28 mei 2015 • Ruimte en tijd zijn uitermate ’glad’ van structuur
Waarnemingen met de Amerikaanse ruimtetelescopen Chandra en Fermi en de Very Energetic Radiation Imaging Telescope Array in Arizona (VERITAS) wijzen erop dat de ruimtetijd veel minder ‘schuimig’ is dan de meeste modellen voorspellen. Op de kleinste schalen die we kunnen meten, lijken ruimte en tijd volkomen glad te zijn. Maar bepaalde aspecten van de kwantummechanica – de zeer succesvolle theorie die het gedrag van atomen en subatomaire deeltjes beschrijft – voorspellen dat de ruimtetijd is opgebouwd uit minuscule, voortdurend fluctuerende gebiedjes. Als dat inderdaad het geval is, zou dat merkbaar moeten zijn aan het gedrag van röntgen- en gammastraling. Röntgen- en gammafotonen hebben namelijk dermate kleine golflengten dat ze interacties zouden aangaan met de kwantumbelletjes. Op kleine afstanden is daar niets van te merken, maar op afstanden van miljarden lichtjaren mogelijk wel. Volgens de meeste modellen zouden gamma- en mogelijk ook röntgenfotonen onderweg zo sterk worden verstrooid dat verre objecten, zoals quasars, op die korte golflengten onwaarneembaar zouden zijn. Maar dat is niet zo: zowel de röntgensatelliet Chandra als de gammatelescopen Fermi en VERITAS hebben quasars op afstanden van miljarden lichtjaren gedetecteerd. Dat geeft aan dat de kwantumbelletjes heel erg klein moeten zijn – minstens duizend keer zo klein als een proton (het deeltje dat de kern van het waterstofatoom vormt). Volgens de wetenschappers die de waarnemingen hebben geanalyseerd, betekent dit dat twee modellen voor de structuur van de ruimtetijd kunnen worden geschrapt. In feite blijft alleen het model over dat stelt dat de fluctuaties in de ruimtetijd zodanig op elkaar zijn afgestemd, dat er zelfs over grote afstanden geen verstrooiing van kortgolvige straling optreedt. (EE)
NASA Telescopes Set Limits On Spacetime Quantum “Foam”

   
28 mei 2015 • ‘Fuserende’ zwarte gaten lijken oorzaak van jets
Een groot onderzoek met de Hubble-ruimtetelescoop bevestigt dat er een verband bestaat tussen het samensmelten van sterrenstelsels en het ontstaan van superzware zware gaten die jets van materie uitstoten. Maar niet bij elke botsing tussen sterrenstelsels blijken zulke straalstromen van hete materie op gang te komen. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de meeste sterrenstelsels een superzwaar zwart gat in hun kern hebben, vertoont slechts een fractie daarvan jets. De oorsprong van deze bundels van heet plasma wordt gezocht bij dat centrale zwarte gat. De astronomen hebben vijf soorten sterrenstelsels op zichtbare tekenen van botsingen met andere stelsels onderzocht: drie soorten stelsels zonder jets en twee soorten met jets. Deze laatste zijn sterke bronnen van radiostraling. Met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop is nu vastgesteld dat bijna al die ‘radio-stelsels’ bij botsingen betrokken zijn of onlangs zijn geweest. Maar dat is niet het hele verhaal: ook bijna de helft van de overige sterrenstelsels vertoont sporen van botsingen. Blijkbaar is een botsing alléén niet voldoende om plasmajets te laten ontstaan. De astronomen vermoeden dat die pas op gang komen wanneer er bij de botsing een snel roterend superzwaar zwart gat – mogelijk als gevolg van een ontmoeting met een zwart gat van vergelijkbare massa. Het snel roterende zwarte gat zou de extra energie leveren die nodig is voor de vorming van jets. (EE)
Merging galaxies break radio silence

   
27 mei 2015 • Grote ‘exomanen’ kunnen leefbaar zijn
Volgens wetenschappers van de McMaster-universiteit in Canada hebben sommige manen van exoplaneten – planeten buiten ons zonnestelsel – de juiste afmetingen en voldoende water om leefbaar te zijn. Dat volgt uit modelberekeningen, waarvan de resultaten in de tijdschriften Astronomy and Astrophysics en The Astrophysical Journal zijn verschenen. De afgelopen jaren zijn duizenden exoplaneten ontdekt. In veel gevallen gaat het om zware gasplaneten van het type Jupiter: niet bepaald leefbare werelden. Maar de Canadese computermodellen laten zien dat rond deze ‘super-Jupiters’ manen kunnen cirkelen die twee keer zoveel massa hebben als de planeet Mars. Als de moederplaneet zich maar op de juiste afstand van haar ster bevindt, zou zo’n maan zo maar eens een geschikte broedplaats voor leven kunnen zijn. Tot dusver is overigens nog geen enkele exomaan ontdekt. Volgens de wetenschappers zal dat echter niet lang meer duren. Zelfs het doorspitten van de al bestaande gegevens van de Amerikaanse Kepler-satelliet zou al zekerheid kunnen geven over het bestaan van zware exomanen. En anders lukt het wel met de toekomstige Europese ruimtemissie PLATO of de European Extremely Large Telescope. (EE)
Is There Life Out There? Distant Moons May Provide The Answer, Researchers Say

   
27 mei 2015 • Hubble-video toont botsing in ‘jet’ van zwart gat
Astronomen hebben een ‘botsing’ waargenomen in de stroom materie die door een superzwaar zwart gat is uitgestoten. Op Hubble-beelden is te zien hoe een eerder uitgestoten materie van achteren wordt ‘aangereden’ door een iets sneller bewegende achterligger. De snelheden waarbij dat gebeurt zijn kolossaal: meer dan 98 procent van de snelheid van het licht – de kosmische topsnelheid. De botsing werd opgemerkt bij het samenstellen van een filmpje van de ‘jet’ van het 260 miljoen lichtjaar verre sterrenstelsel NGC 3862. Daarbij is gebruik gemaakt van opnamen die tussen 1994 en 2014 zijn gemaakt door de Hubble-ruimtetelescoop. Over het ontstaan van zulke jets bestaat nog veel onduidelijkheid. Zeker is alleen dat hun bron gezocht moet worden in de naaste omgeving van het superzware zwarte gat dat in het centrum van bijna elk sterrenstelsel te vinden is. Een jet bestaat uit een bundel superhete materie, plasma geheten, die met hoge snelheid wordt uitgestoten. De nieuwe analyse van de Hubble-beelden wijst erop dat de schokgolven die ontstaan bij botsingen binnen de jet voor een verdere versnelling van de materiedeeltjes zorgt. Ook lichten de gebieden waar zulke botsingen plaatsvinden helder op. De resultaten van het onderzoek zijn op 28 mei verschenen in het tijdschrift Nature. (EE)
Hubble Video Shows Shock Collision Inside Black Hole Jet

