24 juni 2019 • Laatste kolossale inslag op Mars vond meer dan 4,48 miljard jaar geleden plaats
Een nieuw internationaal onderzoek laat zien dat er al 4,48 miljard jaar geleden leven kan zijn ontstaan op Mars. ‘Kan’, want het staat allerminst vast dat er ooit leven is geweest op de planeet. Dat Mars vanaf 4,5 miljard jaar geleden geruime tijd min of meer ‘levensvatbaar’ is geweest, volgt uit onderzoek van een vijftal Marsmeteorieten die tussen 2011 en 2016 in de Sahara zijn gevonden. De oudste mineralen in deze stenen stammen waarschijnlijk uit het oudste gebied op Mars: de zuidelijke hooglanden. Een nauwkeurige analyse van de kristalstructuren van deze mineralen heeft nu laten zien dat deze niet hebben blootgestaan aan de hoge temperaturen en zware schokgolven die kenmerkend zijn voor kolossale inslagen. Hieruit trekken de onderzoekers de conclusie dat er sinds de vorming van deze mineralen – 4,48 miljard jaar geleden – geen inslagen op Mars hebben plaatsgevonden die funest waren voor opkomend leven (Nature Geoscience, 24 juni). Daaruit volgt dat Mars (en de overige rotsachtige planeten van ons zonnestelsel) geen ‘laat zwaar bombardement’ heeft ondergaan. Volgens een gangbare hypothese zouden de planeten Mercurius, Venus, de aarde en Mars in de vroege geschiedenis van ons zonnestelsel door relatief grote aantallen forse planetoïden zijn getroffen. En dat bombardement zou tot ongeveer 3,8 miljard jaar zijn doorgegaan.  Dat laatste zou betekenen dat Mars vrijwel geen ‘leefbare’ periode heeft gekend. Want vanaf ruwweg 3,5 miljard jaar geleden verloor de planeet in rap tempo bijna al zijn water en zowat zijn complete atmosfeer. Mocht er echter geen zwaar bombardement hebben plaatsgevonden, dan kunnen de omstandigheden op Mars gedurende ruwweg 700 miljoen jaar leefbaar zijn geweest. (EE)
Meer informatie:
Life on Mars was possible after last great meteorite impact nearly 4.5 billion years ago

   
24 juni 2019 • Planetaire nevel ontdekt rond relatief zware ster
Aan het eind van hun bestaan stoten sterren van minstens één zonsmassa hun buitenste lagen af: zo ontstaan de zogeheten planetaire nevels (die overigens niets met planeten te maken hebben). Theoretisch zou dit proces zich af moeten spelen bij sterren tot acht zonsmassa’s, maar tot nu toe was geen enkel voorbeeld van een planetaire nevel bekend met een ster van meer dan drie zonsmassa’s in zijn centrum. Dankzij een internationaal onderzoeksteam is daar verandering in gekomen: er is nu een planetaire nevel ontdekt rond een ster van ruim vijf zonsmassa’s (Nature Astronomy, 24 juni). De ster en zijn omringende nevel, die de aanduiding BMPJ1613-5406 heeft gekregen, maken deel uit van de jonge open sterrenhoop NGC 6067 en zijn ongeveer 4600 lichtjaar van ons verwijderd. Het is pas voor de tweede keer dat er een planetaire nevel in een open sterrenhoop is ontdekt. Het gas van een planetaire nevel wordt door de ultraviolette straling van de achtergebleven hete kern van de centrale ster tot lichten gebracht. Doordat de uitgestoten buitenlagen blijven uitdijen en de ster afkoelt en uiteindelijk in een witte dwerg verandert, wordt een planetaire nevel mettertijd steeds zwakker. Binnen enkele tienduizenden jaren wordt zijn schijnsel onwaarneembaar zwak. (EE)
Meer informatie:
Smash and Grab: A heavyweight stellar champion for dying stars

   
23 juni 2019 • Marsverkenner Curiosity boekt nieuw ‘methaanrecord’
De afgelopen week heeft NASA’s Marsverkenner Curiosity een opvallende meetresultaat bereikt: de grootste hoeveelheid methaangas die hij tijdens zijn missie heeft opgetekend. Het ging om ongeveer 21 ppb (‘delen per miljard’) per volume, wat wil zeggen dat een liter Marslucht op dat moment voor 21 miljardste uit methaan bestond. De detectie van methaan op Mars leidt altijd tot enige ophef, omdat dit gas op onze eigen planeet veelal door levende organismen wordt geproduceerd. Methaan komt echter ook vrij bij vulkanische en chemische processen. Curiosity heeft al eerder piekjes in de methaanconcentratie gemeten, maar de precieze oorzaak ervan is onduidelijk. Jammer genoeg is de Marsverkenner niet uitgerust met instrumenten die de bron van het methaangas kunnen achterhalen. Hij kan zelfs niet vaststellen of de bron van het gas zich in zijn directe omgeving bevond of dat het methaan van elders kwam aangewaaid. Opmerkelijk genoeg is het de Europese Trace Gas Orbiter, die om Mars cirkelt om de samenstelling van diens atmosfeer te onderzoeken, nog steeds niet gelukt om ook maar de geringste sporen van methaangas te meten. (EE)
Meer informatie:
Curiosity Detects Unusually High Methane Levels

