JWST) zit op zijn plek. Daarmee is een belangrijke fase in de bouw van deze ruimtetelescoop voltooid. Elk van de segmenten van de JWST is ongeveer 1,3 meter groot en weegt 40 kilogram. Tezamen vormen zij een 6,5 meter grote spiegel, die tijdens de lancering van de ruimtetelescoop, die voor 2018 gepland staat, dichtgevouwen is. (Er bestaat geen raket die het gevaarte in uitgevouwen toestand zou kunnen lanceren.) Het bereiken van deze mijlpaal wil overigens niet zeggen dat de nieuwe ruimtetelescoop bijna af is. Er moeten nog tal van optische onderdelen worden geïnstalleerd en alles moet voor de lancering nog grondig worden getest. De JWST wordt de wetenschappelijke opvolger van de Hubble-ruimtetelescoop genoemd. Maar eigenlijk is het een heel ander soort instrument, dat vrijwel uitsluitend waarnemingen op infrarode golflengten gaat doen. Met de nieuwe ruimtetelescoop zal onder meer worden geprobeerd om de atmosferen van exoplaneten te analyseren en stervormingsgebieden in verre sterrenstelsels te onderzoeken. (EE)
Meer informatie:
NASA's James Webb Space Telescope Primary Mirror Fully Assembled

   
4 februari 2016 • Rosetta’s komeet vertoont geen grote holtes
Er zitten geen grote holtes in komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko. Dat blijkt uit metingen van de Europese ruimtesonde Rosetta (Nature, 4 februari). Kometen zijn de ijsachtige overblijfselen van de vorming van de planeten, 4,6 miljard jaar geleden. Bekend was al dat veel van deze kleine hemellichamen een dichtheid hebben die veel geringer is dan die van water. Dat betekent dat kometen heel poreus zijn, maar onduidelijk was of er grote holtes zitten in het komeetinwendige of dat de porositeit een intrinsieke eigenschap is van het mengsel van stof en ijs waaruit een komeet bestaat. Om dat te onderzoeken hebben wetenschappers de gegevens van het Radio Science Experiment van Rosetta geanalyseerd. Bij dat experiment werd geregistreerd hoe de beweging van de ruimtesonde wordt beïnvloed door het zwaartekrachtsveld van komeet 67P. Veranderingen in de beweging van de ruimtesonde komen tot uiting in kleine variaties in de radiosignalen die op aarde van haar worden ontvangen. Die analyse had nogal wat voeten in de aarde. Want Rosetta wordt niet alleen aangetrokken door de komeet, maar ook door de zon, door alle planeten en door de planetoïden van de planetoïdengordel voorbij Mars. Bovendien wordt haar beweging beïnvloed door de stralingsdruk van de zon en de druk van het gas dat de komeet uitstoot. Na voor deze effecten te hebben gecorrigeerd, blijft alleen de beweging over die door de massa van de komeet wordt veroorzaakt. Als er grote holtes in de komeet zouden zitten, zou deze ‘opgeschoonde’ beweging kleine, maar duidelijk herkenbare variaties moeten vertonen. Daarvan is echter geen sprake, en dat wijst erop dat het inwendige van komeet 67P, die een gemiddelde dichtheid van 0,53 gram per kubieke centimeter heeft, relatief homogeen moet zijn. In september, als de vluchtleiding Rosetta zachtjes op de komeet laat neerploffen, wordt het radio-experiment nog eens overgedaan. Naarmate de ruimtesonde dichter bij de komeet komt, zullen ook de invloeden van holtes met afmetingen van slechts een paar honderd meter merkbaar worden. (EE)
Meer informatie:
Inside Rosetta’s Comet

   
4 februari 2016 • Beelden van Chinese maanlander vrijgegeven
Vrij geruisloos heeft China eind januari de data vrijgegeven van de maanlander Chang’e 3. De (beeld)gegevens zijn niet gemakkelijk in het gebruik, maar Emily Lakdawalla van The Planetary Society heeft een groot aantal opnamen omgezet in een wat handzamer format. Ook heeft zij een aantal fraaie panorama’s samengesteld.De Chang’e 3 landde op 14 december 2013 op de maan, in het gezelschap van het kleine maanwagentje Yutu. Deze laatste heeft een paar maanden rondgereden op de maan, maar kwam half januari 2014 tot stilstand door een mechanisch defect. Enkele van zijn instrumenten lijken echter nog steeds te werken, al is hun exacte toestand onduidelijk. Daarmee is Yutu langer in bedrijf – zij het grotendeels stilstaand – dan de Russische maanverkenner Loenochod 1, die op 17 november 1970 op de maan landde en tien maanden heeft gefunctioneerd. (EE)
Meer informatie:
Fun with a new data set: Chang'e 3 lander and Yutu rover camera data

   
3 februari 2016 • Kometen kunnen helderheidsgedrag van mysterieuze ster niet verklaren
Het begint erop te lijken dat de merkwaardige lichtvariaties van de ster KIC 8462852 niet door een wolk van kometen worden veroorzaakt. Tot nu toe werd dat als de meest plausibele verklaring gezien voor het gedrag van de ster, die soms wel 20 procent minder helder is dan normaal. De kometenverklaring is veel minder waarschijnlijk geworden nu onderzoek door de Amerikaanse astronoom Bradley Schaefer heeft laten zien dat de ster al een eeuw lang gestaag zwakker wordt. Dat blijkt uit fotografische platen van de Harvard-sterrenwacht die tussen 1890 en 1989 zijn gemaakt. Daarop is de ster meer dan 1200 keer afgebeeld. Er moet nu dus worden gezocht naar een scenario dat niet alleen de kortstondige lichtvariaties van de ster kan verklaren, maar ook het geleidelijke ‘uitdoven’ ervan. Het kometenscenario kan daar nauwelijks aan voldoen, omdat er dan een enorm aantal kometen voor de ster langs getrokken moet zijn. Een andere mogelijkheid is dat het gaat om een kleinere zwerm die steeds opnieuw voor de ster schuift, maar dan zou het aantal kometen in die zwerm geleidelijk moeten toenemen. Dan maar terug naar de vergezochte hypothese dat het bizarre helderheidsgedrag van KIC 8462852 wordt veroorzaakt door megastructuren – grote zonnepanelen bijvoorbeeld – die door een buitenaardse beschaving in een omloopbaan om de ster zijn gebracht? Als deze structuren nog in aanbouw zijn, zou je inderdaad verwachten dat de ster geleidelijk zwakker wordt. Een kleine rekensom van astronoom Phil Plait leert echter dat de aliens in dat geval in een eeuw tijd minstens 750 miljard vierkante kilometer aan panelen moeten hebben gebouwd. En dat is 1500 maal het aardoppervlak. Ook dat lijkt niet erg waarschijnlijk. Kortom: wordt vervolgd. (EE)
Meer informatie:
Comets May Not Explain 'Alien Megastructure' Star's Strange Flickering After All

