aardse planeten - dwergplaneten - gasreuzen - planetoïden - kometen en meteorieten - overige

archief-kometen.html">kometen - overige

In deze rubriek komen dwergplaneten, ijsdwergen, de Kuipergordel en het ontstaan van ons zonnestelsel aan bod.

26 maart 2014
De Amerikaanse astronomen Scott Sheppard en Chad Trujillo hebben een nieuw klein hemellichaam ontdekt dat zich permanent in de verre buitenwijken van het zonnestelsel ophoudt. Het vertoont sterke overeenkomsten met het grotere object Sedna, dat iets meer dan tien jaar geleden werd opgespoord. Volgens de astronomen behoren de twee tot een grote populatie van ijsachtige planetoïden in het gebied tussen de Kuipergordel en de Oortwolk (Nature, 27 maart). Ons zonnestelsel kan ruwweg in drie stukken worden verdeeld. Het centrum is het domein van de rotsachtige planetoïden en planeten, waartoe ook de aarde behoort. Het gebied daaromheen wordt gedomineerd door de grote gasplaneten. En buiten de baan van de verste gasplaneet, Neptunus, begint de Kuipergordel – een gordel van ijsachtige planetoïden. Dat geheel wordt dan nog omsloten door de verre Oortwolk, de kolossale wolk van miljarden kometen die, net als de Kuipergordelobjecten, worden beschouwd als overblijfselen van het materiaal waaruit de planeten zijn gevormd. Voorbij de Kuipergordel was tot nu toe pas één object ontdekt: Sedna. Daar is nu een tweede bij gekomen: 2012 VP113. De kleinste afstand van 2012 VP113 tot de zon bedraagt twaalf miljard kilometer – tachtig keer de afstand zon-aarde. Daarmee blijft hij nog net iets verder weg dan Sedna, al heeft die laatste een veel langgerektere omloopbaan. De ontdekking van 2012 VP113 is het resultaat van een systematische speurtocht naar objecten in de buitenste regionen van ons zonnestelsel. Op grond van het kleine stukje hemel dat tot nu toe is afgespeurd, schatten Sheppard en Trujillo dat er in totaal een stuk of negenhonderd objecten met afmetingen in de orde van duizend kilometer in Sedna-achtige banen om de zon draaien. 2012 VP113 lijkt overigens een slag kleiner: ongeveer 450 kilometer. Over de herkomst van deze objecten in het niemandsland van ons zonnestelsel bestaat nog veel onduidelijkheid. Mogelijk gaat het om voormalige leden van de Kuipergordel of de Oortwolk, waarvan de banen door invloeden van buitenaf verstoord zijn geraakt. Een andere mogelijkheid is dat het gaat om ontsnapte planetoïden van andere zonnestelsels. (EE)
Solar System’s Edge Redefined

22 januari 2014
Sterrenkundigen hebben, met behulp van de Europese infraroodsatelliet Herschel, waterdamp ontdekt rond de dwergplaneet/planetoïde Ceres. Het is voor het eerst dat met zekerheid water is aangetroffen bij een object in de planetoïdengordel. De onderzoeksresultaten verschijnen vandaag (23 januari) in het tijdschrift Nature. Met een middellijn van 950 kilometer is Ceres het grootste hemellichaam van de planetoïdengordel tussen de omloopbanen van Mars en Jupiter. Anders dan verreweg de meeste planetoïden is Ceres vrijwel bolvormig en waarschijnlijk ook gelaagd van opbouw. Vandaar dat hij, net als Pluto, tegenwoordig tot de ‘dwergplaneten’ wordt gerekend. Vermoed wordt dat Ceres een rotsachtige kern heeft, omgeven door een mantel, die grotendeels uit bevroren water bestaat, en een ijzige korst. Juist die ijsmantel past goed in ons huidige beeld van de evolutie van het zonnestelsel. Immers, toen het zonnestelsel zich 4,6 miljard jaar geleden vormde, was het in de centrale regionen zo heet dat er bij de planeten Mercurius, Venus, aarde en Mars geen water kon condenseren. Sterrenkundigen denken dat het daar aanwezige water pas later – ongeveer 3,9 miljard jaar geleden – naar deze planeten is gebracht door een bombardement van kometen en planetoïden.Waarnemingen met HIFI, een instrument van Nederlandse makelij, hebben die theorie nu versterkt. De Herschel-satelliet was niet in staat om opnamen van Ceres zelf te maken, maar met HIFI konden de ‘signalen’ van watermoleculen in de omgeving van de dwergplaneet worden gemeten. Uit deze metingen blijkt dat bijna alle waterdamp van twee plekken op het oppervlak van Ceres afkomstig is – hoger gelegen gebieden waar meer zonlicht komt en het oppervlakte-ijs sneller in damp verandert. Gemiddeld komt er naar schatting zes kilogram waterdamp per seconde vrij. Het lijkt erop dat de uitstoot van waterdamp op Ceres een zichzelf in stand houdend proces is. Bij de opwarming verandert het bevroren water direct in damp (sublimatie) en neemt het stofdeeltjes van het oppervlak mee de ruimte in, waardoor weer nieuw ijs wordt blootgelegd. Datzelfde verschijnsel treedt ook bij veel kometen op. Een andere mogelijkheid is dat er geisers of ‘ijsvulkanen’ in het spel zijn. (EE)
Water op Ceres wijst op onstuimig begin zonnestelsel

14 november 2013
Het in 2002 ontdekte Kuipergordelobject 2002 UX25 heeft een geringere dichtheid dan water. Tot die conclusie komt Michael Brown, planeetwetenschapper aan het California Institute of Technology, na onderzoek van het verre hemellichaam. Gezien de grootte van het object – ongeveer 650 kilometer – is die lage dichtheid verrassend: tot nu toe gingen astronomen ervan uit dat alleen Kuipergordelobjecten kleiner dan 350 kilometer lichter dan water konden zijn. De Kuipergordel is een grote verzameling van ijsachtige hemellichamen (o.a. kometen en dwergplaneten) die voorbij de omloopbaan van de planeet Neptunus om de zon cirkelen. Aangenomen wordt dat deze objecten op dezelfde manier zijn ontstaan als de planeten: door het samenklonteren van materiaal dat kort na het ontstaan van het zonnestelsel rond de zon achterbleef. Volgens de meest gangbare modellen hebben kleine Kuipergordelobjecten een geringe gemiddelde dichtheid, omdat zij poreus zijn. Grotere objecten van dit type zouden zijn ontstaan door onderlinge botsingen van kleinere exemplaren en daardoor onvermijdelijk compacter zijn geworden. Maar 2002 UX25 lijkt zich daar niet aan te houden. Het heeft er dus alle schijn van dat de dichtheid van een Kuipergordelobject niet wordt bepaald door zijn afmetingen. De ontdekking dat ze allemaal even poreus zijn, heeft al tot nieuwe theorieën geleid. Volgens sommige wetenschappers is het denkbaar dat de verre hemellichamen niet gelijktijdig met de planeten zijn gevormd, maar éérder. Na het ontstaan van de planeten zouden hun banen zodanig zijn verstoord, dat het tot tal van onderlinge botsingen kwam, waardoor de Kuipergordelobjecten in brokstukken van verschillende afmetingen uiteenvielen. (EE)
Scientist finds medium sized Kuiper belt object less dense than water (via Phys.org)

9 oktober 2013
De regelmaat in het manenstelsel van de dwergplaneet Pluto hangt mogelijk samen met de grote inslag, meer dan vier miljard jaar geleden, waarbij de maan Charon is ontstaan. Dat hebben planeetwetenschappers van het Southwest Research Institute (SwRI) vandaag bekendgemaakt op de 45ste bijeenkomst van de Division for Planetary Sciences van de American Astronomical Society in Denver, Colorado. De omlooptijden van de vier buitenste en kleinste Plutomanen vertonen een opvallende regelmaat. Ze zijn vrijwel precies drie, vier, vijf en zes keer zo lang als de omlooptijd van Charon, de binnenste en grootste maan. Hoe die regelmaat precies tot stand is gekomen, is nog onduidelijk. Aangenomen wordt dat Charon is ontstaan bij een grote botsing tussen Pluto en een kleiner object. Modellen laten zien dat bij zo’n botsing ook tal van kleine manen worden gevormd, maar dan wel in veel krappere omloopbanen dan de huidige maantjes. Het is vrijwel ondenkbaar dat de banen van enkele van deze manen geleidelijk wijder zijn geworden: dan zouden ze vrijwel zeker in botsing zijn gekomen met Charon of zelfs aan de aantrekkingskracht van Pluto zijn ontsnapt. De SwRI-wetenschappers hebben nu onderzocht wat er kan zijn gebeurd met de kleinere brokstukken die bij het ontstaan van Charon vrijkwamen. Hun berekeningen laten zien dat deze ‘oermaantjes’ al snel door onderlinge botsingen zouden zijn verwoest. Maar het puin dat daarbij vrijkwam raakte niet verloren: het bleef rond Pluto cirkelen en fungeerde als bouwmateriaal voor nieuwe maantjes. Dit proces zou zich een aantal keren hebben herhaald. En daarbij zouden soms een maantje, of de bouwstenen ervan, dicht langs Charon zijn gescheerd en naar wijdere banen zijn geslingerd. De huidige kleine Plutomanen zouden dus het schamele overblijfsel zijn van een lange reeks botsingen en klonteringen die miljarden jaren geleden heeft plaatsgevonden. (EE)
SWRI Study Finds That Pluto Satellites'Orbital Ballet May Hint Of Long-Ago Collisions

11 juli 2013
De Amerikaanse ruimtesonde New Horizons, die onderweg is naar de dwergplaneet Pluto, heeft voor het eerst een opname gemaakt waarop de grootste Plutomaan, Charon, te zien is. Aardig detail is dat de opname bijna precies 35 jaar na de ontdekking van Charon is gemaakt. Indrukwekkend is de foto niet, maar daarbij moet worden aangetekend dat New Horizons nog bijna 900 miljoen kilometer van zijn reisdoel is verwijderd. Bovendien is Charon amper 1200 kilometer groot en bedraagt zijn afstand tot Pluto slechts 19.000 kilometer. Op 14 juli 2015 zullen veel duidelijkere beelden van het tweetal kunnen worden gemaakt. Dan scheert New Horizons namelijk op een afstand van slechts 12.500 kilometer langs het oppervlak van Pluto. (EE)
Charon Revealed!

2 juli 2013
De twee kleine maantjes van de verre dwergplaneet Pluto die in 2011 en 2012 zijn ontdekt, zijn officieel Kerberos en Styx genoemd door de Internationale Astronomische Unie (IAU). Tot nu toe werden ze aangeduid als P4 en P5. De namen zijn mede op basis van een populariteitspoll op Internet uitgekozen. Daarbij werden een half miljoen stemmen uitgebracht. Kerberos was de hellehond van de onderwereld; Styx de rivier die overgestoken moest worden om de onderwereld te bereiken. De meeste stemmen gingen overigens uit naar de naam Vulcan (thuiswereld van Mr. Spock uit de tv-serie Star Trek), maar die naam is in de sterrenkunde al in gebruik, en bovendien is er volgens de IAU geen sterke associatie met Pluto. Pluto zelf (ontdekt in 1930) is genoemd naar de Romeinse god van de onderwereld. Naast Kerberos en Styx draaien er nog drie andere manen rond de dwergplaneet: de grote maan Charon en de kleine ijsmaantjes Nix en Hydra. Pluto en zijn vijf manen zullen in de zomer van 2015 in detail bestudeerd worden door de Amerikaanse ruimtesonde New Horizons. (GS)
Pluto's Smallest Moons Get Their Official Names (origineel persbericht)

18 juni 2013
Spaanse astronomen hebben bevestigd dat het kleine, ijzige hemellichaam Crantor in vrijwel dezelfde baan rond de zon beweegt als de planeet Uranus. Dat vermoeden werd in 2006 al uitgesproken door een Uruguayaanse sterrenkundige. Ook twee andere 'ijsdwergen', 2010 EU65 en 2011 QF99, hebben dezelfde omlooptijd en dezelfde gemiddelde afstand tot de zon als de reuzenplaneet, aldus de Spanjaarden. Crantor is een ca. 70 km grote bal die voornamelijk uit ijs bestaat. Net als 2010 EU65 en 2011 QF99 behoort hij tot de zogeheten centaurs - ijsdwergen die afkomstig zijn uit de Kuipergordel, maar door zwaartekrachtsstoringen in banen terecht zijn gekomen die de banen van de buitenste reuzenplaneten kruisen. Crantor en 2010 EU65 beschrijven 'hoefijzervormige' banen (ten opzichte van Uranus); 2011 QF99 bevindt zich altijd in de buurt van een punt dat 60 graden 'voorloopt' op Uranus. De conclusies van de Spaanse astronomen zijn gepubliceerd in Astronomy & Astrophysics. (GS)
Three centaurs follow Uranus through the solar system (origineel persbericht)

11 februari 2013
De ontdekkers van de twee kleinste manen van de dwergplaneet Pluto nodigen het grote publiek uit om namen voor deze recent ontdekte objecten te helpen kiezen. Traditioneel krijgen Pluto-manen namen die iets met Hades en de onderwereld te maken hebben.Om die traditie in stand te houden, hebben de astronomen alvast een twaalftal toepasselijke namen gereserveerd voor de beide maantjes, die nu nog P4 en P5 'heten'. Door uiterlijk maandag 25 februari een bezoekje te brengen aan plutorocks.seti.org kan iedereen zijn favoriete namen aanwijzen. Ook is het mogelijk om zelf suggesties voor namen in te dienen.P4 werd in 2011 ontdekt op opnamen van de Hubble-ruimtetelescoop. P5 werd een jaar later opgespoord. De twee maantjes zijn slechts twintig tot dertig kilometer groot. (EE)
Astronomers Ask Public to Help Name Pluto's New Moons

17 december 2012
De theorie dat de vorming van ons zonnestelsel is aangewakkerd door een schokgolf uit een supernova-explosie moet misschien van tafel. Wetenschappers van de Universiteit van Chicago hebben daarvoor aanwijzingen gevonden in meteorietmateriaal.Het is onder wetenschappers een gangbare theorie dat zonnestelsels ontstaan uit grote interstellaire gaswolken die onder hun eigen zwaartekracht instorten. Voor zo’n gebeurtenis zou wel een kick-start van buitenaf nodig zijn. Bijvoorbeeld een sterke schokgolf van een krachtige supernova-explosie. Lang werd gedacht dat de vorming van ons eigen zonnestelsel ook zo is begonnen.Maar door met een grotere precisie dan ooit naar de samenstelling van op aarde neergestorte meteorieten te kijken twijfelen de Amerikaanse wetenschappers daar nu aan. Wat ze dachten te vinden waren relatief grote hoeveelheden ijzer-60, een radioactieve vorm van ijzer die alleen in supernova’ s wordt gevormd.Het ijzer zou door schokgolf van de explosie door ons hele zonnestelsels zijn verspreid en zou dus terug te vinden moeten zijn in meteorieten, het ‘oermateriaal’ van ons zonnestelsel. Maar de wetenschappers vonden tot hun verrassing juist consistent lage niveau’s van dit ijzer. Veel minder dan in eerder onderzoek werd gemeten.Bij het eventuele ontbreken van een supernova-explosie is nu de vraag welke gebeurtenis wel het begin van het zonnestelsel heeft gemarkeerd. De wetenschappers denken bijvoorbeeld aan een tijdelijke opleving van een dichtbij staande zware ster. Dat zou een schokgolf veroorzaken die in de verre toekomst zou leiden naar het zonnestelsel zoals we dat nu kennen. (Roel van der Heijden)
Exploding star missing from formation of solar system

27 november 2012
Een nieuwe computersimulatie van de atmosfeer van Pluto laat zien dat deze zich mogelijk tot op grote afstand van de dwergplaneet uitstrekt. Het model voorspelt dat de hoogste regionen van atmosfeer tot halverwege Charon, Pluto's grootste maan, reiken. En verdwaalde atmosferische moleculen zouden zelfs door deze maan kunnen worden opgepikt.De ijle atmosfeer van Pluto bestaat grotendeels uit methaan, stikstof en koolmonoxide – gassen die waarschijnlijk zijn vrijgekomen bij de verdamping van oppervlakte-ijs tijdens de perioden dat de afstand van de dwergplaneet tot de zon relatief klein is. Dat laatste is ook nu nog het geval, want Pluto bereikte zijn kleinste afstand tot de zon in 1989 en is door zijn trage baanbeweging nog niet ver opgeschoten.Het is niet eenvoudig om te voorspellen hoe zo'n ijle atmosfeer zich onder zulke omstandigheden gedraagt. De Pluto-atmosfeer wordt opgewarmd door infrarode en ultraviolette straling van de zon. De ultraviolette straling kan niet erg diep in de atmosfeer doordringen en speelt dus geen grote rol bij de opwarming van de onderste 'luchtlaag'. Hogerop is het juist de uv-straling die de atmosferische moleculen beïnvloedt. Tot op zekere hoogte dan. Want helemaal bovenin, in de zogeheten exosfeer, is de Pluto-atmosfeer zó ijl dat er praktisch geen botsingen tussen moleculen meer plaatsvinden. Onduidelijk is echter op welke hoogte die exosfeer begint, en dat maakt voorspellingen voor de omvang van de atmosfeer heel onzeker.Desalniettemin presenteerden wetenschappers van de universiteit van Virginia vorig jaar een model dat een schatting gaf van de uitgestrektheid van de Pluto-atmosfeer tijdens jaren dat de activiteit van de zon gering is en Pluto relatief weinig zonnewarmte ontvangt. Nu is dat model uitgebreid voor perioden van gemiddelde en hoge zonneactiviteit. En daaruit blijkt dat de atmosfeer van de verre, ijskoude dwergplaneet wel eens omvangrijker kan zijn dan gedacht. (EE)
Pluto Atmosphere Larger Than Thought

