Deze rubriek omvat ons eigen Melkwegstelsel en vrijwel alles wat zich daarbinnen afspeelt. Aan bod komen: (exotische) sterren, planetaire nevels, nabije supernovaresten (neutronensterren en zwarte gaten), witte dwergen, gasnevels enzovoorts.

7 mei 2013
Met de Europese infraroodruimtetelescoop Herschel is ontdekt dat een deel van het moleculaire gas in het centrum van ons Melkwegstelsel een verrassend hoge temperatuur heeft van ca. 1000 graden Celsius. Het gas is verdeeld in een brede, platte ring rond het superzware zwarte gat dat zich in het Melkwegcentrum bevindt. Met Herschel kon de samenstelling van het gas bestudeerd worden tot op een afstand van slechts één lichtjaar van het zwarte gat. Uit de metingen, op ver-infrarode golflengten, kon de aanwezigheid van eenvoudige moleculen worden afgeleid, zoals koolmonoxide, waterdamp en waterstofcyanide. De grote verrassing was echter de hoge temperatuur van het gas in het binnenste deel van de ring.De oorzaak van die hoge temperatuur is niet met zekerheid bekend. Verhitting door ultraviolette straling van nabijgelegen jonge sterrenhopen speelt vermoedelijk een rol, maar de onderzoekers, die hun resultaten publiceerden in Astrophysical Journal Letters, denken dat een deel van de verhitting veroorzaakt wordt door schokgolven in sterk gemagnetiseerd gas. Mogelijk is er sprake van gasstromen in de richting van het zwarte gat, die binnen afzienbare tijd opgeslokt zullen worden. (GS)
Herschel finds hot gas on the menu for Milky Way’s black hole (origineel persbericht)

25 april 2013
Astronomen, onder wie Joeri van Leeuwen en Jason Hessels van de Universiteit van Amsterdam en Vlad Kondratiev van ASTRON, hebben een dubbelster opgespoord die bestaat uit een ongewoon zware neutronenster en een witte dwergster. Met dit bizarre tweetal kon Einsteins zwaartekrachtstheorie – de algemene relativiteitstheorie – sterker op de proef worden gesteld dan voorheen. Maar tot nu toe komen de waarnemingen exact overeen met Einsteins voorspellingen (Science, 26 april 2013). De neutronenster, die 25 keer per seconde om zijn as tolt, is een pulsar die radiogolven uitzendt die met radiotelescopen op aarde kunnen worden ontvangen. De witte dwerg, die met een omlooptijd van tweeënhalf uur om de pulsar cirkelt, is waarneembaar met gewone, optische telescopen, zoals de Very Large Telescope van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht in Chili. De pulsar is het overblijfsel van een supernova-explosie. Hij is tweemaal zo zwaar als de zon, maar slechts twintig kilometer groot. De begeleidende witte dwerg is het gloeiende overblijfsel van een zonachtige ster die zijn atmosfeer heeft afgestoten en langzaam afkoelt. De algemene relativiteitstheorie, die de zwaartekracht verklaart als een gevolg van de kromming van de ruimtetijd door de aanwezigheid van massa en energie, heeft sinds haar publicatie, bijna een eeuw geleden, alle tests doorstaan. Maar naar verwachting is dit toch niet de definitieve zwaartekrachtstheorie: onder extreme omstandigheden, zoals die in een zwart gat, schiet Einsteins theorie tekort. Natuurkundigen hebben al diverse alternatieve zwaartekrachtstheorieën ontwikkeld die andere voorspellingen doen dan de algemene relativiteitstheorie. Om dergelijke theorieën te kunnen toetsen, moet onderzoek worden gedaan van extreem sterke zwaartekrachtsvelden. De nu ontdekte dubbelster biedt die mogelijkheid. Een compacte dubbelster als deze zendt zwaartekrachtsgolven uit en verliest daardoor energie. Dit leidt ertoe dat de afstand tussen de beide objecten heel langzaam kleiner wordt en hun omlooptijd afneemt. De algemene relativiteitstheorie en de alternatieve theorieën doen verschillende voorspellingen voor die afneming. De astronomen hebben nu waarnemingen van de witte dwerg gecombineerd met een zeer nauwkeurige timing van de pulsen die de zware neutronenster uitzendt. De waarnemingen zijn zo nauwkeurig, dat een verandering in de omlooptijd van 8 miljoenste van een seconde per jaar kon worden gemeten. En dat is precies wat Einsteins theorie voorspelt. (EE)
Einstein had gelijk – tot nu toe

25 april 2013
Astronomen hebben een nieuwe opname gemaakt van de buitenste atmosfeer van de bekende ster Betelgeuze, een rode superreus in het sterrenbeeld Orion. Op de nieuwe opname, gemaakt met behulp van een netwerk van radiotelescopen in Engeland, zijn onder meer verrassend hete gebieden te zien.In vergelijking met onze zon is Betelgeuze een kolos: hij is maar liefst duizend keer zo groot. Maar ondanks zijn relatief kleine afstand van 650 lichtjaar is hij vanaf de aarde gezien slechts een piepklein lichtpuntje. Alleen door de beeldinformatie van meerdere telescopen – in dit geval radiotelescopen – te combineren kunnen details van de ster en zijn omgeving worden vastgelegd. Aan weerszijden van Betelgeuze zijn nu twee plekken in de sterk opgezwollen steratmosfeer ontdekt die een temperatuur van 4000 tot 5000 graden hebben. Dat is beduidend heter dan het zichtbare 'oppervlak' van de ster, dat een temperatuur van iets meer dan 3000 graden heeft. De aard van de hete plekken is nog onduidelijk. Het zouden gebieden kunnen zijn waar gas hoog in de steratmosfeer is verhit door het optreden van schokgolven. Maar het is ook denkbaar dat de atmosfeer ter plaatse simpelweg transparanter is dan elders, waardoor we een dieper, heter deel van de ster te zien krijgen.Op ruime afstand van Betelgeuze (7,4 miljard kilometer) is een boog van gas waargenomen die met een temperatuur van meer dan honderd graden onder nul juist heel koud is. Waarschijnlijk betreft het gas dat in een recent verleden door de pulserende ster is uitgestoten. Aangenomen wordt dat Betelgeuze binnen een miljoen jaar als supernova zal ontploffen.  (EE)
Mysterious hot spots observed in a cool red supergiant

19 april 2013
Ter gelegenheid van de 23ste verjaardag van de Amerikaans/Europese Hubble Space Telescope is een nieuwe (infrarood-)opname van de beroemde Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion vrijgegeven. Het gaat om een donkere stofwolk die normaal gesproken donker afsteekt tegen de heldere achtergrond van gloeiend gas. Op de infraroodfoto, gemaakt door de Wide Field Camera 3, is de stofwolk gedeeltelijk transparant, zodat de inwendige structuur beter zichtbaar is.De Europese infraroodruimtetelescoop Herschel maakte overigens op nog veel langere infraroodgolflengten een foto van de wijde omgeving van de Paardenkopnevel, waarop de ligging in de Orion Molecular Cloud goed zichtbaar is. (GS)
A fresh take on the Horsehead Nebula (origineel persbericht)

18 april 2013
Sterrenkundigen van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics hebben een nieuw röntgenbeeld gepubliceerd van het overblijfsel van een sterexplosie in het jaar 1006. Supernova SN1006 vond plaats op een afstand van ca. 7000 lichtjaar. Het ging om een zogheten type Ia-supernova - de catastrofale explosie van een witte dwergster. Voor het nieuwe röntgenportret zijn in totaal tien opnamen van het Amerikaanse Chandsra X-ray Observatory gecombineerd. Op deze manier ontstond het meest gedetailleerde röntgenbeeld van de supernovarest ooit. Onderzoek aan dit soort gedetailleerde röntgenfoto's kan hopelijk meer informatie opleveren over het precieze verloop van de explosie. (GS)
SN 1006: X-Ray View of A Thousand-Year-Old Cosmic Tapestry (origineel persbericht)

16 april 2013
De geboorte van zware sterren verloopt verrassend kalm. Dat concluderen sterrenkundigen in een artikel in The Astrophysical Journal op basis van waarnemingen van de zware protoster G35, verricht met de vliegende infraroodsterrenwacht SOFIA.Sterren ontstaan uit samentrekkende wolken van gas en stof. Bij kleine sterren verloopt dat proces vrij ordelijk. In het geval van veel zwaardere protosterren namen astronomen altijd aan dat de structuur van de samentrekkende wolk veel chaotischer zou zijn, door turbulentie-effecten. Dat blijkt nu echter mee te vallen. Met SOFIA (Stratospheric Observatoria For Infrared Astronomy) - een tot vliegende infraroodsterrenwacht omgebouwde Boeing - zijn waarnemingen verricht aan G35.20-0.74 (kortweg G35 genoemd), een protoster met een massa van minstens 20 zonsmassa's op een afstand van ca. 8000 lichtjaar. Uit de infraroodmetingen blijkt dat de inwendige structuur van de samentrekkende gas- en stofwolk zeer ordelijk is. (GS)
SOFIA Observations Reveal a Surprise in Massive Star Formation(origineel persbericht)

5 april 2013
Met de relatief nieuwe ALMA-radiotelescoop in Chili hebben wetenschappers signalen gezien van wat lijkt op de vorming van nieuwe sterren. Het bijzondere is dat dit vlakbij het zwarte gat in het hart van de Melkweg lijkt te gebeuren. Tot nu toe werd gedacht dat er in de buurt van een zwart gat geen nieuwe sterren konden ontstaan omdat sterke getijkrachten zouden voorkomen dat grote gas- en stofwolken kunnen instorten tot nieuwe sterren. Toch ziet ALMA, die gevoelig is voor radiostraling, nu dichte wolken waaruit zogenoemde jets lijken te komen. Deze duiden op de vorming van een ster in zo’n wolk. In het centrum van de Melkweg, op een afstand van ongeveer 27.000 lichtjaar, bevindt zich vrijwel zeker een zwart gat, Sagittarius A*. Het heeft een massa van ongeveer 4 miljoen keer onze zon. Astronomen hebben zich lang tijd afgevraagd hoe het kan dat er relatief zeer jonge sterren met hoge snelheden rond het zwarte gat draaien. De ontdekking van ALMA kan hier wellicht een verklaring voor geven, omdat het laat zien dat sterren veel dichterbij zwarte gaten kunnen ontstaan dan werd gedacht. (Roel van der Heijden)
ALMA Detects Signs of Star Formation Surprisingly Close to Galaxy's Supermassive Black Hole

5 april 2013
Voor het eerst heeft de Kepler ruimtetelescoop een ster waargenomen die het licht van zijn begeleidende ster afbuigt. Dit effect werd tot nu toe slechts waargenomen bij veel grotere clusters van sterrenstelsels en onze eigen zon. Dubbelster KOI-256 bestaat uit een kleine en zware witte dwergster en een grotere maar lichtere rode dwergster. Wetenschappers zagen dat de witte dwerg het licht van de rode dwerg afbuigt op het moment dat hij voor zijn partner langs beweegt. De helderheid van het dubbelsysteem wordt daardoor iets groter. Een kleine en tijdelijk effect dat wordt veroorzaakt door de zwaartekracht en dat al werd voorspeld door Albert Einstein, bijna honderd jaar geleden.Kepler wordt normaal gesproken ingezet voor het vinden van exoplaneten, ofwel planeten bij andere sterren. Toen Kepler KOI-256 in het vizier kreeg dachten de betrokken wetenschappers dan ook dat ze een ster zagen met een enorme planeet ernaast. Bij nadere analyse klopte dat niet met de bewegingen die de ster maakte. Het bleek om een dubbelster te gaan waarbinnen de wetten van Einstein nogmaals getest konden worden. (Roel van der Heijden) 
Gravity-Bending Find Leads to Kepler Meeting Einstein

2 april 2013
Gedetailleerde computersimulaties, uitgevoerd door astronomen van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics en de University of Wisconsin-Madison, hebben nieuwe informatie opgeleverd over het ontstaan van spiraalarmen - de karakteristieke, statige spiraalvormige patronen in de buitendelen van grote sterrenstelsels zoals ons eigen Melkwegstelsel.Met grote supercomputers, die de onderlinge zwaartekrachtswisselwerking van niet minder dan 100 miljoen 'testdeeltjes' simuleren, is ontdekt dat spiraalarmen, als ze eenmaal zijn ontstaan, zichzelf in stand houden, zodat het in feite permanente structuren zijn. Eerder was wel gesuggereerd dat spiraalarmen tijdelijke structuren zouden zijn, die na verloop van tijd vanzelf weer zouden 'uitdoven'.De aard van spiraalarmen wordt al geruime tijd goed begrepen: ze bevatten niet altijd dezelfde sterren, nevels en sterrenhopen, maar ze markeren de plaatsen waar die objecten zich dichter op elkaar bevinden - enigszins vergelijkbaar met files op de snelweg, die lange tijd kunnen aanhouden maar niet altijd uit dezelfde auto's bestaan.De nieuwe computersimulaties, op 20 maart gepubliceerd in The Astrophysical Journal, tonen nu aan dat spiraalarmen (in tegenstelling tot files) zichzelf in stand houden. De oorsprong van de spiraalarmen moet volgens de onderzoekers gezocht worden in de zwaartekrachtsverstoringen die veroorzaakt worden door grote moleculaire wolken, waarin actieve stervorming voorkomt. (GS)
New Insights on How Spiral Galaxies Get Their Arms (origineel persbericht)

1 april 2013
Onderzoek met de 90-centimeter telescoop van het Kitt Peak National Observatory in Arizona kan mogelijk uitwijzen dat er in het stervormingsgebied Cep OB3b (in het sterrenbeeld Cepheus) ook oudere sterren voorkomen. Die zijn dan vermoedelijk ontstaan in een sterrenhoop die inmiddels uiteen is gevallen. Cep OB3b heeft een leeftijd van ca. drie miljoen jaar. Het stervormingsgebied lijkt veel op de Orionnevel, maar bevat minder absorberend gas en stof. Thomas Allen van de Universiteit van Toledo concludeert mede op basis van metingen met de Spitzer Space Telescope dat het stervormingsgebied ca. 3000 jonge sterren telt, waarvan er ongeveer 1000 omgeven worden door protoplanetaire schijven, waaruit in de toekomst planeten kunnen ontstaan.Het feit dat veel sterren in Cep OB3b niet door zo'n protoplanetaire schijf worden omgeven, doet vermoeden dat op z'n minst een aanzienlijk deel van deze sterren ouder is dan drie miljoen jaar. Ze zouden eerder kunnen zijn ontstaan, in oudere sterrenhopen. De nieuwe Kitt Peak-foto's, gemaakt met de Mosaic-camera, moeten hierover uitsluitsel geven. (GS)
Star Birth in Cepheus (origineel persbericht)