   
27 mei 2015 • Evenbeeld van de Kuipergordel ontdekt
Astronomen hebben rond een jonge, zonachtige ster een ring van planetair bouwpuin ontdekt die opvallende overeenkomsten vertoont met de Kuipergordel. Deze laatste bevindt zich in ons eigen zonnestelsel, voorbij de omloopbaan van de planeet Neptunus. Volgens de astronomen kan de ontdekking erop wijzen dat planetenstelsels als het onze verre van uniek zijn. Het evenbeeld van de Kuipergordel is ontdekt met de Gemini South-telescoop in Chili. De stofring omgeeft de 360 lichtjaar verre ster HD 115600, die iets zwaarder is dan onze zon. De ring ligt tussen ongeveer 5,6 en 8,3 miljard kilometer van zijn moederster – bijna gelijk aan de afstand tussen de Kuipergordel en de zon. Uit de hoeveelheid sterlicht die de ring rond HD 115600 weerkaatst wordt afgeleid dat het stof uit silicaten en ijs bestaat. Ook in dat opzicht lijkt hij op de Kuipergordel, die behalve stofdeeltjes ook duizenden kleine, ijsachtige objecten bevat. Wat wél enorm verschilt is zijn leeftijd: het stervormingsgebied waar HD 115600 deel van uitmaakt is pas enkele tientallen miljoenen jaren oud. Omdat de ster niet precies in het midden van de stofring staat, vermoeden de astronomen dat er dichter bij de ster een of meer planeten zijn gevormd. (EE)
Discovery shows what the solar system looked like as a ‘toddler’

   
26 mei 2015 • NASA selecteert instrumenten voor missie naar Jupitermaan Europa
De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA heeft negen wetenschappelijke instrumenten geselecteerd voor een toekomstige ruimtemissie naar de Jupitermaan Europa. Europa heeft een stijf bevroren oppervlak, maar daaronder gaat een diepe oceaan van zout, vloeibaar water schuil waarin mogelijk micro-organismen voorkomen. Waarnemingen van de Hubble Space Telescope doen vermoeden dat er op Europa ook een vorm van ijsvulkanisme voorkomt. De ruimtesonde, die in de jaren twintig gelanceerd moet worden, zal in een langgerekte baan rond de planeet Jupiter worden gebracht, en in totaal 45 scheervluchten langs Europa maken, op afstanden variërend van 25 tot 2700 kilometer. Onder de negen geselecteerde instrumenten bevinden zich - naast camera's en spectrometers - een stofdetector, een infraroodinstrument waarmee actieve gebieden aan het oppervlak opgespoord kunnen worden, een magnetometer die informatie oplevert over de diepte en het zoutgehalte van de oceaan, en een radarinstrument waarmee onder de ijskorst 'gekeken' kan worden. (GS)
NASA’s Europa Mission Begins with Selection of Science Instruments (origineel persbericht)

   
26 mei 2015 • Verre stelsels lijken qua samenstelling op nabije dwergen
De scheikundige samenstelling van extreem ver verwijderde sterrenstelsels vertoont veel overeenkomst met die van nabijgelegen dwergstelsels. Dat blijkt uit waarnemingen die verricht zijn met de 10-meter Keck-telescoop op Hawaii. De nieuwe resultaten worden vandaag gepresenteerd op de jaarlijkse bijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in Hamilton, Ontario. In ver verwijderde stelsels, waar astronomen terugkijken tot ca. 3 miljard jaar na de oerknal, zijn geen afzonderlijke sterren zichtbaar. Het interstellaire gas in die stelsels is echter verrijkt met materiaal dat uit sterren afkomstig is, in de vorm van sterrenwinden, planetaire nevels en supernova-explosies. De samenstelling van het interstellaire gas kan wél bestudeerd worden, wanneer het betreffende stelsel zich min of meer vóór een nog verder weg staande quasar bevindt - de extreem heldere kern van een sterrenstelsel. In het licht van de quasar zijn dan absorpitepatronen van het gas terug te vinden. Door metingen aan 30 verre sterrenstelsels te vergelijken met waarnemingen aan 2000 sterren in nabije stelsels komen astronomen van de University of Victoria in British Columbia tot de conclusie dat de scheikundige samenstelling van de verre, jonge stelsels veel overeenkomsten vertoont met die van dwergsterrenstelsels in onze directe omgeving. De hoop is dat dergelijke metingen meer inzichten zullen opleveren over de evolutie van grote sterrenstelsels zoals ons eigen Melkwegstelsel. (GS)
New Clues About Galaxy Formation (origineel persbericht)

   
26 mei 2015 • Supercomputers helpen sterrenstelsels begrijpen
Dankzij gedetaillerde simulaties, uitgevoerd met behulp van krachtige supercomputers, zijn astronomen van Rutgers State University of New Jersey erin geslaagd om de eigenschappen van sterrenstelsels, en met name van kleine dwergstelsels, beter te reproduceren. Eerdere simulaties hielden bij het berekenen van ontstaan en evolutie van deze stelsels vooral rekening met het gedrag van donkere materie, om de eenvoudige reden dat die ca. zes maal zoveel 'gewicht in de schaal legt' als zichtbare materie. Die eerdere modelberekeningen leidden voor dwergsterrenstelsels - en voor de centrale gebieden van grotere, zwaardere stelsels - vaak tot discrepanties tussen de voorspelde en de waargenomen eigenschappen, zoals de snelheidsverdeling van sterren. In de nieuwe simulaties wordt het gedrag van gas en sterren (oftewel de zichtbare materie) ook in rekening gebracht. Het blijkt dat dat weer van invloed kan zijn op de verdeling van donkere materie. De resultaten van de nieuwe berekeningen zijn in elk geval veel beter in overeenstemming met de waarnemingen. De nieuwe supercomputersimulaties worden vandaag gepresenteerd op de jaarlijkse bijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in Hamilton, Ontario. (GS)
CASCA 2015