21 november 2012
Astronomen hebben de ijskoude dwergplaneet Makemake waargenomen terwijl deze voor een verre ster langs schoof. Hierbij kon voor het eerst worden gecontroleerd of Makemake een atmosfeer heeft of niet (Nature, 22 november).Makemake is ongeveer een derde kleiner dan de 'voormalige planeet' Pluto. Hij volgt een baan om de zon die voorbij die van Pluto ligt, maar binnen de omloopbaan van Eris, de zwaarste van de vijf bekende dwergplaneten in het zonnestelsel. Eerdere waarnemingen hebben laten zien dat Makemake veel op zijn naaste buren lijkt. Sommige astronomen verwachtten dan ook dat zijn atmosfeer, indien aanwezig, op die van Pluto zou lijken. Maar het nieuwe onderzoek toont aan dat Makemake, net als Eris, geen atmosfeer van betekenis heeft. Dat laatste blijkt uit het feit dat de ster tijdens zijn bedekking door Makemake heel abrupt uitdoofde en weer tevoorschijn kwam. Als de dwergplaneet een atmosfeer had gehad, zouden de helderheidsafname en -toename veel geleidelijker zijn gegaan.Bij de sterbedekking zijn ook de afmetingen van Makemake nauwkeurig(er) gemeten. De dwergplaneet is niet volmaakt bolvormig, maar enigszins afgeplat aan zijn polen: zijn equatoriale middellijn is 1430 kilometer, zijn polaire middellijn 1502 kilometer.Ook hebben de astronomen vastgesteld dat Makemake een albedo van ongeveer 0,77 heeft. Dat betekent dat 77 procent van het weinige zonlicht dat zijn oppervlak bereikt wordt weerkaatst. Anders gezegd: het oppervlak van Makemake heeft zo ongeveer de helderheid van vuile sneeuw. (EE)
Dwergplaneet Makemake heeft geen atmosfeer

2 november 2012
Lang werd vermoed dat het ontstaan van ons zonnestelsel veel langzamer ging dan andere planetenstelsels. Nieuw onderzoek naar de samenstelling van oude meteorieten laat zien dat de vorming van de planeten toch veel sneller ging en vergelijkbaar is met onze stellaire buren.De wetenschappers van de Universiteit van Kopenhagen keken naar de leeftijd van twee materialen die regelmatig worden terug gevonden in zeer oude meteorieten: zogenoemde calcium en aluminium rijke inclusies (CAI’s) en chondrules. Beide materialen vormden zich toen het zonnestelsel ‘slechts’ enkele miljoenen jaren oud was. De overheersende theorie stelde echter dat chondrules zeker twee miljoen jaar later ontstonden dan de CAI’s.Dat lijkt niet te kloppen. Door naar de verhoudingen van verschillende uranium- en lood-isotopen in CAI’s en chondrules te kijken, wisten de Denen vast te stellen dat beiden ongeveer tegelijk werden gevormd.De conclusie die daaruit wordt getrokken is dat ons zonnestelsel minder bijzonder is dan ooit werd gedacht. De waargenomen verdelingen komen overeen met wat astronomen waarnemen in andere zonnestelsels in de Melkweg, die momenteel worden gevormd.De leeftijd van het huidige zonnestelsel wordt door astronomen geschat op 4,567 miljard jaar. Aanwijzingen over de jongste jaren van het zonnestelsel zijn te vinden in meteorieten die op aarde neersloegen. De meeste van deze kosmische steenbrokken zijn sinds hun vorming onaangetast gebleven. (Roel van der Heijden)
Solar system's birth record revised

16 oktober 2012
De reis van de Amerikaanse ruimtesonde New Horizons naar de verre dwergplaneet Pluto zit er voor bijna driekwart op. Maar inmiddels maken wetenschappers zich een beetje zorgen over wat de ruimtesonde in januari 2015 zal aantreffen. Het is namelijk denkbaar dat de omgeving van Pluto het nodige ruimtepuin bevat.Toen New Horizon werd ontwikkeld kenden astronomen slechts één maan bij Pluto. Maar inmiddels is dat aantal gestegen tot vijf. En bovendien is gebleken dat deze kleine objecten, en nog te ontdekken exemplaren, door botsingen met soortgenoten veel ijsachtig puin kunnen produceren. En gezien de grote snelheid van New Horizons – ongeveer 50.000 kilometer per uur – zou zelfs een botsing met een klein deeltje de ruimtesonde kunnen beschadigen.Momenteel wordt dan ook alles in het werk gesteld om de omgeving van Pluto af te speuren naar mogelijke mini-maantjes en ringen van puin. Ook worden alternatieve trajecten onderzocht die New Horizons wat minder dicht bij de dwergplaneet brengen. (EE)
Pluto's moons and possible rings may be hazards

27 september 2012
Met een computermodel van ons extreem jonge zonnestelsel zijn wetenschappers erachter gekomen dat de planeten waarschijnlijk niet tegelijk zijn ontstaan, zoals eerder wel werd gedacht. Verantwoordelijk daarvoor zijn krachtige schokgolven die de zon in haar beginjaren uitzond. De aarde zou hierdoor één van de jongste planeten van het zonnestelsel zijn.Toen de zon zo’n vijf miljard jaar geleden ontstond had zij nog geen planeten. Slecht een grote gaswolk met kleine brokjes materie omringde haar. Een serie schokgolven uit de zon zou, volgens een computermodel van Tagir Abdylmyanov van de Universiteit in Kazan in Rusland, ringen in die wolk hebben gecreëerd. Onder de invloed van de zwaartekracht klonterden daaruit in de loop van miljoenen jaren de planeten samen.Volgens het model zouden de eerste schokgolven de ringen voor de buitenste planeten hebben gemaakt, Neptunus en Uranus. Pas miljoenen jaren later waren Saturnus en Jupiter aan de beurt. Als allerlaatst – toen de zon veel kalmer was – kregen de vier binnenste planeten, Mars, aarde, Venus en Mercurius de kans samen te klonteren. Het onderzoek werd vandaag gepresenteerd op het European Planetary Science Congress in Madrid. (RvdH)
European Planetary Science Congress

2 augustus 2012
Sterrenkundigen gaan ervan uit dat het de schokgolf van een supernova-explosie was die de geboorte van ons zonnestelsel inleidde. Volgens deze theorie zou deze schokgolf ook materiaal van de ontplofte ster hebben 'geïnjecteerd' in de gaswolk waaruit later zon en planeten ontstonden. Een nieuw computermodel laat zien hoe dat proces in zijn werk is gegaan. Dat de supernova-theorie hout snijdt, blijkt uit de vondst van bepaalde chemische elementen in meteorieten. Deze elementen zijn ontstaan uit het verval van radioactieve elementen met een relatief korte halveringstijd, waaronder de isotoop ijzer-60. Dateringen laten zien dat deze stoffen kort vóór de vorming van de meteorieten zijn ontstaan. Dat laatste leek moeilijk verklaarbaar. Het zou namelijk betekenen dat de supernova-explosie, het vrijkomen van de radioactieve stoffen en de opname van deze stoffen in het materiaal waaruit de meteorieten ontstonden alles bij elkaar minder dan een miljoen jaar moet hebben geduurd - erg kort naar astronomische begrippen. Het nieuwe computermodel laat echter zien dat het inderdaad zo snel kan zijn gegaan. De schokgolf van de supernova die de oerwolk van het zonnestelsel trof en deze samendrukte, vormde uitlopers die als reusachtige 'vingers' in het oppervlak van de gaswolk prikten. Minder dan 100.000 jaar later kromp deze wolk ineen, en begon de vorming van zon en planeten. Uit het model blijkt dat één of twee van die 'vingers' al voldoende zouden zijn om de gemeten hoeveelheden radioactieve stoffen te kunnen verklaren.
Meer informatie:
Fingering the Culprit that Polluted the Solar System

25 juli 2012
Amerikaanse wetenschappers denken in één klap twee raadsels omtrent ons zonnestelsel te hebben opgelost. Die 'klap' bestaat uit een model voor de bewegingen van deeltjes in de schijf van gas en stof rond de zon, waaruit 4,5 miljard jaar geleden de planeten ontstonden. Dit model laat zien dat veel van die deeltjes heen en weer reisden tussen de hete en koude delen van de protoplanetaire schijf. De beide raadsels hebben betrekking op de samenstelling van kometen en planetoïden, die als overblijfselen uit de oertijd van het zonnestelsel worden beschouwd. Vreemd genoeg bevatten kometen, die grotendeels uit ijs bestaan, ook deeltjes die onder hoge temperaturen zijn gevormd. En onderzoek laat zien dat de randen van zulke deeltjes grote verschillen in samenstelling vertonen. In het computermodel is een (instabiele) proto-planetaire schijf nagebootst, met temperaturen die uiteenlopen van +1200 graden (Celsius) in het centrum tot -200 graden aan de buitenrand. Gekeken is wat er in zo'n schijf gebeurt met deeltjes van ongeveer een centimeter groot die in dezelfde baan om de zon cirkelen en onderhevig zijn aan de weerstand van het gas in hun omgeving en aan de aantrekkingskrachten van de zon en de schijf zelf. Aanvankelijk blijven deze denkbeeldige deeltjes eendrachtig hun rondjes draaien. Maar al na een jaar of twintig beginnen hun omloopbanen aanzienlijke verschillen te vertonen. Sommige trekken naar de zon, tot ze de binnenste begrenzing van de protoplanetaire schijf bereiken. Andere migreren juist naar de koude buitengebieden. En ongeveer tien procent van de deeltjes gaat een tijdje tussen beide uitersten heen en weer. Die laatste categorie ondergaat afwisselende perioden van verdamping en condensatie. En dat zou ze precies die eigenschappen kunnen geven die in materiaal uit de ruimte is waargenomen.
Meer informatie:
Two Solar System Puzzles Solved

17 juli 2012
Met al die regen van de laatste tijd zou je het niet zeggen, maar de aarde is een droge planeet. Minder dan één procent van de aardmassa bestaat uit water. Dat is veel minder dan het standaardmodel voor de vorming van ons zonnestelsel voorspelt. Daarom hebben astronomen aan een aanpassing van dat model gewerkt. Volgens het standaardmodel bestond er een tweedeling in de materieschijf rond de zon waaruit de planeten samenklonterden. Het binnenste deel - ruwweg tot de baan van de uiteindelijk planeet Venus - was warm en droog, het gebied erbuiten koud en rijk aan ijsachtig materiaal. Dat zou echter betekenen dat onze planeet veel meer water zou moeten bevatten dan nu het geval is. Volgens het aangepaste model, dat is ingegeven door waarnemingen van andere sterren, stak het centrale deel van de protoplanetaire schijf ingewikkelder in elkaar: warme en koude gordels wisselden elkaar af. Dat maakt het mogelijk dat ook de aarde uit droog materiaal werd opgebouwd. Ook doet het model de juiste 'voorspelling' dat ook de planeten Mercurius, Venus en Mars relatief droog zijn.
Meer informatie:
Why Is Earth So Dry?

11 juli 2012
Astronomen hebben, met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop, een vijfde maan ontdekt bij de verre dwergplaneet Pluto. Het maantje is naar schatting 10 tot 25 kilometer groot en cirkelt op een afstand van 95.000 kilometer om Pluto. Waarschijnlijk ligt zijn omloopbaan ruwweg in hetzelfde vlak als de banen van de vier overige manen. De ontdekkers verbazen zich erover dat zo'n kleine ijsplaneet zo'n grote verzameling manen kan hebben. Vermoed wordt dat het overblijfselen zijn van een botsing tussen Pluto en een soortgelijk hemellichaam, die miljarden jaren geleden zou hebben plaatsgevonden. Pluto's eerste en grootste maan, Charon, werd in 1978 opgespoord. De nummers 2 en 3, Nix en Hydra, werden in 2006 door Hubble ontdekt. En in 2011 volgde het nog naamloze maantje P4. Het vijfde maantje heeft de officiële aanduiding S/2012 (134340) 1, maar zal ook kortweg bekend staan als P5.
Meer informatie:
Hubble Discovers New Pluto Moon

22 mei 2012
In het buitengebied van ons zonnestelsel kan een nog onbekende planeet om de zon cirkelen. Dat concludeert de Braziliaanse astronoom Rodney Gomes uit modelberekeningen die bedoeld zijn om de bijzondere omloopbanen van enkele objecten voorbij de baan van de planeet Neptunus te kunnen verklaren. De vermeende planeet zou te ver verwijderd zijn van de aarde om gemakkelijk waarneembaar te zijn. Al geruime tijd is bekend dat enkele van de kleine, ijsachtige objecten buiten de Neptunusbaan enigszins afdwalen van de baan die ze zouden moeten volgen als de aantrekkingskrachten van alle bekende hemellichamen in rekening worden gebracht. Dat geldt onder meer voor de ijsdwerg Sedna, die een extreem langgerekte baan volgt. Gomes kwam er achter dat de afwijkende baanbewegingen van deze objecten goed verklaarbaar zijn als hij een extra planeet aan zijn model toevoegde. Die planeet zou maximaal vier keer zo groot kunnen zijn als de aarde en in dat geval op een afstand van 225 miljard kilometer om de zon cirkelen. Maar het zou ook kunnen gaan om een veel kleiner object dat, net als Sedna, een zeer langgerekte omloopbaan heeft, maar altijd buiten de Neptunusbaan blijft. En dan is er ook nog de mogelijkheid dat de banen van Sedna en de overige objecten al heel lang geleden verstoord zijn geraakt, toen een andere ster op relatief kleine afstand langs ons zonnestelsel trok. In dat geval is er geen extra planeet nodig om hun afwijkende banen te verklaren.
Meer informatie:
Planet X? New Evidence of an Unseen Planet at Solar System's Edge

20 december 2011
Met de nieuwe Cosmic Origins Spectrograph van de Hubble-ruimtetelescoop zijn opnieuw duidelijke aanwijzingen gevonden dat zich aan het oppervlak van de dwergplaneet Pluto complexe organische moleculen bevinden. Deze moleculen kunnen ontstaan door de interactie van zonlicht en kosmische straling met het oppervlakte-ijs van Pluto, dat onder meer uit bevroren methaan, koolmonoxide en stikstof bestaat. De organische moleculen kunnen verklaren waarom Pluto een enigszins rode tint heeft. De nieuwe Hubble-waarnemingen hebben ook aan het licht gebracht dat het ultraviolet-spectrum van Pluto sinds de jaren negentig veranderd is. Onduidelijk is nog of dat het gevolg is van daadwerkelijke veranderingen op het oppervlak van de dwergplaneet.
Meer informatie:
SwRI researchers discover new evidence for complex molecules on Pluto's surface

3 december 2011
De NASA-ruimtesonde New Horizons heeft op 2 december een bijzondere mijlpaal bereikt: nog nooit is een ruimtesonde zo dicht bij de dwergplaneet Pluto geweest. Erg dicht is hij zijn eindbestemming overigens nog niet genaderd, want zijn afstand tot Pluto bedraagt nog altijd anderhalf miljard kilometer. Het heeft New Horizons, ondanks zijn kolossale snelheid van bijna een miljoen kilometer per dag, 2143 dagen gekost om dichter bij de verre dwergplaneet te komen dan de Voyager 1 in januari 1986. Zelf heeft de ruimtesonde daar trouwens niets van gemerkt, want hij bevindt zich momenteel in winterslaap om energie te sparen voor zijn grote ontmoeting met Pluto medio 2015. Volgende maand zal New Horizons even worden gewekt om zijn systemen te testen. Spectaculaire foto's van Pluto zal dat echter nog niet opleveren: daarvoor is zijn afstand tot de dwergplaneet nog veel te groot. Pas vanaf 2014 kunnen opnamen worden gemaakt die details op de dwergplaneet laten zien.
Meer informatie:
New Horizons Becomes Closest Spacecraft to Approach Pluto
New Horizons homepage

7 november 2011
De Amerikaanse ruimtesonde New Horizons, gelanceerd in januari 2006, zal in de zomer van 2015 op kleine afstand langs de verre dwergplaneet Pluto en zijn relatief grote maan Charon vliegen. Vluchtleiders en astronomen van het Southwest Research Institute in Boulder, Colorado, en het Applied Physics Laboratory van de Johns Hopkins University in Baltimore, Maryland, zijn begin november tot de conclusie gekomen dat er mogelijk een kleine kans is dat de ruimtesonde bij die scheervlucht gevaar loopt om in botsing te komen met materiaal in een baan rond Pluto. Behalve door Charon wordt Pluto ook vergezeld door minstens drie kleine maantjes, waarvan de laatste pas afgelopen zomer werd ontdekt met de Hubble Space Telescope. Dat doet vermoeden dat er misschien veel meer kleine objecten in een baan rond de dwergplaneet bewegen. Ook het bestaan van een ring of een wolk van kleinere brokstsukken kan niet uitgesloten worden. De komende jaren zal daar dan ook gericht naar gezocht worden, met behulp van de Hubble Space Telescope, met grote telescopen op de grond, en met de in aanbouw zijnde Atacama Large Millimeter Array in noord-Chili. Voor het geval er inderdaad meer materiaal wordt ontdekt in een baan rond Pluto, werken vluchtleiders aan een alternatieve route, waarbij New Horizons op een veilige afstand langs de ijzige dwergplaneet vliegt, in het gebied dat door de zwaartekracht van Charon moet zijn 'schoongeveegd'.
Meer informatie:
Is the Pluto System Dangerous?
New Horizons
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