27 maart 2013
Een internationaal team van astronomen heeft ontdekt dat de stofnevel rond de ster VY Canis Majoris (VY CMa) twee soorten titaniumoxide bevat. VY CMa is een koele, rode ster - zeker duizend keer zo groot als onze zon – die het explosieve einde van zijn leven nadert. VY CMa is bezig om grote hoeveelheden materie uit te stoten. Vermoed wordt dat deze uitstoot voor rekening komt van een hevige sterrenwind, zoals ook onze zon die in veel zwakkere vorm produceert. Onduidelijk is echter nog welk fysisch proces hierachter zit en waarom de resulterende stofnevel zo onregelmatig van vorm is. Met een submillimetertelescoop – een soort radiotelescoop – op Hawaï is vastgesteld dat de stofnevel rond VY CMa rijk is aan titaniumoxide en titaniumdioxide. Moleculen zenden vooral op submillimetergolflengten karakteristieke straling uit die kan worden gebruikt om de verschillende molecuulsoorten te identificeren. Titaniumdioxide is een witte stof die op aarde verschillende toepassingen kent: het is onder meer een bestanddeel van zonnebrandcrèmes. Op theoretische gronden werd al vermoed dat sterren met een lage oppervlaktetemperatuur, zoals VY CMa, grote hoeveelheden titaniumoxide produceren. Tot nu toe was het echter niet gelukt om ook titaniumdioxide bij zo'n ster aan te tonen. Omdat titaniumoxiden waarschijnlijk een belangrijke rol spelen bij de vorming van stofdeeltjes, kunnen waarnemingen als deze het onderzoek van stofnevels rond sterren als VY CMa verder vooruithelpen. (EE)
Sun Block for the Big Dog

27 maart 2013
Franse en Canadese astronomen hebben een verklaring gevonden voor het ontstaan van sterren die meer dan tien keer zo zwaar zijn als onze zon. Gebleken is dat babysterren een enorme massa kunnen bereiken als oudere soortgenoten in de omgeving een handje meehelpen. De geboorte van een ster begint met het ontstaan van een kleine verdichting in een grote wolk van gas en stof. Door de zwaartekracht stroomt er vanzelf meer gas naar zo'n verdichting, wat uitmondt in de vorming van een bal van heet gas: de ster. Eigenlijk zouden sterren op deze manier niet meer dan tien zonsmassa's aan materie kunnen verzamelen. Tijdens hun vorming oefenen ze namelijk een steeds sterker wordende tegendruk uit die de verdere toestroom van gas blokkeert. Toch bestaan er sterren die aanzienlijk zwaarder zijn dan tien zonsmassa's. Onderzoek aan de grote interstellaire gaswolk Westerhout 3 (W3) biedt een mogelijke verklaring. De astronomen merkten op dat de dichtste delen van W3, waar de zwaarste sterren zullen ontstaan, zijn omringd door een collectie oude, zware sterren. Dat wijst erop dat voorgaande generaties van zware sterren de groei van hun opvolgers stimuleren. Net als jonge zware sterren duwen oude zware sterren gas uit hun omgeving weg. Als deze oude sterren gunstig gepositioneerd zijn ten opzichte van een grote gasvoorraad, kunnen zij gezamenlijk zoveel gas in de richting van de sterren-in-wording blazen, dat deze ondanks hun tegenwerking in omvang blijven toenemen. Stellaire dwangvoeding dus. (EE)
Hunting high-mass stars with Herschel

19 maart 2013
Met de Europese infrarood-ruimtetelescoop Herschel zijn extreem jonge protosterren ontdekt in een groot stervormingsgebied in het sterrenbeeld Orion. Eerder waren in dit Orion Molecular Cloud Complex al een paar honderd sterren-in-wording gevonden, onder andere met de Amerikaanse infrarood-ruimtetelesccoop Spitzer. Amelia Stutz van het Max-Planck-Institut für Astronomie en haar collega's hebben met Herschel nu vijftien protosterren ontdekt die door Spitzer niet zijn waargenomen. Herschel zag de uiterst koele objecten wel, omdat hij gevoelig is voor infraroodstraling met een langere golflengte. De ontdekking is inmiddels bevestigd door de APEX-telescoop in Noord-Chili, die op nóg langere golflengten waarneemt. Het gaat om objecten van vermoedelijk slechts zo'n 25.000 jaar oud, die net zijn samengetrokken uit koele interstellaire gaswolken. Dat hele proces van koude moleculaire wolk naar hete ster neemt naar schatting hooguit een paar honderdduizend jaar in beslag. (GS)
Herschel Discovers Some of the Youngest Stars Ever Seen (origineel persbericht)

19 maart 2013
Met de Europese ruimtetelescoop XMM-Newton is een röntgendubbelster ontdekt met een extreem korte baanperiode: slechts 2,4 uur. De röntgendubbelster bestaat uit een stellair zwart gat dat minstens drie keer zo zwaar is als de zon en een kleine, lichte rode dwergster. Materie van de rode dwerg wordt opgezogen door de sterke zwaartekrtacht van het zwarte gat en hoopt zich op in een afgeplatte accretieschijf voordat het definitief in het zwarte gat verdwijnt. Die extreem hete accretieschijf zendt de waargenomen röntgenstraling uit. Met XMM-Newton is de röntgenbron (MAXI J1659-152 geheten) ruim een half etmaal continu bestudeerd. Daarbij bleek dat de röntgenstraling periodieke helderheidsdipjes vertoonde, veroorzaakt doordat de onregelmatige buitenrand van de accretieschijf elke omloop een deel van de röntgenstraling afdekt. Uit de metingen werd een omlooptijd van 2,4 uur afgeleid - bijna een uur korter dan het vorige record voor de omlooptijd van een röntgendubbelster (3,2 uur, voor de bron Swift J1753.5-0127). De resultaten zijn gepubliceerd in Astronomy & Astrophysics; eerste auteur is de Nederlandse astronoom Erik Kuulkers, verbonden aan ESA's European Space Astronomy Centre in Spanje. Het zwarte gat en de rode dwergster draaien rond een gemeenschappelijk zwaartepunt. Vanwege zijn lichtere massa beschrijft de rode dwerg een grotere baan, waardoor hij een hogere baansnelheid heeft: ongeveer twee miljoen kilometer per uur, ofwel zo'n twintig keer de baansnelheid van de aarde. Het zwarte gat, dat een kleinere baan rond het gemeenschappelijk zwaartepunt beschrijft, heeft een baansnelheid van 'slechts' 150.000 kilometer per uur - dertig procent meer dan de baansnelheid van de aarde. (GS)
Black hole-star pair orbiting at dizzying speed (origineel persbericht)

18 maart 2013
Nieuwe röntgenfoto's van Keplers supernovarest, gemaakt door de Amerikaanse ruimtetelescoop Chandra, doen vermoeden dat de supernova, door Johannes Kepler waargenomen in 1604, veroorzaakt werd door de wisselwerking tussen een witte dwergster en een rode superreus. Keplers supernova was een exploderende ster van Type Ia. Dat soort supernova's ontstaan wanneer een witte dwerg op de een of andere manier zwaarder wordt dan 1,4 keer de massa van de zon. Hóe dat gebeurt is echter niet duidelijk: er kan sprake zijn van twee witte dwergen die in een baan om elkaar heen draaien en met elkaar versmelten, of de witte dwerg kan een rode reuzenster als begeleider hebben, die materie overdraagt aan de dwergster. De nieuwe Chandra-waarnemingen van de uitdijende gasschil die bij de supernova werd gevormd, wijzen op die laatste mogelijkheid. Op de röntgenfoto's is een schijfvormige structuur te zien die vermoedelijk het resultaat is van massaverlies van de rode reuzenster, en die nu verhit wordt (en daardoor röntgenstraling uitzendt) door de interactie met de materie die bij de supernova-explosie met hoge snelheid in alle richtingen is weggeblazen. Ook blijkt uit de röntgenwaarnemingen dat de supernovarest relatief veel magnesium bevat - een element dat in witte dwergen nauwelijks voorkomt, maar wel in rode reuzensterren. De resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal. Sterrenkundigen willen graag precies begrijpen hoe Type Ia-supernova's ontstaan, omdat ze gebruikt worden voor het bepalen van de afstandsschaal en de uitdijingsgeschiedenis van het heelal. Overigens is het best mogelijk dat andere Type Ia-supernova's wél het resultaat zijn van de versmelting van twee witte dwergen. (GS)
Kepler's Supernova Remnant: Famous Supernova Reveals Clues About Crucial Cosmic Distance Markers (origineel persbericht)

15 maart 2013
Een onlangs met de Swift-satelliet opgespoorde supernovarest behoort tot de jongste in onze Melkweg. Dat blijkt uit vervolgwaarnemingen met onder meer de röntgensatelliet Chandra. De supernovarest, die de aanduiding G306.3-0.9 heeft gekregen, bevindt zich op een afstand van 26.000 lichtjaar in het zuidelijke sterrenbeeld Centaurus. Astronomen hebben in de Melkweg tot nu toe een stuk of driehonderd overblijfselen van supernova-explosies ontdekt. Zo'n explosie vindt gemiddeld ongeveer één à twee keer per eeuw plaats. Het 'puin' van de ontplofte ster vormt een uitdijende wolk die in de loop van ongeveer honderdduizend jaar steeds verder uitdijt en ten slotte geheel vervaagt. Jonge supernovaresten zenden allerlei soorten straling uit, van radiostraling tot gammastraling. De meest energierijke vormen van straling verdwijnen het eerst: na ongeveer tienduizend jaar zendt zo'n object al geen röntgenstraling meer uit. Hierdoor is maar ongeveer de helft van alle supernovaresten in de Melkweg een bron van röntgenstraling. Het bestaan van supernovarest G306.3-0.9 kwam aan het licht bij een röntgensurvey van het vlak van de Melkweg, waar de Swift-satelliet momenteel mee bezig is. Alleen al het feit dat het object en bron van röntgenstraling is, wijst erop dat het niet oud kan zijn. Een verdere analyse laat zien dat G306.3-0.9 waarschijnlijk minder dan 2500 jaar geleden is ontstaan. (EE)
NASA's Swift, Chandra Explore a Youthful 'Star Wreck'

12 maart 2013
De Europese infraroodruimtetelescoop Herschel, die bijna aan het eind van zijn operationele levensduur is, heeft ver-infrarode straling waargenomen die afkomstig is van de basis van de straalstromen bij een stellair zwart gat. Nooit eerder zijn sterrenkundigen in staat geweest om door te dringen tot dit allerbinnenste deel van de straalstromen ('jets'). De resultaten zijn gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. De waarnemingen zijn verricht aan GX 339-4, een zwart gat dat materie opzuigt van een begeleider en daarbij twee bundels van energierijke deeltjes en straling de ruimte in blaast. Eens in de paar jaar ondergaat het stelsel een uitbarsting die enkele maanden kan duren en waarbij de jets afmetingen bereiken van honderden miljarden kilometers. De meest recente uitbarsting is intensief bestudeerd door onder andere radio- en röntgentelescopen. Toen er veranderingen werden gezien die erop wijzen dat de uitbarsting snel ten einde zou komen, werd de Herschel-ruimtetelescoop ingeschakeld om de ver-infrarode straling van de basis van de straalstromen waar te nemen. De nieuwe waarnemingen bevestigen het idee dat de radiostraling en de ver-infrarode straling van de jets zogeheten synchrotronstraling is, uitgezonden door energierijke elektronen in een sterk magnetisch veld. Minder duidelijk is de precieze herkomst van de energierijkere optische en de nabij-infrarode straling. (GS)
Herschel gets to the bottom of black-hole jets (origineel persbericht)

11 maart 2013
Astronomen hebben, op een afstand van slechts 6,5 lichtjaar, een tot nu toe onopgemerkt gebleven dubbelster ontdekt. Het sterrenpaar, dat uit twee zwakke bruine dwergsterren bestaat, vormt de op twee na naaste buur van onze zon. Alleen de drie sterren van het Alfa-Centauri-stelsel en de Ster van Barnard zijn dichterbij. Het is voor het eerst sinds 1916 dat op zo'n kleine afstand nieuwe sterren zijn ontdekt. Dat heeft er alles mee te maken dat bruine dwergen maar heel weinig zichtbaar licht uitzenden. Het zijn in feite mislukte sterren, die veel overeenkomsten vertonen met grote gasplaneten zoals Jupiter. De dubbelster is ontdekt op beelden van de Wide-field Infrared Survey Explorer (WISE), een satelliet die in 2010 en 2011 de hele hemel op infraroodgolflengten in kaart heeft gebracht. Astronomen zijn nog druk doende om de enorme berg gegevens die dat heeft opgeleverd uit te pluizen. Onze nieuwe buur heeft de aanduiding WISE J104915.57-531906 gekregen. (EE)
Researchers find closest star system in a century

7 maart 2013
Astronomen zijn, met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop, het geboortebewijs van een als zeer oud bekendstaande ster op het spoor gekomen. De gegevens laten zien dat de ster, die de aanduiding HD 140283 draagt, 13,7 tot 15,3 miljard jaar oud is. Op het eerste gezicht is dat een bespottelijke uitkomst, omdat het heelal – volgens de huidige inzichten – ongeveer 13,8 miljard jaar oud is. Maar eerdere schattingen van de leeftijd van de ster kwamen nóg hoger uit. Er zijn twee factoren die de leeftijdsbepaling van een ster beïnvloeden: de theorie van de sterevolutie en zijn lichtkracht. Deze laatste volgt uit de schijnbare helderheid van de ster en zijn afstand. HD 140283 viel astronomen al meer dan een eeuw geleden op doordat hij zich met hoge snelheid langs de hemel verplaatst. Dat betekent dat zijn afstand tot de aarde niet groot kan zijn. Maar normale sterren in onze omgeving bewegen niet zo snel. Hieruit leidden astronomen af dat de ster een bezoeker is uit de verre, oude buitenwijk van de Melkweg, de zogeheten halo. Die indruk werd bevestigd toen bleek dat HD 140283 extreem weinig elementen zwaarder dan helium bevat. Dat betekent dat de ster, net als de galactische halo, is ontstaan toen de materie in het heelal nog nauwelijks met zwaardere elementen was verrijkt. Deze laatste zijn voortgekomen uit fusieprocessen in de kernen van sterren. Uit nieuwe Hubble-waarnemingen blijkt dat HD 140283 iets meer dan 190 lichtjaar van ons verwijderd is. Dat levert een nieuwe, betere waarde voor de lichtkracht van de ster op. En aan de hand van dat getal kon zijn leeftijd iets naar beneden worden bijgesteld. De astronomen verwachten dat verder onderzoek zal laten zien dat HD 140283 beduidend jonger is dan 15 miljard jaar. Een exactere bepaling van de hoeveelheid zuurstof in de ster moet daar uitsluitsel over geven. (EE)
Hubble Finds Birth Certificate of Oldest Known Star