   
3 februari 2016 • Planeet-vormende schijf bevat onverwacht koude stofdeeltjes
Een internationaal team van astronomen heeft de temperatuur gemeten van grote stofdeeltjes rond de jonge ster 2MASS J16281370-2431391 in het Rho Ophiuchi-stervormingsgebied op ongeveer 400 lichtjaar van de aarde. De deeltjes maken deel uit van de schijf van gas en stof rond de ster. Deze schijf, die ook wel de ‘Vliegende Schotel’ wordt genoemd, vertoont vroege tekenen van het planeetvormingproces. Uit de meting, die gedaan is met de ALMA-telescoop in het noorden van Chili, volgt een temperatuur van –266 graden Celsius oftewel 7 kelvin. Dat is veel lager dan de 15 tot 20 kelvin die de meeste modellen van dit moment voorspellen. Deze discrepantie kan erop wijzen dat de grote stofdeeltjes heel andere eigenschappen hebben dan die modellen veronderstellen. Als zulke lage stoftemperaturen een normaal kenmerk blijken te zijn van ‘protoplanetaire’ schijven, kan dat allerlei gevolgen hebben voor ons begrip van de manier waarop deze ontstaan en evolueren. Zo zijn de eigenschappen van de stofdeeltjes van invloed op wat er gebeurt wanneer deze deeltjes met elkaar in botsing komen, en dus op hun rol als planetaire ‘groeikernen’. (EE)
Meer informatie:
De ijskoude vliegende schotel

   
2 februari 2016 • Ring Saturnus is minder ‘massief’ dan gedacht
De zogeheten B-ring, de helderste ring va de planeet Saturnus, bevat minder materiaal dan gedacht. Tot die conclusie komen wetenschappers op basis van gegevens die door de ruimtesonde Cassini zijn verzameld. Je zou denken dat ondoorzichtig materiaal een grotere dichtheid heeft dan transparanter materiaal, net zoals modderwater meer kleideeltjes bevat dan schoner water. Maar bij de ringen van Saturnus gaat dat niet op. De wetenschappers hebben ontdekt dat hoewel de ondoorzichtigheid van de B-ring met de afstand tot Saturnus varieert, de hoeveelheid massa van plaats tot plaats nauwelijks verschilt. Dat is vastgesteld aan de hand van de spiraalvormige dichtheidsgolven die in de ring optreden. Deze fijne ringstructuren zijn het gevolg van zwaartekrachtsinteracties tussen de ringdeeltjes, de manen van Saturnus en de planeet zelf. Eerder was al gebleken dat er ook in andere ringen van Saturnus geen relatie bestaat tussen massadichtheid en (on)doorzichtigheid. Hoe het kan dat gebieden met dezelfde hoeveelheid materie zo in doorzichtigheid kunnen verschillen, is onduidelijk. Maar mogelijk ligt de oorzaak bij de afmetingen of dichtheden van de afzonderlijke ringdeeltjes. Alles bij elkaar lijkt de B-ring maar twee tot drie keer zoveel massa te bevatten als de naburige A-ring. En dat terwijl sommige delen ervan tien keer zo ondoorzichtig zijn als de A-ring. De hoeveelheid massa die een ring bevat, is bepalend voor zijn levensduur. Dus hoe minder materie de B-ring bevat, des te jonger moet hij zijn. Het nieuwe resultaat kan erop wijzen dat hij pas een paar honderd miljoen jaar geleden is ontstaan in plaats van twee miljard jaar geleden. (EE)
Meer informatie:
Saturn's Rings: Less than Meets the Eye?

   
2 februari 2016 • Overschot aan gammastraling uit Melkwegcentrum niet afkomstig van donkere materie
Het 'overschot' aan energierijke gammastraling uit het centrum van ons Melkwegstelsel wordt vermoedelijk veroorzaakt door een groot aantal millisecondepulsars - de compacte, extreem snel rondtollende restanten van geëxplodeerde sterren. Die conclusie trekken twee teams van natuurkundigen (een Nederlands team van de Universiteit van Amsterdam en een Amerikaans team van Princeton University en het Massachusetts Institute of Technology) op basis van gedetailleerde modelberekeningen. Eerder is ook gesuggereerd dat het gamma-overschot het gevolg zou zijn van de annihilatie van donkere-materiedeeltjes. De nieuwe modelberekeningen, gepubliceerd in Physical Review Letters, laten echter zien dat een 'conventionele' verklaring afdoende is. Dat er sprake is van een diffuse 'gamma-gloed' zou het gevolg zijn van de relateif geringe 'beeldscherpte' van de huidige generatie detectoren - die is niet in staat om afzonderlijke pulsars te onderscheiden. (GS)
Meer informatie:
Vakpublicatie van het Amsterdamse team

   
2 februari 2016 • 'Anti-jet' ontdekt in radiostelsel Pictor A
Nieuwe röntgenwaarnemingen van het radiosterrenstelsel Pictor A, in de loop van enkele jaren verricht door Het Amerikaanse Chandra X-ray Observatory, hebben het bestaan bevestigd van een zogeheten 'anti-jet' (counter jet) in het stelsel. In de kern van Pictor A (gelegen op ca. 500 miljoen lichtjaar van de aarde) bevindt zich een superzwaar zwart gat dat straalstromen (jets) van elektrisch geladen deeltjes met bijna de lichtsnelheid de ruimte in blaast. Een van die jets is al lange tijd bekend; zijn helderheid wordt versterkt doordat hij min of meer in onze richting wijst. Het bestaan van de tweede jet, in de tegenovergestelde richting, werd wel vermoed, maar was nog nooit met zekerheid aangetoond. De waarnemingen zijn gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. De nieuwe lang belichte röntgenwaarnemingen van Pictor A tonen de anti-jet duidelijk. Uit de Chandra-metingen leiden de onderzoekers ook af dat de röntgenstraling in de twee jets zogeheten synchrotronstraling is, geproduceerd door snel bewegende elektronen in sterke magnetische velden. Een andere mogelijke oorzaak voor de röntgenstraling (de wisselwerking van elektronen met fotonen uit de kosmische achtergrondstraling) kon op basis van de nieuwe resultaten worden uitgesloten. (GS)
Meer informatie:
Pictor A: Blast from Black Hole in a Galaxy Far, Far Away (origineel persbericht)