26 oktober 2011
De verre dwergplaneet Eris weerkaatst maar liefst 96 procent van het (weinige) zonlicht dat zij ontvangt. Dat is een van de conclusies die kunnen worden getrokken uit waarnemingen van een sterbedekking door dit kleine hemellichaam, die in november 2010 plaatsvond. De astronomen die deze zeldzame gebeurtenis hebben waargenomen, doen deze week verslag daarvan in het tijdschrift Nature. Twee weken geleden lekte al het nieuws uit dat de astronomen erin waren geslaagd om de grootte (2326 km) en dichtheid van Eris te bepalen. Daaruit bleek dat de dwergplaneet, anders dan haar vrijwel even grote soortgenoot Pluto, voor een groot deel uit gesteente bestaat. Het vermoeden bestaat dat Eris een grote rotsachtige kern heeft, die omgeven is door een ongeveer honderd kilometer dikke mantel van ijs. IJs dat al vele miljoenen jaren aan het ruimtemilieu is blootgesteld, verkleurt echter en kan de opvallende witheid van het oppervlak van Eris niet verklaren. Een analyse van het spectrum van de dwergplaneet wijst er echter op dat de ijsmantel is bedekt met een zeer dunne coating van vers ijs dat uit een mengsel van bevroren stikstof en methaan bestaat. Volgens de astronomen kan dit ijslaagje het gevolg zijn van het aanvriezen van de stikstof- of methaanatmosfeer van de dwergplaneet, toen deze zich in haar langgerekte baan van de zon verwijderde en in een steeds koudere omgeving terechtkwam. De ijscoating zou weer in gasvormige toestand kunnen overgaan zodra Eris de zon weer wat dichter is genaderd. (Momenteel is haar afstand tot de zon drie keer zo groot als die van Pluto.) De astronomen hebben ook een schatting kunnen maken van de oppervlaktetemperatuur van de dwergplaneet. Aan de dagzijde van Eris blijft deze steken bij 238 graden onder nul; aan de nachtzijde is het zelfs nog wat kouder.
Meer informatie:
Verre Eris is Pluto's tweelingzus

15 oktober 2011
De strijd om de titel 'grootste dwergplaneet van het zonnestelsel' is nog niet beslist. Toen in 2005 de verre ijsdwerg Eris werd ontdekt, leek het erop dat deze aanzienlijk groter was dan Pluto, die toen nog als een volwaardige planeet werd gezien. Maar nieuwe waarnemingen laten zien dat de grootte van Eris overschat is: de beide dwergplaneten zijn vrijwel even groot. De ontdekking van Eris was de aanleiding tot een discussie binnen de Internationale Astronomische Unie over wat je nou wel een planeet mag noemen en wat niet. Het resultaat van die discussie was dat er een nieuwe klasse van hemellichamen werd bedacht: die van de dwergplaneten. Pluto heeft een middellijn van ongeveer 2330 kilometer. Een recente schatting van de grootte van Eris, gebaseerd op waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop kwam uit op 2400 kilometer, met een onzekerheid van honderd kilometer: nauwelijks groter dan Pluto dus. Maar de meest recente berekeningen laten zien dat Eris misschien zelfs maar 2326 kilometer groot is, met een onzekerheidsmarge van twaalf kilometer. Dat volgt uit waarnemingen van de bedekking van een ster door Eris, die in 2010 vanuit Chili is waargenomen. Welke van de twee nu echt het grootst is, zal uit verdere metingen moeten blijken. Eén ding staat echter nu al vast: Eris is aanzienlijk zwaarder dan Pluto en heeft dus een grotere dichtheid. Anders dan Pluto, die voor ongeveer de helft uit ijs bestaat, bestaat Eris waarschijnlijk grotendeels uit gesteente.
Meer informatie:
Pluto or Eris: Which is Bigger?
Kort verslag van de sterbedekking door Eris (pdf)

3 oktober 2011
Buiten de baan van de verre planeet Neptunus, in de zogeheten Kuipergordel, werd enkele jaren geleden een ijzig hemellichaam ontdekt met een merkwaardige zandlopervorm. IJsdwerg 2001 QG298 lijkt nog het meest op twee eieren die elkaar aan het spitse uiteinde raken. Eens in de ca. zeven uur draait het object rond een vrijwel horizontaal gelegen rotatieas, als de propeller van een vliegtuig. De ijsdwerg staat zo ver weg dat de vorm niet direct zichtbaar is. Dat het om een extreme zandlopervorm moet gaan, blijkt uit metingen aan de extreme helderheidsvariaties van 2001 QG298, die veroorzaakt worden doordat we vanaf de aarde min of meer van opzij tegen de roterende 'propeller' aankijken. Volgens Pedro Lacerda van Queens University Belfast, die nieuwe gedetailleerde metingen aan 2001 QG298 presenteerde op een groot internationaal planeetonderzoekscongres in Nantes, heeft minstens tien en misschien wel vijfentwintig procent van alle kleinere ijsdwergen in de Kuipergordel een vergelijkbare zandlopervorm.
Meer informatie:
Spinning hourglass object may be the first of many to be discovered in the Kuiper belt
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

16 september 2011
Volgens onderzoekers van de Universiteit van Californië in Santa Cruz heeft de verre, koude dwergplaneet Pluto mogelijk een ondergrondse oceaan. Pluto bestaat deels uit gesteenten en deels uit ijs. Als de rotsachtige kern van de dwergplaneet veertig procent van het totale volume inneemt (wat zeer aannemelijk is), bevat die kern voldoende radioactief kalium om de energie te genereren die nodig is om een deel van de ijsmantel te smelten, aldus Guillaume Robuchon en Francis Nimmo in een artikel in het vakblad Icarus. Als de buitenste ijslagen van Pluto stijf genoeg zijn, en minder beweeglijk dan het pakijs van Antarctica, wordt die inwendige warmte ook daadwerkelijk vastgehouden; bij een te beweeglijke ijskorst ontsnapt de inwendige warmte naar buiten. Waarnemingen van de Amerikaanse ruimtesonde New Horizons, die in het voorjaar van 2015 langs Pluto vliegt, kunnen het bestaan van een ondergrondse oceaan mogelijk aantonen, door nauwkeurige metingen aan de vorm van de dwergplaneet.
Artikel op www.newscientist.com
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

22 augustus 2011
De grote ijsdwerg 2007 OR10, bijgenaamd Snow White ('Sneeuwwitje'), had waarschijnlijk ooit een ijle dampkring van methaan. Dat concluderen planeetonderzoeker Mike Brown van het California Institute of Technology en zijn collega's op basis van waarnemingen van de ca. 1150 kilometer grote bewoner van de Kuipergordel, buiten de baan van de verste planeet Neptunus. De ijsdwerg heeft een opvallend rode kleur (de bijnaam Snow White was al toegekend voordat die rode kleur werd ontdekt), maar infraroodwaarnemingen met de 6,5-meter Walter Baade-telescoop op Cerro Las Campanas in Chili laten zien dat het oppervlak van het hemellichaam toch voor ongeveer de helft uit ijs bestaat. Volgens Brown en zijn collega's wordt de rode kleur veroorzaakt door de aanwezigheid van methaan; methaanverbindingen kleuren rood onder invloed van onder andere kosmische straling. Ook de grotere ijsdwerg Quaoar vertoont die merkwaardige combinatie van een ijzige samenstelling en een rode kleur. Als de aanwezigheid van methaan met toekomstige metingen wordt bevestigd, lijkt het aannemelijk dat 2007 OR10 lang geleden een methaanrijke dampkring heeft gehad, die in de loop van lange tijd geleidelijk is verdwenen. Het oppervlakte-ijs van Snow White (een bijnaam die in de nabije toekomst waarschijnlijk vervangen zal worden door een officiële naam) doet vermoeden dat het hemellichaam ooit actief ijsvulkanisme heeft gekend.
Meer informatie:
Astronomers Find Ice and Possibly Methane on Snow White, a Distant Dwarf Planet
Weblog van Mike Brown
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

20 juli 2011
De verre dwergplaneet Pluto heeft niet drie, maar minstens vier manen. Dat volgt uit waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop. Het bestaan van de vierde maan kwam aan het licht bij een zoektocht naar een mogelijk ringenstelsel rond Pluto. De nieuwe maan, die voorlopig P4 heet, is ruimschoots de kleinste van de vier. Hij is naar schatting slechts 12 à 34 kilometer groot. Ter vergelijking: de grootste Plutomaan, Charon, meet ruim duizend kilometer, en de afmetingen van Nix en Hydra worden geschat op 32 tot 113 kilometer. Vermoed wordt dat alle manen van Pluto zijn ontstaan na een botsing tussen Pluto en een kleinere soortgenoot. Bij die gebeurtenis, die zich in de begintijd van het zonnestelsel moet hebben voltrokken, is veel ijzig puin de ruimte in geblazen, dat vervolgens tot manen en maantjes is samengeklonterd.
Meer informatie:
NASA's Hubble Discovers Another Moon Around Pluto

28 juni 2011
Een team van astronomen van Williams College in Williamstown, Massachusetts, heeft op 23 juni met behulp van relatief kleine telescopen op Hawaii een sterbedekking waargenomen door Charon, de 1215 kilometer grote maan van Pluto. Elf minuten later zou ook Pluto zelf voor de ster langsbewegen, maar het is nog onduidelijk of die bedekking ook is gezien. Vier dagen later, op 27 juni, bewoog Pluto voor een andere ster langs, en werd die ster ook bedekt door Hydra, een van de twee kleine Plutomaantjes, met een middellijn van slechts ca. 80 kilometer. Dit verschijnsel kon vanwege bewolking echter niet worden waargenomen.
Net als in 2005 werd op 23 juni waargenomen dat het sterlicht tijdens de bedekking door Charon heel plotseling uitdoofde, terwijl er bij sterbedekkingen door Pluto altijd sprake is van een geleidelijke helderheidsafname. Daaruit wordt afgeleid dat Charon - in tegenstelling tot Pluto - geen dampkring heeft.
Ook professionele telescopen op Hawaii hebben waarnemingen verricht aan de sterbedekkingen, evenals de vliegende infraroodsterrenwacht Sofia. Uit dit soort waarnemingen kan veel informatie worden afgeleid over de precieze afmetingen van de betreffende hemellichamen, en over de eigenschappen van de extreem ijle Plutodampkring. Pluto beweegt momenteel - gezien vanaf de aarde - door de Melkweg, zodat er de komende jaren nog veel sterbedekkingen verwacht mogen worden.
Meer informatie:
Williams and MIT Astronomers Observe Pluto and its Moons
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

24 juni 2011
Op 23 juni heeft de Stratospheric Observatory for Infrared Astronomy (SOFIA) - de 'vliegende sterrenwacht' van Duits/Amerikaanse makelij - een bijzonder hemelverschijnsel waargenomen: de bedekking van een naamloos sterretje door de dwergplaneet Pluto. Deze sterbedekking stelde wetenschappers in staat om de atmosfeer van Pluto te analyseren. De sterbedekking was alleen waarneembaar boven een leeg stuk Stille Oceaan, waar uiteraard geen normale sterrenwacht te vinden is. Hierdoor was SOFIA de enige observatiepost die astronomen ter beschikking stond. Bijkomend voordeel was dat SOFIA, een gemodificeerde Boeing 747SP met een 2,5-meter telescoop aan boord, op grote hoogte vliegt, waar weinig hinder wordt ondervonden van de waterdamp in de aardatmosfeer. Of de waarnemingen zouden lukken, bleef tot op het laatste moment spannend. Want de hemelpositie van Pluto, die uiterst nauwkeurig moest worden bepaald, was pas enkele uren voor de vlucht bekend. Hierdoor moest de vluchtroute op het laatste moment 200 kilometer naar het noorden worden opgeschoven.
Meer informatie:
SOFIA Successfully Observes Challenging Pluto Occultation

21 juni 2011
Via de website www.icehunters.org kan het grote publiek mee helpen zoeken naar toekomstige reisdoelen voor de Amerikaanse ruimtesonde New Horizons. New Horizons werd in januari 2006 gelanceerd en zal in 2015 de eerste ruimtesonde zijn die een bezoek brengt aan de dwergplaneet Pluto en zijn grote maan Charon. Daarna is het de bedoeling dat de ruimtesonde nog een scheervlucht uitvoert langs één of twee kleinere ijsdwergen in de Kuipergordel - de brede band van bevroren hemellichamen buiten de baan van Neptunus, waar ook Pluto deel van uitmaakt. Met grote telescopen op aarde zijn inmiddels foto's gemaakt van het deel van de sterrenhemel waarin zich momenteel ijsdwergen bevinden die mogelijk in aanmerking komen voor zo'n bezoek. Pamela Gay en Cory Lehan van de Southern University of Illinois in Edwardsville hebben nu de Icehunters-website ontwikkeld om het grote publiek de gelegenheid te bieden in deze opnamen mee te helpen zoeken naar tot nu toe onbekende ijsdwergen.
Meer informatie:
IceHunters Website Challenges Public to Find Icy Worlds
IceHunters
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 april 2011
De extreem ijle dampkring van de verre, koude dwergplaneet Pluto bevat koolmonoxide (CO). Dat blijkt uit waarnemingen met de Brits-Canadees-Nederlandse James Clerk Maxwell Telescope (JCMT) op Hawaii. De resultaten worden vandaag bekendgemaakt door Jane Greaves van de University of St Andrews, op de National Astronomy Meeting (NAM 2011) van de Royal Astronomical Society in Llandudno, Wales. Pluto's ijle dampkring werd in 1988 ontdekt, vlak voordat de planeet in zijn elliptische omloopbaan de kleinste afstand tot de zon bereikte. De dampkring bestaat vermoedelijk grotendeels uit het moeilijk waarneembare stikstof (N2), maar bevat ook sporen van methaan (CH4). Eerder is al ontdekt dat er sterke variaties optreden in de hoeveelheden methaangas in de lagere delen van de dampkring. Koolmonoxide (CO) is een lichter gas. Het blijkt zich - in zeer geringe hoeveelheden - uit te strekken tot maar liefst 3000 km boven het oppervlak van Pluto, die klein is en te weinig zwaartekracht heeft om een dikkere dampkring vast te houden. De JCMT is een 15 meter grote schotelantenne die millimeterstraling uit het heelal opvangt. De telescoop werd bijna 25 jaar geleden al in gebruik genomen. De komende jaren zal hij regelmatig waarnemingen aan Pluto blijven verrichten. In de zomer van 2015 komt de Amerikaanse ruimtesonde New Horizons bij de dwergplaneet aan.
Meer informatie:
Pluto has carbon monoxide in its atmosphere
James Clerk Maxwell Telescope
NAM 2011
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

11 januari 2011
Een nieuwe telescoop, die nog maar net is begonnen aan zijn verkenning van de hemel boven Hawaï, heeft zijn eerste ontdekkingen al gedaan. Het Panoramic Survey Telescope & Rapid Response System (Pan-STARRS) heeft tien objecten ontdekt in de Kuipergordel - de brede gordel van duizenden kleine, ijsachtige hemellichamen voorbij de baan van de planeet Neptunus. De tien nieuwe Kuipergordelobjecten zijn naar schatting 300 tot 500 kilometer groot. De speurtocht naar objecten in die verre buitenwijk maakt deel uit van een grote hemelverkenning waar zestig procent van de telescooptijd van Pan-STARRS in gaat zitten. Naar verwachting naast Kuipergordelobjecten ook nabije planetoïden worden opgespoord. De Pan-STARRS-telescoop is sinds juni 2010 in bedrijf. Hij is uitgerust met de grootste digitale camera ter wereld: een 1,4 gigapixel kolos.
Meer informatie:
New Telescope Exploring Solar System "Outback"

8 november 2010
Afgelopen zaterdag trok de verre dwergplaneet Eris precies voor een ster langs. Drie teams van sterrenkundigen hebben deze bijzondere sterbedekking vanuit Chili waargenomen. Hun metingen kunnen worden gebruikt om de grootte van Eris te bepalen. De definitieve meetwaarde is nog niet bekend, maar het lijkt er sterk op dat de middellijn van Eris in elk geval kleiner is dan 2340 kilometer. Dat is maar vier kilometer minder dan de grootte van Pluto, maar het uiteindelijke getal zou nog eens vijftig tot zestig kilometer lager kunnen uitvallen. Tot nog toe werd ervan uitgegaan dat Eris juist de grootste van de twee was. Als het formaat van Eris inderdaad naar beneden moet worden bijgesteld, betekent dit dat haar oppervlak nog witter is dan gedacht. Het licht-weerkaatsend vermogen komt dan uit op negentig procent of meer. Daarmee benadert Eris de helderheid van de ijsmaan Enceladus, die om de planeet Saturnus cirkelt.
Meer informatie:
Former 'tenth planet' may be smaller than Pluto

5 oktober 2010
Een team Amerikaanse wetenschappers heeft vastgesteld dat het bevroren oppervlak van Eris, voor zover bekend de grootste dwergplaneet van ons zonnestelsel, voornamelijk uit stikstofijs bestaat. In dat opzicht lijkt hij sterk op de langst bekende dwergplaneet, Pluto. De ontdekking is niet alleen gebaseerd op waarnemingen van Eris en Pluto, maar ook op onderzoek in het nieuwe 'ijslaboratorium' van Northern Arizona University. In dat lab worden de ijzige omstandigheden op de verre dwergplaneten (-390 graden Fahrenheit oftewel -234 graden Celsius) nagebootst. Vervolgens worden ijsmonsters gemaakt door mengsels van gassen zoals stikstof, methaan en argon te laten bevriezen. Door de ijsmonsters met licht te beschijnen, kan worden vastgesteld welke 'chemische vingerafdrukken' (spectraallijnen) de diverse gasmengsels in het licht achterlaten. Deze vingerafdrukken worden ten slotte vergeleken met telescoopwaarnemingen van Eris en Pluto. De conclusie is dat het ijsoppervlak van Eris voor negentig procent uit bevroren stikstof en voor tien procent uit bevroren methaan bestaat.
Meer informatie:
Nitrogen, Methane Dominate Icy Surface of Eris

5 oktober 2010
Nieuw onderzoek door een student van de universiteit van Victoria (Canada) vormt een uitdaging voor de bestaande theorie over de vorming van het buitengebied van ons zonnestelsel. Tijdens de bijeenkomst van planeetdeskundigen die deze week in Pasadena wordt gehouden, heeft Alex Parker bewijs laten zien dat de planeet Neptunus geen grote aantallen planetoïden heeft 'weggepest'. Tot nog toe is dat het idee achter de vorming van de zogeheten Kuipergordel buiten de baan van Neptunus. De Kuipergordel is een platte ring die zich uitstrekt van zes miljard tot zeven miljard kilometer van de zon. In deze gordel bevinden zich duizenden ijsachtige planetoïden groter dan honderd kilometer, die worden beschouwd als een overblijfsel uit de tijd dat de planeten van ons zonnestelsel werden gevormd. Een flinke aantal van deze ijsdwergen - ruwweg één op de drie - draait in paren om de zon. Uit Parkers computersimulaties blijkt dat veel van die dubbele ijsdwergen van elkaar gescheiden zouden zijn als de Kuipergordel inderdaad door de zwaartekrachtswerking van Neptunus naar zijn huidige locatie verbannen was. Het lijkt er sterk op dat de ijsdwergen gewoon in de buurt van hun huidige locatie zijn ontstaan.
Meer informatie:
Planet Neptune Not Guilty Of Harassment