6 maart 2013
Nieuw onderzoek met drie röntgensatellieten heeft een betrouwbare bepaling opgeleverd van de afmetingen van neutronensterren. Een neutronenster is het compacte restant van een zware ster die aan het einde van zijn bestaan is geëxplodeerd. Bij die explosie worden de buitenste lagen van de ster de ruimte in geblazen, terwijl de kern van de ster juist instort. Het resultaat is een dicht opeengepakte bal van materie die voornamelijk uit neutronen bestaat. Met de drie satellieten – Chandra, XMM-Newton en de Rossi X-ray Timing Explorer (RXTE) – zijn acht van die neutronensterren onderzocht. Uit de waarnemingen blijkt dat een neutronenster die 1,4 keer zo zwaar is als de zon 21 tot 26 kilometer groot is. Dat betekent dat de dichtheid van de materie in deze objecten ongeveer acht keer zo groot is als de dichtheid van een atoomkern onder aardse omstandigheden. De druk in het centrum van een neutronenster is meer dan tien biljoen biljoen keer zo groot als de druk die nodig is om diamanten te vormen in het inwendige van de aarde. En de aantrekkingskracht aan het oppervlak is zo kolossaal dat er geen oneffenheden kunnen ontstaan die hoger zijn dan een halve centimeter. (EE)
Probing Extreme Matter Through Observations of Neutron Stars

6 maart 2013
Het superzware zwarte gat in het centrum van de Melkweg is enkele miljoenen jaren geleden in botsing gekomen met een kleinere soortgenoot. Tot die conclusie komen astronomen na een inventarisatie van de huidige omstandigheden ter plaatse (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, 6 maart). Op dit moment is het erg rustig in het Melkwegcentrum, maar volgens astronomen Kelly Holley-Bockelmann en Tamara Bogdanović is dat niet altijd zo geweest. Vooral het bestaan van de zogeheten Fermi-bubbels – enorme lobben van energierijke röntgen- en gammastraling die zich tot een afstand van 30.000 lichtjaar boven en onder het centrum uitstrekken – wijst erop dat zich hier een explosief verschijnsel heeft afgespeeld. Een andere aanwijzing in die richting is het bestaan van een drietal jonge, zware sterrenhopen op luttele lichtjaren van het superzware zwarte gat. Deze bevatten elk honderden jonge, hete sterren die niet veel ouder kunnen zijn dan enkele miljoenen jaren. Dat betekent dat er heel recent dichte wolken van gas en stof in de omgeving van het zwarte gat moeten zijn geweest. Oude sterren ontbreken juist volkomen. Op zoek naar een verklaring kwamen Holley-Bockelmann en Bogdanović uit bij een theoretisch scenario dat al deze kenmerken van het Melkwegcentrum kan verklaren. Volgens hen ligt de sleutel bij de kleine satellietstelsels die om de Melkweg cirkelen. Wanneer zo'n stelsel door de Melkweg wordt opgeslokt, spiraalt het naar het centrum. Onderweg raakt het al zijn sterren kwijt, waarna alleen zijn centrale zwarte gat overblijft. De astronomen denken dat ongeveer tien miljoen jaar geleden zo'n 'kaal' zwart gat in het Melkwegcentrum is aangekomen. Na nog enkele miljoenen jaren om zijn veel zwaardere soortgenoot te hebben gecirkeld, het gas in de omgeving in beroering te hebben gebracht en al bestaande sterren te hebben verjaagd,kwam het uiteindelijk tot een botsing. Als dit scenario klopt zouden binnen een afstand van ongeveer 10.000 lichtjaar van het Melkwegcentrum een populatie van ongeveer duizend oude sterren te vinden moeten zijn die zich met hoge snelheden van het Melkwegcentrum verplaatsen. (EE)
CSI: Milky Way

4 maart 2013
Franse astronomen zijn erin geslaagd om afstanden en leeftijden van enkele zware röntgendubbelsterren in het Melkwegstelsel te bepalen. Op die manier konden ze de ligging van de spiraalarmen van de Melkweg traceren. Bij de analyse is gebruik gemaakt van waarnemingen van de Europese gammasatelliet Integral. De resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal. Zware röntgendubbelsterren bestaan uit een kleine, compacte neutronenster (of een stellair zwart gat) en een zware, hete hoofdreeksster. Die 'blauwe reus' blaast gas de ruimte in, dat sterk verhit wordt in de omgeving van de compacte begeleider en daardoor energierijke röntgenstraling uitzendt. Integral heeft inmiddels 35 van deze zware röntgendubbelsterren in het Melkwegstelsel gelokaliseerd. De sterrenkundigen pasten een statistische methode toe om de afstanden van de röntgensubbelsterren te bepalen. Zo ontdekten ze dat de objecten zich in de buurt van grote stervormingscomplexen bevinden, in de spiraalarmen van het Melkwegstelsel. Dat was niet verrassend: een zware röntgendubbelster is het eindstadium van een 'gewone' dubbelster die uit twee zware reuzensterren bestaat, en zulke sterren hebben maar een korte levensduur. Vervolgens werd van enkele röntgendubbelsterren onderzocht hoe ver ze zich inmiddels van het betreffende stervormingscomplex af bevinden, als gevolg van de zogeheten 'kick'-snelheid die het systeem ondervindt bij de supernova-explosie die tot de vorming van de neutronenster leidt. Op die manier werd afgeleid dat de röntgendubbelsterren gemiddeld enkele tientallen miljoenen jaren geleden zijn ontstaan, en sinds hun vorming zo'n 300 à 400 lichtjaar hebben afgelegd. (GS)
High mass X-ray binaries trace the Milky Way's spiral arms (origineel persbericht)

1 maart 2013
Onderzoekers van het Astrofysisch Instituut van de Canarische Eilanden hebben aanwijzingen gevonden dat de accretieschijf rond een zwart gat in onze Melkweg 'hoogteverschillen' vertoont. Deze kunnen het gevolg zijn van een golfbeweging die van binnen naar buiten door de schijf gaat (Science, 1 maart). Het onderzochte zwarte gat maakt deel uit van de röntgendubbelster Swift J1357.2 en heeft een normale ster als begeleider. Vanuit die ster stroomt materie naar het zwarte gat, die zich in een schijf rond deze laatste verzamelt. De materie in deze zogeheten accretieschijf, die we vrijwel van opzij zien, is zo heet dat zij röntgenstraling uitzendt. Bij het nieuwe onderzoek zijn variaties in de röntgenhelderheid van Swift J1357.2 waargenomen die niet aan de begeleidende ster kunnen worden toegeschreven. Deze heeft namelijk een omlooptijd van iets minder dan drie uur, terwijl de nogal onregelmatige variaties om de paar seconden optreden. Het lijkt er dus op dat 'iets' in de accretieschijf de directe omgeving van het zwarte gat aan het zicht kan onttrekken. De waargenomen röntgenvariaties zouden veroorzaakt kunnen worden doordat de materie in de accretieschijf op en neer gaat. De ontdekking kan mogelijk een oud vraagstuk helpen oplossen. Het aantal stellaire zwarte gaten dat we vanaf de aarde kunnen waarnemen, is namelijk onverklaarbaar klein. Na een halve eeuw van onderzoek zijn er in onze Melkweg pas achttien opgespoord. Vermoed werd al dat veel zwarte gaten niet te zien zijn, omdat ze door hun accretieschijf aan het zicht onttrokken worden. Eventuele golfbewegingen in zo'n schijf kunnen dat effect versterken. (EE)
Researchers find 'structure' in black hole accretion disk

28 februari 2013
Bij onderzoek met de Green Bank-radiotelescoop zijn twee nieuwe moleculen ontdekt die een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van leven. Deze zogeheten prebiotische moleculen zijn waarschijnlijk gevormd aan de oppervlakken van kleine deeltjes van ijs en stof. Het bestaan van de interstellaire moleculen kwam aan het licht bij waarnemingen van een grote gaswolk in de buurt van het centrum van de Melkweg. Het ene molecuul, cyanomethanimine, is een bouwsteen van adenine, een van de vier nucleobasen die de 'sporten' vormen in de ladderstructuur van ons DNA. Van het andere molecuul, ethanimine, wordt vermoed dat het rol speelt bij de vorming van alanine, een van de twintig natuurlijk voorkomende aminozuren. De nieuwe moleculen zijn herkend aan de specifieke radiostraling die zij uitzenden wanneer ze van de ene rotatietoestand in de andere overgaan. In het laboratorium is vastgesteld welke frequenties de verschillende prebiotische moleculen uitzenden. Vervolgens wordt in de gegevens van radiotelescopen gekeken of deze frequenties terug te vinden zijn in de radiostraling van moleculaire gaswolken. (EE)
Discoveries Suggest Icy Cosmic Start for Amino Acids and DNA Ingredients

27 februari 2013
Waarnemingen met de nieuwe 2,3-meter Aristarchos-telescoop in het Griekse Peloponnesosgebergte wijzen erop dat de centrale ster van de planetaire nevel KjPn8 een begeleider heeft. KjPn8 is een onregelmatig gevormd object in het sterrenbeeld Cassiopeia. Sterren zoals onze zon stoten aan het eind van hun bestaan een groot deel van hun atmosfeer af. Het restant van de ster zelf verandert vervolgens in een zogeheten witte dwerg: een compact, heet sterretje. Het afgestoten materiaal vormt een uitdijende gaswolk die soms een beetje op een planeetschijfje lijkt – vandaar de merkwaardige benaming voor deze objecten. De planetaire nevel KjPn8 werd eind jaren vijftig ontdekt met een telescoop van de Palomar-sterrenwacht in Californië. Latere waarnemingen lieten zien dat de nevel een drietal grote lobben vertoont. Door snelheden van deze lobben te meten, hebben astronomen nu de afstand en de ontstaansgeschiedenis van de planetaire nevel kunnen vaststellen. KjPn8 is ongeveer 6000 lichtjaar van ons verwijderd en de lobben zijn respectievelijk 3200, 7200 en 50.000 jaar geleden door de centrale ster uitgestoten. Uit de structuur en snelheid van de binnenste van de drie lobben leiden de astronomen af dat deze is ontstaan bij de overdracht van materie van een zware naar een minder zware ster. Bij dat proces wordt een deel van de materie terug de ruimte in geblazen in de vorm van twee tegengesteld gerichte bundels. Dat betekent dat zich in het hart van KjPn8 een dubbelster moet bevinden. Uniek is dat niet: ook andere planetaire nevels hebben een dubbelster in hun centrum. (EE)
New Greek observatory sheds light on old star

21 februari 2013
Diep in de halo – het sterrenarme buitenste omhulsel – van de Melkweg hebben astronomen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een schil van sterren, die het overblijfsel van een klein sterrenstelsel zou kunnen zijn. De ontdekking is gebaseerd op gegevens van de Hubble-ruimtetelescoop die voor een heel ander doel zijn verzameld. Het bestaan van de sterrenschil kwam aan het licht toen de astronomen, op maar liefst 80.000 lichtjaar van het centrum van de Melkweg, dertien sterren ontdekten die een duidelijke zijwaartse beweging vertonen. Dat is opvallend, omdat sterren in de halo doorgaans langgerekte banen volgen en vrijwel precies in de richting van het melkwegcentrum bewegen. De afwijkende beweging van de sterren is verklaarbaar als zich ter plaatse een verhoogde concentratie van sterren bevindt. Als we van grote afstand naar onze Melkweg zouden kunnen kijken, zouden we waarschijnlijk een boog van sterren zien, zoals die ook bij andere sterrenstelsels is waargenomen. De dertien sterren zijn opgedoken uit gearchiveerde Hubble-waarnemingen van het naburige Andromedastelsel. Bij deze waarnemingen was het onvermijdelijk dat de ruimtetelescoop door de halo van de Melkweg heen keek. Voor het onderzoek van het Andromedastelsel zijn zulke voorgrondobjecten alleen maar hinderlijk, maar voor astronomen die geïnteresseerd zijn in de bewegingen van halosterren zijn het de krenten in de pap. (EE)
Stellar Motions in Outer Halo Shed New Light on Milky Way Evolution

20 februari 2013
De Europese infraroodsatelliet Herschel heeft een koele laag ontdekt in de atmosfeer van de ster Alfa Centauri A. Het is voor het eerst dat zo'n laag bij een andere ster dan onze zon is waargenomen. Alfa Centauri A maakt deel uit van een drievoudig stersysteem op een afstand van iets meer dan vier lichtjaar. De drie sterren zijn de naaste buren van de zon, en qua massa, temperatuur, leeftijd en chemische samenstelling lijkt ster A nog het meest op laatstgenoemde. Een van de bijzonderheden van onze zon is het temperatuurverloop in het onderste deel van haar atmosfeer. Aan het oppervlak (de fotosfeer) wijst de thermometer 6000 graden aan, maar iets daarboven daalt de temperatuur tot 4000 graden, om vervolgens weer tot 10.000 graden te stijgen. Uit de Herschel-waarnemingen blijkt dat ook Alfa Centauri A zo'n koele tussenlaag heeft. Waarom dit deel van de atmosfeer koeler is dan hoger en lager gelegen delen, is nog onduidelijk. (EE)
A cool discovery about the Sun’s next-door twin