   
25 mei 2015 • Bouwstenen van planeten ontstaan eerder dan gedacht
Planeten ontstaan door het samenklonteren van materiaal in protoplanetaire schijven - platte, ronddraaiende schijven van gas en stof rond pasgeboren sterren. Al lange tijd is bekend dat stofdeeltjes in protoplanetaire schijven groter zijn dan in de ijle interstellaire materie. Die stofkorrels klonteren vervolgens samen tot steeds grotere brokstukjes, rotsblokken en ijsklompen, planetesimalen en uiteindelijk tot (proto-)planeten. Astronomen van de University of Victoria in British Columbia hebben nu echter aangetoond dat ook buiten protoplanetaire schijven - maar wel in de min of meer directe omgeving - al grote deeltjes voorkomen, mogelijk zelfs met afmetingen van één centimeter. Dat betekent dat de allereerste bouwstenen van planeten al veel eerder ontstaan dan tot nu toe altijd is aangenomen, namlijk al voordat het interstellaire stof zich ophoopt in een protoplanetaire schijf. De ontdekking was mogelijk door ver-infraroodmetingen van het Europese Herschel Space Observatory te combineren met submillimeterwaarnemingen van de James Clerk Maxwell Telescope op Maunakea, Hawaii. De nieuwe resultaten worden vandaag gepresenteerd op de jaarlijkse bijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in Hamilton, Ontario. (GS)
CASCA 2015

   
21 mei 2015 • Ver sterrenstelsel breekt helderheidsrecord
Met de Amerikaanse infraroodsatelliet WISE is een ver sterrenstelsel ontdekt dat meer licht geeft dan 300 biljoen zonnen. Daarmee is dit het helderste sterrenstelsel dat ooit is opgespoord. Het object behoort tot een recent ontdekte klasse van extreem heldere infraroodstelsels (The Astrophysical Journal, 22 mei). Het heldere stelsel, dat te boek staat als WISE J224607.57-052635.0, heeft waarschijnlijk een kolossaal zwart gat in zijn kern dat grote hoeveelheden gas opslokt. Het aangetrokken gas verzamelt zich in een schijf rond het zwarte gat, waarin de temperatuur oploopt tot miljoenen graden. Bij die extreme temperatuur produceert het gas enorme hoeveelheden energierijke straling. Deze straling wordt geabsorbeerd door stofwolken in de omgeving van het zwarte gat. Daarbij warmt het stof op en wordt het een bron van infraroodstraling. Bijna alle sterrenstelsels hebben een fors zwart gat in hun centrum. Maar het is voor het eerst dat zo’n immens zwart gat op zo’n grote afstand is waargenomen. Het licht van WISE J224607.57-052635.0 heeft er 12,5 miljard jaar over gedaan om ons te bereiken. Dat betekent dat het zwarte gat al miljarden zonsmassa’s zwaar was toen ons heelal tien keer zo jong was als nu. Naast het superheldere sterrenstelsel heeft WISE nog tientallen minder uitbundig stralende infraroodstelsels opgespoord. Onduidelijk is nog hoe deze stelsels aan hun kolossale zwarte gaten komen. Mogelijk hebben ze al bij hun ontstaan een fors zwart gat meegekregen. Maar het is ook denkbaar dat zwarte gaten veel sneller kunnen groeien dan tot nu toe voor mogelijk werd gehouden. (EE)
NASA’s WISE Spacecraft Discovers Most Luminous Galaxy in Universe

   
21 mei 2015 • Ruimtetelescoop onderzoekt unieke ster
Astronomen zijn, met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop, meer te weten gekomen over een in 1963 ontdekte ster. De zware ster, die officieel NaSt1 heet maar de bijnam Nasty 1 heeft gekregen, vertoont unieke kenmerken. Bij zijn ontdekking werd Nasty 1 aangezien voor een ‘gewone’ Wolf-Rayet-ster, een hete ster met veel meer massa dan de zon. Aanvankelijk gingen astronomen ervan uit dat zulke sterren ontstaan doordat ze uit eigen beweging al vroeg hun waterstofrijke buitenlagen afstoten. Daardoor komt de heldere, hete heliumkern van de ster bloot te liggen en verandert hij in een Wolf-Rayet-ster.  De ontdekking dat minstens zeventig procent van alle zware sterren deel uitmaken van dubbelsterren, heeft tot een bijstelling van dit model geleid. Volgens het nieuwe scenario is het massaverlies van de zware ster voor een belangrijk deel te wijten aan de zwaartekrachtsinvloed van een stellaire begeleider, die een groot deel van de waterstofmantel opslokt.  De massa-overdracht in zo’n zwaar dubbelstersysteem verloopt echter niet altijd even efficiënt. Een deel van het aangetrokken waterstofgas wordt ‘gemorst’ en verzamelt zich in een schijf rond de dubbelster. Geschat wordt dat zo’n gasschijf slechts enkele duizenden jaren waarneembaar is – een oogwenk in het leven van een ster. De Hubble-waarnemingen wijzen erop dat Nasty 1 zich momenteel precies in die korte levensfase bevindt. De ster is omgeven door een platte gasschijf met een middellijn van drie biljoen kilometer. Zijn vermeende begeleider is overigens (nog) niet rechtstreeks waarneembaar. Daarin komt waarschijnlijk pas verandering als er een einde komt aan de massa-overdracht tussen beide sterren en de gasschijf vervliegt. (EE)
Hubble Observes One-of-a-Kind Star Nicknamed ‘Nasty’

   
21 mei 2015 • Kern Melkweg is langgerekter dan gedacht
De centrale ‘balk’ van ons Melkwegstelsel is langer, dunner en eindigt dichter bij de zon dan tot nu toe werd gedacht. Tot die conclusie komen wetenschappers van het Max-Planck-Institut für extraterrestrische Physik na een grote stellaire ‘volkstelling’ in het hart van de Melkweg. Omdat de balkstructuur, die uit grote aantallen sterren bestaat, ook meer richting zon wijst, ligt een van de uiteinden ervan veel dichter bij ons. Dat betekent dat zijn invloed op de bewegingen van sterren in onze omgeving groter is dan werd aangenomen. Het in kaart brengen van de Melkweg is moeilijk vanwege onze positie in het vlak van dit sterrenstelsel. Hierdoor gaat de kern van de Melkweg grotendeels schuil achter dichte wolken van gas en stof. Om dat probleem te omzeilen, is bij het nieuwe onderzoek gebruik gemaakt van de gegevens van vier grote infraroodsurveys. Op infrarode golflengten zijn de galactische stofwolken transparanter. De nieuwe surveys bestrijken bovendien een veel breder gebied dan hun voorgangers. Daardoor kon nu een veel completer beeld worden verkregen van de centrale balk van de Melkweg, die naar de uiteinden toe steeds dunner blijkt te worden. Ook hebben de wetenschappers vastgesteld dat de balk vrijwel precies in hetzelfde vlak ligt als de spiraalarmen die de schijf van ons sterrenstelsel vormen. (EE)
One long Milky Way bar and bulge