   
29 januari 2016 • Stand van de maan heeft invloed op de hoeveelheid neerslag
De getijgolven die optreden in de aardatmosfeer wanneer de maan hoog aan de hemel staat, veroorzaken (onmerkbaar) kleine veranderingen in de hoeveelheid neerslag. Tot die conclusie komen wetenschappers van de University of Washington op basis van gegevens van NASA en de Japanse Tropical Rainfall Measuring Mission-satelliet. Al in 1847 werden er aanwijzingen gevonden dat de stand van de maan van invloed is op de luchtdruk. Het nieuwe onderzoek bevestigt dat. Wanneer de maan hoog aan de hemel staat of juist ver onder de horizon, is de luchtdruk iets hoger. Maar dat de aantrekkingskracht van de maan ook een dempende invloed heeft op de hoeveelheid neerslag is nieuw. Wanneer de maan hoog aan de hemel staat, bolt de aardatmosfeer een beetje zijn kant op. Hierdoor neemt de druk van de atmosfeer aan die kant van onze planeet een beetje toe. Door de hogere druk stijgt de temperatuur, waardoor de warme lucht meer vocht kan vasthouden en het minder snel begint te regenen. Erg groot is de invloed van de maan niet: slechts ongeveer 1 procent van de variaties in de hoeveelheid neerslag kan aan hem worden toegeschreven. (EE)
Meer informatie:
Moon’s tidal forces affect amount of rainfall on Earth

   
29 januari 2016 • Nieuwe NASA-animatie toont rondvlucht boven dwergplaneet Ceres
Het Amerikaanse ruimteagentschap NASA heeft een nieuwe animatie gepresenteerd, waarin een vlucht boven het oppervlak van de dwergplaneet Ceres wordt gesimuleerd. Voor deze animatie zijn opnamen gebruikt die tussen augustus en oktober 2015 door de ruimtesonde Dawn zijn gemaakt. De bijna vier minuten durende video toont Ceres in aangedikte kleuren. Dat is gedaan om de verschillen tussen de oppervlaktematerialen te verduidelijken. Wetenschappers gaan ervan uit dat gebieden die een blauwe gloed vertonen uit ‘verser’ materiaal bestaan. Dawn is de eerste ruimtesonde die een bezoek brengt aan Ceres – het grootste hemellichaam in de planetoïdengordel tussen de planeten Mars en Jupiter. De ruimtesonde kwam in maart 2015 aan bij Ceres en cirkelt daar nu op een hoogte van slechts 385 kilometer omheen. De beelden die voor de animatie zijn gebruikt, zijn gemaakt van een hoogte van ongeveer 1450 kilometer. (EE)
Meer informatie:
New Animation Takes a Colorful Flight Over Ceres

   
28 januari 2016 • Frontale botsing veroorzaakte het ontstaan van de maan
De maan is ontstaan door een hevige frontale botsing tussen de jonge aarde en een ‘planetaire embryo’, die ongeveer 100 miljoen jaar na het ontstaan van de aarde heeft plaatsgevonden. Tot die conclusie komt een internationaal team van planeetwetenschappers (Science, 29 januari). Het idee dat de maan is ontstaan uit het puin dat vrijkwam bij een botsing tussen de aarde en een kleinere planeet is niet nieuw. Maar tot nu toe werd uitgegaan van een schampende botsing. Een nauwkeurige chemische analyse van gesteenten van de maan en uit de aardmantel heeft de onderzoekers op andere gedachten gebracht. Als de botsing schampend was geweest, zou de maan grotendeels moeten bestaan uit materiaal dat afkomstig was van de andere planeet, die ook wel Theia wordt genoemd. En in dat geval zou de chemische samenstelling van de maan duidelijk moeten verschillen van die van de aarde. In 2014 meenden Duitse wetenschappers daar inderdaad aanwijzingen voor te hebben gevonden. Hun metingen lieten zien dat de verhouding tussen de zuurstofisotopen O-17 en O-16 in maangesteenten duidelijk verschilt van die van de aarde. Maar uit het nieuwe onderzoek blijkt dat dit toch niet het geval is. Volgens de wetenschappers kan dat maar één ding betekenen: bij de botsing zijn de materialen van de oeraarde en Theia zo grondig vermengd, dat aarde en en maan uiteindelijk bijna dezelfde chemische samenstelling kregen. Alleen een frontale botsing zou dat voor elkaar hebben kunnen krijgen. (EE)
Meer informatie:
Moon was produced by a head-on collision between Earth and a forming planet

   
28 januari 2016 • Pluto-oppervlak vertoont verrassend veel waterijs
Aan het oppervlak van Pluto ligt meer waterijs dan tot nu toe werd gedacht. Dat blijkt uit nieuwe gegevens van de Amerikaanse ruimtesonde New Horizon, die in juli vorig jaar dicht langs het oppervlak van deze dwergplaneet scheerde. De gegevens zijn afkomstig van het meetinstrument LEISA dat infraroodwaarnemingen van Pluto heeft gedaan. Op basis van die waarnemingen is een nieuwe ’valse kleuren’-kaart van de dwergplaneet gemaakt, waarop te zien is waar het meeste waterijs te vinden is. De nieuwe kaart is nauwkeuriger dan de versie die eerder is gepubliceerd. Desondanks vertonen Sputnik Planum – de grote hartvormige vlakte op Pluto – en het noordelijke Lowell-gebied nog steeds vrijwel geen sporen van waterijs. Volgens NASA wijst dit erop dat de eigenlijke ijskorst van Pluto hier bedolven is door een dikke laag van andere ijssoorten, zoals methaan, stikstof en koolstofmonoxide. (EE)
Meer informatie:
Pluto’s Widespread Water Ice