14 februari 2013
De galactische kosmische straling (bestaande uit energierijke elektrisch geladen deeltjes die met bijna de lichtsnelheid door het Melkwegstelsel vliegen) is afkomstig van supernovaresten - de uitdijende gasschillen die de ruimte in worden geblazen door exploderende sterren. Dat blijkt uit precisiemetingen, verricht met de Europese Very Large Telescope, aan de supernovarest van een sterexplosie die in het jaar 1006 werd waargenomen. Spectroscopische metingen met het VIMOS-instrument laten zien dat zich nabij het schokfront van deze supernovarest, waar de weggeblazen materie in botsing komt met het interstellaire gas, snel bewegende protonen bevinden. Die protonen kunnen in de omgeving van het schokfront gemakkelijk verneld worden tot de snelheden en energieën die representatief zijn voor de kosmische straling. De nieuwe metingen zijn op 14 februari gepubliceerd in SciencExpress. (GS)
Clues to the Mysterious Origin of Cosmic Rays — VLT probes remains of medieval supernova

14 februari 2013
Met de Amerikaanse Fermi Gamma-ray Space Telescope is ontdekt dat kosmische straling afkomstig is van supernovaresten in het Melkwegstelsel. Kosmische straling bestaat uit snel bewegende elektrisch geladen deeltjes (voornamelijk protonen, de kernen van waterstofatomen). Hun herkomst is moeilijk te achterhalen omdat ze tijdens hun reis naar de aarde afgebogen worden door magnetische velden in de interstellaire ruimte.Met de Fermi-telescoop is nu ontdekt dat twee supernovaresten (IC443, op ca. 5000 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Tweelingen, en W44, op ca. 10.000 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Arend) gammastraling uitzenden die geproduceerd wordt door het verval van pionen - kort levende deeltjes die ontstaan wanneer snelle protonen in botsing komen met interstellair gas.In een artikel dat vrijdag gepubliceerd wordt in Science schrijven de onderzoekers dat dit onomstotelijk aantoont dat supernovaresten de bron vormen van snelle, energierijke protonen. Hoe de protonen precies tot die hoge snelheden en energieën worden opgejaagd is nog steeds niet geheel duidelijk. (GS)
Proof: Cosmic Rays Come from Exploding Stars (origineel persbericht)

13 februari 2013
Nieuwe gegevens van de Amerikaanse röntgensatelliet Chandra wijzen erop dat de sterk vervormde supernovarest W49B een jong zwart gat bevat. W49B lijkt te zijn ontstaan bij een zeldzaam soort supernova-explosie, die ongeveer duizend jaar geleden heeft plaatsgevonden. Wanneer een zware ster zonder brandstof komt te zitten, stort zijn kern in. Dat is het begin van een reeks gebeurtenissen die in een supernova-explosie uitmondt. Doorgaans verlopen zulke supernova-explosies heel symmetrisch: het stellaire materiaal wordt min of meer gelijkmatig alle kanten op geblazen. Maar bij de W49B-supernova is het materiaal bij de polen van de ster met veel hogere snelheden weggeblazen dan het materiaal aan de evenaar. Dat asymmetrische verloop komt bijvoorbeeld tot uiting in de ongelijkmatige verdeling van het element ijzer, maar ook in de langgerekte vorm van de supernovarest. Maar wat is er met de kern van ster gebeurd? In de meeste gevallen stort deze ineen tot een neutronenster. Zo'n compact, rondtollend object is vaak een bron van karakteristieke röntgen- en radiopulsen. Bij W49B is daar echter niets van te bekennen. Volgens de astronomen die de supernovarest met Chandra hebben onderzocht, kan dat erop wijzen dat de sterkern niet tot een neutronenster is ingestort, maar tot een zwart gat. Een keihard bewijs daarvoor ontbreekt nog, maar als het inderdaad zo is, zou W49B wel eens het jongste zwarte gat van de Melkweg kunnen bevatten. (EE)
NASA's Chandra Suggests Rare Explosion Created Our Galaxy's Youngest Black Hole

5 februari 2013
De zogeheten sterrenwind - een stroom van elektrisch geladen deeltjes - van de reuzenster Zèta Puppis blijkt niet uniform te zijn, maar uit talloze kleine fragmenten te bestaan, met uiteenlopende snelheden en temperaturen. Dat concluderen sterrenkundigen op basis van waarnemingen van de ster met de Europese röntgentelescoop XMM-Newton. De röntgenstraling ontstaat door onderlinge botsingen van snellere en tragere verdichtingen in de sterrenwind, die daardoor verhit raken. De sterrenwind van Zèta Puppis (ook wel Naos geheten) is ongeveer honderdduizend keer zo krachtig als die van onze eigen zon.Uit het feit dat de röntgenstraling vrij constant is, volgt dat het aantal 'klontjes' of fragmenten zeer groot moet zijn. Op langere tijdschalen zijn wel opmerkelijke variaties waargenomen, vermoedelijk ontstaan door de invloed van incidentele 'sterrenwindvlagen'. Onderzoek aan dit soort sterrenwinden is van belang, omdat ze van grote invloed zijn op hun omgeving en daardoor op de evolutie van het Melkwegstelsel.De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in drie artikelen in Astronomy & Astrophysics en in The Astrophysical Journal. (GS)
Massive stellar winds are made of tiny pieces (origineel persbericht)

30 januari 2013
Pasgeboren sterren zijn, net als baby's, altijd hongerig: ze verorberen enorme hoeveelheden gas en stof. Een internationaal team van astronomen heeft nu een bijzondere 'babyster' ontdekt die onregelmatig wordt gevoed. Waarschijnlijk komt dat doordat de ster deel uitmaakt van een tweeling.De extreem jonge ster, die de aanduiding LRLL 54361 draagt, is ongeveer 100.000 jaar oud en staat op een afstand van ongeveer 950 lichtjaar in het sterrenbeeld Perseus. Uit waarnemingen met de satelliet Spitzer blijkt dat de ster eens in de 25 dagen tien keer zoveel infraroodstraling uitzendt als normaal. Deze periodiciteit wijst erop dat LRLL 54361 een nabije begeleider heeft die de toestroom van gas en stof hindert. Alleen wanneer die begeleider het meest nabije punt van zijn omloopbaan bereikt, kan materie de ster bereiken. Ook bij enkelvoudige babysterren gebeurt de opname van gas en stof uit de omgeving onregelmatig, maar nooit in zo'n strakke regelmaat. (EE)
International Team Observe ‘Hungry Twin’ Stars Gobbling Their First Meals

24 januari 2013
Een internationaal team onder leiding van Nederlandse sterrenkundigen heeft een verrassende ontdekking gedaan over de manier waarop pulsars straling uitzenden. De uitstoot van radio- en röntgenstraling door deze pulserende neutronensterren blijkt binnen enkele seconden gelijktijdig te kunnen veranderen, op een manier die niet te verklaren is met de gangbare theorieën. Het duidt op een snelle verandering van de hele magnetosfeer (Science, 25 januari). Pulsars hebben ongeveer de massa van de zon, maar een diameter van slechts ongeveer twintig kilometer. Ze hebben een zeer sterk magnetisch veld, dat ongeveer een miljoen keer sterker is dan de sterkste velden die we in een laboratorium op aarde kunnen maken. En terwijl ze zeer snel om hun as draaien – in milliseconden tot seconden – zenden ze als vuurtorens bundels van straling de ruimte in. Als de aarde in de lijn van deze bundels ligt, is een regelmatig patroon van pulsen te zien. Vandaar de naam pulsars. De eerste pulsars zijn in 1967 ontdekt aan de hand van hun radiostraling. Maar er is nog altijd geen overeenstemming over hoe die gepulste radiostraling precies wordt geproduceerd. Bovendien is de puls niet altijd regelmatig: de bundel radiostraling kan om de paar uur binnen een paar seconden een factor twee helderder of zwakker worden. Het is alsof de magnetosfeer van de pulsar in twee verschillende toestanden kan verkeren. Om deze omschakeling te onderzoeken hebben de sterrenkundigen de pulsar PSR B0943+10 waargenomen met onder meer de röntgensatelliet XMM-Newton en de LOFAR-radiotelescoop. Net als veel andere pulsars zendt PSR B0943+10 niet alleen radiostraling uit, maar ook (zwakke) röntgenstraling. Uit de waarnemingen blijkt verrassend genoeg dat op het moment dat de radiostraling van de pulsar meer dan halveert, gelijktijdig tweemaal zo veel röntgenstraling wordt uitgezonden, die ook nog alleen dan gepulst is. Een nadere analyse wijst erop dat de gepulste röntgenstraling afkomstig is van een hete plek op de magnetische pool, die verdwijnt zodra de radiostraling weer sterker wordt. Het opvallendste is dat deze gedaanteverandering zich binnen enkele seconden voltrekt, waarna de pulsar in zijn nieuwe toestand weer enkele uren een stabiele uitstoot van radio- en röntgenstraling vertoont. Dit gedrag kan niet worden verklaard met de bestaande theorieën over hoe straling in de magnetosfeer van pulsars wordt gevormd. Het is wel een sterke aanwijzing voor een snelle verandering van de hele magnetosfeer. (EE)
Kameleontische pulsar tart theorie

24 januari 2013
Op 21 februari 1901 onderging de ster GK Persei een krachtige explosie, die zich nog steeds uitbreidt. Een team van Spaanse en Estse astronomen heeft nu een reconstructie gemaakt van de manier waarop het door deze ster uitgestoten gas zich heeft verspreid. Verrassend genoeg lijkt dit gas sinds de explosie nauwelijks te zijn afgeremd.De astronomen hebben het restant van GK Persei, die ook bekendstaat als Nova Persei 1901, driedimensionaal in kaart gebracht met behulp van de Isaac Newton Telescope en de Nordic Optical Telescope op het Canarische eiland La Palma. De nieuwe nauwkeurige waarnemingen laten zien dat de snelheid van het bij de explosie uitgestoten gas nog steeds tussen de 600 en 1000 kilometer per seconde ligt.Dat is opmerkelijk, omdat astronomen ervan uitgingen dat de explosiewolk zou zijn afgeremd door de grote hoeveelheden materie die de ster eerder heeft uitgestoten. Ongeveer honderdduizend jaar geleden transformeerde GK Persei van een rode reuzenster in een witte dwerg. Daarbij stootte de ster zijn buitenste lagen uit, waaruit een zogeheten planetaire nevel ontstond. Het gas van de nova-explosie dijt zich momenteel binnen die reusachtige nevel uit, maar ondervindt er klaarblijkelijk niet veel hinder van. (EE)
The 3D fireworks of a star

22 januari 2013
De reuzenster Betelgeuze in het wintersterrenbeeld Orion komt over enkele duizenden jaren in botsing met een interstellaire gaswolk. Die voorzichtige conclusie trekken astronomen van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA uit nieuwe infraroodwaarnemingen van de ruimtetelescoop Herschel.Betelgeuze is in de winter zichtbaar als een heldere, oranjerode ster in de linkerbovenhoek van Orion. De ster staat op ca. 450 lichtjaar afstand en is duizend keer zo groot en honderdduizend keer zo lichtsterk als de zon. In de relatief nabije toekomst zal hij exploderen als supernova, en in de afgelopen tijd heeft hij al veel materie verloren in de vorm van krachtige sterrenwinden.Op de nieuwe Herschel-foto's, gemaakt op ver-infrarode golflengten, zijn nu boogvormige strcuturen te zien die geïnterpreteerd worden als een kosmische boeggolf: de sterrenwind van Betelgeuze komt, met een snelheid van ca. 30 kilometer per seconde, in botsing met de omringende ijle interstellaire materie.Op wat grotere afstand van de ster is echter ook een vrij rechte, langgerekte structuur zichtbaar - vermoedelijk een 'muur' van minder ijl gas. Uit de bekende bewegingssnelheid van de ster volgt dat de buitenste boog over ca. 5000 jaar in botsing komt met deze 'muur'. Betelgeuze zelf volgt nog eens 12.500 jaar later. (GS)
Betelgeuse Braces for a Collision (origineel persbericht)

10 januari 2013
Niet ver van het centrum van ons Melkwegstelsel bevindt zich een grote, donkere wolk van gas en stof die, ondanks zijn grote dichtheid, nauwelijks nieuwe sterren produceert. Astronomen van het California Institute of Technology denken nu te weten waarom. Gaswolken die een zekere dichtheid hebben, zouden onder invloed van hun eigen zwaartekracht tot groepen sterren moeten samentrekken. Maar de dertig lichtjaar grote gaswolk G0.253+0.016 doet daar nauwelijks aan mee. Hoewel zijn dichtheid 25 keer zo groot is als die van de Orionnevel, een productief stervormingsgebied, heeft hij nog maar weinig sterren afgeleverd. En die sterren zijn nog klein ook.Op zoek naar een verklaring voor die lage productie hebben de astronomen radiotelescopen op Hawaï en in Californië op G0.253+0.016 gericht. Daarmee hebben zij ontdekt dat de gaswolk, ondanks zijn hoge gemiddelde dichtheid, nauwelijks dichte kernen bevat die tot sterren zouden kunnen samentrekken. En dat lijkt te komen doordat het aanwezige gas extreem turbulent is.Het gas in G0.253+0.016 blijkt tot wel tien keer zo snel te bewegen als in soortgelijke gaswolken. De gemeten snelheden zijn zelfs zodanig groot, dat de zwaartekracht te zwak lijkt om G0.253+0.016 in stand te houden: de gaswolk staat op het punt om uit elkaar te vallen.De Caltech-onderzoekers vermoeden nu dat G0.253+0.016 in feite uit twee gaswolken bestaat die met elkaar in botsing zijn gekomen. In dat geval zou het gas over enkele honderdduizendden jaren voldoende tot rust kunnen zijn gekomen om de sterproductie op te voeren. De kans is echter groot dat G0.253+0.016 tegen die tijd weer een andere soortgenoot is tegengekomen, die het gas weer in beroering brengt. (EE)
A Cloudy Mystery