13 september 2010
Voorbij de baan van de planeet Neptunus bevinden zich ontelbare ijsachtige hemellichamen. Deze transneptunische objecten of ijsdwergen ontvangen dermate weinig zonlicht, dat ze vanaf de aarde nauwelijks waarneembaar zijn. Maar dankzij een slimme techniek hebben astronomen met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop toch weer veertien van die ijsdwergen opgespoord. Net als de planeten draaien de ijsdwergen om de zon - zij het heel langzaam. Hierdoor verplaatsen zij zich ten opzichte van de achtergrond van vaste sterren en vertonen ze zich op lang belichte opnamen als korte streepjes. Met behulp van speciale software hebben de astronomen op honderden Hubble-opnamen naar zulke streepjes gezocht. Tussen de vele kandidaten die dat opleverde, bleken dus veertien echte ijsdwergen te zitten. Alle gevonden objecten zijn zeer bescheiden van omvang: ze zijn veertig tot honderd kilometer groot. Twee van de veertien vormen een duo dat om elkaar heen draait. Omdat voor dit onderzoek maar een heel klein stukje hemel is afgespeurd, is de verwachting dat er in de Hubble-archieven nog honderden ijsdwergen op ontdekking wachten.
Meer informatie:
NASA's Hubble Harvests Distant Solar System Objects

23 augustus 2010
Het zonnestelsel zou weleens bijna twee miljoen jaar ouder kunnen zijn dan tot nu toe werd aangenomen. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Geoscience, dat zondag is gepubliceerd. De onderzoekers van de Universiteit van Arizona in Tempe baseren zich op een 1,5 kilo zware meteoriet die in 2004 in de Marokkaanse Saharawoestijn is gevonden. Uit metingen aan de relatieve hoeveelheden van verschillende lood-isotopen concluderen de wetenschappers dat het zonnestelsel 4456,82 miljoen jaar oud is. Dat is tussen de 300.000 en 1,9 miljoen jaar ouder dan eerder werd geschat. De ontdekking betekent ook dat de interstellaire gas- en stofwolk waaruit het zonnestelsel ontstond veel meer ijzer-60 bevatte dan voorheen werd aangenomen. Dat doet vermoeden dat ons zonnestelsel ontstaan is in een sterrenhoop waarin verschillende supernova-explosies plaatsvonden. Bij die explosies werd (o.a.) die ijzer-isotoop de ruimte in geblazen, en ontstonden ook verdichtingen en schokgolven waaruit nieuwe sterren werden geboren.
Nieuwsbericht over de ontdekking (Nature)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

16 juni 2010
Op 9 oktober 2009 is vanaf de Hawaï-eilanden een bijzonder, maar nogal onopvallend hemelverschijnsel waargenomen: de bedekking van een ster door een ijzige planetoïde die zich ver buiten de baan van de planeet Neptunus bevindt. Amerikaanse wetenschappers hebben deze gelegenheid benut om de verre 'ijsdwerg' op te meten (Nature, 17 juni). IJsdwerg KBO 55636 maakt deel uit van de zogeheten Kuipergordel. In die gordel bevinden zich naar schatting 70.000 objecten groter dan honderd kilometer. Maar tot nog toe zijn er maar ruim duizend ontdekt. Door hun grote afstanden is over de meeste Kuipergordelobjecten weinig bekend: zelfs hun afmetingen zijn onzeker. Daarom kwam het mooi uit dat KBO 55636 vorig jaar precies voor een ster langs bewoog. Waarnemingen van zo'n sterbedekking kunnen namelijk worden gebruikt om de grootte van de ijsdwerg te bepalen. Uit de resultaten van 9 oktober blijkt dat KBO 55636 aanzienlijk kleiner is dan verwacht. Zijn diameter bedraagt slechts 143 kilometer, terwijl eerdere schattingen uitkwamen op 360 tot 700 kilometer. Daaruit kan worden geconcludeerd dat het oppervlak van de ijsdwerg zo wit is als verse sneeuw en ijs. Dat is verrassend, omdat zo'n ijsoppervlak onder invloed van zonnestraling en stofafzettingen in de loop van de tijd heel donker wordt. Vermoed wordt dat KBO 55636 een relatief vers brokstuk is van een aanzienlijk groter Kuipergordelobject dat lang geleden in botsing is gekomen met een soortgenoot.
Meer informatie:
MIT astronomer leads the first team to study a Kuiper Belt object during a stellar occultation

6 mei 2010
Wetenschappers hebben op Antarctica twee minuscule meteorietjes gevonden die aanwijzingen bevatten over de vorming van ons zonnestelsel. De micrometeorieten, beide slechts een fractie van een millimeter groot, zijn opgedoken uit sneeuwlagen die naar schatting 40 tot 55 jaar oud zijn. Het zijn waarschijnlijk de neergedwarrelde restanten van een komeet die ooit in de buurt van de aarde kwam. De flintertjes ruimtepuin zijn rijk aan koolstof en bevatten veel meer deuterium (een vorm van waterstof) dan aards materiaal. Volgens deskundigen komen de aangetroffen koolstofverbindingen doorgaans uit de verre ruimte, waar grote gaswolken samentrekken tot nieuwe sterren. Maar dat kan bij deze micrometeorieten niet het geval zijn: ze bevatten namelijk kleine kristallen, wat erop wijst dat ze in de omgeving van de zon zijn gevormd. Deze bevindingen wijzen erop dat het materiaal van de meteorietjes afkomstig is uit de grote schijf van gas en stof rond de zon waaruit de planeten zijn ontstaan. De verwachting is dat verder onderzoek van Antarctische micrometeorieten uiteindelijk de aanwezigheid van organische materialen op aarde zal kunnen verklaren.
Meer informatie:
Cosmic 'dandruff' may have brought carbon to Earth

4 februari 2010
De dwergplaneet Pluto is een stroopkleurige, vlekkerige ijswereld die seizoensveranderingen ondergaat. Dat blijkt uit de meest gedetailleerde opnamen die ooit van het hemellichaam zijn gemaakt. De foto's, gemaakt met de Hubble-ruimtetelescoop laten zien dat Pluto in korte tijd (de periode 2000-2002) aanzienlijk roder is geworden. Tegelijkertijd werd het door de zon beschenen noordelijke halfrond helderder van tint -waarschijnlijk door de verdamping van oppervlakte-ijs. De Hubble-beelden onderstrepen dat Pluto geen saaie bal van ijs en gesteente is, maar een dynamische wereld die duidelijke atmosferische veranderingen ondergaat. Deze zijn het gevolg van de stand van zijn rotatie-as en de langgerekte vorm van zijn baan om de zon. Dit resulteert in zeer ongelijke seizoenen, waarbij de overgang van winter naar 'zomer' op het noordelijk halfrond veel korter duurt dan op het zuidelijk halfrond. Pluto is dermate ver van ons verwijderd, dat er bijna geen details op zijn oppervlak te zien zijn. En zelfs dát lukt alleen met het nodige kunst- en vliegwerk. Op afzonderlijke Hubble-opnamen is het planeetje namelijk maar een paar pixels groot. Door de beeldgegevens van meerdere opnamen met elkaar te combineren, en computers flink aan het rekenen te zetten, kan een wat gedetailleerde reconstructie van het Pluto-oppervlak worden verkregen. Hierdoor zijn op de nieuwe opnamen 'details' van slechts enkele honderden kilometers groot te zien. Over een jaar of vijf zullen overigens veel betere opnamen van Pluto gepresenteerd kunnen worden. Dan krijgt de dwergplaneet namelijk kortstondig bezoek van de ruimtesonde New Horizons.
Meer informatie:
New Hubble Maps of Pluto Show Surface Changes
Pluto, the Ninth Planet

7 januari 2010
Nieuwe computersimulaties geven een mogelijke verklaring voor het feit dat de bouwstenen voor planeten zoals de aarde niet vroegtijdig op de zon zijn neergestort. Dat is namelijk wat modellen van planeetvorming laten zien. Het bestaan van de aarde bewijst dat deze modellen niet kunnen kloppen. Planeten ontstaan uit condensaties in het gas en stof dat in een schijf rond een pas geboren ster achterblijft. Het materiaal in zo'n schijf klontert geleidelijk samen, wat tot de vorming van zogeheten planetesimalen leidt - de kilometers grote bouwstenen waaruit door onderlinge botsingen uiteindelijk planeten ontstaan. Maar modelberekeningen laten zien dat de planetesimalen zoveel hinder zouden moeten ondervinden van het gas en stof in de protoplanetaire schijf, dat zij in hun baanbeweging worden afgeremd en naar de ster toe spiralen. Volgens sterrenkundigen Mordecai-Mark Mac Low en Sijme-Jan Paardekooper moet de oplossing voor deze paradox worden gezocht bij de temperatuur van de gasschijf. In conventionele modellen zijn de lokale temperaturen in de schijf onveranderlijk. De onvermijdelijke dichtheidsvariaties in de schijf zouden er echter toe leiden dat sommige delen gemakkelijker afkoelen dan andere. De temperatuurverschillen die hierdoor ontstaan hebben grote gevolgen voor de migratie van de planetesimalen. Er ontstaan zelfs zones in de schijf waar de planetoïden een naar buiten gerichte druk ondervinden. Het netto resultaat is dat in de loop van de tijd planeten in banen terechtkomen die ingeklemd zitten tussen gebieden van naar binnen gerichte en naar buiten gerichte migratie. Doordat het materiaal van de schijf geleidelijk verdampt, bewegen ze nog wel een stukje naar de ster toe. Maar op een gegeven moment wordt de gasdichtheid dermate laag dat de planeetbanen niet meer worden beïnvloed. Waar een planeet terechtkomt, zou afhankelijk zijn van zijn massa.
Meer informatie:
How the Earth survived birth

16 december 2009
Met de Hubble-ruimtetelescoop is een nieuw object ontdekt in de Kuipergordel - de brede gordel van ijsachtige hemellichamen buiten de baan van de planeet Neptunus. Met een geschatte afmeting van één kilometer is dit Kuipergordelobject verreweg het kleinste dat tot nog toe is waargenomen (Nature, 17 december). Het ijsdwergje bevindt zich op een afstand van bijna 7 miljard kilometer en is eigenlijk te zwak om door de ruimtetelescoop opgemerkt te worden. Dat dit toch is gelukt, is te danken aan een slimmigheidje. Sterrenkundigen hebben gebruik gemaakt van de drie optische instrumenten die deel uitmaken van het richtsysteem van de ruimtetelescoop. Deze sensoren gebruiken het golfkarakter van licht om metingen te doen van de posities van sterren. Dat gebeurt dermate nauwkeurig dat zelfs hele kleine verstoringen in de lichtgolven worden gedetecteerd, zoals die ontstaan als een object voor een van de sterren langs beweegt. De onderzoekers hebben 4,5 jaar aan gegevens van de richtsensoren doorgespit. En daarbij kwam er dus eentje aan het licht, die overigens van zeer korte duur was: de 'sterbedekking' duurde minder dan een halve seconde
Meer informatie:
Hubble Finds Smallest Kuiper Belt Object Ever Seen

8 oktober 2009
De Europese infraroodkunstmaan Herschel zal de komende maanden metingen verrichten aan honderdveertig ijsdwergen - kleine bevroren hemellichamen in de zogeheten Kuipergordel buiten de baan van Neptunus. Herschel werd afgelopen voorjaar gelanceerd. Het ruimte-observatorium neemt de thermische straling van hemellichamen waar, op lange infrarode golflengten. IJsdwergen zijn overblijfselen uit de ontstaansperiode van ons zonnestelsel. Pluto was in 1930 de eerst ontdekte ijsdwerg; pas in 1992 werd de tweede gevonden. Inmiddels zijn er ruim duizend bekend, waaronder Eris, die zelfs een slag groter is dan Pluto. De meeste bekende ijsdwergen hebben afmetingen van een paar honderd kilometer. Astronomen van het Max-Planck-Instituut voor Zonnestelselonderzoek in Lindau, Duitsland, gaan de komende maanden een groot onderzoeksprogramma beginnen om van honderdveertig ijsdwergen nauwkeurig de middellijn, dichtheid en oppervlaktesamenstelling te bepalen. Daarvoor is in totaal ongeveer vierhonderd uur waarnemingstijd op Herschel vrijgemaakt. Het waarneemprogramma is vandaag gepresenteerd op de 41e bijeenkomst van de Division of Planetary Sciences (DPS) van de American Astronomical Society in Fajardo, Puerto Rico.
Max-Planck-Instituut voor Zonnestelselonderzoek
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

16 september 2009
Een grote donkere vlek op de merkwaardige dwergplaneet Haumea is veel roder van kleur dan zijn omgeving. Dat doet vermoeden dat de vlek rijk is aan mineralen en organische moleculen (verbindingen van koolstof, waterstof, stikstof en zuurstof). Haumea is de op drie na grootste dwergplaneet in de Kuipergordel, een gebied buiten de baan van Neptunus waar veel ijzige hemellichamen voorkomen die dateren uit de ontstaansperiode van het zonnestelsel. De ijsdwerg draait extreem snel om zijn as - eens in de 3,9 uur - waardoor hij de vorm van een rugbybal heeft, met afmetingen van ca. 2000 x 1600 x 1000 kilometer. Uit helderheidsmetingen tijdens de snelle rotatie van Haumea blijkt dat er een grote donkere vlek op het oppervlak moet voorkomen. Nieuwe metingen, verricht op verschillende golflengten, laten nu duidelijk zien dat die vlek een veel rodere kleur heeft dan de rest van het oppervlak. Planeetdeskundigen denken dat Haumea meer dan een miljard jaar geleden in botsing moet zijn gekomen met een andere, kleinere ijsdwerg. Die botsing zou tot de snelle rotatie (en tot de vorming van de twee maantjes van Haumea) hebben geleid. Als de donkere vlek het litteken van die inslag is, zou de rode kleur er mogelijk op kunnen wijzen dat het projectiel rijk was aan organische verbindingen en mineralen. De nieuwe metingen worden vandaag gepresenteerd op het European Planetary Science Congress in Potsdam, Duitsland.
European Planetary Science Congress 2009
Filmpje van de roterende rode vlek op Haumea
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

14 september 2009
Uit de afmetingen, aantallen en verdeling van inslagkraters op de grote planetoïde Vesta en de dwergplaneet Ceres kunnen planeetdeskundigen informatie afleiden over de ontstaansgeschiedenis van de reuzenplaneet Jupiter. De twee planetoïden - rotsachtige hemellichamen tussen de banen van Mars en Jupiter - krijgen in 2011 en 2015 bezoek van de Amerikaanse ruimtesonde Dawn, die Vesta en Ceres gedetailleerd in kaart zal brengen. Computersimulaties van Italiaanse planeetonderzoekers laten zien dat de reuzenplaneet Jupiter tijdens zijn ontstaan verschillende fasen doormaakte, waarbij hij steeds op een andere manier de bewegingen van kleine kometen en planetoïden verstoorde. Die baanverstoringen leiden tot onderlinge botsingen van die kleine hemellichamen. Tijdens de laatste fasen van de geboorte van de reuzenplaneet moeten Vesta en Ceres te lijden hebben gehad onder een hevig bombardement van kleinere brokstukken, aangenomen dat de twee grote planetoïden toen zelf al waren ontstaan. De resultaten van de computersimulaties worden vandaag gepresenteerd op het European Planetary Science Congress in Potsdam, Duitsland.
Meer informatie:
Craters on Vesta and Ceres could hold key to Jupiter's age
European Planetary Science Congress 2009
Dawn
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

16 juni 2009
De gas- en stofwolk waaruit ruim vierenhalf miljard jaar geleden het zonnestelsel is ontstaan, bevatte materiaal dat door een eerdere generatie sterren de ruimte in is geblazen. Deze kosmische kringloop blijkt zich sneller te voltrekken dan tot nu toe werd aangenomen, aldus onderzoekers van de Universiteit van Chicago. Ze bestudeerden tweeëntwintig korrels in de beroemde Murchison-meteoriet, waarvan eerder op basis van een afwijkende chemische samenstelling al was vastgesteld dat ze vóór het ontstaan van de zon en de planeten zijn gevormd. De korrels moeten gecondenseerd zijn in materiaal dat door andere sterren is uitgestoten. Philipp Heck en zijn collega's hebben nu precisiemetingen aan de samenstelling van de korrels verricht, waarbij de hoeveelheid neon werd bepaald. Neon ontstaat onder invloed van kosmische straling. Uit de meetresultaten volgt dat het grootste deel van de korrels minder dan tweehonderd miljoen jaar in de interstellaire ruimte heeft doorgebracht; misschien zelfs niet meer dan enkele tientallen miljoenen jaren. Eerder was op basis van theoretische overwegingen aangenomen dat de 'kringlooptijd' minstens vijfhonderd miljoen jaar zou bedragen.
Meer informatie:
Meteorite grains divulge Earth's cosmic roots
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