   
21 juni 2019 • Spinozapremie voor Groningse astronoom Amina Helmi
De Groningse astronoom Amina Helmi is een van de vier winnaars van de Spinozapremie 2019. Voorzitter Stan Gielen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) heeft de toekenning van de onderscheiding vandaag bekendgemaakt op het jaarlijkse wetenschapscommunicatie-evenement Bessensap in Amsterdam. De andere laureaten zijn: Bas van Bavel, Yvette van Kooyk en Ronald Hanson. Andrea Evers en Jack Pronk krijgen de NWO-Stevinpremie. De Spinoza- en de Stevinpremies zijn de hoogste onderscheidingen in de Nederlandse wetenschap. De laureaten krijgen ieder 2,5 miljoen euro, te besteden aan wetenschappelijk onderzoek en activiteiten met betrekking tot kennisbenutting.Amina Helmi is hoogleraar Dynamica, structuur en vorming van de Melkweg aan het Kapteyn Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Ze is een van de grondleggers van de zogeheten galactische archeologie: de reconstructie van de geschiedenis van sterrenstelsels aan de hand van de huidige posities, bewegingen en samenstelling van sterren. Als een sterrenkundig archeoloog zoekt ze naar overblijfselen van oude sterrenstelsels om aan de hand hiervan de evolutie van onze Melkweg te reconstrueren.Al tijdens haar promotieonderzoek ontdekte Helmi de restanten van een klein sterrenstelsel dat miljarden jaren geleden is opgeslokt samen met onze jonge Melkweg. Deze verzameling sterren staat sindsdien bekend als de Helmi-stroom. Haar ontdekking was de eerste bevestiging van het idee dat onze Melkweg opgebouwd moet zijn uit kleinere, oudere sterrenstelsels.Sindsdien heeft Helmi met haar theorieën, modellen en experimenten onze kennis over de vorm, structuur en geschiedenis van de Melkweg en nabijgelegen sterrenstelsels sterk vergroot. Zo heeft ze onder andere bepaald dat de donkere materie halo rondom onze Melkweg de vorm van een rugbybal moet hebben, in plaats van die van een uitgerekte frisbee, zoals vaak aangenomen werd.Helmi's visie en leiderschap zijn cruciaal geweest voor de realisatie van de Europese ruimtemissie Gaia, die sinds 2013 de beweging en andere kenmerken van meer dan een miljard individuele sterren bestudeert. Met behulp van deze satelliet ontdekte Helmi in 2018 de restanten van een groot sterrenstelsel dat zo'n tien miljard jaar geleden is samengesmolten met de toen nog jonge Melkweg, en dat een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de huidige vorm ervan.Helmi leidt een van de grootste en meest productieve groepen in de wereld op het terrein van sterdynamica en Melkwegstudies. Ze speelt daarnaast een belangrijke rol in nationale en internationale organisaties die de toekomst van de sterrenkunde bepalen.
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
21 juni 2019 • Nieuwe ruimtemissies nemen zon onder de loep
NASA heeft twee nieuwe ruimtemissies geselecteerd die meer inzicht moeten geven in het gedrag van onze zon en haar invloed op het magnetische veld van de aarde. De zon stoot grote hoeveelheden energierijke geladen deeltjes uit die, eenmaal aangekomen bij de aarde, het magnetische veld van onze planeet verstoren. Dat kan leiden tot storingen in de communicatie met satellieten, waaronder die van GPS-systemen. In uitzonderlijke gevallen kunnen ook stroomnetten op aarde uitvallen. Ook voor astronauten in de ruimte of op de maan kan de deeltjeswind van de zon riskant zijn. De eerste missie, PUNCH geheten, bestaat uit vier kleine satellieten die in formatie om de aarde gaan cirkelen om te onderzoeken hoe het buitenste deel van de atmosfeer van de zon, de corona, de interplanetaire ruimte beïnvloedt. Daarbij zal met name worden gekeken naar de manier waarop de corona de zonnewind van deeltjes en energie voorziet. De tweede missie, TRACERS, zal het gebied boven de noordpool van de aarde onderzoeken, waar de magnetische veldlijnen van onze planeet bijeenkomen. Langs deze veldlijnen worden deeltjes uit het overgangsgebied tussen het aardmagnetische veld en de interplanetaire ruimte de aardatmosfeer in geleid. De beide nieuwe NASA-missies zullen uiterlijk in augustus 2022 worden gelanceerd. (EE)
Meer informatie:
NASA Selects Missions to Study Our Sun, Its Effects on Space Weather

   
21 juni 2019 • NASA schakelt succesvolle infraroodsatelliet begin 2020 uit
Het Amerikaanse ruimteagentschap NASA heeft besloten om een van zijn vlaggenschepen, de ruimtetelescoop Spitzer, uit de ‘vaart’ te nemen. Spitzer doet sinds 2003 onderzoek van de infraroodhemel. Dat betekent dat hij opnamen maakt en spectra vastlegt van warme objecten in het heelal, zoals gasnevels en sterrenstelsels, maar ook van planeten binnen en buiten ons zonnestelsel. Spitzer kan inmiddels over nog maar één van zijn drie instrumenten beschikken, maar doet desondanks nog steeds nuttig onderzoek. Toch heeft NASA nu besloten om de ruimtetelescoop op 30 januari 2020 uit te schakelen. Samen met de ruimtetelescopen Hubble, Compton en Chandra behoort Spitzer tot de Great Observatories van NASA. Na het wegvallen van de infraroodsatelliet zullen nog maar twee daarvan in bedrijf zijn: Hubble en Chandra. De Compton-ruimtetelescoop, die onderzoek deed op gammagolflengten werd al in 2000 buiten bedrijf gesteld. Een belangrijk deel van het onderzoek dat Spitzer deed zal worden overgenomen door de James Webb-ruimtetelescoop, die in 2021 moet worden gelanceerd. (EE)
Meer informatie:
NASA is retiring its legendary Spitzer Space Telescope

   
19 juni 2019 • Gepolariseerde radiostraling waargenomen van de jet van een gammaflits
Voor het eerst hebben astronomen gepolariseerde radiogolven waargenomen van een zogeheten gammaflits. Gammaflitsen zijn de hevigste explosies in het heelal, en gammaflits GRB 190114C vormt daarop geen uitzondering. Hij is ontstaan toen een ster met veel meer massa dan onze zon ineenstortte tot een zwart gat. Het licht van deze gebeurtenis, die zich op 4,5 miljard lichtjaar afstand afspeelde, bereikte de aarde op 14 januari 2019. Bij gammaflitsen van dit type – de lange gammaflitsen – ontstaat een krachtige jet van plasma (hete geladen deeltjes) die zich met bijna de snelheid van het licht van de explosie verwijdert. Voor waarnemers die zich min of meer in het ‘schootsveld’ van zo’n jet bevinden, produceert zo’n gammaflits meer licht en andere vormen van straling dan een miljard zonnen bij elkaar. Astronomen worstelen met de vraag hoe deze jets ontstaan en waarom ze alleen bij gammaflitsen worden waargenomen, maar niet bij andere grote explosies zoals ‘gewone’ supernova’s. De ontdekking dat de radiostraling van een gammaflits gepolariseerd is, wijst erop dat magnetische velden een rol spelen bij de vorming en instandhouding van de jet. Uit de geringe sterkte van het polarisatiesignaal van GRB 190114C, zoals dat is gemeten met de Atacama Large Millimeter/Submillimeter Array (ALMA) in het noorden van Chili, leiden de onderzoekers af dat het magnetische veld niet sterk geordend is. Het is een lappendeken van magnetische velden ter grootte van ons zonnestelsel die verschillend georiënteerd zijn. Dit resultaat wijst erop dat magnetische velden een minder belangrijke rol spelen bij de vorming van gammaflits-jets dan tot nu toe werd aangenomen. De vraag is echter of alle gammaflitsen zo’n zwakke polarisatie vertonen of dat GRB 190114C een bijzonder geval is. (EE)
Meer informatie:
Astronomers make first detection of polarized radio waves in gamma ray burst jets

   
19 juni 2019 • Nieuwe Europese kometenmissie bestaat uit drie ruimtesondes
Het Europese ruimteagentschap, ESA, heeft een nieuwe missie geselecteerd voor het Cosmic Vision Programma. Het gaat om de Comet Interceptor, een missie bestaande uit drie ruimtesondes die een maagdelijke komeet of ander interstellair object moet onderscheppen die nog maar net begonnen is aan zijn reis door het centrale deel van ons zonnestelsel. De drie ruimtesondes zullen hun doelwit van alle kanten gaan bekijken. Normaal gesproken zal dat doelwit een komeet zijn die vanuit de buitenste regionen van ons zonnestelsel komt en materiaal uitstoot waarvan de samenstelling sinds de prille begintijd van ons zonnestelsel niet of nauwelijks is veranderd. Maar mocht de gelegenheid zich voordoen, dan zou de Comet Interceptor ook naar een interstellaire indringer van het type ‘Oumuamua kunnen worden gestuurd. ‘Oumuamua bracht in 2017 een kortstondig bezoek aan ons zonnestelsel, en het is nog steeds niet helemaal duidelijk wat voor soort object dat was. De drie ruimtesondes zullen in 2028 meeliften met de Ariel-missie, die de samenstelling van exoplaneten gaat onderzoeken. Het hele gezelschap wordt ‘geparkeerd’ in het zogeheten L2-punt, dat vanuit de zon gezien 1,5 miljoen kilometer achter de aarde ligt. Voor de ruimtesondes van de Comet Interceptor is dat niet de eindbestemming: zij zullen wachten totdat zich een geschikt onderzoeksobject aandient. De camera’s en meetinstrumenten die zij meevoeren zijn gebaseerd op ontwerpen van eerdere ESA-missies. (EE)
Meer informatie:
ESA’s new mission to intercept a comet