   
28 januari 2016 • Geheimzinnige gaswolk is uitgestoten door de Melkweg
Waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop wijzen erop dat de zogeheten Smith-wolk – een gaswolk waarvan al geruime tijd bekend is dat hij met hoge snelheid op de Melkweg afstevent – afkomstig is uit de buitenste regionen van de Melkwegschijf. Er zwermen honderden van die hogesnelheidswolken rond de Melkweg, maar de Smith-wolk is de enige waarvan de baan goed bekend is. Lang is gedacht dat de Smith-wolk een mislukt, sterrenloos sterrenstelsel was of een gaswolk die vanuit de intergalactische ruimte naar de Melkweg toe valt. Maar als dat waar was, zou de gaswolk vrijwel geheel uit waterstof en helium moeten bestaan – zwaardere elementen zijn immers afkomstig van sterren. Bij het nieuwe onderzoek is voor het eerst de chemische samenstelling van de gaswolk gemeten. Daarbij is gebruik gemaakt van het ultraviolette licht van drie actieve sterrenstelsels dat vanaf de aarde gezien door de wolk heen schijnt. Uit de metingen blijkt dat de Smith-wolk ongeveer net zoveel zwavel bevat als het buitenste deel van de Melkwegschijf. Het staat dus vrijwel vast dat de Smith-wolk uit onze Melkweg afkomstig is. Maar hoe de 11.000 lichtjaar lange en 2500 lichtjaar brede gaswolk ongeveer 70 miljoen jaar geleden uit ons Melkwegstelsel is ontsnapt, is nog steeds onduidelijk. Zeker is wel dat hij over ongeveer 30 miljoen jaar weer ‘neerstort’. En als dat gebeurt kan dat tot een spectaculaire golf van stervorming leiden. De Smith-wolk is genoemd naar de Amerikaanse sterrenkundestudente Gail Smith, die de gaswolk in 1963 ontdekte met de radiotelescoop van Dwingeloo. Smith is nadien in Nederland blijven wonen. (EE)
Meer informatie:
Monstrous Cloud Boomerangs Back to Our Galaxy

   
28 januari 2016 • Babylonische astronomen gebruikten meetkunde om Jupiter te volgen
Een nieuwe analyse van Babylonische kleitabletten heeft uitgewezen dat astronomen al enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling gebruik maakten van geometrie om de hemelpositie van de planeet Jupiter te berekenen. Tot nu toe werd aangenomen dat deze methode voor het eerst in het Europa van de 14de-eeuw werd gebruikt (Science, 29 januari). De ontdekking is gedaan door de Nederlandse wetenschapshistoricus Mathieu Ossendrijver van de Humboldt-universiteit in Berlijn. De door hem vertaalde kleitabletten zijn eind 19de eeuw in het huidige Irak opgegraven en worden bewaard in het British Museum in Londen. Dat Babylonische geleerden – om astrologische redenen – geïnteresseerd waren in de bewegingen van de planeten, was al langer bekend. Maar tot nu toe ging men ervan uit dat hun voorspellingen van hemelposities altijd rekenkundig tot stand kwamen. Uit de inscripties op de kleitabletten blijkt echter dat de Babyloniërs soms anders te werk gingen. Ze maten de dagelijkse verplaatsing van Jupiter op verschillende dagen, en gebruikten die metingen om daaruit af te leiden hoe ver de planeet zich in de tussenliggende perioden had verplaatst. Deze berekening is vergelijkbaar met het maken van een grafiek waarin snelheid tegen tijd wordt uitgezet. Volgens Ossendrijver gebruikten de Babyloniërs weliswaar geen grafieken of geometrische figuren, maar begrepen ze het onderliggende concept wel. In dat opzicht waren ze zelfs verder dan de oude Grieken. (EE)
Meer informatie:
Babylonian astronomers used geometry to track Jupiter

   
27 januari 2016 • Bolvormige sterrenhopen ‘adopteren’ interstellair gas
Astronomen vinden steeds meer aanwijzingen dat de miljoenen sterren van zogeheten bolhopen niet – zoals vroeger werd aangenomen – in één grote golf zijn geboren. Bij nieuw onderzoek van drie bolhopen in twee naburige sterrenstelsels zijn jonge populaties van sterren ontdekt die ontstaan lijken te zijn uit gas dat uit de omgeving is aangetrokken (Nature, 28 januari). Bolhopen – de samentrekking van bolvormige sterrenhopen – zijn compacte groepen sterren die in de buitengebieden van sterrenstelsels te vinden zijn. Onze Melkweg telt er honderden van. De meeste van deze nabije bolhopen zijn heel oud. Om meer in inzicht te krijgen in de evolutie van sterrenhopen van dit type heeft een internationaal team van astronomen, onder wie de Nederlander Richard de Grijs, enkele bolhopen van jonge en middelbare leeftijd. Het gaat om NGC 1783 en NGC 1696 in de Grote Magelhaense Wolk en NGC 411 in de Kleine Magelhaense Wolk. Door naar de kleuren en helderheden van de sterren van deze bolhopen te kijken, kan een schatting worden gemaakt van hun leeftijden. Zo ontdekten De Grijs en collega’s bijvoorbeeld dat NGC 1783 drie populaties van sterren heeft: eentje die 1,4 miljard jaar oud is, een van 890 miljoen jaar en een van 450 miljoen jaar. Een verklaring voor deze grote leeftijdsverschillen zou kunnen zijn dat de bolhopen genoeg gas en stof hadden om meerdere generaties van sterren te vormen. Dat lijkt echter niet waarschijnlijk: de zwaarste sterren van de eerste generatie exploderen als supernova en zouden het nog aanwezige gas uit de sterrenhoop weg moeten blazen. Volgens de astronomen moet het gas waaruit de latere sterren ontstaan wel van buitenaf komen. Waarschijnlijk gaat het om gas dat de bolhoop opveegt terwijl hij om het centrum van zijn sterrenstelsel draait. (EE)
Meer informatie:
Multiple generations of stars in star clusters may resemble adopted rather than natural children (origineel persbericht)

   
27 januari 2016 • ‘Hete jupiters’ hebben vaak twee ‘moeders’
Drie Amerikaanse onderzoeksteams hebben vastgesteld dat zogeheten hete jupiters – zware planeten die in een krappe baan om hun moederster draaien – net zo vaak, of zelfs vaker, in dubbelsterren voorkomen als andere planeten. Bekend is dat iets minder dan de helft van alle nabije zonachtige sterren deel uitmaken van een dubbelstersysteem. Toch was nog maar bij een handjevol dubbelsterren een hete jupiter ontdekt. De vraag was of dubbelstersystemen inderdaad minder geschikt zijn voor de vorming van hete jupiters of dat er stellaire begeleiders over het hoofd waren gezien. Astronomen van het Friends of Hot Jupiters-project zijn 2012 begonnen met een nauwgezet onderzoek van vijftig sterren waar een hete jupiter omheen draait. Daarbij is niet alleen gezocht naar mogelijke stellaire begeleiders van de moederster, maar ook naar eventuele andere planeten. Bij de zoekactie is een significant aantal planetaire en stellaire begeleiders opgespoord. Deze oogst heeft het aantal dubbelsterren in de steekproef op ongeveer vijftig procent gebracht. Dat is opmerkelijk omdat bij deze waarnemingscampagne alleen dubbelsterren konden worden opgespoord met onderlinge afstanden van 50 tot 2000 astronomische eenheden (7,5 miljard tot 300 miljard kilometer). Omdat maar ongeveer een kwart van alle nabije zonachtige dubbelsterren binnen die categorie valt, lijkt het er dus op dat hete jupiters juist baat hebben bij de aanwezigheid van een tweede ster. Volgens de astronomen speelt die ‘hulpmoeder’ mogelijk een rol bij de migratie van de Jupiterachtige planeet van een wijde naar een krappe omloopbaan. (EE)
Meer informatie:
Hot Jupiters Aren’t As Lonely As We Thought