16 april 2009
Thales Alenia Space, een gerenommeerd Europees ruimtevaartbedrijf, speelt met de gedachte om de dwergplaneet Ceres met een bezoekje te vereren. Uitgangspunt is een goedkope onbemande ruimtesonde, de Ceres Polar Lander, die gebruik maakt van bestaande technologie die voor andere ruimtevaartprojecten is ontwikkeld. De ruimtesonde zou vier jaar na zijn lancering op zijn bestemming aankomen en dan een kleine landingsmodule moeten afkoppelen die ook een mobiele verkenner bij zich heeft. De onderzoeksmissie zou grotendeels geautomatiseerd moeten verlopen. Gemikt wordt op een landing in de buurt van een van de polen van Ceres, waar de omstandigheden vergelijkbaar (koud) zijn met die op de ijsmanen van Jupiter en Saturnus. De aldus opgedane ervaring kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor landingen op de Jupitermaan Europa en de Saturnusmaan Enceladus. Dwergplaneet Ceres draait tussen de banen van Mars en Jupiter om de zon en zou een ondergrondse oceaan van vloeibaar water kunnen hebben. Sommige wetenschappers achten het mogelijk dat zich daar primitieve organismen bevinden. Overigens is momenteel ook de Amerikaanse ruimtesonde Dawn onderweg naar Ceres (aankomst in 2015), maar deze zal niet naar het oppervlak van de dwergplaneet afdalen.
Meer informatie:
Destination: Ceres!;

13 april 2009
Houdt zich in de buitenwijken van ons zonnestelsel een grote onbekende planeet schuil? En ook nog een (donkere) ster misschien? Deze 'Planeet X' en 'Nemesis' houden de gemoederen al een hele tijd bezig en spelen een hoofdrol in de meest wilde doemscenario's. Maar hoe sterrenkundigen ook hun best hebben gedaan, tot nog toe is geen van beide hypothetische hemellichamen opgespoord. En het is nog maar de vraag of dat ooit nog zal gebeuren. De Italiaanse wetenschapper Lorenzo Iorio heeft, op basis van de baanbewegingen van de bekende planeten in de binnenste delen van ons zonnestelsel, berekend waar we hoe dan ook niet op hoeven te rekenen. Grote hemellichamen oefenen immers een flinke zwaartekracht uit, en de gevolgen daarvan zouden zelfs op grote afstand merkbaar moeten zijn. Uit de berekeningen van Iorio blijkt dat als Planeet X een massa heeft die vergelijkbaar is met die van de planeet Mars, zijn afstand minimaal acht keer zo groot zou moeten zijn als die van de verst bekende planeet (Neptunus). Een nog zwaardere Planeet X zou nog aanzienlijk verder weg zijn. Nemesis moet op een nog veel grotere afstand gezocht worden. Deze hypothetische ster zou zich op een afstand van twee lichtjaar kunnen bevinden, maar alleen als het er eentje van de kleinste soort is (een bruine of rode dwerg). En zelfs in dat geval kan Nemesis waarschijnlijk niet door de zwaartekracht aan onze zon gebonden zijn. Op die grote afstand ondervindt een ster immers evenveel aantrekkingskracht van andere sterren als van onze zon. Kortom: Planeet X en ster Nemesis bevinden zich op veilige afstand van zon en aarde of bestaan gewoon niet.
Meer informatie:
Where is Planet X? Where is Nemesis?

7 april 2009
De maan van de grote, Pluto-achtige ijsdwerg Orcus, die in februari 2004 werd ontdekt door de Californische astronoom Mike Brown, krijgt de naam Vanth. De maan van Orcus, officieel aangeduid als S/1 90482 (2005), werd in november 2005 ontdekt door Brown en zijn collega T.-A. Suer met behulp van de Hubble Space Telescope. Terwijl Orcus - genoemd naar de Etruskische god van de onderwereld - een middellijn van ca. 950 kilometer heeft, is de satelliet ongeveer 250 kilometer groot. Hij beweegt in een kleine, cirkelvormige omloopbaan met een omlooptijd van 10 dagen. Op basis van publiekssuggesties heeft Brown de naam Vanth gekozen voor de maan van Orcus. Vanth (voorgesteld door Sonya Taaffe) was een Etruskische demon die de doden begeleidde naar de onderwereld.
Meer informatie:
Weblog van Mike Brown over de naamgeving
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

5 maart 2009
Bij de speurtocht naar leven elders in het zonnestelsel denk je in eerste instantie aan een planeet als Mars of de Jupitermaan Europa. Maar volgens wetenschapper Joop Houtkooper van de universiteit van Giessen moet ook een ander hemellichaam tot de kandidaten worden gerekend: de dwergplaneet Ceres. Van Ceres is bekend dat zijn mantel waarschijnlijk voor een belangrijk deel uit bevroren water bestaat. Diep onder het oppervlak kan zelfs nog een 'oceaan' van vloeibaar water aanwezig zijn. En volgens Houtkooper is zo'n inwendige oceaan een goede voedingsbodem voor levende organismen. Het is zelfs denkbaar dat Ceres de bron van het leven op aarde is. Dat lijkt vergezocht, maar Houtkooper wijst op het feit dat de meeste hemellichamen in de binnenste delen van ons zonnestelsel in hun begintijd vele malen getroffen zijn door inslaande planetoïden. Dat maakte het ontstaan van leven er niet makkelijker op. Ceres lijkt die periode echter tamelijk ongeschonden te hebben doorstaan. Als ook deze dwergplaneet aan het grote bombardement had blootgestaan, was hij ongetwijfeld al zijn water kwijtgeraakt. Kleine brokstukken van Ceres die daarbij de ruimte in werden geblazen, zouden uiteindelijk primitieve organismen naar de aarde kunnen hebben gebracht. Wellicht dat in 2015, als de Amerikaanse ruimtesonde Dawn bij Ceres aankomt, meer duidelijkheid kan worden verkregen over de levensvatbaarheid van deze kleine wereld.
Meer informatie:
Could Life on Earth Have Come From Ceres?

2 maart 2009
Europese sterrenkundigen hebben met behulp van de Very Large Telescope in Chili de atmosfeer van de dwergplaneet Pluto onderzocht. Daarbij hebben zij onverwacht grote hoeveelheden methaan ontdekt. Bovendien blijkt de atmosfeer van de planeet ongeveer 40 graden warmer te zijn dan het oppervlak. Desondanks blijft de thermometer steken bij 180 graden onder nul. Vermoed wordt dat het methaan de oorzaak is van de waargenomen 'warmte'. Dat Pluto een (ijle) atmosfeer heeft, is al meer dan twintig jaar bekend. Deze bestaat voornamelijk uit stikstof, maar bevat ook sporen van methaan. In perioden dat Pluto relatief dicht bij de zon staat - zoals nu - stijgt de temperatuur aan het oppervlak, waardoor het daar aanwezige bevroren methaan verdampt. Dat verdampingsproces remt de verdere opwarming van het Pluto-oppervlak en zorgt tegelijkertijd voor een stijging van de temperatuur van de atmosfeer.
Meer informatie:
The lower atmosphere of Pluto revealed

30 oktober 2008
Onderzoek van enkele bijzondere meteorieten heeft nieuwe aanwijzingen opgeleverd over het ontstaan van de planeten van ons zonnestelsel. De oude ruimtestenen hebben informatie daarover als een soort harde schijven opgeslagen in hun eigen magnetische velden (Science, 30 oktober). Een en ander blijkt uit bestudering van drie zogeheten angrieten, een zeldzaam soort steenmeteorieten, door wetenschappers van het Massachusetts Institute of Technology. Uit dat onderzoek blijkt dat tijdens de vorming van het zonnestelsel, toen stof en puin in de schijf rond de jonge zon tot steeds grotere brokstukken samenklonterden, zelfs de kleine voorlopers van de planeten - de ruim honderd kilometer grote planetesimalen - groot genoeg waren om helemaal te smelten. Door dat smeltproces trad een scheiding op van zware materialen zoals ijzer, die naar de kern zakten, en lichtere materialen zoals silicaten, die uiteindelijk de korst zouden vormen. Stromingen in het vloeibare ijzer in de kern zorgden voor een dynamo-effect dat een krachtig magnetisch veld deed ontstaan, net zoals dat ook nu nog bij de aarde gebeurt. Restanten van dat magnetische veld zijn terug te vinden in brokstukken van die planetesimalen: de eerder genoemde angrieten. Tot voor kort gingen wetenschappers er nog van uit dat planetesimalen vaste, homogene hemellichamen waren. En dat maakte het lastig om te verklaren hoe meteorieten magnetisch konden zijn.
Meer informatie:
MIT researchers find clues to planets' birth

15 oktober 2008
Dwergplaneet Haumea heeft een schokkend verleden. Overal in de Kuipergordel, de ring van kleine ijsachtige hemellichamen voorbij de baan van Neptunus, worden brokstukken van haar aangetroffen. En haar oppervlak vertoont een donkere, rode vlek die mogelijk door een grote inslag is veroorzaakt. Haumea is een langwerpig hemellichaam, niet veel kleiner dan Pluto, dat in 2005 werd ontdekt. De dwergplaneet heeft twee kleine manen, waarvan wordt aangenomen dat ze miljarden jaren geleden ontstaan zijn na een botsing met een andere bewoner van de Kuipergordel. Maar bij diezelfde botsing zijn nog méér brokstukken vrijgekomen. Vijf daarvan waren al eerder ontdekt, en daar zijn er recent twee bijgekomen. De banen van deze brokstukken vertonen overeenkomsten met die van Haumea, maar de belangrijkste overeenkomst is hun oppervlak, dat uit vrijwel zuiver waterijs bestaat. Verwacht wordt dat er in de toekomst nog veel meer stukjes Haumea worden opgespoord.
Meer informatie:
Dwarf planet's body parts litter outer solar system

14 oktober 2008
In 2001 werd voorbij de baan van Neptunus een klein object gevonden: 2001 QW322. Al kort na die ontdekking bleek dat deze 'ijsdwerg' uit twee afzonderlijke hemellichamen bestaat. Beide ontdekkingen waren niet uniek: ijsdwergen zijn er bij bosjes en zelfs dubbele exemplaren waren al eerder gezien. Maar nader onderzoek leert dat 2001 QW322 zich in één opzicht van alle andere ijsdwergparen onderscheidt: het tweetal vormt het 'wijdste' dubbelsysteem van het zonnestelsel (Science, 16 oktober). De twee ijsdwergen zijn niet veel groter dan een kilometer of vijftig, maar draaien op een afstand van 105.000 tot 135.000 kilometer om elkaar. Eén omloop duurt 25 tot 30 jaar. Een en ander betekent dat de dubbele ijsdwerg maar nét door de zwaartekracht bijeengehouden wordt - een kleine verstoring is voldoende om hun onderlinge relatie te verbreken. Volgens de onderzoekers duidt dat erop dat het paar nog niet zo lang bestaat: ze zouden zijn gevormd na een botsing tussen ijsdwergen die minder dan een miljard jaar geleden heeft plaatsgevonden. Een andere mogelijkheid is dat het tweetal al sinds de begindagen van het zonnestelsel bestaat, maar in de loop van de miljarden jaren door baanverstoringen uiteengedreven is.
Meer informatie:
So Close, Yet So Far Away

3 oktober 2008
De Kuipergordel, buiten de baan van de planeet Neptunus, bevat minder kleine objecten dan tot nu toe werd gedacht. Dat concluderen sterrenkundigen op basis van de eerste twee jaar aan waarnemingsgegevens van de TAOS-survey (Taiwanese-American Occultation Survey). De Kuipergordel bevat ijsdwergen in alle soorten en maten: hele grote, zoals de dwergplaneten Pluto, Eris, Makemake en Haumea, die afmetingen hebben van tweeduizend kilometer of meer, en veel kleinere, die hooguit een paar honderd kilometer in middellijn meten. Nóg kleinere ijsdwergen in de Kuipergordel kunnen vanaf de aarde niet direct worden waargenomen, maar algemeen werd verwacht dat ze enorm veel talrijker zijn dan hun grotere soortgenoten. In dat geval moeten er met gepaste regelmaat kleine ijsdwergen voor ver verwijderde sterren langs bewegen, waardoor er korte bedekkingen optreden. Met de geautomatiseerde telescopen van TAOS is de afgelopen twee jaar naar dat soort kortstondige sterbedekkingen gezocht. In totaal is er tweehonderd uur aan waarnemingsmateriaal verzameld, maar op 1 oktober schrijft het TAOS-team in Atrophysical Journal Letters dat er geen bedekkingen zijn waargenomen. Dat doet vermoeden dat het aantal kleine ijsdwergen, met afmetingen tussen ca. 3 en 30 kilometer, veel kleiner is dan gedacht, mogelijk doordat veel kleine objecten in de begindagen van het zonnestelsel toch al zijn samengevoegd tot grotere hemellichamen. Hoewel de TAOS-resultaten dus eigenlijk negatief zijn, leiden ze toch tot een beter inzicht in de vroege evolutie van het zonnestelsel.
Meer informatie:
Outer solar system not as crowded as astronomers thought
TAOS-survey
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl;

2 oktober 2008
Al decennialang vermoeden wetenschappers dat het zonnestelsel is ontstaan als gevolg van de schokgolf van een ontploffende ster, die een verdichting veroorzaakte in de wolk van gas en stof waaruit vervolgens zon en planeten ontstonden. Maar de gedetailleerde modellen waarmee dit vormingsproces werd nagebootst, bleken tot nu toe alleen te werken als de simplificatie werd ingebouwd dat de temperaturen na deze 'kleine oerknal' min of meer constant bleven. En dat was alleen mogelijk als de schokgolf van de sterexplosie al sterk was afgeremd voordat hij de oerwolk van het zonnestelsel bereikte. Dat leidde echter tot een andere complicatie: als die schokgolf echt zo traag was, zou de oermaterie van het zonnestelsel onvoldoende zijn verrijkt met zware elementen van de ontplofte ster, om de gemeten chemische samenstelling van meteorieten - de oudste brokstukjes in ons zonnestelsel - te kunnen verklaren. Amerikaanse astrofysici hebben nu aangetoond dat het geschetste scenario tot het gewenste resultaat kan leiden als de supernova-explosie wél grote temperatuurverschillen heeft veroorzaakt. De sleutel bleek te liggen bij een verbeterde 'koelwet', die het temperatuurverloop in de wolk oermaterie regisseert. Het nieuwe model laat nu zien dat de temperatuur in de oerwolk aanvankelijk snel tot boven de 700 graden Celsius steeg, maar ook weer snel genoeg daalde om de samentrekking van het gas en stof niet te belemmeren.
Meer informatie:
'Little bang' triggered solar system formation

17 september 2008
Het zonnestelsel telt met ingang van vandaag officieel vijf dwergplaneten: Eris, Pluto, Ceres, Makemake en Haumea. Die laatste naam is gegeven aan de grote ijsdwerg (136108) 2003 EL61, waarvan de ontdekking in de zomer van 2005 bekend werd gemaakt. Haumea is de Hawaïaanse godin van vruchtbaarheid en geboorte. Het ijzige hemellichaam, dat net als Eris, Pluto en Makemake deel uitmaakt van de Kuipergordel buiten de baan van de buitenste planeet Neptunus, heeft een langgerekte vorm als gevolg van zijn snelle rotatie, en meet ongeveer tweeduizend kilometer in middellijn. Er zijn twee kleine maantjes bij ontdekt, die voortaan Hi'iaka en Namaka worden genoemd, naar twee van de vele nakomelingen van Haumea. De naamgeving van de vijfde dwergplaneet is overigens omstreden: de naam werd voorgesteld door het team van de Californische astronoom Mike Brown, dat het object eind 2004 ontdekte, en dat ook de grote ijsdwergen 2003 UB313 (nu Eris geheten) en 2005 FY9 (Makemake) vond. De ontdekking werd op 25 juli 2005 echter voor het eerst officieel gemeld door een Spaans team onder leiding van José-Luis Ortiz, aan wie dus officieel het naamgevingsrecht zou moeten toevallen. Onderzoek heeft indertijd echter uitgewezen dat Ortiz zijn 'ontdekking' pas meldde nadat hij via internet de waarnemingslogboeken van Brown had geraadpleegd. Van de vijf dwergplaneten die het zonnestelsel nu telt is Eris de grootste (ca. 2400 km), Pluto de op een na grootste (ca. 2300 km), en Ceres (ca. 950 km) de kleinste en tevens de enige die zich niet in de Kuipergordel bevindt: Ceres is de grootse planetoïde, tussen de banen van Mars en Jupiter. Dwergplaneten zijn hemellichamen die wel in hydrostatisch evenwicht zijn, wat betekent dat hun vorm bepaald wordt door hun eigen zwaartekracht (doorgaans zijn ze bolvormig), maar die hun baanomgeving delen met een groot aantal soortgenoten.
Meer informatie:
IAU names fifth dwarf planet Haumea
Webpagina over Haumea van Mike Brown
Achtergrondinformatie over de naamgeving
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

4 september 2008
Met de Canada-France-Hawaii Telescope op Mauna Kea is op ruim 52 miljoen kilometer afstand van de zon een ijsdwerg gevonden in een merkwaardige steile, teruglopende baan. IJsdwergen zijn hemellichamen van enkele tientallen of honderden kilometers in middellijn die buiten de baan van Neptunus rond de zon bewegen, in de zogeheten Kuipergordel; de grootste exemplaren zijn Eris en Pluto. De Kuipergordel is een overblijfsel van het ontstaansproces van het zonnestelsel, en is sterk afgeplat: de banen van de ijsdwergen zijn meestal niet meer dan een paar graden geheld ten opzichte van de banen van de planeten. Bovendien draaien alle tot nu toe ontdekte ijsdwergen in dezelfde richting rond de zon als waarin de planeten bewegen. Dat geldt echter niet voor 2008 KV42, die een geschatte middellijn heeft van 50 kilometer. De baanhelling bedraagt 104 graden (de baan staat dus vrijwel loodrecht op het baanvlak van de planeten), en omdat die helling groter is dan 90 graden, beweegt het ijzige hemellichaam in een teruglopende baan om de zon. Volgens teamleider Brett Gladman van de Universiteit van Brits Columbia gaat het om een grote komeet die oorspronkelijk afkomstig is uit de Oortwolk (op veel grotere afstand van de zon), en kan de ontdekking nieuw licht werpen op de manier waarop Oortwolk-kometen evolueren tot relatief kortperiodieke kometen zoals bijvoorbeeld komeet Halley.
Meer informatie:
Astronomers discover missing link for origin of comets
Canada-France Ecliptic Plane Survey
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