   
18 juni 2019 • Halo's van koel gas rond sterrenstelsels draaien in dezelfde richting als de stelsels zelf
Schijfvormige sterrenstelsels zoals ons eigen Melkwegstelsel worden omgeven door een uitgestrekte, ijle halo van koel gas. Algemeen wordt aangenomen dat gas vanuit de halo in de loop van de tijd naar binnen valt, en dat de centrale schijven van sterrenstelsels op die manier groeien. Dat idee wordt nu bevestigd door nieuwe waarnemingen met de 10-meter Keck-telescoop op Hawaii. Sterrenkundigen gebruikten Keck om metingen te verrichten aan 50 schijfvormige sterrenstelsels die ongeveer in dezelfde richting gezien worden als ver verwijderde quasars - de heldere kernen van actieve stelsels op grote afstanden. Het quasarlicht schijnt door de halo van het voorgrondstelsel heen, en door dat licht in detail te bestuderen, kan informatie worden afgeleid over de beweging van het koele gas in de halo. Het blijkt dat het halo-gas in dezelfde richting roteert als het centrale sterrenstelsel. Dat wijst er inderdaad op dat het gas in de loop van de tijd langzaam maar zeker naar binnen kan spiraliseren, en daar aanleiding kan geven tot de geboorte van nieuwe sterren. De nieuwe metingen zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal. (GS)
Meer informatie:
Cool Halo Gas Caught Spinning Like Galactic Disks (origineel persbericht)

   
18 juni 2019 • Twee aarde-achtige planeten gevonden rond nabije dwergster
Bij de Ster van Teegarden, een kleine, koele dwergster op slechts 12,5 lichtjaar afstand van de aarde die pas in 2003 werd ontdekt, zijn twee aarde-achtige planeten gevonden. De Ster van Teegarden is tien keer zo licht als de zon en heeft een oppervlaktetemperatuur van slechts 2700 graden. De twee planeten zijn iets zwaarder dan de aarde en bevinden zich in de bewoonbare zone van de ster - het gebied waar de oppervlaktetemperatuur van een planeet het bestaan van vloeibaar water mogelijk maakt. De ontdekking van de twee planeten, met een gevoelige spectrograaf op de 3,5-meter telescoop van de Calar Alto-sterrenwacht in Spanje, is gepubliceerd in Astronomy & Astrophysics. Het bijzondere aan de ontdekking is dat de Ster van Teegarden zich nabij de ecliptica bevindt (in het sterrenbeeld Ram). Dat betekent dat een hypothetische bewoner van een van de nieuw ontdekte planeten ons eigen zonnestelsel vrijwel exact van opzij ziet, zodat hij de aarde eens per jaar voor de zon langs ziet schuiven. Veel exoplaneten zijn op die manier ontdekt. (GS)
Meer informatie:
International research team discovers two new Earth-like planets near Teegarden's star (origineel persbericht)

   
18 juni 2019 • Grootste SETI-project ooit vindt (nog?) geen spoor van buitenaardse intelligentie
Het Breakthrough Listen-project (grotendeels gefinancierd door de Russische miljardair Yuri Milner) heeft tussentijdse resultaten gepubliceerd van de speurtocht naar buitenaardse intelligentie (Search for Extra-Terrestrial Intelligence, SETI) met de 100-meter Green Bank Telescope in West Virginia (Verenigde Staten) en de 64-meter Parkes-radiotelescoop in Australië. Met de twee telescopen zijn in de afgelopen jaren ruim 1700 nabije sterren (tot op 160 lichtjaar afstand) bestudeerd; van 1327 sterren zijn de waarnemingen nu geanalyseerd en gepubliceerd, in Publications of the Astronomical Society of the Pacific en The Astrophysical Journal. Er zijn tot op heden geen zogeheten 'techno-signatures' gevonden - radiosignalen die geen natuurlijke herkomst kunnen hebben maar die zouden wijzen op het bestaan van technologische beschavingen op andere planeten. Het Breakthrough Listen-project staat echter nog in de kinderschoenen. De komende tijd zullen maar liefst één miljoen sterren waargenomen worden, onder andere met het MeerKAT-observatorium in Zuid-Afrika. (GS)
Meer informatie:
Breakthroug Listen published most comprehensive and sensitive search for radio technosignatures ever performed (origineel persbericht)

   
18 juni 2019 • Niet al het goud in het heelal ontstond bij neutronensterbotsingen
Metingen die in 2017 zijn gedaan aan de versmelting van twee neutronensterren (waarbij ook zwaartekrachtgolven geproduceerd werden) laten zien dat er bij zulke energierijke botsingen veel zware elementen geproduceerd worden, zoals goud, platina, uranium en plutonium. Onderzoek van Canadese astronomen doet nu echter vermoeden dat niet alle zware elementen in de kosmos bij neutronensterren zijn ontstaan. (Neutronensterren zijn de kleine en extreem compacte sterren die achterblijven bij supernova-explosies.) De sterrenkundigen combineerden waarnemingen aan oude sterren met theoretische modellen van de evolutie van het heelal, en komen tot de conclusie dat er in de eerste miljard jaar van de kosmische geschiedenis nog een ander proces actief moet zijn geweest: de hoeveelheid europium (een ander zwaar element) in de atmosferen van oude sterren kan niet volledig verklaard worden door vroegere neutronensterbotsingen - die waren daarvoor niet talrijk genoeg. De ware aard van dat vroege proces is overigens nog niet achterhaald. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal en werden vandaag gepresenteerd op de jaarbijeenkomst van de Canadian Astronomical Society in Montreal. (GS)
Meer informatie:
2019 Annual General Meeting of the Canadian Astronomy Society (CASCA)

   
18 juni 2019 • ALMA ontdekt botsende sterrenstelsels in prille jeugd heelal
Met het ALMA-observatorium in Noord-Chili is de vroegst bekende sterrenstelselbotsing in de geschiedenis van het heelal ontdekt. Japanse astronomen gebruikten ALMA om waarnemingen te doen aan het stelsel B14-65666, dat zo ver weg staat dat het licht van het stelsel er 13 miljard jaar over deed om de aarde te bereiken. Sterrenkundigen zien het stelsel (in het sterrenbeeld Sextant) dus zoals het er 13 miljard jaar geleden uitzag, toen het heelal nog maar 800 miljoen jaar oud was. ALMA detecteerde (sub-)millimeterstraling van zuurstof, koolstof en interstellaire stofdeeltjes. Nooit eerder werden deze drie signalen tegelijkertijd gemeten bij een object op zo'n grote afstand. Tevens bleek dat het sterrenstelsel feitelijk uit twee delen bestaat, die verschillende snelheden hebben. Dat betekent dat het om twee kleinere stelseltjes gaat die met elkaar in botsing zijn gekomen en zullen versmelten. De totale massa van B14-65666 is minder dan 10 procent van de massa van ons eigen Melkwegstelsel, maar het kleine, jonge stelsel vertoont een honderd maal zo grote stervormingsactiviteit. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in Publications of the Astronomical Society of Japan. (GS)
Meer informatie:
ALMA Finds Earliest Example of Merging Galaxies (origineel persbericht)