9 januari 2013
Astronomen hebben honderden voorheen onbekende stellaire kraamkamers in de Melkweg opgespoord. Daaronder bevindt zich ook de grootste die tot nu toe in ons sterrenstelsel is aantroffen: een kolossaal exemplaar met een middellijn van bijna 300 lichtjaar.Een stellaire kraamkamer – de officiële aanduiding is HII-gebied – is een grote interstellaire gaswolk waarin recent stervorming heeft plaatsgevonden. De hete, blauwe sterren die daarbij zijn ontstaan, bestoken hun omgeving met ultraviolette straling, waardoor een deel van de waterstofatomen in het gas geïoniseerd raakt (het enige elektron kwijtraakt).Doordat HII-gebieden behalve gas ook veel stof bevatten, zijn ze op visuele golflengten vaak moeilijk waarneembaar. Het opsporen van deze gebieden gebeurt daarom doorgaans met radiotelescopen en infraroodsatellieten: radio- en infraroodstraling ondervinden weinig hinder van stof.Leidraad was in dit geval de catalogus van de inmiddels uitgeschakelde infraroodsatelliet WISE, die de afgelopen jaren bijna tweeduizend potentiële HII-gebieden heeft opgespoord. Deze gebieden worden nu allemaal nagelopen met grote radiotelescopen in de VS (en straks ook Australië). Dankzij deze systematische zoekactie is het aantal bekende HII-gebieden al meer dan verdubbeld. Dat betekent dat stukje bij beetje ook een beter beeld ontstaat van de spiraalstructuur van de Melkweg, dat voor een belangrijk deel door de verdeling van stervormingsgebieden wordt bepaald.Een ander belangrijk doel van de zoekactie is het opsporen van verschillen in de chemische samenstelling van de diverse HII-gebieden. Deze kunnen worden gebruikt om de voorgeschiedenis van een stervormingsgebied te reconstrueren. (EE)
Mapping the Milky Way: Radio Telescopes Give Clues to Structure, History

9 januari 2013
Door waarnemingen van de Hubble Space Telescope en de Spitzer Space Telescope te combineren, zijn sterrenkundigen erin geslaagd om verschillende lagen in de dampkring van een bruine dwergster te onderscheiden. Bruine dwergen zijn extreem koele 'sterren' die te klein en te licht zijn voor de spontane fusie van waterstof in hun kern. In hun dampkring komen wolken voor van onder andere vloeibare druppels ijzer, siliciumverbindingen en calciumrijke mineralen. Bovendien is er sprake van extreem weer, met hoge windsnelheden en grote temperatuurvariaties.Door de helderheid van een bruine dwerg te meten gedurende één of meer rotaties, kan een indruk verkregen worden van de aanwezigheid van individuele wolken. Een team van astronomen onder leiding van Daniel Apai van de Universiteit van Arizona heeft dat soort metingen (aan de bruine dwerg 2MASSJ22282889-431026) nu tegelijkertijd verricht met twee ruimtetelescopen, die op verschillende golflengten waarnemen. Op die manier kunnen atmosferische lagen op verschillende diepte worden bestudeerd.Beide ruimtetelescopen zagen tijdens de rotatieperiode van de bruine dwerg (eens per anderhalf uur) helderheidsvariaties die wijzen op de aanwezigheid van wolken die mogelijk vergelijkbaar zijn met de Grote Rode Vlek in de dampkring van Jupiter. De helderheidsvariaties verliepen echter niet synchroon, wat informatie oplevert over de verticale structuur van de dampkring van de bruine dwerg.De nieuwe resultaten zijn vandaag gepresenteerd op de 221ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in Long Beach, en zijn gepubliceerd in Astrophysical Journal Letters. (GS)
NASA Telescopes See Weather Patterns in Brown Dwarf (origineel persbericht)

8 januari 2013
Met de Stratospheric Observatory for Infrared Astronomy (SOFIA) – de Amerikaans/Duitse 'vliegende sterrenwacht' – zijn nieuwe opnamen gemaakt van de ring van gas en stof rond het superzware zwarte gat in het centrum van de Melkweg. Niet eerder werd deze ongeveer zeven lichtjaar grote ring zo duidelijk in beeld gebracht.De ring die op de SOFIA-opnamen te zien is, is in feite het binnenste deel van de grote schijf van gas en stof die het vier miljoen zonsmassa's zware zwarte gat omgeeft. In de naaste omgeving ervan zijn diverse grote sterrenhopen te zien, die zeer heldere, jonge sterren bevatten.Het bestaan van deze sterrenhopen wijst erop dat er vier tot zes miljoen jaar geleden iets is gebeurd in het centrum van ons Melkwegstelsel dat tot een aantal geboortegolven van sterren heeft geleid. Wat precies de oorzaak is geweest, is nog onduidelijk, maar ook andere sterrenstelsels vertonen zulke 'starbursts' in hun kern. Soms lijken die te zijn veroorzaakt door een uitbarsting in de omgeving van het centrale zwarte gat, maar in andere gevallen ligt de oorzaak elders.SOFIA is een sterk gemodificeerd Boeing 747SP vliegtuig, dat een 2,5-meter telescoop aan boord heeft. De jumbojet brengt de telescoop naar een hoogte van bijna 14 kilometer, van waaruit onderzoek kan worden gedaan op infraroodgolflengten die noch door telescopen op aarde, noch door de ruimtetelescopen Hubble en Spitzer kunnen worden waargenomen. (EE)
SOFIA Spots Recent Starbursts in the Milky Way Galaxy's Center

8 januari 2013
Sterrenkundigen hebben extreem langgerekte slierten van gas en stof ontdekt die zich tussen de spiraalarmen van het Melkwegstelsel bevinden en die beschouwd kunnen worden als een soort 'endoskelet'. De koele slierten zijn vooral op infrarode golflengten zichtbaar, doordat ze dan donker afsteken tegen de zwakke warmtegloed van gas en stof op de achtergrond. Volgens onderzoekers van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics markeren deze Infrared Dark Clouds het centrale vlak van het Melkwegstelsel.Enkele jaren geleden werd al zo'n donkere wolk ontdekt die vanwege zijn kronkelige vorm 'Nessie' genoemd werd, naar het monster van Loch Ness. Nieuwe waarnemingen met de Spitzer Space Telescope en met radiotelescopen op de grond wijzen nu uit dat Nessie minstens twee en misschien wel acht keer zo lang is als oorspronkelijk gedacht: de sliert heeft een afmeting van enkele honderden lichtjaren, terwijl hij nergens dikker is dan twee of drie lichtjaar. Hij bevat naar schatting honderdduizend maal zo veel materie als de zon.Computersimulaties laten vergelijkbare gas- en stofslierten zien in het centrale vlak van spiraalvormige sterrenstelsels. Volgens onderzoeksleidster Alyssa Goodman, die de nieuwe resultaten vandaag bekend maakte op de 221ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in Long Beach, kunnen die slierten gezamenlijk beschouwd worden als het 'skelet' van het Melkwegstelsel. Ze omschrijft de afzonderlijke slierten dan ook als 'botten'. Naar alle waarschijnlijkheid bevinden ze zich precies in het centrale vlak van het Melkwegstelsel. Metingen aan de Infrared Dark Clouds kan dan ook nieuw licht werpen op de driedimensionale structuur van de Melkweg. (GS) 
First "Bone" of the Milky Way Identified

7 januari 2013
De Amerikaanse röntgensatelliet Chandra heeft een nieuw filmpje gemaakt van de activiteit van de Vela-pulsar – een snel ronddraaiende neutronenster die is overgebleven na de explosie van een zware ster, die ongeveer tienduizend jaar geleden heeft plaatsgevonden. De slechts ongeveer twintig kilometer grote neutronenster, die ruwweg duizend lichtjaar van ons verwijderd is, heeft een rotatietijd van slechts 89 milliseconden. Met andere woorden: hij tolt sneller om zijn as dan de hefschroef van een helikopter. En ondertussen blaast de neutronenster, met snelheden van meer dan 200.000 kilometer per seconde, een straal van geladen deeltjes de ruimte in. De Chandra-beelden van die deeltjesbundel laten zien dat de rondtollende neutronenster een kleine, trage schommelbeweging maakt. Dat kan erop wijzen dat hij niet volmaakt bolvormig is. Daarvoor is maar een heel kleine afwijking van de bolvorm nodig: de dichtheid van een neutronenster is zo groot, dat zelfs een vervorming van enkele tienden van een millimeter genoeg is om zo'n schommelbeweging te veroorzaken.Het traag heen en weer gaan van de bijna één lichtjaar lange deeltjesbundel van de Vela-pulsar kan overigens ook een andere oorzaak hebben. Het is denkbaar dat de richting ervan wordt beïnvloed door de sterke magnetische velden in de omgeving van de neutronenster. Als de Vela-pulsar echt een vervormde neutronenster is, zou hij volgens Einsteins algemene relativiteitstheorie ook een bron van zogeheten gravitatiegolven moeten zijn. Dat maakt het object tot een interessant doelwit voor de komende generatie van gravitatiegolfdetectors, die mogelijk uitsluitsel zullen geven over de werkelijke oorzaak van zijn schommelbeweging. (EE)
New Chandra Movie Features Neutron Star Action

2 januari 2013
Het centrum van ons sterrenstelsel, de Melkweg, is de bron van een continue stroom van geladen deeltjes. Deze deeltjesstroom is een bijproduct van de geboorte van nieuwe sterren en lijkt medeverantwoordelijk voor het magnetisch veld dat de Melkweg doordringt. Tot deze conclusie komt een internationale onderzoeksgroep met onder anderen de Nederlandse astronoom Marijke Haverkorn (Nature, 3 januari). De deeltjesstroom bevat buitengewoon veel energie – ongeveer net zoveel als een miljoen exploderende sterren en strekt zich uit over ongeveer vijftigduizend lichtjaar – de helft van de diameter van de Melkwegschijf. Vanaf de aarde gezien strekt de stroom zich uit over ongeveer tweederde van de hemel. Maar met het blote oog is hij niet waarneembaar: het bestaan ervan is ontdekt met de 64-meter Parkes-radiotelescoop in Australië.De enorme hoeveelheden geladen deeltjes in de stroom ontsnappen met snelheden van ongeveer duizend kilometer per seconde uit het centrum van de Melkweg. De radiostraling die zij uitzenden is het gevolg van hun interactie met het magnetische veld van ons sterrenstelsel. Tegelijkertijd voert de deeltjesstroom behalve gas en energierijke elektronen ook zijn eigen sterke magnetische veld mee.Het nieuwe onderzoek maakt aannemelijk dat de deeltjes afkomstig zijn van recente generaties van zware sterren in het centrum van de Melkweg, die na een kort leven als supernova zijn ontploft. (EE)
Melkwegkern spuwt deeltjesstromen door geboorte van miljoenen sterren

19 december 2012
Opnieuw doen astronomen een beroep op het grote publiek om te helpen bij het analyseren van de ontelbare hemelopnamen die tegenwoordig worden gemaakt. Ditmaal gaat het om opnamen van de infraroodsatellieten Herschel en Spitzer, waarop gaten in interstellaire stofwolken moeten worden aangewezen.Donkere plekken in interstellaire gaswolken worden vaak gezien als donkere stofwolken die zich vóór het gloeiende interstellaire gas bevinden. Maar vaak blijkt uit verder onderzoek dat het juist gaten in de gaswolk zijn, waar de donkere hemelachtergrond doorheen schemert.Dat onderscheid is minder makkelijk te maken dan het lijkt. Interstellaire stofwolken hebben nu eenmaal geen specifieke vormen. Dat maakt ze moeilijk herkenbaar voor computersoftware, en door de grote aantallen opnamen is het voor de astronomen onbegonnen werk om de klus zelf te klaren.De foto's die je bij The Milkyway Project voorgeschoteld krijgt bestaan uit Spitzer-opnamen waar Herschel-opnamen overheen zijn gelegd. De Herschel-satelliet ziet langere golflengten dan Spitzer en kan daardoor kouder materiaal detecteren. Aan de hand van de gecombineerde beelden kan worden vastgesteld of een door Spitzer opgespoorde donkere plek een gat of een donkere stofwolk is. (EE)
The Herschel Space Observatory needs you

19 december 2012
Sommige mensen zien er op hun 90ste nog prima uit, terwijl anderen al voor hun 50ste aftakelen. Dat wijst erop dat een oud uiterlijk soms meer een kwestie van levensstijl is dan van leeftijd. Uit nieuw onderzoek met de 2,2-meter MPG/ESO-telescoop van de ESO-sterrenwacht op La Silla en de Hubble-ruimtetelescoop blijkt dat dit ook voor bolvormige sterrenhopen geldt (Nature, 20 december).Bolvormige sterrenhopen zijn ronde verzamelingen van sterren die stevig in de greep van elkaars zwaartekracht zijn. Het zijn overblijfselen uit de begintijd van het heelal, met leeftijden van 12 tot 13 miljard jaar. Onze Melkweg telt ongeveer 150 van deze sterrenhopen. Sterrenhopen ontstaan in korte tijd, wat betekent dat hun sterren ruwweg allemaal even oud zijn. Doordat ze zo fel stralen, raken zware sterren heel snel door hun brandstof heen. De stokoude bolvormige sterrenhopen zouden dus alleen lichte, ‘zuinige’ sterren mogen bevatten.Dat blijkt echter niet zo te zijn: ze bevatten ook zogeheten blue stragglers ('blauwe nakomers') – relatief zware, hete sterren. Vermoed wordt dat deze jeugdig ogende sterren een 'infuus' van extra brandstof hebben gekregen, bijvoorbeeld door materie van een naburige ster te 'stelen' of door met een naburige ster samen te smelten.Naarmate een sterrenhoop ouder wordt, zinken zijn zware sterren – dus ook de relatief opvallende blue stragglers – naar het centrum. Dat gegeven is nu door de astronomen gebruikt om het verouderingsproces van 21 bolvormige sterrenhopen te onderzoeken. Uit dat onderzoek blijkt dat sommige bolvormige sterrenhopen jong lijken: hun blue stragglers zijn over de hele sterrenhoop verspreid. Een grotere groep ziet er ouder uit, omdat hun blue stragglers zich rond het centrum hebben verzameld. De rest zit daar tussenin. Theoretische modellen laten zien dit verouderingsproces op een ingewikkelde manier afhankelijk is van het aantal sterren, hun bevolkingsdichtheid en hun snelheid binnen de sterrenhoop. (EE)
Sterren verraden het geheim van een jong uiterlijk