   
26 januari 2016 • Radioastronomen creëren scherpste 'foto' ooit
Door radiotelescopen op aarde te 'koppelen' met een radioastronomische satelliet in een wijde baan om de aarde hebben sterrenkundigen de scherpste sterrenkundige afbeelding ooit weten te creëren. De radio-'foto' toont de zogeheten jet (straalstroom) van een superzwaar zwart gat in de kern van het sterrenstelsel BL Lacertae. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal. De scherpte van een astronomische foto wordt in eerste instantie bepaald door de middellijn van de gebruikte telescoop: hoe groter de telescoop (of de radioschotel), hoe meer kleine details er in het resulterende beeld te zien zijn. In de radiosterrenkunde wordt de interferometrietechniek gebruikt om afzonderlijke radioschotels onderling met elkaar te koppelen, zodat een beeldscherpte verkregen wordt die overeenkomt met die van een denkbeeldig instrument dat even groot is als de afstand tussen de twee verst uiteengelegen schotels. Zo levert de Westerbork-radiotelescoop (14 schotels verspreid over een afstand van ca. 3 kilometer) even scherpe beelden op als een denkbeeldige radioschotel met een middellijn van 3 kilometer. De nieuwe waarnemingen van de jet van BL Lacertae zijn verkregen door metingen van de Russische kunstmaan Spektr-R te combineren met gelijktijdig verrichte waarnemingen van radioschotels in Europa en de Verenigde Staten. Op die manier ontstond een denkbeeldige telescoop met afmetingen van ca. 100.000 kilometer - acht maal de middellijn van de aarde. De bijbehorende beeldscherpte - een maat voor de hoeveelheid detail die zichtbaar is - zou voldoende zijn om een euromunt op de maan te kunnen zien. BL Lacertae bevindt zich op een afstand van ca. 900 miljoen lichtjaar; de jet heeft een lengte van ongeveer 2 lichtjaar. (GS)
Meer informatie:
Space-Earth System Produces Highest-Resolution Astronomical Image (origineel persbericht)

   
26 januari 2016 • Groen (en ander) licht voor superspectrograaf
Een internationaal team van sterrenkundigen met Nederlandse inbreng gaat een instrument ontwikkelen voor de in aanbouw zijnde European Extremely Large Telescope (E-ELT). Het instrument, MOSAIC, is een multi-objectspectrograaf. De spectrograaf ontrafelt het licht van honderden objecten tegelijk. Met het instrument wordt het voor het eerst mogelijk individuele sterren in duizenden nabije sterrenstelsels waar te nemen. De Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) stelt 150.000 euro beschikbaar voor een zogeheten fase-A-studie. Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Brazilië en Duitsland leveren de benodigde menskracht om de plannen voor de spectrograaf verder te ontwikkelen. MOSAIC staat voor Multi-Object Spectrograph for Astrophysics, Inter-galactic medium studies and Cosmology. De spectrograaf sorteert het licht per object op kleur. Daarbij ontstaat een soort streepjescode met informatie over de temperatuur en de chemische samenstelling van de het onderzochte object. Met behulp van honderden glasvezels en vervormbare spiegels (adaptieve optiek) kunnen de astronomen gegevens ontrafelen van individuele sterren in duizenden nabije sterrenstelsels. Ook kunnen ze op zoek naar extragalactische planeten. Dat zijn planeten buiten onze Melkweg. Verder zullen ze honderden sterrenstelsels tegelijk bestuderen die zich ver weg, aan de rand van het zichtbare heelal bevinden.
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
26 januari 2016 • Eenzame planeet blijkt toch moederster te hebben
Toen astronomen in 2008 een zeer zwak hemellichaam ontdekten op ruim 100 lichtjaar afstand van de aarde, werd aangenomen dat er sprake was van een 'dolende' planeet die ooit weggeslingerd zou zijn uit het stelsel waarin hij moet zijn ontstaan. Het object, 2MASS J2126 geheten, is ruim tien maal zo zwaar als Jupiter, maar zo goed als zeker te licht om kernfusiereacties van deuterium (zwaar waterstof) in het inwendige mogelijk te maken. Het zou dus niet om een zogeheten bruine dwerg gaan (een soort 'mislukte' ster die tussen de 13 en de 80 maal zo zwaar is als Jupiter), maar om een zware gasreus. Een internationaal team van onderzoekers heeft nu echter ontdekt dat 2MASS J2126 geen 'op drift geraakte' planeet is, maar toch een baan beschrijft rond een 'moederster': de ca. 45 miljoen jaar oude rode dwergster TYC 9486-927-1. De twee hemellichamen bevinden zich echter op een onderlinge afstand van niet minder dan één biljoen kilometer (ongeveer 0,1 lichtjaar, ofwel 7000 maal de afstand tussen de aarde en de zon); de bijbehorende omlooptijd zou bijna één miljoen jaar bedragen. De resultaten zijn vandaag gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Nooit eerder zijn twee hemellichamen ontdekt die op zo'n grote onderlinge afstand om elkaar heen bewegen. Onduidelijk is hoe een zware reuzenplaneet zo ver van zijn moederster af kan komen te staan (ter vergelijking: de ongeveer even zware planeet Beta Pictoris b staat 700 maal zo dicht bij zijn ster). Mogelijk is 2MASS J2126 niet ontstaan op de manier waarop planeten normaal gesproken ontstaan (door samenklontering van materiaal in de gas- en stofschijf rond een pasgeboren ster), maar op de manier waarop dubbelsterren worden geboren: door de fragmentatie van een ineenstortende interstellaire gas- en stofwolk. (GS)
Meer informatie:
1 Trillion kilometers apart: a lonely planet and its distant star (origineel persbericht)