   
13 juni 2019 • Laatste Cassini-waarnemingen maken ringenstelsel Saturnus alleen maar onbegrijpelijker
In een artikel dat deze week in Science is gepubliceerd doen wetenschappers verslag van de waarnemingen van de ringen van Saturnus die ruimtesonde Cassini tegen het einde van zijn missie van heel dichtbij heeft gedaan. Op de beelden vallen allerlei texturen en patronen op, uiteenlopend van klonteringen tot ‘strohalmen’. Over hun ontstaan bestaat nog veel onduidelijkheid, maar wel is meer inzicht verkregen over de variaties in chemie en temperatuur binnen het ringenstelsel. Een van de ontdekkingen is die van een reeks strepen in de zogeheten F-ring, die dezelfde lengte en oriëntatie hebben. Volgens de wetenschappers zijn deze strepen ontstaan door een groep objecten die gelijktijdig in de ring zijn ingeslagen. Dat bewijst dat de ring wordt bestookt met materiaal dat om Saturnus zelf draait en niet door kometenpuin dat van verder weg komt. Hoewel de recente Cassini-beelden scherper zijn dan ooit, hebben ze het raadsel van de fijnstructuur van het ringenstelsel allen maar vergroot. Op sommige plaatsen is het ringmateriaal verdeeld in scherp begrensde banden, terwijl het elders om nog onduidelijke redenen klonteriger is. Merkwaardig is ook dat de buitenste delen van de A-ring slechts zwakke sporen van waterijs vertonen. Dat is verrassend omdat dat deel van de ring heel helder is, wat normaal gesproken een teken is dat het ijs daar heel schoon is en in spectrometrisch opzicht juist en sterker ‘watersignaal’ zou moeten afgeven. Globaal gezien is waterijs het belangrijkste bestanddeel van de ringen A, B en C van Saturnus. Het laatste Cassini-onderzoek wijst erop dat het ringmateriaal geen waarneembare hoeveelheden ammoniak en methaan bevat, en ook geen organische verbindingen. Ook dat is verrassend, omdat eerder is vastgesteld dat vanuit de D-ring organisch materiaal op Saturnus neerregent. (EE)
Meer informatie:
NASA’s Cassini Reveals New Sculpting in Saturn Rings

   
12 juni 2019 • ‘Keukenzout’ gevonden op Jupitermaan Europa
Nieuwe spectra, verkregen met de Keck-telescoop op Hawaï, laten zien dat er op het (ijs)oppervlak van de grote Jupitermaan Europa natriumchloride te vinden is – gewoon keukenzout dus. De ontdekking bevestigt dat de zoute oceaan onder de ijskorst van Europa qua samenstelling op de oceanen op aarde lijkt (Science Advances, 12 juni). Europa is van nabij onderzocht door de Amerikaanse ruimtesonde Galileo, die onder meer met een infraroodspectrometer was uitgerust. Met dit instrument is ook zout op de Jupitermaan aangetoond, maar dat betrof (waarschijnlijk) magnesiumsulfaat. Keukenzout is echter niet waarneembaar in het infrarode deel van het spectrum, en is daardoor tot nu toe over het hoofd gezien. Saillant detail: de Hubble-ruimtetelescoop had dit twintig jaar geleden al kunnen ontdekken, maar niemand is op het idee gekomen om dit instrument daarvoor in te zetten. Met de (nieuwe) spectrometer van de Keck-telescoop is op een bepaalde plek op Europa – Tara Regio – dan toch eindelijk natriumchloride opgespoord. De aanwezigheid van het zout kan erop wijzen dat er hydrothermale bronnen op de bodem van de verscholen oceaan actief zijn. Maar zeker is dat niet: het is ook mogelijk dat het zout al sinds het ontstaan van deze Jupitermaan in het oppervlakte-ijs zit. (EE)
Meer informatie:
Table Salt Compound Spotted on Europa

   
12 juni 2019 • Astronomen ontdekken populatie van ‘koude quasars’
Het lijkt erop dat er sterrenstelsels bestaan die grote hoeveelheden koud gas herbergen en er ondanks de aanwezigheid van een actief superzwaar zwart gat in hun centrum in slagen om nieuwe sterren te produceren. Dat maakt astronoom Allison Kirkpatrick vandaag bekend tijdens de bijeenkomst van de American Astronomical Society die deze week in de stad St. Louis wordt gehouden. Een actief superzwaar zwart gat is bezig om gas uit zijn omgeving aan te trekken. Dat gas verzamelt zich in een ‘accretieschijf’ rond het zwarte gat en is een krachtige bron van energierijke elektromagnetische straling, waaronder röntgenstraling. Hierdoor is de kern van het sterrenstelsel op allerlei golflengten enorm helder. Zo'n intens stralende kern wordt een quasar genoemd. Doorgaans wordt aangenomen dat quasars funest zijn voor de stervorming in het omringende sterrenstelsel. Onder invloed van magnetische velden zenden ze behalve röntgenstraling ook jets van energierijke deeltjes de ruimte in, en dat zorgt ervoor dat de aanvoer van intergalactisch gas naar het sterrenstelsel wordt afgeremd. Daardoor stokt de vorming van nieuwe sterren in het stelsel. Uit een survey die Kirkpatrick heeft gedaan blijkt echter dat ongeveer tien procent van de sterrenstelsels met een quasar in hun centrum nog steeds koud gas bevatten en nieuwe sterren maken. ‘Koude quasars' noemt Kirkpatrick deze objecten. Vermoed wordt dat de koude quasars kenmerkend zijn voor de overgangsfase die sterrenstelsels doorlopen wanneer de productie van nieuwe sterren stil komt te vallen. Deze overgangsperiode zou slechts ongeveer 10 miljoen jaar duren – een oogwenk naar kosmische maatstaven. Vandaar dat koude quasars relatief zeldzaam zijn. (EE)
Meer informatie:
Astrophysicist announces her discovery that could rewrite story of how galaxies die