11 december 2012
Een van de helderste sterren aan de nachthemel blijkt 200 miljoen jaar ouder te zijn dan werd gedacht. Daar zijn astronomen van de Universiteit van Michigan achter gekomen door zes verschillende telescopen te gebruiken.De wetenschappers gingen aan de slag met de zogenoemde Michigan Infrared Combiner. Dit apparaat weet het licht van zes verschillende telescopen te combineren tot één beeld met een hoge resolutie. Het is alsof de astronomen een telescoop gebruikten die ongeveer 100 keer groter is dan de Hubble-ruimtetelescoop.De hoge resolutie van het apparaat werd gebruikt om de precieze vorm van de Wega op te helderen. Daaruit kan de draaisnelheid van de ster worden berekend, wat op zijn beurt weer samenhangt met de leeftijd van de ster. De leeftijd van de relatief jonge Wega werd eerder geschat op 450 miljoen jaar en blijkt nu een stuk hoger te liggen. Ter vergelijking, onze zon brandt al bijna 4,6 miljard jaar.Wega staat in het sterrenbeeld Lier en is een van de helderste sterren van het noordelijke halfrond. Ze schijnt tweemaal zo helder als de zon en staat op een afstand van ongeveer 25 lichtjaar. Over pakweg twaalfduizend jaar zal Wega de poolster zijn, de ster die precies boven de noordpool van de aarde staat. (Roel van der Heijden)
An older Vega: New insights about the star all others are measured by

6 december 2012
Onderzoekers van het Leibniz-instituut voor astrofysica, in Potsdam (Duitsland), zijn er voor het eerst in geslaagd om de magnetische veldsterkte te bepalen van een donkere sterrenvlek. Daarbij is aangetoond dat sterrenvlekken, net als zonnevlekken, gepaard gaan met zeer sterke magnetische velden. Magnetische velden laten karakteristieke sporen achter in het spectrum van een ster – de verdeling van het sterlicht over de verschillende golflengten. Maar omdat sterrenvlekken heel donker zijn, en ongeveer tweeduizend graden koeler dan hun omgeving, is het heel moeilijk om het spectrum van zo'n gebied te analyseren. Speciaal voor dit doel hebben de astronomen complexe software ontwikkeld die het mogelijk maakt om de temperatuur en de verdeling van magnetische velden over het oppervlak van een ster te reconstrueren. De ster waarbij dat voor het eerst is gebeurd, is V410 Tauri, een jonge zonachtige ster in het sterrenbeeld Stier. Over enkele jaren zullen nog meer sterren van dit type onder de loep worden genomen. Het wachten is op een nieuw meetinstrument, de spectropolarimeter PEPSI, dat momenteel in Potsdam wordt ontwikkeld. In 2014 zal dit instrument worden gekoppeld aan de Large Binocular Telescope in Arizona. (EE)
From Sunspots to Starspots

23 november 2012
Terwijl de voorraden aardgas en aardolie op aarde langzaam maar zeker uitgeput raken, bestaan er elders in het heelal blijkbaar nog grote reserves. Astronomen hebben, met de 30-meter IRAM-radiotelescoop, voor het eerst cyclopropenyl-moleculen in ons Melkwegstelsel ontdekt. Cyclopropenyl behoort tot de kleine koolwaterstoffen (moleculen die uit koolstof- en waterstofatomen bestaan) en is een van de vele bestanddelen van aardolie.Het cyclopropenyl is aangetroffen in de Paardenkopnevel, een markante donkere wolk van gas en stof in het sterrenbeeld Orion. Echt om de hoek ligt dit 'galactische tankstation' niet: het is ongeveer 1300 lichtjaar van ons verwijderd. Nevels als de Paardenkopnevel staan bekend als chemische laboratoria. Door de inwerking van de intense straling van naburige sterren vinden in het gas de meest uiteenlopende chemische reacties plaats. Behalve cyclopropenyl hebben de astronomen in de Paardenkopnevel nog meer dan dertig andere moleculen aangetroffen, waaronder een flink aantal kleine koolwaterstoffen. Het gaat om verbazingwekkend grote hoeveelheden: de Paardenkopnevel bevat tweehonderd keer zoveel koolwaterstoffen dan er water is op aarde. (EE)
Kosmische Raffinerie

13 november 2012
Aan de hand van opnamen van de Canada-France-Hawaii Telescope (CFHT) op Hawaï en enkele ruimtelescopen hebben astronomen vastgesteld dat de sterrenhoop NGC 1980 duidelijk losstaat van het naburige stervormingsgebied van de Orionnevel. Ook is in de omgeving van NGC 1980 nog een kleinere sterrenhoop ontdekt, die grotendeels achter stofwolken schuilgaat.De Orionnevel is een van de spectaculairste gasnevels aan onze hemel. Zijn bestaan is al bekend sinds 1610, maar dat het een gebied is waar nieuwe sterren worden geboren, werd pas halverwege de vorige eeuw duidelijk. In de Orionnevel zijn talrijke jonge sterren en sterren-in-wording ontdekt.Ondanks al het onderzoek van de afgelopen decennia, blijkt de Orionnevel nog steeds voor verrassingen te kunnen zorgen. Uit onderzoek met de CFHT-telescoop blijkt dat de sterren in de Orionnevel niet één grote sterrenhoop vormen: het is een mengsel van verschillende sterrenhopen die op verschillende momenten zijn ontstaan.Het onderzoek laat zien dat NGC 1980, een verzameling zware sterren onde ster Iota Orionis, aan de rand van de Orionnevel, wat ouder is dan de Trapezium-sterrenhoop in het hart van de nevel. Bovendien staan de sterren van NGC 1980 wat dichterbij. Uit gegevens van de Europese röntgensatelliet XMM-Newton blijkt dat zich vlakbij NGC 1980 nóg een groepje sterren bevindt, dat achter een dichte stofwolk schuilgaat. Anders dan zichtbaar licht gaat de röntgenstraling van deze jonge sterren wel door het stof heen. Verdere waarnemingen zullen moeten uitwijzen welke sterren in het gebied bij de Orionnevel horen en welke bij NGC 1980. (EE)
A newly identified separate star cluster in front of the Orion Nebula Cluster

9 november 2012
Astronomen hebben ontdekt dat de dubbelster SDSS J0303+0054 in wolken van stof is gehuld. De dubbelster bestaat uit een witte dwergster – het compacte restant van een zonachtige ster – en een koele rode dwergster die in slechts drie uur om elkaar heen draaien.Het stof rond de dubbelster is waarschijnlijk een overblijfsel van de voorloper van de witte dwerg. Als een zonachtige ster alle brandstof in zijn kern heeft verbruikt, zwelt hij enorm op. Daarbij moet de begeleidende rode dwerg in de buitenste lagen van de ster terecht zijn gekomen. En de daardoor ontstane wrijving zorgde ervoor dat de rode dwerg steeds dichter naar de kern van de opgezwollen ster toe spiraalde. De energie die hierbij in het ijle omhulsel van de ster werd gepompt, zorgde ervoor dat deze zijn buitenlagen in versneld tempo kwijtraakte. Wat resteerde was een compacte dubbelster, bestaande uit de kern van de uitgeputte ster – de witte dwerg – en zijn kleine rode begeleider.Hoe en op welk moment het stof rond het tweetal is ontstaan, is nog onduidelijk. Mogelijk is het afkomstig van een planetoïdengordel die zich rond de opzwellende ster bevond. Het is denkbaar dat deze gordel zodanig werd verstoord, dat er talrijke botsingen tussen planetoïden optraden. Een andere mogelijkheid is dat het stof is ontstaan door condensatie van gas dat de rode dwerg aan zijn zwaardere metgezel heeft overgedragen. (EE)
WISE Discovers Mystery Dust Around a Dead Star with a Close Companion

8 november 2012
Astronomen hebben een nieuwe 'superaarde' ontdekt – een planeet die een slag groter is dan de aarde. De exoplaneet maakt deel uit van een stelsel van zes planeten die rond de nabije ster HD 40307 draaien. Volgens de ontdekkers bevindt de superaarde zich in de leefbare zone rond de ster – de gordel van gematigde temperaturen waar vloeibaar water kan bestaan en theoretisch ook leven mogelijk is.De leefbare planeet, die zeker zeven keer zo zwaar is als de aarde, is de buitenste van het zestal dat rond HD 40307 cirkelt. Zijn afstand tot de ster is vergelijkbaar met de afstand aarde-zon, maar HD 40307 is iets ouder en koeler dan onze zon. Toch denken de astronomen dat de superaarde genoeg energie van zijn ster ontvangt om een aards klimaat in stand te houden. Of de superaarde überhaupt een atmosfeer heeft moet overigens nog blijken.De ster HD 40307 staat op een afstand van 42 lichtjaar in het zuidelijke sterrenbeeld Pictor (Schilder). Dat de ster planeten heeft was al langer bekend: in 2008 werd de ontdekking van de eerste drie bekendgemaakt. Nu zijn daar dus nog eens drie bij gekomen. (EE)
New Super-Earth in six-planet system around nearby Sun-like star may be just right to support life

7 november 2012
De Leidse astronoom Simon Portegies Zwart heeft de evolutie gereconstrueerd van een voor onmogelijk gehouden dubbelstersysteem met planeten. Het gaat om de dubbelster HU Aquarius, bestaande uit een normale ster en een witte dwerg, waar mogelijk twee planeten omheen cirkelen. Met de nieuwe methode van Portegies Zwart kan ook de evolutie van andere stersystemen en planeten tot in detail worden ontrafeld. De resultaten worden gepubliceerd in het tijdschrift Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Een witte dwerg (het compacte overblijfsel van een zonachtige ster) wordt gevormd zodra de oorspronkelijke ster zijn gasmantel heeft weggeblazen. Bij dit gewelddadige proces passeert het gloeiende, weggeblazen gas eventueel aanwezige planeten. Het voortbestaan van planeten na de vorming van een witte dwerg werd dan ook voor onmogelijk gehouden. Uit het onderzoek van Portegies Zwart blijkt dat dit evolutiescenario toch de beste verklaring voor de waarnemingen oplevert. Doordat er twee planeten om de dubbelster draaien kon met zijn methode zelfs de massa van de ster waaruit de witte dwerg is ontstaan heel precies worden bepaald.Het bestaan van de tweede planeet is overigens nog niet bevestigd. Er zullen extra waarnemingen, verspreid over langere tijd, nodig zijn om dat mogelijk te maken. De overeenkomsten met de theoretische resultaten van dit onderzoek geven echter vertrouwen in de correctheid van de waarnemingen. (EE)
Planetenstelsel rond HU Aquarius toch mogelijk

6 november 2012
Op 9 februari van dit jaar heeft het zwarte gat in het centrum van de Melkweg een uitbarsting van röntgenstraling geproduceerd die heviger was dan alle voorgaande – voor zover gemeten dan (The Astrophysical Journal, 10 november). Tijdens de uitbarsting bereikte de röntgenintensiteit een waarde die 150 keer hoger was dan normaal.Vergeleken met sommige andere superzware zwarte gaten gedraagt het exemplaar in het Melkwegcentrum, dat officieel Sagittarius A* (Sgr A*) heet, zich tamelijk rustig. Ondanks dat zijn massa vier miljoen keer zo groot is, produceert het doorgaans niet veel meer energie dan onze zon. Ruwweg één keer per dag vertoont Sgr A* echter een opleving, die een paar uur duurt. Hoe deze uitbarstingen ontstaan, staat nog niet vast. Maar in februari van dit jaar opperden astronomen de mogelijkheid dat het zwarte gat in het Melkwegcentrum is gehuld in een wolk van biljoenen kometen en planetoïden, die het aan sterren in zijn omgeving heeft ontfutseld. Planetoïden die te dicht in de buurt van het zwarte gat komen, zouden verbrijzelen en bij hun tocht door het hete gas in de omgeving van Sgr A* verdampen. Dat laatste zou dan de waargenomen 'röntgenvlammen' kunnen verklaren. De komende tijd zal blijken hoe uitzonderlijk de uitbarsting van 9 februari was. Sinds begin dit jaar is Sgr A* namelijk het onderwerp van een groot onderzoeksprogramma van de Amerikaanse röntgensatelliet Chandra. (EE)
A burst of activity in the middle of the Milky Way

1 november 2012
Een team van Europese sterrenkundigen, onder wie de Nederlanders Kees de Jager en Hans Nieuwenhuijzen, heeft onlangs een dertig jaar durend onderzoek aan een zogeheten 'hyperreus' afgerond. Deze gigantische, extreem heldere ster maakte in die periode een spectaculaire ontwikkeling door, waarbij zijn oppervlaktetemperatuur met circa 3000°C toenam. Daarmee is een cruciale 'missing link' in de evolutie van hyperreuzen gevonden.Hyperreuzen zijn de allerhelderste sterren die we kennen. Een voorbeeld van zo'n hyperreus is HR 8752, een onopvallend geel sterretje in het sterrenbeeld Cassiopeia dat al met een kleine verrekijker te zien is. Dat 'sterretje' zendt 250 duizend keer zoveel licht uit als de zon en was tot voor kort 750 keer zo groot.Hyperreuzen zijn sterren die bijna aan het eind van hun leven zijn en langzaam opwarmen naar hun explosieve einde. Alle bekende hyperreuzen hebben oppervlaktetemperaturen in de buurt van 5000°C, maar naar verwachting zouden ze per honderdduizend jaar ongeveer 1000°C heter moeten worden. Je zou dus ook hyperreuzen verwachten met oppervlaktetemperaturen van 6000°C, 7000°C en hoger. Sterrenkundigen namen echter geen hyperreuzen waar in het gebied tussen 5000 en 12.000°C, een gebied dat de Gele Evolutionaire Leegte wordt genoemd.Berekeningen van de samenwerkende sterrenkundigen hebben aangetoond dat de atmosferen van hyperreuzen bij die temperaturen niet stabiel zijn. De naar buiten gerichte krachten, zoals de druk van het sterrengas, zijn dan sterker dan de naar binnen gerichte aantrekkingskracht. Daardoor móét de atmosfeer wel wegvliegen van de ster. Het onderzoek heeft verder laten zien dat de sterren alleen in een klein temperatuurgebied rond 8000°C weer even stabiel zijn.Geïntrigeerd door het gedrag van de hyperreus HR 8752, dat toen al enigszins verdacht leek, werd in de jaren tachtig besloten deze ster systematisch te gaan waarnemen. Nu, dertig jaar later, is duidelijk dat de ster een spectaculaire ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zijn oppervlaktetemperatuur is tussen 1985 en 2005, dus in slechts twintig jaar, met 3000°C toegenomen. Hij is nu, met een oppervlaktetemperatuur van 8000°C, weer voor enige tijd stabiel. Maar deze recente ontwikkeling is niet zonder kleerscheuren gegaan. De ster heeft een groot deel van zijn atmosfeer verloren en is nu nog 'maar' 400 keer zo groot als de zon.De waarnemingen laten voor het eerst een hyperreus zien die bezig is om de Gele Evolutionaire Leegte te doorlopen. Ze vormen een sterke bevestiging van het eerdere theoretische onderzoek. (EE)
Hyperreus blijkt na 30 jaar 'missing link'