18 augustus 2008
Op opnamen van de Sloan Digital Sky Survey is bij toeval een opmerkelijke ijsdwerg ontdekt. Het verre hemellichaam, dat de prozaïsche aanduiding 2006 SQ372 heeft gekregen, bevindt zich nu nog binnen de baan van de planeet Neptunus, maar is bezig om zich van ons te verwijderen. De ijsdwerg volgt een zeer langgerektebaan met een omlooptijd van 22.500 jaar, die hem naar een afstand van 240 miljard kilometer brengt - bijna 1600 maal de afstand zon-aarde. Het enige andere bekende object dat een vergelijkbare baan heeft, is Sedna, maar zelfs die verwijdert zich nooit zo ver van de zon. 2006 SQ372 is overigens maar 100 tot 200 kilometer groot: in zekere zin is het een komeet die nooit dicht genoeg bij de zon komt om een staart te ontwikkelen. Mogelijk is de kleine ijsdwerg/forse komeet afkomstig uit de binnendelen van de zogeheten Oort-wolk - de bolvormige wolk van komeetkernen die het gehele zonnestelsel omhult.
Meer informatie:
See You Again In 22,000 Years

12 augustus 2008
In 2006 bedacht de Internationale Astronomische Unie (IAU) een nieuwe, vrije ingewikkelde definitie voor het begrip 'planeet'. Dat had onder meer tot gevolg dat Pluto werd 'gedegradeerd' tot dwergplaneet. Maar dat is iets wat honderden (veelal Amerikaanse) planeetdeskundigen nog steeds niet kunnen verkroppen. Het zit hen zelfs zó hoog, dat er deze week een driedaagse conferentie over 'Het grote planetendebat' wordt gehouden in het Applied Physics Laboratory van de Johns Hopkins Universiteit. Aan de vooravond van het eigenlijke debat heeft Mark Sykes, directeur van het Planetary Science Institute in Arizona, alvast een schot voor de boeg gegeven. Wat hem betreft moet elk niet-stellaire hemellichaam dat bolvormig is en rond een ster draait gewoon planeet worden genoemd, omdat zulke objecten sterke geofysische overeenkomsten vertonen. Als Sykes en de zijnen uiteindelijk ook de IAU hiervan weet te overtuigen, telt ons zonnestelsel opeens dertien planeten in plaats van acht. Want naast Pluto voldoen ook de dwergplaneten Ceres, Eris en Makemake en Pluto's maan (!) Charon aan zijn definitie. En datzelfde zou natuurlijk ook gelden voor de grote bolvormige hemellichamen die de komende jaren ongetwijfeld nog in de verre buitenwijken van ons zonnestelsel ontdekt gaan worden. Kortom: wordt vervolgd.
Meer informatie:
The Great Planet Debate
PSI Director Promotes 13-Planet Solar System During Great Planet Debate

7 augustus 2008
Bij het opstellen van theorieën over het ontstaan van ons zonnestelsel wordt er vaak van uitgegaan dat ons zonnestelsel in alle opzichten 'gemiddeld' is. Maar nieuw onderzoek door sterrenkundigen van Northwestern University (NU), gebaseerd op de gegevens van planeten bij andere sterren, zet die gedachte op z'n kop. Volgens de onderzoekers is ons zonnestelsel heel bijzonder en had het niet veel gescheeld of ook hier waren nare dingen gebeurd (Science, 8 augustus). De sterrenkundigen van NU zijn de eersten die met computersimulaties de complete ontwikkeling van planetenstelsels hebben uitgeplozen- van het ontstaan van de protoplanetaire schijf tot de vorming van volwaardige planeten. In verreweg de meeste gevallen gaat er van alles mis: de gasschijf waaruit de planeten ontstaan, drijft de planeten-in-wording naar de ster toe, waardoor hun banen steeds dichter bij elkaar komen te liggen. Vervolgens ontstaat er een messcherpe concurrentiestrijd om de beschikbare materie, waardoor planeten van sterk uiteenlopende massaâs ontstaan. Maar daar blijft het niet bij: in veel gevallen ontstaan er resonanties tussen de baanbewegingen van de planeten, waardoor hun banen steeds langgerekter worden. Hierdoor storten sommige planeten neer op de centrale ster, terwijl andere juist uit het planetenstelsel weg worden geslingerd. Een zonnestelsel als het onze ontstaat eigenlijk alleen als de protoplanetaire schijf niet zo veel materie bevat, dat het een chaos van zware reuzenplaneten wordt, en niet zo weinig dat het bij de vorming van één eenzame planeet blijft.
Meer informatie:
We Are Pretty Special: New Computer Simulations Put Solar System In Perspective

16 juli 2008
De categorie van de dwergplaneten zit misschien wel logischer in elkaar dan je op het eerste gezicht zou denken. Dat vindt planeetdeskundige William McKinnon van Washington University tenminste. Volgens hem is het niet ondenkbaar dat het grootste object in de planetoïdengordel tussen de banen van Mars en Jupiter, de dwergplaneet Ceres, een naaste verwant is van de overige dwergplaneten, die de Kuipergordel voorbij de baan van Neptunus bevolken. Ceres zou bij de chaotische toestanden die zich vroeg in de geschiedenis van het zonnestelsel hebben afgespeeld naar zijn huidige locatie zijn 'verhuisd'. Met een gemiddelde diameter van 940 kilometer is Ceres verreweg het grootste hemellichaam in de planetoïdengordel. Maar dat is niet de enige reden waarom McKinnon de dwergplaneet als buitenbeentje beschouwd: ook de samenstelling van Ceres wijkt behoorlijk af van die van andere planetoïden. Met een gemiddelde dichtheid van 2,2 gram per kubieke centimeter - vergelijkbaar met de dichtheden van de Neptunusmaan Triton en de verre dwergplaneet Eris - lijkt Ceres voor zeker een kwart uit bevroren water te bestaan. McKinnon deed zijn theorie uit de doeken tijdens de Asteroids, Comets, Meteors-bijeenkomst, die deze week in Baltimore plaatsvindt.
Meer informatie:
Could Ceres Be A Refugee From The Kuiper Belt?
Programma ACM 2008

13 juli 2008
De Internationale Astronomische Unie heeft 2005 FY9, een lid van de verre Kuipergordel, een officiële naam gegeven: Makemake ('mahkee-mahkee'). De naam is een voorstel van de ontdekkers van het object, dat nu ook officieel een dwergplaneet van het type plutoïde is: Mike Brown, Chad Trujillo en David Rabinowitz. In de mythologie van de bevolking van het eiland Rapa Nui (oftewel Paaseiland - de ontdekking van 2005 FY9 vond kort na Pasen 2005 plaats) is Makemake de schepper van de mensheid en de god van de vruchtbaarheid. Hij wordt afgebeeld als een man met een vogelkop. Makemake is ongeveer een derde kleiner dan Pluto en is na laatstgenoemde de helderste van alle Kuipergordelobjecten. Zijn oppervlak is bedekt met grote hoeveelheden vrijwel zuiver methaanijs. Na Ceres, Pluto en Eris is Makemake de vierde dwergplaneet van ons zonnestelsel.
Meer informatie:
Fourth dwarf planet named Makemake
What's in a name? [part 2]
Distant solar system body named 'Makemake'>

11 juni 2008
De Internationale Astronomische Unie heeft besloten om dwergplaneten zoals Pluto aan te duiden met de term 'plutoïde'. Het besluit komt bijna twee jaar na de 'degradatie' van Pluto van planeet tot dwergplaneet. Plutoïden zijn nu gedefinieerd als om de zon draaiende, (vrijwel) bolvormige hemellichamen, op afstanden groter dan die van de planeet Neptunus, die de omgeving van hun baan niet hebben schoongeveegd. Op dit moment zijn er slechts twee van zulke objecten bekend: Pluto en Eris. Maar de verwachting is dat er nog meer ontdekt zullen worden. De derde dwergplaneet die ons zonnestelsel rijk is, Ceres, krijgt verder geen bijzondere aanduiding: dit object in de zogeheten planetoïdengordel is en blijft de enige in zijn soort.
Meer informatie:
Plutoid chosen as name for Solar System objects like Pluto

12 oktober 2007
Bijna dertig jaar na de ontdekking van de grote maan Charon, heeft sterrenkundige David Tholen van de universiteit van Hawaï op 5 september jl. bijzonder scherpe opnamen van Pluto en zijn manenstelsel gemaakt. Daarbij is gebruik gemaakt van het adaptieve optische systeem van één van de beide Keck-telescopen én van de uitzonderlijk goede atmosferische omstandigheden van die avond. Alles bij elkaar zijn zestien afzonderlijke opnamen gemaakt, die tot één foto zijn gecombineerd. Naast Charon zijn ook de recent ontdekte maantjes Nix en Hydra vastgelegd. De komende tijd hopen sterrenkundigen de beide laatste vaker te fotograferen, om zo hun onderlinge zwaartekrachtsaantrekking – en daarmee hun massa's – te kunnen vaststellen. Tot nog toe is van het tweetal niet veel meer bekend dan dat ze waarschijnlijk kleiner dan honderd kilometer zijn.
Meer informatie:
Sharpest Picture of Pluto System

17 juli 2007
Uit spectra die bij de Gemini-sterrenwacht op Hawaï zijn opgenomen, leiden onderzoekers af dat het ijsoppervlak van de grote Plutomaan Charon zich voortdurend ververst. De Gemini-spectra laten namelijk een vlekkerige verdeling van verse ijskristallen zien. Dat duidt erop dat er ijsfonteinen of 'geisers' op Charon zijn: breuken in de ijskorst waardoor vloeibaar water uit het inwendige naar buiten wordt geperst, om in een nevel van ijskristallen te veranderen. Heel oud kunnen de ijsafzettingen in elk geval niet zijn, omdat ijs onder invloed van de ultraviolette straling van de zon en kosmische straling binnen enkele tienduizenden jaren zijn kristalstructuur kwijtraakt. Waarschijnlijk is het water in de korst van Charon plaatselijk vloeibaar, omdat het is vermengd met ammoniak, dat als een soort antivries werkt, en doordat het wordt verwarmd ten gevolge van het verval van radioactieve materialen.
Meer informatie:
Charon: an ice machine in the ultimate deep freeze

14 juni 2007
Eris, de grote dwergplaneet ver buiten de baan van Neptunus, is 25 procent zwaarder dan Pluto. Dat blijkt uit de baanbeweging van Dysnomia, het kleine maantje van de grote ijsdwerg. De waarnemingen zijn verricht door Mike Brown, die Eris begin 2005 ontdekte op foto's uit oktober 2003, en zijn collega Emily Schaller. Brown ontdekte in september 2005 het maantje van de ijsdwerg. De twee hemellichamen (oorspronkelijk aangeduid met de bijnamen Xena en Gabrielle) kregen vorig najaar hun definitieve naam. Uit Hubble-waarnemingen was al bekend dat Eris zo goed als zeker een slag groter is dan Pluto - de middellijn wordt geschat op 2400 kilometer. De massabepaling is echter veel nauwkeuriger; die volgt direct uit de baanstraal en de omlooptijd van Dysnomia. Nu de massa en de middellijn bekend zijn, kan ook de soortelijke dichtheid van Eris berekend worden: 2,3 gram per kubieke centimeter, iets hoger dan de dichtheid van Pluto. De twee dwergplaneten bestaan dan ook waarschijnlijk voor ca. 70 procent uit gesteenten, en voor de resterende 30 procent uit ijs. De resultaten van Brown en Schaller zijn deze week gepubliceerd in Science.
Meer informatie:
The Dwarf Planet Known as Eris is More Massive than Pluto, New Data Shows
Persbericht Space Telescope Science Institute
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

18 april 2007
Britse wetenschappers bereiden zich voor op het onderzoek van de minuscule inslagkratertjes die de Amerikaanse ruimtesonde Stardust heeft verzameld terwijl hij door interstellaire stofstromen vloog. In de kratertjes moeten de overblijfselen zitten van stofdeeltjes die ouder zijn dan ons zonnestelsel. De interstellaire stofdeeltjes zijn ongeveer tien nanometer groot en daarmee nog kleiner dan de meeste deeltjes die Stardust later oppikte bij zijn tocht door de coma van komeet Wild 2. De ervaring die is opgedaan bij het onderzoek van de kometendeeltjes zal worden gebruikt om de interstellaire deeltjes te analyseren. Met behulp van een bundeltje elektrisch geladen deeltjes worden de restanten van de ingeslagen deeltjes uit de mini-kratertjes getrokken. Deze worden vervolgens met een elektronenmicroscoop bekeken.
Meer informatie:
UK scientists sift superfine Stardust

14 maart 2007
Een van de recent ontdekte objecten in de zogeheten Kuipergordel voorbij de baan van de planeet Neptunus, 2003 EL61, lijkt qua vorm en rotatie nog het meest op een weggeschopte rugbybal. Uit nader onderzoek blijkt bovendien dat er in de omgeving van 2003 EL61 tal van kleinere objecten zijn (waaronder twee manen), die soortgelijke oppervlakte- en baaneigenschappen hebben. Volgens de onderzoekers duidt dit erop dat de verre familie het resultaat is van een grote botsing die 4,5 miljard jaar geleden heeft plaatsgevonden (Nature, 15 maart). Oorspronkelijk zou 2003 EL61 een gewone, bolvormige dwergplaneet ter grootte van Pluto zijn geweest. Door de botsing is het gehavende hemellichaam dermate snel om zijn as gaan tollen, dat hij een langgerekte vorm heeft gekregen. De talrijke fragmenten die bij de botsing zijn losgeslagen zijn deels in de Kuipergordel gebleven, maar vele zijn waarschijnlijk als kometen richting zon (en aarde) gegaan. Dat laatste lot zal de dwergplaneet 2003 EL61 waarschijnlijk óók ondergaan. Zijn baan is namelijk dermate instabiel dat hij over ongeveer een miljard jaar een komeetachtig traject gaat volgen. De superkomeet zal de bekende komeet Hale-Bopp van tien jaar geleden dan met een factor 6000 in helderheid overtreffen.
Meer informatie:
Kuiper-belt Object Was Broken up by Massive Impact 4.5 Billion Years Ago, Study Shows
2003 EL61, the strangest known object in the Kuiper belt

21 september 2006
De dwergplaneet Pluto heeft een zeer ijle dampkring die voornamelijk uit methaan en stikstof bestaat. Alleen wanneer Pluto in zijn excentrische baan dicht bij de zon staat, kunnen methaan en stikstof in de gasvorm voorkomen. Als de dwergplaneet zich weer van de zon verwijdert en afkoelt, zal de dampkring in de vorm van ijskristallen neerslaan op het oppervlak. Onderzoek aan de Pluto-dampkring heeft nu uitgewezen dat die afkoeling nog steeds niet is begonnen, ook al verwijdert Pluto zich sinds 1989 van de zon. Hij ontvangt zes procent minder zonnewarmte dan in 1989, maar dat heeft nog geen effect op de dampkring als gevolg van 'thermische traagheid'. Ook is ontdekt dat er methaan is opgelost in het stikstofijs aan het Pluto-oppervlak, en dat zal er naar verwachting toe leiden dat het afkoelen en neerslaan van de ijle dampkring straks zeer snel zal gebeuren, ook al weet niemand precies wanneer. De nieuwe resultaten zijn verkregen uit onderzoek aan een sterbedekking door Pluto: door metingen te verrichten aan het licht van de verre ster terwijl dat door de Pluto-dampkring heen scheen, kon informatie worden afgeleid over de opbouw en de eigenschappen van de atmosfeer.
Meer informatie:
Does Pluto’s atmosphere go through the fast-freeze?
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

14 september 2006
De Internationale Astronomische Unie heeft de dwergplaneet 2003 UB313 een officiële naam gegeven. De verre soortgenoot van Pluto heet nu voluit 136199 Eris; het nummer verwijst naar de lijst van kleine objecten waar de dwergplaneet sinds kort op staat. Eerder werd het in januari 2005 ontdekte object ook wel ‘Lila’ of ‘Xena’ genoemd, maar het was van het begin af aan duidelijk dat geen van beide namen de definitieve zou worden. De naam Eris, die is voorgedragen door haar ontdekker Mike Brown, verwijst naar de Griekse godin van de twist, wat heel toepasselijk is, gezien de recente discussie over de status van de dwergplaneten. Tegelijkertijd is ook de maan van 2003 UB313 van een naam voorzien: Dysnomia ('wetteloosheid'), naar de dochter van Eris.
Meer informatie:
IAU names dwarf planet Eris
Wikipedia

7 september 2006
Hoewel er nog steeds petities worden opgesteld om de Internationale Astronomische Unie op andere gedachten te brengen, wordt de ‘degradatie’ van Pluto steeds meer geformaliseerd. Zoals bekend, is er een nieuwe categorie van dwergplaneten bedacht, waartoe naast Pluto in elk geval ook Ceres en de ‘ijsdwerg’ 2003 UB313 behoren. Omdat Ceres al op de planetoïdenlijst stond (als nummer 1), heeft het Minor Planet Center besloten om volledigheidshalve ook Pluto en 2003 UB313 ‘planetoïdennummers’ toe te kennen: 134340 en 136199. De kans is overigens groot dat ook enkele andere ijsdwergen die nu in de lijst zijn opgenomen straks het stempel ‘dwergplaneet’ opgedrukt krijgen.
Meer informatie:
MPEC 2006-R19 : Editorial Notice
Pluto Petition

31 augustus 2006
Het zal niemand verbazen dat de recente beslissing van de Internationale Astronomische Unie om Pluto van zijn planetenvoetstuk te stoten, niet bij iedereen in goede aarde is gevallen. Met name (de veelal Amerikaanse) onderzoekers die betrokken zijn bij het onderzoek naar ijsdwergen en bij het New Horizons-project (de ruimtesonde die onderweg is naar Pluto) roeren zich danig. Zij beklagen zich erover dat slechts 428 van de bijna tienduizend leden van de IAU bij de stemming over het uiteindelijke voorstel aanwezig waren en dat de gemeenschap van planeetdeskundigen nauwelijks bij de besluitvoering betrokken is geweest. De critici hebben petitie opgesteld, ondertekend door 300 planeetonderzoekers, waarin zij de IAU oproepen om een ‘betere’ definitie van het begrip ‘planeet’ op te stellen. De opstellers geven aan de huidige definitie te negeren en blijven Pluto dus gewoon planeet noemen.
Meer informatie:
CSEPR examines movement to set aside IAU planet definition ruling
Planetary scientists and astronomers oppose new planet definition