   
12 juni 2019 • Reuzenplaneten en ‘mislukte’ sterren hebben weinig gemeen
Waarnemingen met de Gemini Planet Imager (GPI) van de Gemini South-telescoop in Chili wijzen erop dat grote planeten en bruine dwergen, oftewel (te) kleine sterren, niet op dezelfde manier ontstaan. De GPI maakt gebruik van een coronagraaf, waarmee het licht van en ster wordt afgeschermd om zo zwakke objecten in diens naaste omgeving te kunnen opsporen. Bij 300 zonachtige sterren die met behulp van dit instrument zijn bekeken zijn zes reuzenplaneten en drie bruine dwergen ontdekt. Bruine dwergen hebben meer massa dan planeten, maar zijn niet zwaar genoeg om waterstof in zwaardere elementen om te zetten, zoals echte sterren dat doen. Een analyse van deze waarnemingen laat zien dat bruine dwergen en reuzenplaneten niet zo veel met elkaar gemeen hebben. Waar zware bruine dwergen talrijker zijn dan minder zware, is dat bij planeten juist andersom. Bovendien bevinden bruine dwergen zich doorgaans verder van hun moederster. Dat wijst erop dat bruine dwergen op vergelijkbare wijze ontstaan als sterren: door samentrekking van een grote wolk van gas en stof. Planeten ontstaan juist door samenklonteringen van grote aantallen brokjes ijs en gesteente. Een ander opvallend resultaat van de GPI-survey is dat alle ontdekte planeten om de zwaarste van de onderzochte sterren cirkelen – sterren met minstens anderhalf keer zoveel massa als de zon. En dat terwijl planeten zich juist makkelijker laten opsporen bij lichtere, zwakkere sterren. Dit ‘tegenstrijdige’ verband werd al geruime tijd vermoed: het is een bevestiging van het ‘bottom-up’-scenario voor de planetenvorming. Ook wijst de survey erop dat het aantal reuzenplaneten – planeten van het type Jupiter – daalt naarmate de afstand tot de ster groter is dan die tussen de zon en Jupiter. Het lijkt er dus op dat ‘onze’ Jupiter zich zo’n beetje op de meest normale plek in het zonnestelsel bevindt. Zowel op veel kleinere als op veel grotere afstanden van een ster zijn zulke planeten minder talrijk. Hoe dan ook komen reuzenplaneten niet veel voor bij zonachtige sterren. (EE)
Meer informatie:
The Formative Years: Giant Planets vs. Brown Dwarfs

   
12 juni 2019 • Zelflerende machines jagen op kosmische explosies en versnellen innovatie
De Nationale Wetenschapsagenda kent vandaag 4,5 miljoen euro toe aan CORTEX, het Centrum voor Onderzoek in Real Time naar het Explosieve Universum. Het centrum is een samenwerkingsverband van twaalf partners uit wetenschap, bedrijfsleven en maatschappij. Het samenwerkingsverband gaat zelflerende machines sneller maken voor onderzoek naar kosmische explosies en voor maatschappelijke toepassingen. De kern van CORTEX bestaat uit: ASTRON, Nikhef, SURF, Netherlands eScience Center, Universiteit van Amsterdam, Radboud Universiteit Nijmegen, Centrum Wiskunde & Informatica, IBM Nederland, BrainCreators, ABN AMRO, NVIDIA, NOVA en Stichting ILT. Er wordt samengewerkt met Rijksmuseum, Thermo Fisher en de Universiteit Leiden. Kunstmatige intelligentie is sinds kort belangrijk in de maatschappij en de wetenschap. Kunstmatige intelligentie wordt bijvoorbeeld gebruikt door virtuele assistenten in mobieltjes, door zoekmachines op internet en door wetenschappers in de speurtocht naar patronen in de natuur en in het heelal. De zelflerende systemen zijn echter nog niet snel genoeg voor bijvoorbeeld zelfsturende auto's en voor het opsporen van felle explosies van licht en zwaartekrachtsgolven uit het heelal. Sarah Caudill (Nikhef) wil zelflerende machines inzetten bij onderzoek naar zwarte gaten en neutronensterren. ‘De storm aan zwaartekrachtsgolven die wordt gevormd wanneer een stel zwarte gaten of neutronensterren samensmelt, piekt maar een paar seconden. En dat misschien maar eens per week. Snelle kunstmatige intelligentie kan helpen deze om deze verre explosies te herkennen, nog terwijl ze afgaan.’ Antonia Rowlinson (Universiteit van Amsterdam en ASTRON) vult aan: ‘Als we de kosmische explosies onmiddellijk waarnemen met radiotelescopen gaat ons dat veel leren over het heelal. Zelflerende machines kunnen de nagloeiende radio-explosie uit duizenden achtergrondbronnen herkennen. Als we het vervagen van deze kosmische vuurballen volgen, kunnen we bepalen wat voor enorme energie er bij de explosies komt kijken.’ 
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
11 juni 2019 • Magnetische velden houden zwart gat in Melkwegkern rustig
Magnetische velden zorgen ervoor dat het zwarte gat in het centrum van ons Melkwegstelsel relatief weinig activiteit vertoont. Dat concluderen sterrenkundigen op basis van nieuwe waarnemingen van de vliegende infraroodsterrenwacht SOFIA (een infraroodtelescoop aan boord van een omgebouwde Boeing, die waarnemingen doet vanuit de stratosfeer). Door metingen te verrichten aan de polarisatie van infraroodstraling is het mogelijk om magnetische velden in kaart te brengen. Dat is nu voor het eerst in detail gedaan voor straling die afkomstig is uit de omgeving van de radiobron Sagittarius A* - het zwarte gat in het centrum van het Melkwegstelsel. Terwijl superzware zwarte gaten in de kernen van andere sterrenstelsels vaak grote activiteit vertonen, als gevolg van het opslokken van materie vanuit hun omgeving, is Sgr A* (ruim vier miljoen keer zo zwaar als de zon) relatief rustig. Uit de SOFIA-waarnemingen blijkt dat het magnetisch veld zodanig georiënteerd is dat plasma (elektrisch geladen gas) bij voorkeur in een baan rond het zwarte gat terecht komt, waardoor er weinig materiaal naar binnen valt. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal en gepresenteerd op de 234ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in St. Louis, Missouri. (GS)
Meer informatie:
Magnetic Field May Be Keeping Milky Way’s Black Hole Quiet (origineel persbericht)

   
11 juni 2019 • Ahuna Mons op Ceres is een cryovulkaan
De merkwaardige, ruim vier kilometer hoge berg Ahuna Mons op de dwergplaneet Ceres is ontstaan door cryovulkanisme (ijsvulkanisme). Dat blijkt uit een nieuwe gedetailleerde analyse van zwaartekrachtmetingen door de Amerikaanse ruimtesonde Dawn. Onder de piramidevormige berg blijkt zich een massaconcentratie te bevinden met een hogere dichtheid dan de rest van de mantel van Ceres. Volgens Europese planeetonderzoekers gaat het om een 'cryokamer' - de koude tegenhanger van een magmakamer in de aardmantel. Hierin bevindt zich een mengsel van zout water, modder en gesteente. Door inwendige bewegingen is dat mengsel op een zwakke plek in de ijsrijke korst van Ceres naar buiten geperst, waar het omhoog gestuwd werd tot een hoogte van enkele kilometers alvorens volledig te bevriezen. (GS)
Meer informatie:
A new and unusual type of volcanic activity (origineel persbericht)