25 oktober 2012
Duitse astronomen hebben een zeer snel rondtollende neutronenster ontdekt die een nauwe dubbelster vormt met een kleine, 'uitgeklede' ster. Het tweetal draait in slechts anderhalf uur om elkaar. Anders dan soortgelijke objecten is de neutronenster niet opgespoord op radio- of röntgengolflengten, maar in het veel moeilijker waarneembare gammagebied (Science, 26 oktober).Een neutronenster is het compacte restant van een zware ster die aan het einde van zijn leven is ontploft. Neutronensterren zenden twee bundels van straling de ruimte in en wentelen ondertussen soms wel honderden keren per seconde om hun as. Vanaf de aarde kunnen we zo'n dolgedraaide 'vuurtoren', die officieel pulsar wordt genoemd, aan en uit zien knipperen.De nu ontdekte pulsar, PSR J1311-3430, is in feite al in 1994 opgespoord als een sterke bron van energierijke gammastraling in het sterrenbeeld Centaurus. Maar nu pas is, aan de hand van metingen van de Amerikaanse gammasatelliet Fermi, komen vast te staan dat deze bron een pulserend karakter heeft. Dat was niet gemakkelijk, want per uur weet slechts één gammafoton van de pulsar de Fermi-satelliet te bereiken.De meetgegevens laten zien dat PSR J1311-3430 maar liefst 390 keer per seconde om zijn as tolt. Zijn begeleider is kleiner dan de planeet Jupiter, maar tegelijkertijd acht keer zo zwaar. Daaruit kan worden afgeleid dat zijn dichtheid enorm hoog is. Vermoed wordt dat de begeleider het restant is van een ster die een groot deel van zijn massa aan de pulsar heeft overgedragen.De beide objecten spiralen geleidelijk naar elkaar toe. Ze zijn elkaar inmiddels zo dicht genaderd dat hun onderlinge afstand niet veel groter is dan de afstand aarde-maan. Dat leidt ertoe dat het toch al schamele restant van de begeleidende ster door de intense straling van de pulsar wordt verhit en letterlijk bezig is om te verdampen. (EE)
A black widow's Tango Mortale in gamma-ray light

24 oktober 2012
Een internationaal team van astronomen heeft een kolossale foto gemaakt van het centrale deel van de Melkweg. Het mozaïek, dat is opgebouwd uit duizenden afzonderlijke opnamen van de VISTA infrarood-surveytelescoop van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht in Chili, bestaat uit bijna negen miljard pixels (beeldpunten). Dat is voldoende voor een haarscherpe posterafdruk van negen bij zeven meter.De VISTA-opnamen zijn gebruikt om een catalogus van sterren in het betreffende deel van de Melkweg samen te stellen. De astronomen zijn erin geslaagd om van 84 miljoen afzonderlijke sterren de kleur en de helderheid te meten. De catalogus bevat daarmee meer dan tien keer zoveel sterren als de gegevensbestanden van eerdere onderzoeken.Met de VISTA-gegevens is een grafiek gemaakt waarin de helderheden van de miljoenen sterren zijn uitgezet tegen hun respectieve kleuren. Zo'n 'kleur-helderheidsdiagram' is een waardevol hulpmiddel dat door astronomen wordt gebruikt om de verschillende fysische eigenschappen van sterren te onderzoeken, zoals hun temperaturen, massa’s en leeftijden. Een van de interessante resultaten die de nieuwe gegevens hebben opgeleverd, is het grote aantal zwakke, rode dwergsterren in dit deel van de Melkweg. (EE)
84 miljoen sterren en het tellen gaat door

23 oktober 2012
Al een tijdje hebben astronomen een grote wolk van gas en stof in de smiezen die op ramkoers ligt met het zwarte gat in het centrum van onze Melkweg. Wetenschappers hebben nu met gedetailleerde computersimulaties bepaald dat de wolk in ieder geval gedeeltelijk zal worden opgeslokt. Er is echter ook een gedeelte van de wolk die de ontmoeting waarschijnlijk zal overleven. Overigens kunnen de astronomen niet uitsluiten dat de wolk alsnog in zijn geheel in het zwarte gat zal verdwijnen. Als gevolg van de aantrekkingskracht van het zwarte gat, zal de wolk sterk versneld worden en opwarmen. Door de Röntgenstraling de daarbij uitgezonden wordt, zal het naderen van de wolk de goed gevolgd kunnen worden vanaf de aarde. Waarschijnlijk zal dit eind 2013 plaatsvinden. Het gas in de wolk is voornamelijk waterstof. Waar het stof in de wolk uit bestaat is nog een mysterie. In 2002 werd ze voor het eerst gespot in de buurt van het zwarte gat. Maar de details over de wolk werden dit jaar pas vastgesteld. (Roel van der Heijden)
Milky Way's black hole getting ready for snack

11 oktober 2012
Een internationaal team van astronomen heeft de röntgensatelliet Chandra ingezet voor een onderzoek van een twintigtal relatief nabije planetaire nevels. Het onderzoek moet meer inzicht geven in de laatste levensjaren van sterren zoals onze zon.Een planetaire nevel is het product van een stervende ster (een rode reus) die zijn buitenlagen heeft afgestoten. De straling van het hete restant van de ster (dat uiteindelijk een witte dwerg zal worden) brengt de uitgestoten schillen van gas en stof, die allerlei vormen kunnen aannemen, aan het gloeien. Tot nu toe zijn deze objecten vooral op zichtbare en infrarode golflengten onderzocht, wat veel informatie heeft opgeleverd over de buitenste delen van de nevel. In het röntgengebied kan dieper in de nevel worden gekeken, waardoor astronomen meer te weten kunnen komen over de hete materie die de ster het laatst heeft uitgestoten. Onder meer is vastgesteld dat het centrale deel van ongeveer één op de drie planetaire nevels een diffuse röntgengloed vertoont. Deze wordt toegeschreven aan de schokgolven die ontstaan waar de hevige sterrenwind van de centrale ster in botsing komt met de eerder uitgestoten gasschillen. Ook vertoont ongeveer de helft van de planetaire nevels een kleine puntbron van röntgenstraling. Deze straling zou afkomstig kunnen zijn van een (voorheen onwaarneembare) begeleider van de centrale ster. Dat bevestigt de theorie dat de vreemde vormen van veel planetaire nevels worden veroorzaakt door het feit dat hun centrale sterren deel uitmaken van een dubbelster. (EE)
Sweeping X-Ray Imaging Survey Of Dying Stars Is ‘Uncharted Territory’

10 oktober 2012
Franse wetenschappers hebben met de Europese röntgensatelliet XMM-Newton een nieuwe bron van kosmische straling opgespoord: een sterrenhoop nabij het centrum van de Melkweg. De tienduizenden jonge sterren van deze sterrenhoop komen met hoge snelheid in botsing met gaswolken in de omgeving, waardoor schokgolven ontstaan die de gasatomen een grote snelheid geven. Dat resulteert in een betrekkelijk energiearme vorm van deeltjesstraling.De eigenlijke deeltjesstraling kunnen we vanaf de aarde niet waarnemen: deze wordt tegengehouden door de zonnewind, de stroom deeltjes die de zon voortdurend uitzendt. Maar vermoed werd dat interacties tussen sterrenhopen en hun omgeving een belangrijke bron van dit type kosmische straling zouden kunnen zijn. Ook was op theoretische gronden al voorspeld dat bij zulke interacties een karakteristiek soort röntgenstraling vrijkomt. Die straling is nu voor het eerst waargenomen.Het bestaan van kosmische straling is al honderd jaar bekend. Een belangrijk gedeelte ervan is afkomstig van supernova-explosies. Die energierijkere deeltjesstraling bereikt de aarde wel. (EE)
New type of cosmic ray discovered after 100 years

10 oktober 2012
Astronomen hebben een opvallende spiraalstructuur ontdekt in het materiaal rond de oude ster R Sculptoris. Het is niet voor het eerst dat zo'n structuur rond een rode reuzenster is waargenomen. Maar het is wel voor het eerst dat die spiraal ruimtelijk in kaart kon worden gebracht. Het ontstaan ervan moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan een (niet waarneembare) begeleidende ster die om de rode reus cirkelt (Nature, 11 oktober).Laat in hun leven veranderen sterren van maximaal acht zonsmassa’s in rode reuzen die een sterke sterrenwind produceren en daardoor veel massa kwijtraken. Tijdens dit rodereuzenstadium ondergaan de sterren ook periodieke 'thermische pulsen'. Dat zijn kortstondige fasen van explosieve heliumverbranding in een schil rond de kern van de ster. Zo’n puls leidt ertoe dat er in hoog tempo materiaal van het steroppervlak wordt weggeblazen, wat in de vorming van een grote schil van gas en stof resulteert. Na de puls neemt het massaverlies van de ster weer af.Zulke pulsen treden ongeveer eens in de 10.000 à 50.000 jaar op en duren slechts een paar honderd jaar. De nieuwe waarnemingen van R Sculptoris tonen aan dat deze ster ruwweg 1800 jaar geleden een thermische puls heeft ondergaan die ongeveer tweehonderd jaar duurde. Onder invloed van de (veronderstelde) begeleidende ster nam het uitgestoten gas een spiraalvorm aan.De ontdekking is gedaan met de internationale Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) in het noorden van Chili. Op het moment van de waarnemingen was ALMA nog niet voor de helft compleet, maar presteerde deze opstelling van schotelantennes al wel veel beter dan andere telescopen die gevoelig zijn voor submillimeterstraling. (EE)
Verrassende spiraalstructuur ontdekt met ALMA

9 oktober 2012
De Europese infraroodsatelliet Herschel heeft ontdekt dat een gaswolk in het sterrenbeeld Stier zeer veel waterdamp bevat. Met de waargenomen hoeveelheid waterdamp kunnen alle oceanen op aarde tweeduizend keer worden gevuld. Daarnaast bevat de gaswolk waarschijnlijk een nog veel grotere hoeveelheid bevroren water.De zeer koude gaswolk, Lynds 1544 geheten, maakt deel uit van een grote stellaire kraamkamer. Hij staat min of meer op het punt om samen te trekken tot wat uiteindelijk een nieuwe ster zal zijn. Het is voor het eerst dat er in zo'n 'pre-stellaire kern' waterdamp is waargenomen.Een wolk als deze bestaat niet alleen uit gas, maar bevat ook grote hoeveelheden stofdeeltjes die in een manteltje van ijs zijn gehuld. De door Herschel waargenomen waterdamp is waarschijnlijk vrijgekomen door de inwerking van energierijke kosmische straling op dat ijzige stof.Dat betekent dat gedetecteerde waterdamp slechts het topje van de ijsberg moet zijn. Geschat wordt dat Lynds 1544 meer dan drie miljoen keer zoveel (bevroren) water bevat als alle oceanen op onze planeet bij elkaar. De Herschel-waarnemingen laten zien dat de watermoleculen naar het hart van de gaswolk stromen, de plek waar zich uiteindelijk een nieuwe ster, en waarschijnlijk ook een nieuw planetenstelsel zal vormen. (EE)
Large water reservoirs at the dawn of stellar birth

5 oktober 2012
NASA-satelliet Swift heeft medio september een krachtige uitbarsting van röntgenstraling waargenomen van een object in de buurt van het centrum van ons Melkwegstelsel. De uitbarsting verraadt het bestaan van een tot nu toe onbekend zwart gat dat een normale, zonachtige ster als begeleider heeft. Een dubbelster die (met enige regelmaat) een röntgenuitbarsting vertoont wordt ook wel een röntgendubbelster genoemd. Zo'n uitbarsting ontstaat wanneer een compact object – een neutronenster of een zwart gat – een flinke hoeveelheid stellair gas te verwerken krijgt. Dat het in dit geval om een zwart gat moet gaan, blijkt uit de kenmerken van de waargenomen röntgenstraling. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen hoe zwaar het zwarte gat in deze röntgendubbelster is. (EE)
NASA's Swift Satellite Discovers a New Black Hole in our Galaxy

5 oktober 2012
Wetenschappers publiceren vandaag een artikel in tijdschrift Science waarin ze een ster beschrijven die in 11,5 jaar een rondje rondom een zwart gat voltooid. Een record. Net als planeten rondom een ster kunnen draaien, kunnen sterren op hun beurt rond zwarte gaten draaien. De ster S0-102, die werd gevonden met de Kecktelescoop op Hawaï, voltooit haar omloop in 11,5 jaar. Daarmee wordt het oude record van S0-2 ruimschoots verbroken. Die ster draait rondom hetzelfde zwarte gat en heeft 16 jaar nodig voor een rondje.Het betreffende zwarte gat Sagittarius A* is te vinden in het centrum van onze Melkweg en heeft een massa van vier miljoen zonsmassa’s. Het zwarte gat is zelf niet in het zichtbare lichtspectrum te zien, maar juist het feit dat er een groot aantal sterren met hoge snelheid omheen draaien verraadt dat er zich daar een zeer zwaar object moet bevinden.Wetenschappers denken dat ze met deze ontdekking uiteindelijk de algemene relativiteitstheorie van Einstein kunnen testen. Die theorie zegt dat de ruimtetijd wordt vervormd door de zwaartekracht. Bij extreem zware objecten als Sagittarius is deze vervorming zo groot dat hij waargenomen zou moeten worden in de banen van de sterren die er omheen draaien. (Roel van der Heijden)
The Shortest-Known–Period Star Orbiting Our Galaxy’s Supermassive Black Hole