24 augustus 2006
Het zonnestelsel heeft acht planeten in plaats van negen. De kleine, verre ijswereld Pluto is sinds donderdagmiddag niet langer een planeet, maar een 'dwergplaneet'. Dat is de uitkomst van de stemming over een nieuwe planeetdefinitie die donderdagmiddag werd gehouden in Praag, tijdens de slotbijeenkomst van de algemene vergadering van de Internationale Astronomische Unie (IAU). De aanwezige astronomen hebben met nadruk te kennen gegeven dat een dwergplaneet geen planeet is. Voortaan moeten we het dus doen met acht planeten (Mercurius, Venus, de aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus), en met minstens drie dwergplaneten (de planetoide Ceres, deex-planeet Pluto, en de grote ijsdwerg 2003 UB313 (bijgenaamd Xena), die vorig jaar gevonden werd buiten de baan van Pluto en die zelfs een slag groter is. In de nabije toekomst komen er ongetwijfeld nog vele nieuwe dwergplaneten bij. De uiitkomst van de stemming wijkt sterk af van het oorspronkelijke 'twaalf-planetenvoorstel' dat op 16 augustus gepresenteerde was door een speciale IAU-commissie die belast was met het opstellen van een definitie van de term 'planeet'.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Engelstalig)
Persbericht California Institute of Technology
Persbericht Johns Hopkins University
Achtergrondartikel Jet Propulsion Laboratory
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

16 augustus 2006
Twee jaar lang hebben sterrenkundigen van de Internationale Astronomische Unie gezocht naar goede definities om de hemellichamen van ons zonnestelsel te classificeren. Dat was nodig geworden, omdat er nogal wat verwarring was ontstaan over de status van de planeet Pluto en de andere grote objecten die voorbij de baan van Neptunus zijn aangetroffen. Vandaag is het resultaat van alle discussies bekendgemaakt: volgens het slotvoorstel – dat op 24 augustus in stemming wordt gebracht – telt het zonnestelsel voortaan niet acht, niet negen, maar (minstens) twaalf planeten. Hiertoe behoren de acht grote planeten, het grootste lid van de planetoïdengordel (Ceres) en drie zogeheten ‘plutonen’: Pluto, Charon (!) en de nog naamloze ‘ijsdwerg’ 2003 UB313. Dat is een direct gevolg van de nieuwe definitie van ‘planeet’ die voortaan gehanteerd zal worden: ‘Een hemellichaam dat (a) zo veel massa heeft dat het onder invloed van zijn eigen zwaartekracht (vrijwel) bolvormig is geworden, en (b) om een ster draait en zelf geen ster of planeetmaan is.’ Aan het eerste criterium is ruwweg voldaan als een hemellichaam groter dan 800 kilometer is, maar dat is geen scherpe grens. Bij het tweede criterium moet worden aangetekend dat een hemellichaam dat om een planeet draait alleen dan een maan wordt genoemd, als het gezamenlijke zwaartepunt van planeet en maan binnen de planeet ligt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het aarde-maanstelsel, maar niet bij Pluto en Charon. Daardoor promoveert Charon automatisch van ‘maan’ tot ‘planeet’ en wordt het Pluto-Charon-systeem voortaan als dubbelplaneet beschouwd. Ook de aanduiding ‘pluton’ is gedefinieerd. Deze term is gereserveerd voor hemellichamen die aan het planetencriterium voldoen en een omlooptijd van meer dan 200 jaar hebben. Het betreft dus de grootste van de zogeheten ‘ijsdwergen’, die zich voorbij de baan van de planeet Neptunus bevinden. En dat betekent dat er de komende jaren nog wel meer ‘planeetbenoemingen’ zullen volgen.
Meer informatie:
The IAU draft definition of "planet" and "plutons"
Meer planeten in zonnestelsel

10 augustus 2006
In de buitenwijken van ons zonnestelsel, voorbij de baan van de planeet Neptunus, wemelt het waarschijnlijk van de kleine, ijsachtige planetoïden, die kortweg wel ijsdwergen worden genoemd. Met gewone telescoopwaarnemingen zijn er ongeveer duizend opgespoord, maar de meeste zijn onwaarneembaar klein – althans dat dácht men. Onderzoekers van de Tsing Hua-universiteit in Taiwan en de universiteit van Californië in Irvine (Californië) denken nu 58 kleine ijsdwergen te hebben opgespoord (Nature, 10 augustus). Dat concluderen zij uit waarnemingen van de röntgenstraling van de ster Scorpius X-1. De Amerikaanse satelliet Rossi X-Ray Timing Explorer heeft namelijk kortstondige dipjes waargenomen in de röntgenintensiteit van deze ster. Zo’n dipje zou worden veroorzaakt doordat tijdens de waarneming een ijsdwerg voor de ster langs beweegt. Uit de duur van de ‘verduisteringen’ (enkele milliseconden) kan worden afgeleid dat de bedekkende ijsdwergen ongeveer honderd meter groot zijn.

22 juni 2006
De  Internationale Astronomische Unie heeft de twee nieuwe Plutomaantjes die eerder dit jaar ontdekt zijn van officiële namen voorzien. Het tweetal gaat nu door het leven als Hydra en Nix. De naamgeving van de laatste gaf een kleine complicatie: eigenlijk wilde men het maantje Nyx noemen, naar de Griekse godin van de nacht en moeder van Charon (waar de eerste Plutomaan naar genoemd is), maar er was al een planetoïde met die naam. Daarom is gekozen voor het Egyptische equivalent, dat met een ‘i’ wordt gespeld. Hydra is vernoemd naar het negenkoppige monster uit de Griekse mythologie; de beginletter is een eerbetoon aan de Hubble-ruimtetelescoop, het instrument waarmee het maantje ontdekt is. Naar verwachting zullen alledrie de Plutomanen in 2015 van dichtbij worden bekeken door onlangs gelanceerde ruimtesonde New Horizons.
Meer informatie: http://www.swri.org/9what/releases/2006/NixHydra.htm

11 april 2006
De 'tiende planeet', waarvan de ontdekking vorige zomer bekend werd gemaakt, is slechts een tikje groter dan Pluto. Dat blijkt uit opnamen die eind 2005 zijn gemaakt met de Hubble Space Telescope. Eerder meenden sterrenkundigen dat het object (officieel 2003 UB313 geheten) fors groter is dan Pluto. Daarbij baseerde men zich onder andere op infraroodwaarnemingen. Op de Hubble-foto's is de middellijn van 2003 UB313 echter direct te meten. De ijsdwerg, die deel uitmaakt van de zogeheten Kuipergordel, blijkt een middellijn te hebben van ca. 2400 kilometer; Pluto's middellijn bedraagt ca. 2300 kilometer. In elk geval staat nu definitief vast dat 2003 UB313 (in de wandelgangen ook wel aangeduid met de tijdelijke bijnaam Xena) groter is dan Pluto. Volgens ontdekker Mike Brown moet het object dan ook echt beschouwd worden als de tiende planeet. Een speciale commissie van de Internationale Astronomische Unie buigt zich momenteel echter over een sluitende definitie van het begrip 'planeet'; in september 2006 hoopt men eruit te zijn.
Meer informatie:
Hubble finds that the 'tenth planet' is slightly larger than Pluto
Pagina over 2003 UB313 van ontdekker Mike Brown
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

10 maart 2006
Nieuwe opnamen die met de Hubble-ruimtetelescoop zijn gemaakt, duiden erop dat de drie manen van Pluto dezelfde kleur hebben. Dat bevestigt de heersende theorie dat het manenstelsel van de verre planeet het resultaat is van één en dezelfde grote inslag. In tegenstelling tot Pluto zelf, die een enigszins rode tint heeft, zijn Charon en de beide kleine manen P1 en P2 neutraal van kleur. Volgens de onderzoekers kan het bijna niet anders of het drietal is ontstaan uit het puin dat werd opgeworpen nadat Pluto getroffen was door een soortgenoot van vergelijkbare afmetingen.
Meer informatie:
http://www.jhuapl.edu/newscenter/pressreleases/2006/060310.as

22 februari 2006
Nieuwe Hubble-opnamen bevestigen dat de planeet Pluto ten minste drie manen heeft. En volgens Amerikaanse sterrenkundigen is dit drietal ontstaan uit het puin dat is vrijgekomen bij één en dezelfde grote inslag op Pluto. Dat laatste leiden zij af uit het feit dat de kleine maantjes, die voorlopig kortweg P1 en P2 worden genoemd, in cirkelbanen om de planeet draaien die in hetzelfde vlak liggen als de baan van Charon. Bovendien lijkt er sprake te zijn van baanresonantie: in de tijd dat Charon twaalf keer om Pluto is gedraaid, heeft P1 twee rondjes voltooid en P2 drie. Deze baankenmerken zouden niet tot stand zijn gekomen als P1 en P2 door Pluto ingevangen objecten waren. De onderzoekers houden trouwens de intrigerende mogelijkheid open dat er nog meer om de planeet draait. Omdat P1 en P2 zo klein zijn, kan stof dat bij kleine inslagen wordt opgeworpen gemakkelijk aan de zwaartekracht van de maantjes ontsnappen. Zulk stof ontkomt echter niet aan de zwaartekrachtsgreep van Pluto zelf en zou ijle stofringen kunnen vormen.
Meer informatie:
http://hubblesite.org/newscenter/newsdesk/archive/releases/2006/09/
http://www.jhuapl.edu/newscenter/pressreleases/2006/060222.asp
http://www.swri.org/9what/releases/2006/pluto.htm

4 januari 2006
Op 11 juli 2005 bedekte de Pluto-maan Charon een onbeduidend sterretje. Het bijzondere aan deze sterbedekking was dat hij onder meer waarneembaar was met de Europese Very Large Telescope in Chili. Hierdoor kon de bedekking zeer nauwkeurig worden waargenomen en de diameter van Charon nauwkeuriger dan voorheen worden bepaald: 1207 kilometer met een nauwkeurigheid van een kilometer of tien. Daaruit volgt een gemiddelde dichtheid van 1,71 maal die van water, wat er op duidt dat Charon ongeveer half om half uit gesteenten en ijs bestaat. Ook blijkt de maan een atmosfeer te hebben, die echter honderd keer zo ijl is als de toch al ijle Pluto-atmosfeer.
Meer informatie:
http://www.eso.org/outreach/press-rel/pr-2006/pr-02-06.html
http://www.williams.edu/admin/news/releases.php?id=1106
Nature, 5 januari 2006

3 januari 2006
Amerikaanse onderzoekers hebben vastgesteld dat de planeet Pluto kouder is dan je op grond van zijn afstand tot de zon zou mogen verwachten. Het meten van deze temperatuur was niet eenvoudig, omdat de telescopen waarmee dat mogelijk is Pluto en zijn relatief grote maan Charon tot nog toe als één object zagen. Met de nieuwe SubMillimeter Array op Hawaï is nu de temperatuur van de beide objecten afzonderlijk gemeten. Daarbij is gebleken dat Pluto zelfs tien graden kouder is dan zijn eigen maan: 230 graden onder nul. De oorzaak van de extra afkoeling is de verdamping van het stikstofijs aan het oppervlak van de planeet, waar het momenteel nog ‘zomer’ is. Een deel van de zonne-energie die Pluto bereikt wordt nu niet gebruikt om het oppervlak op te warmen, maar om stikstofijs in gas om te zetten.
Meer informatie: http://www.cfa.harvard.edu/press/pr0601.html

13 december 2005
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft wederom een opmerkelijk object ontdekt in de verre Kuipergordel. Het object – dat de officiële aanduiding 2004 XR190 draagt, maar ook wel ‘Buffy’ wordt genoemd – bevindt zich op ongeveer tweemaal zo grote afstand tot de zon als Neptunus en is ongeveer half zo groot als Pluto. Het bijzondere aan de kleine ‘planeet’ is de vrijwel cirkelvormige baan ervan, die hem nooit dichter dan 50 astronomische eenheden van de zon brengt. Daarmee bevindt hij zich aan de (theoretische rand) van de Kuipergordel. Een andere bijzonderheid is de zeer schuine stand van zijn baan, die een hoek van maar liefst 47 graden met de meeste andere planeetbanen maakt.
Meer informatie: http://www.cfeps.astrosci.ca/4b7/index.html

31 oktober 2005
Met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop zijn mogelijk twee nieuwe manen bij Pluto ontdekt. Daarmee zou deze het eerste object in de Kuipergordel zijn dat meer dan één maan heeft. De eerste Plutomaan, Charon, werd al in 1978 ontdekt. De twee kandidaat-maantjes bevinden zich twee tot drie keer zo ver van hun moederplaneet en zijn waarschijnlijk ongeveer 150 kilometer groot' duidelijk kleiner dan Charon dus. Of het ook echt objecten zijn die om Pluto draaien, zal pas in februari komen vast te staan, als de ruimtetelescoop opnieuw waarnemingen zal doen.
Meer informatie:
http://hubblesite.org/newscenter/newsdesk/archive/releases/2005/19/full/
http://www.boulder.swri.edu/plutomoons/
http://science.nasa.gov/headlines/y2005/01nov_moonsofpluto.htm?list133910

2 oktober 2005
De ‘tiende planeet’' de verre planetoïde 2003 UB313' heeft een maan. De begeleider, die in enkele weken om de planeet draait en waarschijnlijk slechts enkele honderden kilometers groot is, is ontdekt met de 10-m Keck-telescoop op Hawaï. Verdere waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop, die voor november en december gepland staan, moeten uitwijzen welke baan het maantje precies volgt. Het zal dan ook mogelijk zijn de massa van 2003 UB313 te bepalen.
Meer informatie:
http://www.gps.caltech.edu/~mbrown/planetlila/
http://www2.keck.hawaii.edu/news/science/051003_gabrielle/index.html

8 september 2005
Binnenkort hopen sterrenkundigen meer te weten over de afmetingen van de drie ijsdwergen, waarvan het bestaan afgelopen zomer bekend werd gemaakt. Vast staat al wel dat de drie objecten ongeveer zo groot zijn als Pluto of groter en in langgerekte elliptische banen om de zon bewegen, die schuin op het vlak van de planeten staan. Uit deze baaneigenschappen leiden de onderzoekers af dat de ijsdwergen dichter bij de zon zijn ontstaan, maar door de zwaartekrachtswerking van de reuzenplaneten naar hun huidige banen zijn verbannen. Het wachten is nu op de resultaten van het onderzoek met de infraroodsatelliet Spitzer en de Spaanse IRAM-telescoop. Deze resultaten zullen een bovengrens opleggen aan de afmetingen van het drietal.
Meer informatie: http://pr.caltech.edu/media/Press_Releases/PR12734.html

7 september 2005
Hubble-waarnemingen van Ceres, de grootste planetoïde in de planetoïdengordel tussen Mars en Jupiter, duiden erop dat dit 930 kilometer grote hemellichaam een aantal planeetachtige kenmerken heeft. Onder zijn oppervlak zouden zelfs grote hoeveelheden bevroren water schuilgaan. Dat laatste leidt men af uit het feit dat de dichtheid van Ceres gering is en er aan zijn oppervlak waterhoudende mineralen te vinden zijn.
Meer informatie:
http://hubblesite.org/newscenter/newsdesk/archive/releases/2005/27/text/
Nature, 8 september 2005

29 juli 2005
Het lijkt erop dat er in de Kuipergordel niet 1, niet 2, maar 3 nieuwe objecten zijn ontdekt die de ‘planeet’ Pluto naar de kroon steken. De eerste heeft de aanduiding 2003 EL61 en bevindt zich momenteel op een afstand van ruim 51 astronomische eenheden. Desondanks is zijn helderheid van magnitude 17,6. Dat laatste duidt erop dat hij forse afmetingen heeft. Maar omdat er ook een maan bij het object is waargenomen, kon zijn massa al nauwkeurig worden bepaald: deze is drie keer zo klein als die van Pluto, wat erop duidt dat zijn afmetingen een stuk kleiner zijn. Het tweede object, 2003 UB313, bevindt zich op 97 astronomische eenheden en is vrijwel zeker groter (!) dan Pluto. Nummer drie, 2005 FY9, bevindt zich op 52 astronomische eenheden en zit qua grootte waarschijnlijk tussen de beide andere in.
Meer informatie:
http://www.nasa.gov/vision/universe/solarsystem/newplanet-072905.html
http://www.gps.caltech.edu/~mbrown/2003EL61/
http://hohmanntransfer.com/mn/0507/stak3.htm

20 juli 2005
Amerikaanse onderzoekers hebben in de nacht van 10 op 11 juli een bijzonder zeldzame bedekking waargenomen: die van een ster door de Plutomaan Charon. Naar verwachting zal dat nieuwe informatie opleveren over de vorm en grootte van deze maan en de eventuele aanwezigheid van een atmosfeer. De resultaten van het onderzoek zullen in september worden bekendgemaakt.
Meer informatie: http://web.mit.edu/newsoffice/2005/charon.html