   
21 mei 2015 • ‘Eetgedrag’ sterrenstelsel in kaart gebracht
Een team van Australische en Spaanse astronomen heeft ontdekt dat het 38 miljoen lichtjaar verre sterrenstelsel NGC 1512, dat bezig is om zijn ‘buurman’ NGC 1510 op te slokken, al eerder slachtoffers heeft gemaakt. Deze laatste hebben chemische sporen achtergelaten in het gas van het gulzige stelsel (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, 21 mei). Sterrenstelsels kunnen groeien door gaswolken uit hun omgeving aan te trekken om daarmee nieuwe sterren te produceren. Maar ze kunnen ook simpelweg kleine, naburige sterrenstelsels opslokken. Uit spectroscopische waarnemingen met de 3,9 Anglo-Australian Telescope is gebleken dat het gas in de buitengebieden van NGC 1512 is verrijkt met elementen zwaarder dan helium. Dat geeft aan dat het niet gaat om ‘maagdelijk’ gas dat bij de oerknal is ontstaan: dat bestond uitsluitend uit waterstof en helium. Chemische verrijking doet zich voor wanneer sterren waterstof en helium door middel van kernfusie in zwaardere elementen omzetten. Deze nieuwe elementen worden door stervende sterren terug de ruimte in geblazen. Theoretisch zou het verrijkte gas uit NGC 1512 afkomstig kunnen zijn. Maar aanvullende waarnemingen met andere instrumenten laten zien dat het van buitenaf is aangevoerd. Dat bewijst dat het afkomstig is van voormalige kleine sterrenstelsels. (EE)
Galaxy's snacking habits revealed

   
20 mei 2015 • Mysterieuze vlekken op Ceres van nog dichterbij bekeken
Op 16 mei heeft de Amerikaanse ruimtesonde Dawn nieuwe opnamen gemaakt van de befaamde witte vlekken op het oppervlak van de dwergplaneet Ceres. De foto’s, gemaakt van een afstand van 7200 kilometer, zijn detailrijker dan eerdere opnamen, maar geven nog geen duidelijkheid over de aard van de vlekken. Dawn-wetenschappers houden het er voorlopig maar op dat de grote helderheid van de vlekken wordt veroorzaakt door de weerkaatsing van zonlicht aan helder glimmend oppervlaktemateriaal – mogelijk ijs. Maar totdat Dawn het gebied van dichterbij heeft bekeken, kan daar eigenlijk niets met zekerheid over worden gezegd. (Zie What's the spot on world Ceres!)Dawn wordt momenteel naar een 4400 kilometer hoge omloopbaan om Ceres gemanoeuvreerd. Die zal op 6 juni a.s. worden bereikt. Vanaf 30 juni zal de baanhoogte stapsgewijs verder worden verlaagd. (EE)
Ceres Bright Spots Seen Closer Than Ever

   
20 mei 2015 • Supernova’s van type Ia hebben dubbel karakter
Er zijn nieuwe aanwijzingen gevonden dat supernova’s van type Ia op verschillende manieren kunnen ontstaan. Zo blijkt uit de resultaten van waarnemingen van vier recente supernova’s van dit type, die deze week in Nature worden gepubliceerd. Voor het ontstaan van supernova’s van type Ia bestaan twee theorieën. In beide speelt een ontploffende witte dwergster de hoofdrol. Ook de aanleiding voor de ontploffing is in beide gevallen gelijk: om de een of andere reden overschrijdt de witte dwerg een kritieke massa, waardoor hij instabiel wordt. Volgens de oudste theorie gebeurt dat doordat de witte dwerg materie aantrekt van een begeleidende normale ster. Maar volgens de tweede theorie kan zo’n supernova-explosie ook ontstaan wanneer de begeleider van de ontploffende witte dwerg zelf óók een witte dwerg is. De explosie ontstaat in dat geval wanneer de beide dwergen zich samenvoegen. Waarnemingen van supernova iPTF14atg, in 2014 verricht met de ultraviolet-camera van de Swift-satelliet, wijzen erop dat zich het eerste scenario heeft voltrokken. Kort na de eigenlijke explosie is een uitbarsting van uv-straling waargenomen. Uit de kenmerken van die uitbarsting kan worden afgeleid dat de materie die bij de supernova-explosie is uitgestoten, in botsing is gekomen met een naburige ster. Bij waarnemingen van drie supernova’s van type Ia, in 2011 en 2012 gedaan met de Kepler-satelliet, zijn echter geen aanwijzingen gevonden dat de weggeblazen materie op een begeleidende ster is gestuit. Dat is juist in overeenstemming met het tweede scenario. (EE)
Caltech Astronomers Observe A Supernova Colliding With Its Companion Star

   
20 mei 2015 • Radboud Radio Lab ontvangt investering van 1,3 miljoen euro
De Radboud Universiteit investeert 1,3 miljoen euro in de oprichting van het nieuwe ’Radboud Radio Lab’, een expertisecentrum rond een sterke troef van de Nijmeegse astronomen: radio-interferometrie. Met deze inmiddels veelgebruikte techniek kunnen bronnen van radiostraling – zoals zwarte gaten in de ruimte of kunstmatige radiozenders op aarde – heel precies in beeld gebracht en gelokaliseerd worden. Met radio-interferometrie kan er één beeld gemaakt worden van de gelijktijdige waarnemingen van radiotelescopen over de hele wereld. Dit speelt een belangrijke rol in grote projecten zoals BlackHoleCam en de Event Horizon Telescope, die als doel hebben om voor het eerst een afbeelding van het zwarte gat in het centrum van ons melkwegstelsel te maken. De ondersteuning van BlackHoleCam is dan ook het eerste concrete doel van het Radboud Radio Lab.
Volledig persbericht