   
25 januari 2016 • Theoretici stellen nieuwe methode voor om oorsprong heelal te bestuderen
Theoretici van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics in Cambridge, Massachusetts, en de University of Texas at Dallas hebben een nieuwe methode voorgesteld om onderzoek te doen aan het geboorteproces van het heelal: wat ging er precies vooraf aan de compacte, hete oerknalfase waarin het gehele universum zich ca. 13,8 miljard jaar geleden bevond? Die oerfase kan bestudeerd worden door precisiemetingen te verrichten aan de zogeheten kosmische achtergrondstraling die werd uitgezonden toen het heelal ca. 400.000 jaar oud was, maar verder terugkijken in de tijd is vrijwel onmogelijk. Zo is bijvoorbeeld nog niet met zekerheid bekend of het heelal voorafgaand aan die oerknalfase een korte periode van exponentiële uitdijing ondering (de zogeheten inflatiehypithese), of dat er juist sprake was van een periode van kosmische contractie in een voorafgaand heelal. De twee theoretici, die hun nieuwe ideeën uiteenzetten in het vakblad Journal of Cosmology and Astroparticle Physics, rekenen nu voor dat er in beide scenario's sprake geweest moet zijn van zware subatomaire deeltjes, die vanwege hun quantummechanische eigenschappen een soort natuurlijke oscillaties vertonen. De deeltjes fungeren daardoor als een soort klok, en de 'tikken' van die klok laten als het goed is ook extreem subtiele sporen na in de kosmische achtergrondstraling. Door die sporen te detecteren en te analyseren zou het volgens de theoretici mogelijk moeten zijn om onderscheid te maken tussen de verschillende denkbare scenario's voor de geboorte van het heelal. Momenteel zijn zulke gedetailleerde metingen nog niet mogelijk, maar in de toekomst zou daar verandering in moeten komen dankzij nieuwe experimenten als BICEP3 en de Keck Array - gevoelige submillimeterdetectoren op de geografische zuidpool van de aarde. (GS)
Meer informatie:
Theorists Propose a New Method to Probe the Beginning of the Universe (origineel persbericht)

   
25 januari 2016 • Clusters van sterrenstelsels bieden nieuwe inzichten in donkere materie
De eigenschappen van clusters van sterrenstelsels worden niet volledig bepaald door hun totale massa, maar ook door de verdeling van donkere materie in hun omgeving. Dat blijkt uit een nieuw statistisch onderzoek aan 9000 clusters in de Sloan Digital Sky Survey DR8-catalogus, gepubliceerd in Physical Review Letters. Astronomen verdeelden de onderzochte clusters in twee groepen: clusters waarin de afzonderlijke sterrenstelsels sterk geconcentreerd zijn in het centrum (de 'compacte' clusters) en clusters waarin de afzonderlijke stelsels wat gelijkmatiger zijn verdeeld. Uit metingen aan de zwaartekrachtslenswerking van de clusters (de vervorming en versterking van de beeldjes van verre achtergrondstelsels door de zwaartekracht van alle materie in de cluster) kon de totale massa van de clusters worden afgeleid. Zo bleek al dat de mate van 'compactheid' van de cluster niet louter een gevolg kan zijn va die totale massa. Uit het onderzoek blijkt nu dat ook de verdeling van donkere materie in de wijde omgeving van de cluster een rol speelt bij het bepalen van de belangrijkste clustereigenschappen. Zo werd ontdekt dat compactere clusters gemiddeld op grotere onderlinge afstanden staan, terwijl de meer 'diffuse' clusters zich juist wat dichter bij elkaar bevinden dan gemiddeld. Het lijkt er dus op dat de uiteindelijke eigenschappen van een cluster van sterrenstelsels voor een belangrijk deel bepaald worden door zijn ontstaanswijze en -omgeving. Volgens de onderzoekers is dat in overeenstemming met het standaardidee dat quantumfluctuaties in het pasgeboren heelal de kiemen vormden voor latere clusters. (GS)
Meer informatie:
Galaxy Clusters Reveal New Dark Matter Insights (origineel persbericht)

   
24 januari 2016 • Mogelijk veel middelzware zwarte gaten gevonden dankzij Russische IT-vrijwilligers
Russische onderzoekers van de Lomonosow Moscow State University in Rusland hebben mogelijk tientallen 'middelzware' zwarte gaten ontdekt in de omgeving van andere sterrenstelsels dan ons eigen Melkwegstelsel. De resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal. Zwarte gaten zijn er in twee soorten: stellaire zwarte gaten die maximaal enkele tientallen keren zo zwaar zijn als de zon en superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels, van miljoenen of miljarden zonsmassa's. Middelzware zwarte gaten (met massa's van 100 tot 100.000 zonsmassa's) moeten zo goed als zeker ook bestaan: superzware zwarte gaten zijn vermoedelijk ontstaan door versmelting van zulke middelzware exemplaren. Tot nu toe is er in de omgeving van ons eigen Melkwegstelsel één middelzwaar zwart gat gevonden (HLX-1), met een massa van naar schatting 10.000 zonsmassa's. Onder leiding van Ivan Zolotukhin zijn Russische astronomen nu op zoek gegaan naar andere middelzware zwarte gaten in de directe omgeving van andere sterrenstelsels. Ze deden dat door twee catalogi te combineren: de 2MASS-catalogus van sterrenstelsels in het heelal en de röntgenbronnencatalogus van de Europese ruimtetelescoop XMM-Newton. Om die laatste te ontsluiten is dankbaar gebruik gemaakt van het vrijwilligerswerk van een aantal Russische programmeurs, die nieuwe software hebben ontwikkeld om de XMM-Newton-gegevens direct beschikbaar te maken voor iedereen met een werkende internetverbinding. In totaal zijn 98 kandidaat-objecten gevonden, waarvan er minstens 16 geassocieerd zijn met andere sterrenstelsels. Vervolgonderzoek moet nog wel uitwijzen of het inderdaad om middelzware zwarte gaten gaat. (GS)

   
24 januari 2016 • Helderste 'oer-ster' ooit ontdekt
Met de Europese New Technology Telescope in Chili is de helderste 'ultra-metaalarme' ster tot nu toe ontdekt. De ster, met de catalogusaanduiding 2MASS J18082002–5104378, heeft een visuele helderheid van magnitude 11,9. Dat betekent dat hij in een forse amateurtelescoop al zichtbaar is. Ultra-metaalarme sterren zijn sterren die vrijwel geen elementen bevatten zwaarder dan waterstof en helium. Zulke (oude) sterren dateren uit de prille jeugd van het Melkwegstelsel, toen de interstellaire materie nog niet verrijkt (of verontreinigd) was met zwaardere elementen, geproduceerd in eerdere generaties sterren. Onderzoek aan dit soort 'oer-sterren' levert informatie op over de periode waarin de allereerste sterren in het heelal ontstonden. De meeste ultra-metaalarme sterren zijn (zeker gezien vanaf de aarde) extreem zwak. Nu er een ontdekt is met een veel grotere schijnbare helderheid, maakt dat het gedetailleerde spectroscopische onderzoek aan dit type sterren opeens veel eenvoudiger. De nieuwe ontdekking is gepubliceerd in Astronomy & Astrophysics. (GS)
Meer informatie:
Newly discovered star offers opportunity to explore origins of first stars sprung to life in early universe (origineel persbericht)