25 mei 2005
Zoals bekend zijn aan de voorkant van de maan talrijke donkere vlekken te zien: de ‘maanzeeën’. Ze bevatten geen water, maar gestolde lava en zijn naar schatting 700 miljoen jaar na de vorming van het aarde-maanstelsel ontstaan. Dat duidt erop dat er rond die tijd een zwaar ‘bombardement’ van planetesimalen (planetaire bouwstenen) heeft plaatsgevonden. Maar hoe kwam dat?
Amerikaanse en Europese onderzoekers doen deze week in Nature de boel uit de doeken. Zij zoeken de oorzaak bij de reuzenplaneten, waarvan de banen kort na het ontstaan van het zonnestelsel veel dichter bij elkaar zouden hebben gelegen dan nu het geval is. Uit een computermodel blijkt dat deze planeten veel planetaire planetesimalen uit hun omgeving hebben weggeslingerd, en daardoor geleidelijk van baan veranderden: Jupiter schoof op in de richting van de zon, terwijl de andere drie juist van de zon weg bewogen. Het was een traag proces dat vele miljoenen jaren duurde. Maar na ongeveer 700 miljoen jaar ontstond de bijzondere situatie dat de omlooptijd van Saturnus precies tweemaal die van Jupiter was. Door deze ‘baanresonantie’ werden de banen van zowel Jupiter als Saturnus meer elliptisch en tegelijkertijd werden de banen van Uranus en Neptunus heel chaotisch.
Het zou deze laatste ontwikkeling zijn geweest die tot een grote verstrooiing van planetesimalen heeft geleid. Computersimulaties laten zien dat aarde en maan daarbij flink werd bekogeld. Tegelijkertijd zorgde de interacties met de planetesimalen ervoor dat de banen van Uranus en Neptunus stabiliseerden.
Meer informatie:
http://www.swri.org/9what/releases/2005/Spots.htm
Nature, 26 mei 2005

5 april 2005
Amerikaanse sterrenkundigen hebben het raadsel van de ‘ontbrekende’ maan van de verre planetoïde Sedna waarschijnlijk opgelost. Sedna leek veel langzamer om zijn as te draaien dan vergelijkbare objecten en vaak wordt zo’n trage rotatie veroorzaakt doordat het object wordt afgeremd door de getijdenwerking van een (forse) maan. Maar uit nader onderzoek is nu gebleken dat Sedna toch veel sneller om zijn as draait: eenmaal per 10 uur in plaats van eenmaal per 20 dagen. Tijdens zijn aswenteling vertoont de planetoïde minieme helderheidsvariaties die zich niet gemakkelijk laten interpreteren. Ook nu nog is de onzekerheid in de gemeten rotatie groot.
Meer informatie: http://www.cfa.harvard.edu/press/pr0510.html

27 januari 2005
Pluto is misschien betrokken geweest bij een botsing met een object dat net zo groot was als hijzelf. Dat zeggen Amerikaanse sterrenkundigen die onderzoek hebben gedaan naar het mogelijke ontstaan van het Pluto-Charon-stelsel. Pluto en zijn maan Charon vertonen op het eerste gezicht sterke overeenkomsten met het aarde-maanstelsel. De meest recente theorie over het ontstaan van de maan gaat ervan uit dat deze is ontstaan na een schampende inslag op aarde van een object ter grootte van de planeet Mars. Uit het recente onderzoek blijkt dat de eigenschappen van het Pluto-Charon-stelsel op vergelijkbare manier verklaard kunnen worden. Er is één belangrijk verschil: Charon is relatief groter dan onze maan en er moet dus een (relatief) grotere inslag hebben plaatsgevonden.
Een ‘filmpje’ van het mogelijke ontstaan van Charon is te zien op: http://www.swri.org/press/plutocharon.htm

18 januari 2005
Nader onderzoek duidt erop dat de verre ijsdwerg Sedna mogelijk toch in de verre buitenwijken van ons zonnestelsel is ontstaan. Aanvankelijk gingen onderzoekers ervan uit dat Sedna dichterbij de zon was gevormd en later naar zijn huidige positie was verbannen. Maar daarbij ging men ervan uit dat de protoplanetaire schijf rond de zon vrij klein was. Computersimulaties laten nu zien dat als deze schijf bijvoorbeeld zo omvangrijk was als die van de ster Beta Pictoris (1500 AE), er op 75 tot 500 AE van de zon gemakkelijk objecten ter grootte van Sedna konden ontstaan. Als deze simulaties een goede afspiegeling zijn van de werkelijkheid, zou dat betekenen dat de Kuipergordel van planetoïden zich tot op veel grotere afstand van de zon voortzet dan men dacht.
Meer informatie: http://www.swri.org/9what/releases/2005/Sedna.htm

9 december 2004
Quaoar is (na Pluto) het grootste object in de Kuipergordel' de zone voorbij de baan van de planeet Neptunus waar zich veel ijsachtige restanten van de vorming van ons zonnestelsel bevinden. Uit recente infraroodmetingen is gebleken dat er aan het oppervlak van deze ‘ijsdwerg’ kristallen van waterijs liggen. Dat is opmerkelijk, omdat zulke kristallen alleen kunnen ontstaan bij een temperatuur die hoger ligt dan 163 graden onder nul. Gezien zijn grote afstand tot de zon zou het op Quaoar echter kouder dan 200 graden onder nul moeten zijn. Waar de extra warmte vandaan komt is nog niet duidelijk: gedacht wordt aan inslagen van kleinere objecten of aan verval van radioactieve elementen in het inwendige van de ijsdwerg.
Meer informatie: http://www.ifa.hawaii.edu/faculty/jewitt/quaoar.html

2 december 2004
Uit computersimulaties blijkt dat ons zonnestelsel ongeveer vier miljard jaar geleden mogelijk door een andere ster is genaderd. Dat zou althans een aantal eigenschappen van het huidige zonnestelsel, zoals de scherpe begrenzing ervan, kunnen verklaren. Met behulp van het computermodel hebben de onderzoekers nagebootst wat er zou gebeuren als een zonachtige ster die omcirkeld wordt door stof, gas en planeten-in-wording op 20 tot 30 miljard kilometer door een soortgenoot wordt gepasseerd. Dat zou de nodige commotie in de planetaire schijven van beide sterren veroorzaken, waarbij zelfs objecten van het ene stelsel naar het andere konden ‘overlopen’. Dat laatste zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn met de planetoïde Sedna, die zich ver buiten de rest van het zonnestelsel begeeft.
Meer informatie:
http://www.utah.edu/unews/releases/04/dec/starencounter.html
http://www.cfa.harvard.edu/press/pr0434.html

27 november 2004
In de Kuipergordel, het gebied voorbij de baan van de planeet Neptunus, is een mogelijke dubbelplanetoïde opgespoord. Het object, 2001 QG298, vertoont regelmatige helderheidsveranderingen met een periode van bijna 7 uur, die erop duiden dat het de vorm heeft van een ongepelde pinda. De onderzoekers denken dat de 180 kilometer lange planetoïde in werkelijkheid uit twee stukken bestaat die op zeer geringe afstand om elkaar draaien. Daarmee zou 2001 QG298 de derde dubbelplanetoïde van deze omvang zijn.
Meer informatie: http://skyandtelescope.com/news/article_1394_1.asp

10 november 2004
Het begint erop te lijken dat de Kuipergordelobjecten die de afgelopen jaren zijn ontdekt minder groot zijn dan men dacht. Voorbij de baan van Neptunus bevinden zich naar schatting 10.000 ijsachtige planetoïden groter dan honderd kilometer (‘ijsdwergen’), waarvan er tot nu toe bijna duizend ontdekt zijn. Enkele daarvan zouden meer dan duizend kilometer groot zijn, maar dat is in de meeste gevallen slechts een schatting, gebaseerd op de veronderstelling dat deze objecten' net als kometen' een donker oppervlak hebben, dat slechts vier procent van het opvallende zonlicht weerkaatst. Onderzoekers hebben nu echter met behulp van de infraroodsatelliet Spitzer vastgesteld dat het lichtweerkaatsend vermogen van het Kuipergordelobject 2002 AW197 maar liefst 18 procent bedraagt. Daarmee zakt zijn geschatte diameter naar 700 kilometer: dat is een kwart minder dan eerdere metingen aangaven.
Meer informatie: http://uanews.org

14 april 2004
Met de Hubble-ruimtetelescoop zijn opnamen gemaakt van Sedna, het grote Kuipergordelobject waarvan de ontdekking een maand geleden bekend werd gemaakt. Sedna blijkt geen maan te hebben, zoals Pluto. Dat is enigszins verrassend, omdat hij zeer traag roteert (‘eenzame’ objecten draaien gewoonlijk heel snel om hun as). Aangenomen werd dat de rotatietijd van 40 dagen (!) een gevolg was van de getijdenwerking van een maan. Uit de opnamen blijkt verder dat Sedna hooguit 1600 km groot is.
Meer informatie: http://hubblesite.org/news/2004/14

15 maart 2004
Sterrenkundigen hebben een nieuw object in de buitenwijken van ons zonnestelsel ontdekt. Sommige berichten spreken van de “tiende planeet”, maar dan zou het eerder planeet 500-nogwat zijn. Voorbij de baan van Neptunus zijn de afgelopen jaren immers tal van objecten ontdekt, die deel uitmaken van de zogeheten Kuipergordel. Het nieuwe object, dat de naam Sedna heeft gekregen, is wel een bijzonder geval: het is verder van zon (en aarde) verwijderd dan al zijn soortgenoten. Zijn huidige afstand bedraagt een slordige 13 miljard kilometer' drie keer de afstand zon-Pluto' maar de langgerekte baan die Sedna volgt heeft een verste punt dat nog eens tien maal verder weg ligt. Deze grote afstand kan erop duiden dat Sedna niet bij de Kuipergordel hoort, maar bij de voortzetting daarvan: de Oortwolk. Dat het object desondanks met een kleine 1-meter telescoop ontdekt kon worden, geeft al aan dat het een fors exemplaar betreft. De geschatte middellijn bedraagt (hooguit) 2000 kilometer.
Meer informatie:
http://www.spitzer.caltech.edu/Media/releases/ssc2004-05
http://www.nasa.gov/vision/universe/solarsystem/planet_like_body.html

20 februari 2004
Sterrenkundigen hebben een nieuw groot object gevonden in de Kuipergordel' het gebied voorbij de baan van Neptunus. Het object, 2004 DW, bevindt zich op ongeveer 7 miljard kilometer van de aarde en is naar schatting 1400 kilometer groot. Omdat er nog geen opnamen van het object zijn gevonden, kan zijn exacte baan nog niet goed worden vastgesteld. Wel is al duidelijk dat de baan een flinke hoek met de ecliptica maakt, net als de baan van Pluto.
Meer informatie: http://pr.caltech.edu/media/Press_Releases/PR12495.html

26 november 2003
Franse en Amerikaanse onderzoekers denken een oplossing te hebben gevonden voor een van de onverklaarde aspecten van de Kuipergordel, het gebied voorbij de baan van Neptunus waar zich tal van ijzige planetoïden bevinden. Deze objecten hebben afmetingen tot iets van duizend kilometer, maar de vraag is hoe ze ontstaan zijn: de Kuipergordel is namelijk veel te ‘leeg’ om de vorming van zulk grote objecten mogelijk te maken. Volgens de onderzoekers zijn alle objecten in het zonnestelsel echter binnen de baan van Neptunus ontstaan en zijn de Kuipergordelobjecten pas tegen het einde van planeetvormingsfase naar de donkere buitenwijken opgeschoven. Dat zou zijn gebeurd onder invloed van Neptunus, waarvan de baan (net als die van Uranus) oorspronkelijk dichterbij de zon heeft gelegen.
Meer informatie: http://www.swri.org/9what/releases/Kuiper.htm

6 september 2003
Met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop zijn drie nieuwe planetoïden voorbij de baan van de planeet Neptunus ontdekt. De objecten maken deel uit van de zogeheten Kuipergordel en zijn slechts een kilometer of 15 groot. Het meest verrassende aan deze ontdekking is dat bij het onderzoek zo weinig van deze kleine objecten zijn opgespoord: men verwachtte er ten minste 60.
Meer informatie:
http://hubblesite.org/newscenter/archive/2003/25/text
http://www.upenn.edu/pennnews/news.php

8 juli 2003
Waarnemingen met een achttal telescopen in de VS en op Hawaï duiden erop dat de atmosfeer van Pluto nog steeds uitdijt, alhoewel de afstand van de planeet tot de zon groter wordt. De onderzoekers verwachtten eigenlijk dat de Pluto-atmosfeer door het dalen van de temperatuur verder zou bevriezen. Maar sinds Pluto’s dichtste nadering van de zon (in 1989) is het juist 1 graad warmer geworden! Aangenomen wordt dat er sprake is van een vertragingseffect, en dat het ‘warmste’ moment op Pluto enkele jaren ná zijn kleinste afstand tot de zon wordt bereikt.
Meer informatie: http://web.mit.edu/newsoffice/nr/2003/pluto.html

30 oktober 2002
Onderzoekers van het Amerikaanse Southwest Research Institute (SwRI) hebben ontdekt dat een deel van de kosmische straling die de aarde bereikt het resultaat is van interacties met stofdeeltjes in de Kuipergordel' de gordel van ijsachtige planetoïden voorbij de baan van Neptunus. De ontdekking zou de aanwezigheid van ijzer-, silicium- en koolstofdeeltjes in de zogeheten anomale kosmische straling kunnen verklaren. Deze elementen komen weliswaar overal in de ruimte voor, maar raken gemakkelijk elektronen kwijt, waardoor ze in positief geladen ionen veranderen. Zulke ionen zouden normaal gesproken niet gemakkelijk tot in de binnenste delen van het zonnestelsel door kunnen dringen, maar worden wél waargenomen in de kosmische straling. Om dit te kunnen verklaren is men op zoek gegaan naar een bron binnen het zonnestelsel, en dat zijn de verre stofdeeltjes, die onder invloed van de zonnewind de waargenomen ionen zouden kunnen vrijgeven.
Meer informatie: http://www.swri.edu/9what/releases/cosmic.htm

9 oktober 2002
Pluto lijkt warmer te worden. Dat blijkt uit het feit dat de atmosferische druk op de planeet de afgelopen 14 jaar met een factor drie is toegenomen. Hieruit kan men afleiden dat bevroren stikstof van het oppervlak aan het verdampen zijn. Het dichter worden van de dampkring is vastgesteld door sterbedekkingen van Pluto waar te nemen. Dat de planeet warmer is geworden (een graad of twee) komt niet als een verrassing: in 1989 bereikte Pluto zijn ‘kleinste’ afstand tot de aarde.
Meer informatie: http://web.mit.edu/newsoffice/www

7 oktober 2002
In de Kuipergordel, een zone met ijsachtige planetoïden voorbij de baan van de planeet Neptunus, is een nieuw groot object ontdekt. Het Kuipergordelobject heeft de officiële aanduiding 2002 LM60, maar wordt ook wel “Quaoar” genoemd. De planetoïde bevindt zich op een afstand van ongeveer 6,5 miljard kilometer en volgt een vrijwel cirkelvormige baan om de zon. Metingen duiden erop dat Quaoar iets groter is dan de vorige ‘recordhouder’ van de Kuipergordel (2001 KX76; zie archief zonnestelsel (overige), 2 juli 2001): een kilometer of 1300. In de Kuipergordel zijn tot nog toe meer dan 500 objecten ontdekt. Het is niet uitgesloten dat hier ooit nog een object wordt ontdekt dat groter is dan de ‘planeet’ Pluto.
Meer informatie:
http://oposite.stsci.edu/pubinfo/pr/2002/17
http://www.gps.caltech.edu/~chad/quaoar
http://www.mpifr-bonn.mpg.de/staff/bertoldi/kbo/pr_kbo.html
http://www.joyoftech.com/joyoftech/joyarchives/394.html

10 september 2002
De Kuipergordel' de gordel van ijzige planetoïden voorbij de baan van Neptunus' blijft verbazen. In de gordel zijn sinds 1992 ongeveer 500 objecten ontdekt, die meestal KBO’s worden genoemd, en daarvan blijken er nu al 7 in het bezit van een ‘maantje’. Het opmerkelijke is dat deze ‘maantjes’ meestal niet veel kleiner zijn dan de planetoïde waar ze omheen draaien. Tot nog toe werd aangenomen dat zulke ‘dubbelplanetoïden’ het resultaat zijn van onderlinge botsingen, maar daarvoor lijken de waargenomen aantallen te groot. Mogelijk is er een ander proces aan de gang, maar het kan ook zijn dat de huidige schattingen van de grootte van KBO’s, die voornamelijk is gebaseerd op de aanname dat ze een donker oppervlak hebben, onjuist zijn. Het zou kunnen zijn dat hun oppervlak meer licht reflecteert, en dat ze kleiner en lichter zijn dan we nu denken. In dat geval zijn er minder hevige botsingen nodig om de dubbele objecten te laten ontstaan.
Meer informatie: http://www.swri.org/9what/releases/KBMystery.htm

28 augustus 2002
In juli is met de Very Large Telescope een wel heel bijzondere sterbedekking waargenomen: die van Pluto en zijn maan Charon van een drievoudige ster. Bedekkingen als deze worden gebruikt om meer informatie over de ijle Pluto-atmosfeer te verzamelen. (Zie ook 14 augustus.)
Meer informatie:
http://www.eso.org/outreach/press-rel/pr-2002/phot-21-02.html
http://despa.obspm.fr/~sicardy/pluton/results.html

17 april 2002
In het meest recente nummer van Nature berichten sterrenkundigen over de dubbelplanetoïde 1998 WW31 die vier jaar geleden in de Kuipergordel voorbij de planeet Neptunus is gevonden. De Kuipergordel bevat grote ijsrijke planetoïden' ook wel ijsdwergen genoemd' die zijn overgebleven na de vorming van de planeten van ons zonnestelsel. De gordel is tevens de bron van de kortperiodieke kometen die om de zon bewegen. Inmiddels is vast komen te staan dat ten minste één procent van de ongeveer 500 bekende ijsdwergen in paren voorkomen. Bij dit soort om elkaar draaiende objecten is het in beginsel mogelijk de totale massa van zo’n duo te bepalen. Nieuwe Hubble-gegevens duiden er nu op dat de beide ijsdwergen van 1998 WW31 in 570 dagen om elkaar heen draaien en ongeveer 5000 maal zo licht zijn als de ‘planeet’ Pluto en zijn maan Charon. Onduidelijk is nog of dit soort dubbelplanetoïden ‘dubbel’ zijn ontstaan of dat ze elkaar later ‘gevonden’ hebben.
Meer informatie: http://oposite.stsci.edu/pubinfo/pr/2002/04