   
19 mei 2015 • Zijn de Marsmanen toch geen planetoïden?
De twee kleine, vormeloze maantjes van Mars kunnen op dezelfde manier zijn ontstaan als onze eigen maan: door samenklontering van puin dat vrijkwam bij een grote inslag op de planeet. Tot die conclusie komen planeetwetenschappers op basis van nieuwe computersimulaties. Tot nu toe gaan de meeste wetenschappers ervan uit dat Phobos en Deimos ingevangen planetoïden zijn. Met de computersimulaties is nagegaan wat er zou zijn gebeurd als de planeet Mars in zijn jeugd was getroffen door een object dat ongeveer tien keer zoveel massa had als Ceres – het grootste hemellichaam in de huidige planetoïdengordel. Destijds wemelde ons zonnestelsel van zulke rondzwervende brokstukken. De resultaten, die op 15 mei in het tijdschrift Icarus zijn gepubliceerd, laten zien dat Phobos en Deimos inderdaad na zo’n inslag kunnen zijn gevormd. En dat niet alleen: er zou genoeg materiaal de ruimte in zijn geblazen voor een derde, aanzienlijk grotere maan met een middellijn van ruwweg 300 kilometer. Die laatste zou al na een paar honderd miljoen jaar op Mars zijn neergestort – een lot dat ook Phobos over ruwweg 40 miljoen jaar te wachten staat. Collega-wetenschappers reageren vooralsnog sceptisch. Ze wijzen erop dat de beide Marsmaantjes qua dichtheid en samenstelling sterke overeenkomsten vertonen met planetoïden. De nieuwe computersimulaties ‘voorspellen’ alleen de afmetingen en banen van het tweetal. Maar over één ding is iedereen het eens: aan de onzekerheid kan pas een einde worden gemaakt door er een ruimtesonde op af te sturen. (EE)
Are Mars's moons homegrown—or snatched from the asteroid belt?

   
19 mei 2015 • Nieuwe fase in jacht op zwaartekrachtsgolven
Met de officiële ingebruikname van Advanced LIGO (aLIGO) in Hanford, Washington, breekt vandaag een nieuwe fase aan in de jact op zwaartekrachtsgolven - minieme rimpelingen in de ruimtetijd die nog nooit direct zijn waargenomen maar waarvan het bestaan wordt voorspeld door Einsteins algemene relativiteitstheorie. De eerste waarnemingscampagne met aLIGO staat gepland voor komend najaar. Het LIGO-observatorium (Laser Interferometry Gravitational-wave Observatory) werd begin deze eeuw in gebruik genomen. LIGO bestaat uit twee identieke detectors in de Amerikaanse staten Louisiana en Washington. In twee loodrecht op elkaar geplaatste, kilometerslange vacuümbuizen worden laserstralen heen en weer gekaatst door spiegels; door de laserbundels met elkaar te interfereren kunnen minieme (variërende) lengteverschillen aan het licht komen die het resultaat zijn van passerende zwaartekrachtsgolven. De oorspronkelijke LIGO-detectoren waren vooral bedoeld om ervaring met de techniek op te doen. Inmiddels zijn in Washington compleet nieuwe detectoren geplaatst die veel gevoeliger zijn; in Louisiana wordt de laatste hand gelegd aan de installatie van Advanced LIGO. In het najaar van 2015 zal de eerste gezamenlijke meetcampagne van start gaan. Het Duitse Albert Einstein Institut in Hannover heeft belangrijke bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van aLIGO, onder andere door de ontwikkeling en bouw van krachtige lasers en data-analysemethoden. Even buiten Hannover staat de relatief kleine GEO600-zwaartekrachtsgolfdetector, die vooral gebruikt wordt als testbed voor nieuwe technologieën. aLIGO moet uiteindelijk gaan samenwerken met de Europese VIRGO-detector bij Pisa, Italië. De hoop is dat de eerste directe detectie van zwaartekrachtsgolven binnen hooguit twee jaar een feit zal zijn. (GS)
A large step closer to the first direct detection of gravitational waves (oorspronkelijk persbericht)

   
18 mei 2015 • Ruimtesonde Rosetta ontdekt wankel rotsblok op komeet
Wetenschappers hebben een bijzondere ontdekking gedaan op het oppervlak van komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko: een dertig meter grote ‘schommelsteen’. Het wankele brok gesteente maakt deel uit van een opvallende formatie van drie rotsblokken. Soortgelijke geologische formaties worden ook op aarde aangetroffen. Schommelstenen staan met slechts een klein deel van hun oppervlak in contact met de ondergrond en lijken op elk moment om te kunnen vallen. Vaak zijn zulke stenen aangevoerd door gletsjers, in andere gevallen zijn ze gevormd door de eroderende werking van wind en water. Hoe de schommelsteen op komeet ’67P’ is ontstaan, is onduidelijk. Mogelijk is ook op het oppervlak van dit kleine, ijzige hemellichaam sprake van transportprocessen. De activiteit van de komeet kan ervoor zorgen dat rotsblokken in beweging komen en elders terechtkomen. De wetenschappers zullen de wankele steen de komende tijd goed in de gaten houden. (EE)
OSIRIS discovers balancing rock on 67P

   
18 mei 2015 • ‘Vernieuwingsimpuls’ voor astronomisch onderzoek
De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) heeft drie Vidi-beurzen toegekend aan de sterrenkunde en de astrochemie. Het gaat om Nathalie Degenaar (UvA), Elisa Constantini (SRON) en Annemieke Petrigani (UvA). De drie astronomen gaan zich bezighouden met respectievelijk neutronensterren, de samenstelling van aardse planeten en de kenmerken van organische moleculen in de interstellaire ruimte. Met de Vidi-beurs van maximaal 800.000 euro kunnen zij een eigen, vernieuwende onderzoekslijn ontwikkelen. NWO maakte vandaag ook bekend dat prof. dr. Marc Verheijen (RuG), op grond van een bestuurlijke heroverweging, alsnog een Vici-subsidie krijgt. De Vici wordt toegekend voor het project ‘The panoramic Perspective on Gas and Galaxy Evolution’ dat in 2012 net buiten de geselecteerde projecten viel. Bij het onderzoek van Verheijen wordt de komende vijf jaar, met behulp van de Westerbork radiotelescoop, het waterstofgas in en rond tienduizenden sterrenstelsels bestudeerd. Dat moet inzicht geven in de evolutie die deze stelsels de afgelopen 3 miljard jaar hebben ondergaan. Vidi en Vici maken deel uit van de Vernieuwingsimpuls van NWO. Vidi is bedoeld voor ervaren onderzoekers, Vici voor excellente senioronderzoekers die hebben aangetoond met succes een eigen vernieuwende onderzoekslijn tot ontwikkeling te kunnen brengen. 
Oorspronkelijk persbericht