   
11 juni 2019 • Edwin Hubble's classificatie van spiraalstelsels op de schop
De gangbare classiificatie van spiraalvormige sterrenstelsels, in 1927 opgesteld door de Amerikaanse astronoom Edwin Hubble, moet op de schop. Dat blijkt uit resultaten van het Galaxy Zoo-project die gepubliceerd zijn in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Hubble meende dat er bij spiraalstelsels een verband is tussen de grootte van de centrale verdikking (de 'kern' van het stelsel) en het uiterlijk van de spiraalarmen: een grote centrale verdikking zou samengaan met strak opgewonden spiraalarmen (type Sa); een kleine centrale verdikking met 'losjes' opgewonden armen (type Sc; Sb is een tussenvorm). Burgerwetenschappers van het internationale Galaxy Zoo-project hebben op bestaande foto's van grote telescopen nu echter ruim 6000 sterrenstelsels bekeken en gekarakteriseerd, en uit de analyse van die resultaten blijkt dat het door Hubble beschreven verband lang niet altijd opgaat. Daarmee komt de standaard-classificatie van sterrenstelsels op losse schroeven te staan. Het nieuwe resultaat doet vermoeden dat de populaire dichtheidsgolventheorie voor het verklaren van de spiraalarmen van sterrenstelsels mogelijk incompleet is, of in elk geval niet de enige verklaring vormt. (GS)
Meer informatie:
Citizen Scientists Re-tune Hubble's Galaxy Classification (origineel persbericht)

   
10 juni 2019 • Nieuwe ‘planetenspeurder’ van Breakthrough Watch en ESO vangt eerste licht op
Breakthrough Watch, het mondiale astronomische programma dat naar aarde-achtige planeten rond nabijgelegen sterren speurt, en de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO), de belangrijkste intergouvernementele astronomische organisatie van Europa, hebben vandaag bekendgemaakt dat een nieuw instrument van de Very Large Telescope (VLT), bedoeld voor de jacht op exoplaneten, zijn eerste licht heeft opgevangen. Het instrument – de Near Earths in the AlphaCen Region of kortweg NEAR – is ontworpen om planeten op te sporen in de ‘leefbare zones’ van de twee dichtstbijzijnde zonachtige sterren, die deel uitmaken van het Alfa Centauri-stelsel. De leefbare zone is het gebied rond een ster waar water in vloeibare vorm kan bestaan. NEAR is de afgelopen drie jaar ontwikkeld en gebouwd in samenwerking met de Universiteit van Uppsala in Zweden, de Universiteit van Luik in België, het California Institute of Technology in de VS en Kampf Telescope Optics in München, Duitsland. Op 23 mei zijn astronomen van ESO begonnen aan de eerste tiendaagse reeks VLT-waarnemingen die moeten uitwijzen of zich in dit stersysteem inderdaad een of meer planeten bevinden. De waarnemingen zullen morgen, 11 juni, worden afgesloten. Met het nieuwe instrument kunnen planeten worden gedetecteerd die minimaal tweemaal zo groot zijn als de aarde. Dat gebeurt in het infraroodbereik waar eventuele planeten hun warmtestraling uitzenden en stelt astronomen dus in staat om vast te stellen of de planeet een temperatuur heeft die vloeibaar water toelaat. Met een afstand van 4,37 lichtjaar (ongeveer 38 biljoen kilometer) is het Alfa Centauri-stelsel de meest nabije buur van ons zonnestelsel. Het bestaat uit twee zonachtige sterren, Alfa Centauri A en B, en een rode dwergster, Proxima Centauri. Onze huidige kennis van de planetenstelsels van Alfa Centauri is beperkt. In 2016 ontdekte een team gebruikmakend van ESO-instrumenten een aarde-achtige planeet die in een baan om Proxima Centauri draait. Maar of ook Alfa Centauri A en B planeten kunnen hebben staat niet vast: het is onduidelijk hoe stabiel de omloopbanen van aarde-achtige planeten in zo’n dubbelster zijn. Alleen waarnemingen van deze eventuele planeten kunnen daar zekerheid over geven. Het fotograferen van zulke planeten is een grote technische uitdaging, omdat het sterlicht dat zij weerkaatsen doorgaans miljarden keren zwakker is dan het licht dat rechtstreeks van hun moedersterren afkomstig is. Het waarnemen van een kleine planeet nabij een ster op enkele lichtjaren afstand kan worden vergeleken met het lokaliseren van een mot die om een straatlantaarn fladdert die tientallen kilometers van je vandaan staat. Om dit probleem op te lossen zijn Breakthrough Watch en ESO in 2016 een samenwerking aangegaan om een speciaal instrument te bouwen: een zogeheten thermische infraroodcoronagraaf. Deze is ontworpen om het grootste deel van het licht van de ster tegen te houden en geoptimaliseerd om het infrarode licht van het warme oppervlak van een om de ster cirkelende planeet op te vangen, in plaats van de geringe hoeveelheid sterlicht die deze weerkaatst. De coronagraaf veroorzaakt als het ware een kunstmatige verduistering van de ster waar de telescoop op gericht is. Dat maakt het mogelijk om veel zwakkere objecten in diens omgeving te detecteren, net zoals objecten in de buurt van de zon (die in het felle zonlicht ‘verdrinken’) zichtbaar worden tijdens een totale zonsverduistering. De coronagraaf is geïnstalleerd op een van de vier 8-meter-telescopen van de VLT en is in feite een uitbreiding van een bestaand instrument, VISIR, dat daardoor beter geschikt is geworden voor de detectie van infraroodstraling die kenmerkend is voor potentieel leefbare exoplaneten. Vanaf nu kan VISIR zoeken naar warmtesignaturen die vergelijkbaar zijn met die van de aarde, die energie absorbeert van de zon en deze deels weer uitzendt in de vorm van thermische infraroodstraling. NEAR modificeert het bestaande VISIR-instrument op drie manieren, waarbij verschillende geavanceerde technieken worden gecombineerd. Om te beginnen maakt hij het instrument geschikt voor coronagrafie, wat betekent dat het licht van een ster drastisch kan worden gereduceerd, zodat de signaturen van eventuele aarde-achtige planeten zichtbaar worden. Ten tweede gebruikt hij adaptieve optiek om de secundaire spiegel van de telescoop zodanig te vervormen dat de onscherpte die door de aardatmosfeer wordt veroorzaakt wordt gecompenseerd. En tot slot maakt hij gebruik van nieuwe ‘chopping-strategieën’ die beeldruis helpen tegengaan en het instrument bovendien in staat stellen om snel – om de 100 milliseconden – tussen twee doelsterren om te schakelen. Hierdoor kan de beschikbare telescooptijd efficiënter worden benut.
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
10 juni 2019 • Ook de zon kan 'supervlammen' produceren
De zon vertoont regelmatig energierijke explosies aan het oppervlak - zogeheten zonnevlammen. Onderzoekers van de Universiteit van Colorado in Boulder komen nu echter tot de conclusie dat er op de zon incidenteel ook veel krachtiger 'supervlammen' kunnen voorkomen. Zo'n supervlam zou desastreus zijn voor onze kwetsbare technologische beschaving. Pasgeboren, actieve sterren vertonen ongeveer eens per week zo'n krachtige supervlam. Uit metingen van de Amerikaanse ruimtetelescoop Kepler, aangevuld met waarnemingen van onder andere de Europese ruimtetelescoop Gaia, blijkt nu echter dat oudere, 'rustige' sterren zoals de zon (die een leeftijd heeft van 4,6 miljard jaar) ook eens in de paar duizend jaar een dergelijke supervlam kunnen produceren. Er is dus een kleine maar reële kans dat zoiets in de komende eeuw gaat gebeuren. De nieuwe resultaten, gebaseerd op een statistische analyse van supervlammen op 43 zonachtige sterren, zijn in mei gepubliceerd in The Astrophysical Journal en werden vandaag gepresenteerd op de 234ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in St. Louis, Missouri. (GS)
Meer informatie:
Rare ‘superflares’ could one day threaten Earth (origineel persbericht)