   
24 januari 2016 • Ophiuchus-sterrenstroom is ouder dan gedacht
Astronomen hebben ontdekt dat de zogeheten Ophiuchus-sterrenstroom (genoemd naar het sterrenbeeld Ophiuchus, de Slangendrager) aanzienlijk ouder is dan tot nu toe werd gedacht. Sterrenstromen (stellar streams) zijn langgerekte structuren in ons Melkwegstelsel die bestaan uit sterren met onderling vergelijkbare leeftijden, chemische eigenschappen en snelheden. De sterren in zo'n sterrenstroom maakten ooit deel uit van een klein dwergsterrenstelsel, dat door de getijdenkrachten van het Melkwegstelsel uiteen is gerukt. Uit de lengte van de Ophiuchus-sterrenstroom (ruim 5000 lichtjaar), die ontdekt werd in 2014, was afgeleid dat hij een leeftijd van ca. 250 miljoen jaar moet hebben. Een opmerkelijke vondst, aangezien de sterren in de stroom ongeveer 12 miljard jaar oud zijn, terwijl de omlooptijd van de sterrenstroom rond het Melkwegstelsel ca. 350 miljoen jaar is - dat moet ook de omlooptijd van het oorspronkelijke dwergstelsel zijn geweest. De vraag dringt zich dan op waarom dat stelsel pas 250 miljoen jaar geleden uiteengerukt zou zijn. Een team van astronomen onder leiding van Branimir Sesar van het Max Planck Institut für Radioastronomie heeft nu aan de uiteinden van de Ophiuchus-stroom sterren ontdekt die zo goed als zeker ook deel uitmaken van de stroom, maar die zich in een veel breder, waaiervormig gebied bevinden. De lengte van de stroom is daarmee bijna twee keer zo lang; de leeftijd komt dan eerder in de buurt van 400 miljoen jaar. Bovendien wijst het bestaan van de waaiervormige uiteinden van de stroom erop dat het oorspronkelijke dwergstelsel in een chaotische omloopbaan moet hebben bewogen, zodat het heel goed mogelijk is dat het 11 miljard jaar lang heeft kunnen overleven voordat het ten prooi viel aan de getijdenkrachten van het Melkwegstelsel. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in Astrophysical Journal. (GS)
Meer informatie:
The Puzzling Ophiuchus Stream (oorspronkelijk persbericht)

   
21 januari 2016 • Interstellaire gaswolk brengt quasar aan het flakkeren
Australische astronomen zijn meer te weten gekomen over een vreemd verschijnsel dat al sinds een jaar of dertig met radiotelescopen wordt waargenomen: tijdelijke sterke fluctuaties in het ‘licht’ van radiobronnen aan de hemel. Waarschijnlijk worden de flakkeringen veroorzaakt door gaswolken in onze eigen Melkweg (Science, 22 januari). Het is de astronomen voor het eerst gelukt om het verschijnsel langdurig te volgen. Daarbij is genoeg informatie verzameld om vast te kunnen stellen dat de veroorzaker ongeveer 3000 lichtjaar van ons verwijderd is. Dat betekent dat deze binnen onze Melkweg gezocht moet worden. De meest voor de hand liggende verklaring is dat het gaat om een verdichting in het ijle gas dat de ruimte tussen de sterren vult. Zo’n interstellaire gaswolk werkt als een soort lens die de radiogolven het ene moment bundelen en dan weer verstrooien. In dit geval is waargenomen hoe een gaswolk de verre quasar PKS 1939-315 aan het flakkeren bracht. Daarbij is vastgesteld dat het om een vrij compacte gaswolk gaat die min of meer bolvormig of cilindervormig is. Gaswolken van dit type zouden een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de totale massa van de Melkweg. (EE)
Meer informatie:
Dark 'noodles' may lurk in the Milky Way

   
21 januari 2016 • Verken het heelal met internetsnelheid
Sky Viewer – een virtuele tour door het heelal – is uitgebreid met beelden van de grote hemelsurvey DECaLS (Dark Energy Camera Legacy Survey). Daarmee is het bereik van de heelaltour, die in mei 2015 werd opgezet, met een factor drie vergroot. Het wetenschappelijke doel van DECaLs is om een selectie van ongeveer 40 miljoen sterrenstelsels en 2,5 miljoen quasars te identificeren. Deze objecten zullen later nader onderzocht worden met een nog in aanbouw zijnde spectroscoop. DECaLS heeft niet alleen een drie keer zo groot bereik als zijn voorganger, de Sloan Digital Sky Survey, maar bestrijkt ook een groter deel van de hemel. Alles bij elkaar kunnen met de interactieve Sky Viewer nu 370 miljoen sterren en sterrenstelsels worden bekeken. Uiteindelijk moeten dan er een paar miljard worden. De verste daarvan zijn ongeveer 6 miljard lichtjaar verwijderd van de aarde. Het bijzondere van de DECaLS-survey is dat alle beelden onmiddellijk voor iedereen beschikbaar zijn. Dat betekent dat ook ‘burgerwetenschapsprojecten’ zoals Galaxy Zoo er gebruik van kunnen maken. De identificatie van sterrenstelsels gebeurt nu nog voor een belangrijk deel door die burgerwetenschappers, maar uiteindelijk is het de bedoeling dat betrouwbare algoritmes worden ontwikkeld die computers in staat stellen om dat monnikenwerken over te nemen. (EE)
Meer informatie:
Explore Galaxies Far, Far Away at Internet Speeds

   
21 januari 2016 • ‘Aliens laten niks van zich horen omdat ze uitgestorven zijn’
Volgens twee astrobiologen van de Australian National University is het leven op planeten doorgaans van korte duur. Organismen zouden bijna altijd in een vroeg stadium bezwijken aan het snelle opwarmen of afkoelen van hun planeet (Astrobiology, januari 2016). Het heelal wemelt waarschijnlijk van de rotsachtige werelden waar water en energiebronnen voorhanden zijn. Je zou dus, zoals de Italiaanse natuurkundige Enrico Fermi al in 1950 opmerkte, verwachten dat we regelmatig iets van geavanceerd buitenaards leven zouden merken. Dat dit niet zo is, wordt de Fermi-paradox genoemd. De beide astrobiologen stellen daar de ‘Gaiaanse Bottleneck’ tegenover. Volgens deze theorie zou leven in het prille begin zo kwetsbaar zijn, dat de kans groot is dat het al vroeg uitsterft. Dat komt doordat het klimaat op veel jonge planeten simpelweg te instabiel is. Om de temperatuur op zo’n planeet leefbaar te houden, zouden eenmaal gevormde organismen de productie van broeikasgassen zoals waterdamp en koolstofdioxide voortdurend moeten bijstellen. Het is nog maar de vraag hoe vaak dat lukt. Oorspronkelijk waren Venus en Mars waarschijnlijk net zo leefbaar als de aarde, maar binnen een miljard jaar was Venus veranderd in een broeikas en Mars in een vrieskist. Als er ooit al leven is geweest op deze planeten, was dat klaarblijkelijk niet in staat om het snel veranderende klimaat te stabiliseren. Voor zover we nu weten, is dat alleen op de aarde gelukt. (EE)
Meer informatie:
The aliens are silent because they are all extinct