   
18 mei 2015 • Vingerafdrukken op Mars verraden uitgebreid grondwatersysteem
In zijn vroege jaren bevatte de planeet Mars veel grondwater dat regelmatig aan het oppervlak kwam. Dit blijkt uit waarnemingen en experimenten van Wouter Marra van de Universiteit Utrecht, die op 22 mei op dit onderzoek promoveert. ‘Vloeibaar, stromend water heeft op het Marsoppervlak de laatste paar miljard jaar niet echt kunnen bestaan’, vertelt Marra. ‘De druk in de atmosfeer is zo laag dat vloeibaar water meteen bevriest of verdampt. Toch zijn er een heleboel structuren op de planeet die wijzen op stromend water, zoals geulen en valleien. Ik vermoedde dat het vloeibaar water dat die structuren heeft gevormd afkomstig was uit de grond, waar water wel in vloeibare vorm voorkomt. Maar omdat dit soort systemen op aarde niet of nauwelijks voorkomen heb ik schaalexperimenten uitgevoerd om er meer over te weten te komen.’ Opkomend grondwater kan verschillende bronnen hebben. Het kan van dichtbij of ver weg komen, en er kan veel of weinig druk achter zitten. Die factoren zorgen voor andere patronen in het landschap. Om te onderzoeken welke invloed de locatie van de bron uitoefent, gebruikte Marra een proefopstelling met een laag sediment, waarin grondwater uit verschillende bronnen naar de oppervlakte kon stromen. ‘Ik zag tijdens mijn experimenten dat verschillende hoeveelheden druk verschillende landschappen oplevert’, vertelt Marra. ‘Door een computermodel te maken van de resultaten kon ik aantonen dat veel structuren op Mars alleen te verklaren zijn door grote hoeveelheden grondwater.’ In de reconstructie van het grondwatersysteem laat Marra zien dat grondwater lange tijd aanwezig is geweest, en dat wellicht nog steeds is. Het grondwater stroomde herhaaldelijk naar het oppervlak, maar met grote tussenpozen en steeds minder water.
Volledig persbericht

   
15 mei 2015 • Jong stervormingsgebied ontdekt in ver sterrenstelsel
Franse astronomen hebben met de Hubble Space Telescope een groot, jong stervormingsgebied ontdekt in een sterrenstelsel op ca. 11 miljard lichtjaar afstand van de aarde. Met de Japanse Subaru-telescoop op Hawaii zijn gedetailleerde spectroscopische waarnemingen van het stervormingsgebied uitgevoerd. Uit de waarnemingen blijkt dat zulke gebieden een langere levensduur kunnen hebben dan tot nu toe algemeen werd aangenomen. De sterren in het stervormingsgebied zijn als gevolg van de grote afstand tot het sterrenstelsel niet afzonderlijk zichtbaar. Wel is de straling gedetecteerd van een kolossale gaswolk die geïoniseerd is geraakt door de energie van de pasgeboren sterren in het centrum. Naar schatting ontstaan er in het gebied ongeveer 30 nieuwe sterren per jaar, en is het minder dan tien miljoen jaar oud - veel jonger dan soortgelijke stervormingsgebieden in andere ver verwijderde sterrenstelsels. Uit computersimulaties blijkt dat zulke stervormingsgebieden via zwaartekrachtscontractie ontstaan uit instabiliteiten en turbulente bewegingen in het gas van gasrijke sterrenstelsels, en dat ze afmetingen kunnen hebben van enkele honderden lichtjaren. Statistische argumenten doen vermoeden dat dit soort gebieden een levensduur van 500 miljoen jaar kunnen hebben. Tot nu toe werd altijd aangenomen dat ze al veel eerder vernietigd zouden worden door sterrenwinden en supernova-explosies van de zwaarste sterren die erin ontstaan. In Nature suggereren de astronomen dat dergelijke grote gaswolken in de loop van die lange levensduur naar het centrum van een sterrenstelsel kunnen migreren, en dat ze daar een belangrijke bijdrage leveren aan de groei van de centrale verdikking van het sterrenstelsel en het superzware zwarte gat in de kern. (GS)
An Extremely Young Stellar Clump in the Distant Universe (origineel persbericht)

   
14 mei 2015 • Astronomen ontdekken ‘luchtige’ sterrenstelsels
Een internationaal team van astronomen, onder leiding van de Nederlander Pieter van Dokkum (Yale-universiteit), heeft het bestaan bevestigd van een klasse van uiterst diffuse sterrenstelsels. De stelsels zijn ongeveer zo groot als onze Melkweg, maar bevatten honderd keer zo weinig sterren. De eerste aanwijzingen voor het bestaan van de ‘luchtige’ stelsels werden gevonden in het voorjaar van 2014. Ze werden opgemerkt op opnamen van de Coma-cluster – een samenscholing van duizenden sterrenstelsels op ruim 300 miljoen lichtjaar van de aarde. Tot nu toe was echter onduidelijk of de diffuse stelsels ook werkelijk bij de Coma-cluster horen, of dat het om zwakke voorgrondobjecten gaat. Met de Keck-telescoop op Hawaï is nu een van deze stelsels – ‘Dragonfly 44’ – spectroscopisch onderzocht. Uit dat onderzoek blijkt dat het stelsel dezelfde afstand heeft als de Coma-cluster. Dat maakt het zeer aannemelijk dat de 47 diffuse stelsels in dit hemelgebied (bijna) allemaal tot deze cluster behoren. De grote vraag is nu waar deze mysterieuze objecten vandaan komen. Het zouden ‘mislukte’ sterrenstelsels kunnen zijn, die vroegtijdig door hun gasvoorraad heen zijn geraakt en daardoor maar weinig sterren hebben kunnen vormen. Een andere mogelijkheid is dat het gaat om normale kleine stelsels die talrijke interacties met andere sterrenstelsels hebben ondergaan, en daardoor sterk zijn opgezwollen. Ook is het mogelijk dat het flarden zijn die van grote stelsels zijn losgerukt. (EE)
Scientists At Keck Discover The Fluffiest Galaxies