   
10 juni 2019 • Paradoxale planeet geeft geheimen prijs
Nieuwe metingen aan het licht van een paradoxale planeet bieden meer inzicht in het ontstaan van zogeheten 'hete Jupiters' - zware exoplaneten in kleine omloopbanen rond hun moederster. Planeet CI Tau b is zo'n hete Jupiter. Hij draait in slechts 9 dagen rond een ster die zich op 450 lichtjaar afstand van de aarde bevindt. Het paradoxale zit 'm in de leeftijd van de ster: die is pas 2 miljoen jaar oud. Doorgaans wordt aangenomen dat zware gasvormige planeten in de loop van vele miljoenen jaren ontstaan. Onderzoekers van Rice University hebben nu het (gereflecteerde) licht van CI Tau b voor het eerst direct kunnen meten. Uit de waarnemingen konden ze de massa en de (infrarode) helderheid van de planeet afleiden. Hij blijkt 11,6 keer zo zwaar te zijn als Jupiter, en slechts 134 keer zo zwak als de ster zelf. De nieuwe resultaten ondersteunen de zogeheten hot start-theorie voor de vorming van zware reuzenplaneten: een zeer snelle vorming onder invloed van een gravitationele instabiliteit in de gas- en stofschijf rond de pasgeboren ster. De onderzoekers presenteerden hun nieuwe metingen vandaag op de 134ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in St. Louis (Missouri). Binnenkort volgt een publicatie in Astrophysical Journal Letters. (GS)
Meer informatie:
Spectral Clues to Puzzling Paradox of Distant Planet (origineel persbericht)

   
10 juni 2019 • Complex leven mogelijk zeldzamer dan gedacht
Volgens theoretisch onderzoek van biogeochemici van de Universiteit van Californië in Riverside zijn complexe ecosystemen in het heelal waarschijnlijk zeldzamer dan tot nu toe werd gedacht. Doorgaans wordt aangenomen dat er op een planeet complexe levensvormen kunnen voorkomen wanneer die planeet zich in de zogeheten bewoonbare zone van zijn moederster bevindt - het gebied waar de oppervlaktetemperatuur geschikt is voor het bestaan van vloeibaar water. In een artikel in The Astrophysical Journal rekenen de onderzoekers echter voor dat die bewoonbare zone veel smaller is (of in sommige gevallen in het geheel niet bestaat) als het gaat om complexe levensvormen, die veel minder goed bestand zijn tegen allerlei giftige gassen. Zo kan een grote hoeveelheid UV-straling van de moederster leiden tot de vorming van hoge concentraties koolmonoxide, en kan een planeet aan de buitenzijde van de traditionele bewoonbare zone alleen warm genoeg blijven als zijn dampkring extreem hoge concentraties giftig kooldioxide bevat. De planetenstelsels van de nabije rode dwergsterren Proxima Centauri en Trappist-1 zouden volgens de nieuwe analyse helemaal geen bewoonbare planeten tellen. (GS)
Meer informatie:
New study dramatically narrows the search for advanced life in the universe (origineel persbericht)

   
10 juni 2019 • Dwergstelsel bevat verrassend licht zwart gat
Het zwarte gat in het centrum van het dwergsterrenstelsel NGC 4395, op 15 miljoen lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Jachthonden, is slechts tienduizend keer zo zwaar als de zon (ter vergelijking: het zwarte gat in het centrum van ons eigen Melkwegstelsel weegt ruim vier miljoen zonsmassa's, en sommige reuzenstelsels hebben een zwart gat van miljarden zonsmassa's). De massa van het zwarte gat in NGC 4395 is gemeten met behulp van de reverberation mapping-techniek. De resultaten zijn vandaag gepubliceerd in Nature Astronomy. Reverberation mapping maakt gebruik van het feit dat energierijke straling van de accretieschijf rond een zwart gat (een snel rondcirkelende schijf van heet gas) invloed heeft op koelere materie op grotere afstand - de zogeheten broad line region. Daarin worden atomen geïoniseerd die vervolgens weer recombineren en straling uitzenden. Uit het tijdsverschil tussen het oplichten van de accretieschijf en de resulterende lichtflits in de broad line region kan de afstand van dat laatste gebied worden afgeleid. Wanneer ook de bewegingssnelheid van het gas in de broad line region bekend is, is het mogelijk om de massa van het zwarte gat te berekenen. Het zwarte gat in NGC 4395 blijkt veertig maal lichter te zijn dan tot nu toe werd aangenomen. Het nieuwe resultaat kan meer licht werpen op het ontstaan en de evolutie van zwaardere zwarte gaten in de kernen van grotere sterrenstelsels. (GS)
Meer informatie:
Astronomers Determine Mass of Small Galaxy's Central Black Hole (origineel persbericht)