   
20 januari 2016 • Telt ons zonnestelsel toch negen planeten?
Twee astronomen van het California Institute of Technology denken een verklaring te hebben gevonden voor de bijzondere baaneigenschappen van een aantal objecten in de Kuipergordel – de ring van ijzig planetair puin voorbij de baan van de planeet Neptunus. Computersimulaties wijzen erop dat er ver voorbij die gordel nog wel eens een forse planeet zou kunnen zijn. Uit nieuw onderzoek blijkt dat de langgerekte omloopbanen van een kleine categorie van verre Kuipergordelobjecten netjes dezelfde kant op wijzen. Dat zou natuurlijk toeval kunnen zijn, maar volgens Konstantin Batygin en Michael Brown is het denkbaar dat die eensgezindheid wordt veroorzaakt door een verre planeet. Om die hypothese te toetsen, hebben de astronomen computersimulaties uitgevoerd. Het resultaat van deze berekeningen is dat zich in de verre buitenwijken van ons zonnestelsel een Neptunus-achtige planeet zou kunnen bevinden. Jammer genoeg valt er verder niet veel concreets over die planeet te zeggen. De modellen laten ruimte voor allerlei combinaties van massa, baanvorm en gemiddelde afstand tot de zon. Een van de mogelijkheden is dat het hemellichaam tien keer zoveel massa heeft als de aarde en een langgerekte baan volgt die hem nooit dichter bij de zon brengt dan 280 astronomische eenheden (zeven keer de afstand zon-Neptunus). Batygin en Brown benadrukken dat het om voorlopige onderzoeksresultaten gaat. Het is dus voorbarig om van de ontdekking van de negende planeet van ons zonnestelsel te spreken. Toch speculeren ze al over de mogelijkheid dat de vermeende planeet gewoon in ons deel van het zonnestelsel is ontstaan. Zwaartekrachtsinteracties met de zwaardere planeten Jupiter en Saturnus zouden ertoe hebben geleid dat hij naar het ’Siberië’ van ons zonnestelsel is verbannen. (EE)
Meer informatie:
A Ninth Planet in Our Solar System?

   
19 januari 2016 • Stralingsgordels rond de aarde zijn complexer dan gedacht
De structuur van de donutvormige stralingsgordels rond de aarde – de zogeheten Van Allen-gordels – is veel complexer dan gedacht. Dat blijkt uit onderzoek met twee NASA-satellieten. De Van Allen-gordels bestaan uit geladen deeltjes – afkomstig van de zon of van andere bronnen in de Melkweg – die met hoge snelheid op de aarde afkomen. In de omgeving van de aarde raken deze deeltjes verstrikt in het magnetische veld van de aarde en blijven ze langs magnetische veldlijnen tussen noord- en zuidpool heen en weer bewegen. Tot nu toe gingen wetenschappers ervan uit dat het om twee afzonderlijke gordels gaat die duidelijk van elkaar gescheiden zijn. De laagst gelegen gordel begint op een hoogte van ongeveer duizend kilometer, en zou eindigen op ongeveer 5000 kilometer. Daarboven zou een vrijwel lege zone liggen die pas op een hoogte van 13.000 kilometer overgaat in de veel bredere tweede gordel. Onderzoek met de Van Allen-satellieten laat echter zien dat die indeling veel minder duidelijk is. Afhankelijk van de energie van de elektronen waar naar gekeken wordt is er soms helemaal geen lege zone tussen de beide gordels of is de buitengordel juist veel smaller dan de binnengordel. Wetenschappers hebben vastgesteld dat bij lagere elektronenergieën de binnengordel groter is dan de buitengordel. Bij hogere elektronenergieën is het juist omgekeerd. En bij de allerhoogste energieën ontbreekt de binnengordel helemaal. Een extra complicatie is dat de structuur van de beide gordels verandert wanneer snel bewegend magnetisch materiaal van de zon – in de vorm van zonnewind of coronale massa-ejecties – in botsing komt met het aardmagnetisch veld. Tijdens de ‘geomagnetische storm’ die dan ontstaat, kan het aantal energierijke deeltjes in de stralingsgordels tijdelijk flink toe- of afnemen. En het nare is dat het verloop van die variaties vrij onvoorspelbaar is. (EE)
Meer informatie:
NASA’s Van Allen Probes Revolutionize View of Radiation Belts

   
15 januari 2016 • Lege zone bevestigd in stofschijf rond TW Hydrae
Met de Gemini Planet Imager op de Gemini South Telescope op Cerro Pachón in Noord-Chili is het bestaan bevestigd van een relatief lege zone in de gas- en stofschijf rond de 8 miljoen jaar oude ster TW Hydrae, op 176 lichtjaar afstand van de aarde. Het bestaan van een lege zone in deze protoplanetaire schijf was eerder al gesuggereerd op basis van waarnemingen met de Hubble Space Telescope. De nabij-infraroodopnamen met de Gemini Planet Imager (GPI) - een camera die speciaal is ontworpen voor het waarnemen van zwakke structuren in de directe omgeving van heldere sterren - zijn echter veel gedetailleerder. De lege zone is ca. 750 miljoen kilometer breed en ligt op een afstand van 23 astronomische eenheden van de ster (1 AE is de gemiddelde afstand van de aarde tot de zon, 150 miljoen kilometer), vergelijkbaar met de afstand van de planeet Uranus tot de zon. Hoe de donkere zone precies is ontstaan is nog niet met zekerheid bekend, maar een van de mogelijke verklaringen is de aanwezigheid van een reuzenplaneet, die met zijn zwaartekracht zijn baan heeft 'schoongeveegd'. De nieuwe GPI-waarnemingen zijn gepubliceerd in Astrophysical Journal Letters. (GS)
Meer informatie:
A Gap in TW Hydrae’s Disk (origineel persbericht)