   
14 mei 2015 • Eerste viervoudige quasar ontdekt
Met behulp van de Keck-telescoop op Hawaï is een bijzondere ontdekking gedaan: een samenscholing van vier quasars op 10 miljard lichtjaar van de aarde. Het kwartet maakt deel uit van een cluster van sterrenstelsels, die omgeven is door een reusachtige nevel van koel, dicht gas (Science, 15 mei). Een quasar is niets anders dan de extreem heldere kern van een sterrenstelsel. De grote hoeveelheid energie die deze kern uitzendt, wordt geleverd door een superzwaar zwart gat dat materie uit zijn omgeving aantrekt. Omdat die super-heldere fase naar galactische maatstaven maar heel kort duurt, zijn quasars nogal schaars. De kans is dus niet zo groot dat je meerdere quasars dicht bij elkaar aantreft. Het heeft dan ook tot 2007 geduurd voordat de eerste drievoudige quasar werd opgespoord. En nu is er dus ook een viervoudige ontdekt. De vier quasars maken deel uit van een kolossale cluster – een samenscholing van sterrenstelsels. Maar omdat het licht ervan er tien miljard jaar over heeft gedaan om ons te bereiken, zien we die cluster zoals deze tien miljard jaar geleden was. Het is dus een vroege voorouder van de nabijere ‘moderne’ clusters van sterrenstelsels. Dat zo’n proto-cluster veel koel gas kan bevatten, komt als een verrassing. Computermodellen van de vorming van deze kosmische structuren voorspellen juist dat zulke vroege clusters gevuld zijn met ijl gas met een temperatuur van miljoenen graden. (EE)
Against all Odds: Astronomers Baffled by Discovery of Rare Quasar Quartet

   
14 mei 2015 • Massaverlies sterren komt pas laat op gang
Astronomen hebben, met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop, het migratiegedrag van witte dwergsterren in de bolvormige sterrenhoop 47 Tucanae – een compacte samenscholing van honderdduizenden sterren – in kaart gebracht. De waarnemingen geven meer inzicht in het massaverlies dat sterren aan het einde van hun bestaan ondergaan. Witte dwergen zijn de uitgeputte, langzaam afkoelende restanten van oude, zware sterren die veel massa zijn kwijtgeraakt. In de dichtbevolkte omgeving van een bolvormige sterrenhoop leidt dit massaverlies ertoe dat sterren die zich aanvankelijk in het centrum bevonden naar buiten toe migreren. Met de ruimtetelescoop zijn 3000 witte dwergen in 47 Tucanae onderzocht. Aan de hand van de kleuren die deze sterren vertonen, is van elke ster de leeftijd geschat. Daaruit blijkt dat witte dwergen van ongeveer 100 miljoen jaar oud al 1,5 lichtjaar van het centrum van de bolhoop verwijderd zijn. Hun pas 6 miljoen jaar oude soortgenoten zijn echter nog maar net aan hun reis begonnen. Dat laatste komt als een verrassing. Ongeveer 100 miljoen jaar voordat sterren tot witte dwergen evolueren, zwellen ze op en veranderen ze in ‘rode reuzen’. Aangenomen werd dat sterren in die fase de meeste massa verliezen. Maar als dat zo zou zijn, zouden ze al vóórdat ze witte dwergen zijn uit het centrum van de bolhoop verstoten worden. De nieuwe resultaten wijzen er nu op dat de sterren pas 10 miljoen jaar voordat ze in witte dwergen veranderen ongeveer de helft van hun materie uitstoten. Daarmee begint het massaverlies aanzienlijk later dan tot nu toe werd aangenomen. (EE)
Retirement in the suburbs

   
14 mei 2015 • ‘Magnetar’ in Melkwegcentrum vertoont verrassend gedrag
Magnetar SGR J1745-2900 nabij het superzware zwarte gat in het centrum van onze Melkweg houdt zich niet aan wat de modellen voorspellen en wijkt in zijn gedrag ook af van andere bekende magnetars. Een onderzoeksteam onder leiding van de UvA-astronomen Francesco Coti Zelati en Nanda Rea volgde de magnetar anderhalf jaar lang na zijn uitbarsting van röntgenstraling in 2013. Het onderzoeksresultaat wordt gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Magnetars zijn een zeldzaam type neutronensterren, de supercompacte overblijfselen van ontplofte zware sterren. Een neutronenster heeft een diameter van 20 kilometer, maar is zwaarder dan de zon. Andere kenmerken van een neutronenster zijn een snelle rotatie en een sterk magnetisch veld. Magnetars onderscheiden zich van andere neutronensterren doordat ze jong zijn en een extreem krachtig magnetisch veld hebben. Magnetar SGR J1745-2900 werd twee jaar geleden ontdekt met de Amerikaanse röntgensatelliet Chandra en zijn Europese tegenhanger XMM-Newton. Dat gebeurde toen hij een uitbarsting van röntgenstraling produceerde. Hij bleek zich te bevinden op een afstand van slechts een paar biljoen kilometer van het centrale zwarte gat in de Melkweg (Sagittarius A* ofwel Sgr A*). Het lijkt erop dat de magnetar met een periode van duizend jaar om Sgr A* heen cirkelt. Het nieuwe onderzoek heeft uitgewezen dat de röntgenuitbarsting van SGR J1745-2900 veel langer aanhoudt dan bij andere magnetars, en dat dat zijn oppervlak veel heter is dan verwacht. Volgens de astronomen kan dit erop wijzen dat het oppervlak van de magnetar voortdurend wordt bestookt met geladen deeltjes. De nabijheid van Sgr A* lijkt daarbij overigens geen rol te spelen.
Magnetar in het galactisch centrum lapt de regels aan zijn laars (oorspronkelijk persbericht)