   
7 juni 2019 • Kosmische aurora verlicht de verbinding tussen twee clusters van sterrenstelsels
Voor het eerst is een stroom van magnetische velden en relativistische elektronen geïdentificeerd langs een filament die de clusters van sterrenstelsels Abell 399 en Abell 401 met elkaar verbindt. Dankzij de gegevens die door de Low Frequency Array (LOFAR) radiotelescoop zijn verzameld, was het voor het eerst mogelijk om dit fenomeen op radiogolflengte te ontdekken en te meten (Science, 7 juni). In het universum wordt materie gedistribueerd langs een zogenaamd ‘kosmisch web’ bestaande uit draderige, filamentaire structuren, waarvan op de kruising zich enorme concentraties van duizenden sterrenstelsels vormen, bekend als ‘clusters’. Clusters van sterrenstelsels kunnen worden beschouwd als de grootste door zwaartekracht gebonden structuren in het universum. Tot nu toe was een magnetisch veld in de filamenten die de clusters verbinden nooit eerder waargenomen. Waarnemingen met radiotelescopen hebben eerder wel een ‘halo’ van radiostraling geobserveerd in de centrale gebieden van sommige clusters, wat het bestaan ​​van een magnetisch veld bevestigde. Ondanks dat ze immens zijn, zijn filamenten van het kosmische web extreem ijl en moeilijk te detecteren. ‘De unieke gevoeligheid voor het detecteren van uitgebreide emissie onderzocht door LOFAR is de sleutel om voor de eerste keer deze ‘kosmische aurora’ in intergalactische filamenten te onthullen’, aldus Emanuela Orrù van ASTRON, het Nederlands Instituut voor Radioastronomie.De internationale LOFAR-telescoop bestaat uit een Europees netwerk van radioantennes die met elkaar verbonden zijn door een snel glasvezelnetwerk dat zich uitstrekt over zeven landen. LOFAR is ontworpen, gebouwd en wordt nu beheerd door ASTRON (Nederlands instituut voor radioastronomie), met Exloo (Drenthe) als kernlocatie. LOFAR werkt door de signalen van meer dan 100.000 afzonderlijke dipoolantennes met elkaar te combineren. Krachtige computers verwerken de radiosignalen op zodanig wijze dat het lijkt of hij een 1900 kilometer grote ‘schotel’ vormt. Op lage frequentie is LOFAR ongeëvenaard als het op gevoeligheid en resolutie (d.w.z. het vermogen om detailrijke beelden te maken) aankomt. Deze studie werd gecoördineerd door Federica Govoni van het National Institute for Astrophysics (INAF) uit Cagliari. Onder de deelnemers in Nederland waren Emanuela Orrù en Marco Iacobelli van ASTRON, Huub Röttgering en Reinout van Weeren van de Universiteit Leiden, Michael Wise van het Nederlands Instituut voor Ruimte-onderzoek (SRON) en onderzoekers van verschillende Europese instituten (in Italië, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Zweden, Engeland).
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
6 juni 2019 • Exoplaneet HAT-P-6 b zoekt nieuwe naam
De Internationale Astronomische Unie (IAU) bestaat dit jaar 100 jaar en organiseert de mondiale competitie ‘IAU100 NameExoWorlds’. Elk land krijgt een exoplaneet toegewezen en mag die samen met het publiek een naam geven. Meer dan 70 landen zijn al bezig met een nationale campagne om het publiek te laten stemmen. Het doel van de campagne is mensen te laten nadenken over onze plaats in het heelal en over de hypothetische vraag hoe een buitenaardse beschaving naar onze aarde zou kijken. Astronomen hebben de afgelopen decennia duizenden planeten en planeetstelsels ontdekt rond nabije sterren. Sommige planeten zijn klein en rotsachtig zoals onze aarde; andere lijken meer op gasreuzen als Jupiter. Om de meeste sterren cirkelen planeten. Alleen al het enorme aantal sterren in het heelal en de overvloedigheid van prebiotische materialen, maakt het bestaan van leven elders in het heelal waarschijnlijk. De IAU is verantwoordelijk voor de officiële naamgeving van hemellichamen. De IAU viert dit jaar 100 jaar internationale samenwerking, en wil dit aspect van de sterrenkunde benadrukken met de wereldwijde campagne. Tijdens de competitie van 2015 werden al 19 exoplaneten vernoemd. Dit jaar krijgt élk land de kans een naam te geven aan een planeetstelsel, bestaande uit een exoplaneet en een ster. Elk land heeft een ster toegewezen gekregen die zichtbaar is vanuit dat land en helder genoeg is om met een kleine telescoop te bekijken. Dat is gebeurd na een zorgvuldige selectie van een groot aantal bekende exoplaneten en hun moedersterren. Al deze planeten zijn gasreuzen, vergelijkbaar met Jupiter en Saturnus. Nederland heeft de ster HAT-P-6 en de exoplaneet HAT-P-6 b toegewezen gekregen. Het stelsel ligt op ongeveer 650 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Andromeda. De hele lijst met planeten is hier te vinden.  In elk deelnemend land is een nationaal comité opgericht om een nationale verkiezing op te zetten. Dit comité volgt de methode en de richtlijnen die door de IAU100 NameExoWorlds-stuurgroep zijn opgesteld. Het nationaal comité is verantwoordelijk voor publieksparticipatie, communicatie rond het project en het ontwerpen van een stemsysteem. De nationale competitie vindt plaats in de periode juni-november 2019. De resultaten van de wereldwijde verkiezingen worden bekendgemaakt in december 2019. De gekozen namen worden dan parallel aan de bestaande wetenschappelijke namen gebruikt, met een verwijzing naar de indieners. 
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
6 juni 2019 • Dominique Wanningen (17) wint dertiende Nederlandse Sterrenkunde Olympiade
Dominique Wanningen (17) van het Murmellius College in Alkmaar is de winnaar van de dertiende Nederlandse Sterrenkunde Olympiade. Zij heeft een waarneemreis naar de sterrenwacht op het Canarische eiland La Palma gewonnen. De tweede prijs, een telescoop, ging naar Annemarijn Zwerver (18) van het Hogeland College in Warffum en de derde prijs, een astronomieboek, is gewonnen door Tijn Ansems (16) van het Willem van Oranje College in Waalwijk. De Sterrenkundeolympiade vond dit jaar plaats op de Afdeling Sterrenkunde van de Radboud Universiteit Nijmegen. Het is een jaarlijkse wedstrijd voor middelbare scholieren die geïnteresseerd zijn in natuur- en sterrenkunde en wordt afwisselend georganiseerd door een van de NOVA-instituten. In de eerste ronde hebben deelnemers opgaven moeten doen die hun kennis en inzicht in de sterrenkunde testten. Hieruit zijn de beste acht deelnemers gekozen. Zij zijn uitgenodigd voor de finale, waarbij ze de afgelopen dagen een groot aantal masterclasses voorgeschoteld kregen over uiteenlopende onderwerpen, zoals zwaartekrachtgolven, supernovae en exoplaneten. De docenten dit jaar waren Gijs Nelemans (gravitatiestraling), Onno Pols (sterhopen), Marijke Haverkorn (exoplaneten), Nadia Blagorodnova (supernovae) en Frank Verbunt (sterclusters). De hoofdprijs is traditiegetrouw een reis naar de Roque de los Muchachos-sterrenwacht op het Canarische eiland La Palma, waar Dominique Wanningen met een professionele telescoop mag gaan waarnemen. Daarnaast mag zij een verslag schrijven over haar reis voor astronomie-magazine Zenit. 
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
5 juni 2019 • Ring van ‘koel’ gas waargenomen rond superzwaar zwart gat in Melkwegcentrum
Sagittarius A*, het superzware zwarte gat in het centrum van de Melkweg, is omgeven door koel interstellair gas. Dat blijkt uit waarnemingen met de ALMA-telescoop in het noorden van Chili (Nature, 5 juni). Het Melkwegcentrum is 26.000 lichtjaar van ons verwijderd. Bekend was al dat de naaste omgeving van het daar aanwezige zwarte gat wemelt van de sterren, stof en wolken van heet en minder heet gas. Deze gassen maken deel uit van een uitgestrekte accretieschijf die op enkele tienden van een lichtjaar van het centrum begint. Tot nu toe was alleen het ijle, 10 miljoen graden hete deel van deze accretieschijf in beeld gebracht. Dat gas is een sterke bron van röntgenstraling, die met behulp van röntgensatellieten goed waarneembaar is. Daarnaast was met kleinere ALMA-achtige telescopen al koeler gas op afstanden van enkele lichtjaren van zwarte gat waargenomen, dat temperaturen van ongeveer 10.000 °C heeft. Met de grote ALMA-telescoop is nu vastgesteld dat dit koele gas zich inderdaad tot op een fractie van een lichtjaar van het zwarte gat uitstrekt. Hierdoor is het nu ook mogelijk om te bepalen om hoeveel koel gas het gaat. Veel is het niet: ongeveer een tiende Jupitermassa oftewel een tienduizendste zonsmassa. Door het dopplereffect heeft het gas in de schijf dat onze kant op komt een iets kortere (‘blauwere’) golflengte dan het gas dat zich van ons verwijdert. Daaruit leiden astronomen af dat het koele gas daadwerkelijk om Sagittarius A* cirkelt. (EE)
Meer informatie:
Cool, Nebulous Ring Around Milky Way's Supermassive Black Hole