   
14 mei 2015 • 'Linkshandig' magneetveld vormt mogelijk oplossing voor antimaterie-raadsel
In waarnemingsgegevens van de Amerikaanse gamma-ruimtetelescoop Fermi zijn aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een 'linskhandig' magneetveld in het heelal. De ontdekking vormt mogelijk een aanzet tot de oplossing van het raadsel van de antimaterie: waarom komt er in ons heelal (vrijwel) uitsluitend 'gewone' materie voor en geen antimaterie? Kort na de oerknal moeten er gelijke hoeveelheden materie en antimaterie zijn ontstaan (antimaterie bestaat uit deeltjes waarvan enkele eigenschappen, zoals elektrische lading, tegenovergesteld zijn aan die van de 'gewone' deeltjes). Op de een of andere manier is er een klein overschot aan 'gewone' materie ontstaan, waaruit alle sterrenstelsels, sterren en planeten zijn opgebouwd. Hoe dat overschot is ontstaan is echter niet met zekerheid bekend. Sommige theorieën die dit raadsel proberen te verklaren (onder andere via de invloed van het Higgs-deeltje) voorspellen dat de kosmos gevuld is met een magnetisch veld. Afhankelijk van het moment waarop de antimaterie-asymmetrie zich manifesteerde zou dat magnetisch veld 'linkshandig' of 'rechtshandig' georiënteerd zijn. Energierijke gammastraling uit het heelal wordt beïnvloed door magnetische velden, en indien er sprake is van zo'n veld, moeten er spiraalvormige patronen zichtbaar zijn in de verdeling van gammafotonen met verschillende energieën. Volgens een analyse van de meetgegevens van de ruimtetelescoop Fermi, uitgevoerd door een team onder leiding van Tanmay Vachaspati van Arizona State University, lijken zulke spiraalvormige patronen inderdaad aanwezig te zijn, en blijken de 'linkshandige' patronen de overhand te hebben. Het bestaan van een universeel kosmisch magneetveld kan ook van invloed zijn geweest op het ontstaan van de eerste sterren en sterrenstelsels. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. (GS)
Left-handed cosmic magnetic field could explain missing antimatter (origineel persbericht)

   
13 mei 2015 • De meeste sterrenstelsels ‘stikken’
Astronomen hebben ontdekt dat ‘verstikking’ de belangrijkste doodsoorzaak van sterrenstelsels is. Doordat de aanvoer van nieuw gas uit de omgeving wordt afgesneden, kunnen er op een gegeven moment geen nieuwe sterren meer worden geproduceerd (Nature, 14 mei). Ongeveer de helft van alle sterrenstelsels in het heelal produceert nieuwe sterren. De andere helft doet dat niet. Het verschil tussen beide is dat ‘levende’ stelsels veel koud gas bevatten (voornamelijk waterstof) en ‘dode’ stelsels niet. Er bestaan twee scenario’s die het sterven van sterrenstelsels kunnen verklaren. Volgens het ene scenario raken sterrenstelsels het koude gas dat nodig is voor de vorming van nieuwe sterren kwijt, bijvoorbeeld door de activiteit van het superzware zwarte gat in hun centrum. Het andere scenario stelt dat sterrenstelsels na een tijdje simpelweg geen gas meer uit hun omgeving kunnen aantrekken. Om erachter welk scenario de overhand heeft, hebben de astronomen 26.000 gewone, relatief nabije sterrenstelsels onderzocht. Daarbij is met name gelet op het ‘metaalgehalte’ van de stelsels – de hoeveelheid elementen zwaarder dan helium. Die elementen worden gevormd door opeenvolgende generaties van sterren. In het eerste scenario stopt de stervorming abrupt, en zou het metaalgehalte van het ‘overleden’ sterrenstelsel relatief laag moeten blijven. Bij verstikking blijft het metaalgehalte toenemen totdat de bestaande gasvoorraden verbruikt zijn. Dat proces duurt gemiddeld vier miljard jaar. Uit het onderzoek blijkt dat het metaalgehalte van de meeste dode sterrenstelsels zodanig hoog is, dat scenario 1 niet van toepassing kan zijn. Ze zijn dus gestikt. (EE)
Cause of galactic death: Strangulation

   
13 mei 2015 • Nieuw soort sterrenhopen ontdekt
Bij waarnemingen met de Europese Very Large Telescope in Chili is een nieuwe klasse van bolvormige sterrenhopen ontdekt rond het reusachtige sterrenstelsel Centaurus A. Deze geheimzinnige objecten hebben veel meer massa dan gewone bolhopen. Bolvormige sterrenhopen of kortweg bolhopen zijn samenballingen van duizenden sterren die in banen om sterrenstelsels draaien. Ze behoren tot de oudst bekende stersystemen in het heelal. Het elliptische sterrenstelsel Centaurus A is het dichtstbijzijnde reuzenstelsel en herbergt naar schatting 2000 bolhopen. Veel van deze sterrenhopen zijn helderder en zwaarder dan de circa 150 die om onze Melkweg cirkelen. Astronomen hebben 125 bolhopen rond Centaurus A gedetailleerd onderzocht. Daarbij hebben ze de massa’s van de sterrenhopen bepaald en de uitkomsten vergeleken met de helderheden van deze objecten. Uit het onderzoek blijkt dat de helderdere exemplaren doorgaans meer massa hebben dan je op grond van hun aantallen sterren zou verwachten. De bolhopen lijken dus iets te bevatten dat donker en verborgen is en veel massa heeft. Maar wat? De meest voor de hand liggende kandidaten zijn zwarte gaten (of andere donkere stellaire overblijfselen) en concentraties van donkere materie. Maar geen van beide mogelijkheden past in de gangbare theorieën over deze sterrenhopen. (EE)
De donkere kant van sterrenhopen

   
13 mei 2015 • Kleine exoplaneten volgen cirkelvormige omloopbanen
Onderzoekers van de universiteit van Aarhus (Denemarken) hebben de vormen gemeten van de omloopbanen van 74 kleine exoplaneten. Uit de metingen blijkt dat de banen van deze planeten doorgaans bijna cirkelvormig zijn. Eerder onderzoek heeft juist laten zien dat de omloopbanen van zware reuzenplaneten doorgaans sterk elliptisch zijn. Bij het onderzoek, dat onder leiding stond van de Belgische promovendus Vincent Van Eylen, is gebruik gemaakt van gegevens van Kepler. Deze satelliet registreert planeetovergangen, de momenten waarop planeten vanaf de aarde gezien voor hun ster langs schuiven. Afhankelijk van de stand en vorm van de omloopbaan van de planeet duren zulke overgangen langer of korter. De nieuwe resultaten kunnen worden gebruikt om de bestaande theorieën over het ontstaan van planeten(stelsel) te verbeteren. Astronomen willen graag weten waarom sommige exoplaneten extreem langgerekte banen volgen, terwijl andere planeten – zoals die in ons eigen zonnestelsel – cirkelvormige banen doorlopen. De resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal. (EE)
Circular Orbits For Small Extrasolar Planets