4 oktober 2012
Terwijl astronomen op zoek waren naar een zwart gat in de kern van sterrenhoop Messier 22 (M22), vonden ze er tot hun verrassing twee. Omdat dat niet strookt met de huidige theorieën haalt de ontdekking deze week het wetenschappelijke tijdschrift Nature.De zwarte gaten hebben een massa van tussen de 10 en 20 zonsmassa’s en bevinden zich op een kleine afstand van het centrum van sterrenhoop M22. Dit soort sterrenhopen zijn verzamelingen van honderdduizenden dicht op elkaar gepakte sterren. De huidige theorie zegt dat veel van die hopen in het centrum een zwart gat bevatten. Echter, voor meerdere zwarte gaten zou in een volwassen sterrenhoop als M22 geen plaats zijn.Als er namelijk meerdere zwarte gaten door de zwaartekracht naar het centrum van de sterrenhoop zakken, raken ze daar in een chaotische dans met elkaar verwikkeld. Ze worden zo nagenoeg allemaal uit de sterrenhoop geslingerd. Uiteindelijk blijft er theoretisch maar één zwart gat over. Dat er nu toch een zwarte gat-duo is ontdekt laat volgens de auteurs van het Nature-artikel zien dat de huidige modellen moeten worden verbeterd.M22 is op een afstand van ruim 10.000 lichtjaar een van de meest nabij gelegen sterrenhopen. Hij kan onder goede omstandigheden met het blote oog worden waargenomen als een lichtvlekje aan de sterrenhemel. (Roel van der Heijden)
Black hole surprise in ancient star cluster

3 oktober 2012
Een Japans onderzoeksteam heeft met verschillende radiotelescopen ons Melkwegstelsel nauwkeurig opgemeten. Uit de metingen blijkt dat de afstand van de zon, en in de praktijk dus ook de aarde, tot het centrum van de Melkweg 26.100 lichtjaar bedraagt. Deze waarde wijkt nauwelijks af van eerdere metingen. Maar de snelheid waarmee het zonnestelsel om het centrum van de Melkweg draait blijkt aanzienlijk groter te zijn: 240 in plaats 220 kilometer per seconde. Dat betekent dat ons sterrenstelsel twintig procent meer donkere materie moet bevatten dan gedacht. Anders zou de massa ervan namelijk te klein zijn om sterren als de zon in hun huidige baan te houden. De metingen zijn verricht met VERA, een Japans netwerk van radiotelescopen dat speciaal is opgezet om zogeheten parallaxmetingen van verre objecten in de Melkweg te kunnen doen. (EE)
Mass of Dark Matter Revealed by Precise Measurements of the Galaxy

27 september 2012
In het jaar 1006 werd de helderste supernova-explosie ooit geobserveerd. Wetenschappers van de Universiteit van Barcelona zeggen nu dat die explosie is ontstaan doordat twee witte dwergsterren in botsing zijn gekomen. Het onderzoek is vandaag in Nature gepubliceerd. Supernova’s oftewel exploderende sterren zijn de meest gewelddadige en helderste gebeurtenissen in het universum. Eén manier waarop zo’n explosie kan ontstaan is als een kleine witte dwergster grote hoeveelheden materie weet aan te trekken van een begeleidende ster. Wanneer de witte dwerg op die manier zwaarder wordt dan 1,4 keer de massa van de zon zal zij onvermijdelijk exploderen als een heldere supernova.Om te achterhalen of dat ook het mechanisme is geweest achter de supernova die in 1006 werd gezien zochten astronoom Jonay Hernández en collega’s naar de mogelijk begeleidende ster die er nog steeds zou moeten zijn. In de regio van de explosie werd echter niets meer dan de resten van de explosie zelf gevonden. Mede op basis daarvan concluderen de astronomen dat het hier om twee witte dwergen ging die samensmolten en beiden explodeerden, zonder dat er een begeleidende ster aan te pas kwam. In grote delen van de wereld werd er in mei 1006 melding gedaan van een nieuwe, zeer heldere ‘ster’ aan de hemel. Sommigen astronomen schatten de helderheid van het object een kwart van de volle maan. Wekenlang was de explosie zichtbaar aan de hemel, naar verluidt zelfs overdag. We weten nu dat het om een supernova-explosie ging op een afstand van 7000 lichtjaar van de aarde. De resten van de explosie zijn met telescopen nog steeds waar te nemen. (RvdH)
No surviving evolved companions of the progenitor of SN 1006

25 september 2012
Gebruikmakend van onder andere data van NASA’s Chandra X-Ray Observatory hebben astronomen ontdekt dat de Melkweg zich midden in een grote halo van ijl, heet gas bevindt. De massa van deze gaswolk is vergelijkbaar met de massa van alle sterren in de Melkweg.Astronomen hebben al langer een vermoeden dat er zich grote hoeveelheden warm gas rond de Melkweg ophouden, maar de vraag is hoe groot deze halo is en hoe zwaar hij is. Door data van verschillende röntgensatellieten te combineren konden de onderzoekers van onder andere de Harvard-universiteit nu beeld krijgen van het heetste gas in de halo (1 tot 2,5 miljoen graden Kelvin). Het bleek dat er juist erg veel van dit extreem hete gas aanwezig is, dat in eerdere onderzoeken niet gedetecteerd werd.Deze ontdekking zou wel eens een oplossing kunnen zijn voor het probleem dat astronomen denken te weinig baryonen (protonen en neutronen) te zien in het huidige universum. Metingen aan extreem verre sterrenstelsels laten zien dat er in het vroege heelal veel meer baryonen waren. Deze zouden dus in de moeilijk waarneembare halo’s van sterrenstelsels kunnen zitten. (RvdH)
NASA's Chandra Shows Milky Way is Surrounded by Halo of Hot Gas

11 september 2012
In 1604 verscheen plotseling een 'nieuwe ster' aan de hemel die veel helderder was dan de planeet Jupiter en in de loop van enkele weken weer uitdoofde. Achteraf bleek dat een supernova-explosie te zijn geweest, waarvan het nagloeiende restant nog steeds waarneembaar is. Waarnemingen van de Amerikaanse röntgensatelliet Chandra wijzen erop dat de supernova, die werd waargenomen door onder anderen de beroemde Duitse astronoom Johannes Kepler, ongewoon helder was. Uit een eerdere analyse van de Chandra-waarnemingen was al gebleken dat Keplers supernova van 'type Ia' was. Dat betekent dat het een ontploffende witte dwergster betrof. Opmerkelijk was wel dat het restant van deze supernova veel minder symmetrisch was dan de overblijfselen van andere supernova-explosies van dit type. Een nieuwe analyse van de wijze waarop het supernova-restant uitdijt laat zien dat zijn afstand tot de aarde 16.000 tot 20.000 lichtjaar bedraagt. Eerdere schattingen kwamen uit op 13.000 lichtjaar. Dat betekent dat Keplers supernova aanzienlijk helderder moet zijn geweest dan een gemiddelde supernova van type Ia.
Meer informatie:
Was Kepler's Supernova Unusually Powerful?

11 september 2012
De zware reuzenster NGC 1624-2 die zich op 20.000 lichtjaar afstand bevindt in het sterrenbeeld Perseus blijkt een magnetisch veld te hebben dat 20.000 keer zo krachtig is als het magnetisch veld van de zon. Nooit eerder is een zware reuzenster ontdekt met zo'n sterk magneetveld (kleine, extreem compacte neutronensterren kunnen wel veel sterkere magneetvelden hebben). De ster is bestudeerd met de 9,2-meter Hobby Eberly Telescope in Texas en met de 3,6-meter Canada France Hawaii Telescope op Mauna Kea. Zoals alle zware reuzensterren vertoont NGC 1624-2 een krachtige sterrenwind; in de loop van zijn totale levensduur (van slechts ca. 5 miljoen jaar) verliest de ster uiteindelijk ongeveer dertig procent van zijn massa. Uit de metingen, die gepubliceerd worden in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society , blijkt niet alleen dat de ster een extreem sterk magneetveld heeft, maar ook dat hij opmerkelijk traag om zijn as draait: eens in de 160 dagen. De onderzoekers vermoeden dat die trage rotatie het gevolg is van een soort magnetische afremming: de roterende ster sleept de relatief dichte sterrenwind met zich mee, en omdat die wind uit elektrisch geladen deeltjes bestaat, wordt de beweging ervan afgeremd door het magnetisch veld.
Meer informatie:
Origineel persbericht
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

4 september 2012
Japanse astronomen hebben met de 45-meter radiotelescoop van Nobeyama een moleculaire gaswolk ontdekt die een merkwaardige krulstaartvorm vertoont. De gaswolk ligt in het centrum van ons Melkwegstelsel, op een afstand van ongeveer 30.000 lichtjaar. Binnen een straal van 600 lichtjaar van het Melkwegcentrum bevindt zich een hoge concentratie van sterren en dichte gaswolken waaruit nieuwe sterren ontstaan. Deze objecten volgen langgerekte banen om het centrum die in twee haaks op elkaar staande groepen kunnen worden onderverdeeld. Waar deze banen elkaar snijden, komt het vaak tot botsingen tussen gaswolken, waardoor het aanwezige gas wordt samengedrukt en een nieuwe generatie van sterren kan ontstaan. De 'krulstaartwolk', die voldoende gas bevat voor de vorming van enkele honderdduizenden zonnen, lijkt zich precies op zo'n kruispunt van banen te bevinden. Hij is relatief warm en bevat moleculen waarvan bekend is dat ze onder invloed van schokgolven ontstaan. Bovendien blijkt uit metingen dat de 'voet' van de krulstaart bestaat uit twee afzonderlijke moleculaire wolken die met verschillende snelheden door de ruimte bewegen. Het is niet voor het eerst dat zo'n krulstaartvormige gaswolk in het Melkwegcentrum is ontdekt, maar dit is wel de meest duidelijke tot nu toe. De merkwaardige vorm van deze gaswolken wordt toegeschreven aan de wisselwerking tussen de magnetische velden van de botsende gaswolken.
Meer informatie:
Discovery of the 'Pigtail' Molecular Cloud

4 september 2012
De Europese Planck-kunstmaan, die in 2009 is gelanceerd en onderzoek doet aan de kosmische achtergrondstraling, heeft radiostraling uit het centrum van ons eigen Melkwegstelsel ontdekt die mogelijk indirect afkomstig is van donkere materie. Dat beweren wetenschappers van het Deense Niels Bohr Instituut in een artikel dat gepubliceerd is op de preprint-server arXiv.org, maar dat overigens nog niet geaccepteerd is voor publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift. Het gaat om zogeheten synchrotronstraling, die ontstaan wanneer elektrisch geladen deeltjes door een magnetisch veld bewegen. Die deeltjes zijn negatief geladen elektronen en hun antideeltjes, de positief geladen positronen. Omdat antimaterie geen lange levensduur heeft (zodra antideeltjes in botsing komen met gewone deeltjes treedt wederzijdse annihilatie op), moet de voorraad elektronen en positronen voortdurend worden aangevuld. Dat gebeurt volgens de Deense onderzoekers als gevolg van onderlinge botsingen van donkere-materiedeeltjes. Het bestaan van grote hoeveelheden donkere materie in het heelal wordt afgeleid uit zwaartekrachtmetingen. De donkere materie bestaat vermoedelijk uit zeer zware onbekende elementaire deeltjes, maar hun ware aard is nog steeds een raadsel. De Planck-metingen vormen mogelijk een belangrijke aanzet tot de oplossing van het mysterie.
Meer informatie:
Persbericht Niels Bohr Institute
Preprint op arXiv.org
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

29 augustus 2012
Een team van astronomen, onder wie de Leidse hoogleraar Ewine van Dishoeck, heeft met behulp van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) suikermoleculen ontdekt in het gas rond een jonge, zonachtige ster. Het is voor het eerst dat er in de ruimte rond zo'n ster suiker is gedetecteerd. Ontdekt is dat het gas rond de jonge dubbelster IRAS 16293-2422 moleculen van glycolaldehyde bevat. Glycolaldehyde is al eens eerder in de interstellaire ruimte waargenomen, maar nog nooit zo dicht bij een zonachtige ster. De ontdekking bewijst dat sommige van de chemische bestanddelen die nodig zijn voor het ontstaan van leven al aanwezig zijn op het moment dat er uit het gas en stof rond een ster planeten kunnen ontstaan. Ook laten de ALMA-waarnemingen zien dat de suikermoleculen naar een van de sterren in het stelsel toe vallen. De suikermoleculen bevinden zich niet alleen op de juiste plek om op een planeet terecht te komen, maar bewegen dus ook de goede kant op.
Meer informatie:
ALMA boekt zoet resultaat
Sweet Result from ALMA

28 augustus 2012
Een extreem compacte dubbelster op 3000 lichtjaar afstand van de aarde, bestaande uit twee witte dwergen die elke 13 minuten op kleine afstand om elkaar heen draaien, blijkt energie te verliezen op een wijze die exact in overeenstemming is met Einsteins algemene relativiteitstheorie. De twee sterren, qua grootte vergelijkbaar met de aarde, staan op een onderlinge afstand van ruim 100.000 km - één derde van de afstand aarde-maan. Ze hebben echter een massa die vergelijkbaar is met die van de zon. Twee grote massa's die zo sterk versneld worden, produceren volgens Einsteins relativiteitstheorie zwaartekrachtsgolven - verstoringen in de structuur van de ruimtetijd die zich met de lichtsnelheid voortplanten. Als gevolg daarvan verliest het stelsel energie, en moet de onderlinge afstand geleidelijk aan steeds kleiner worden. Een soortgelijke baankrimp is eerder al gedetecteerd in de radiosignalen van twee dubbele neutronensterren. Nu is het verschijnsel voor het eerst aangetoond op zichtbare golflengten, bij een dubbele witte dwerg. De omlooptijd van de twee witte dwergen, die afgeleid kan worden uit nauwkeurige tijdstipmetingen van hun onderlinge bedekkingen, blijkt zes seconden kleiner te zijn geworden in de loop van een jaar. Naar verwachting zullen de twee sterren over ca. twee miljoen jaar met elkaar in botsing komen.
Meer informatie:
Space-Warping White Dwarfs Produce Gravitational Waves
Persbericht University of Texas
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

27 augustus 2012
Het Amerikaanse United States Naval Observatory heeft de vierde en laatste editie gepubliceerd van de CCD Astrograph Catalog - een zeer nauwkeurige catalogus met posities van 113 miljoen sterren, van de allerhelderste (Sirius) tot aan sterren van magnitude 16 (tienduizend keer zo zwak als wat op een donkere nacht nog net met het blote oog zichtbaar is). De sterposities in de catalogus hebben een nauwkeurigheid van ca. 20 milliboogseconden. Door de sterposities te vergelijken met die van oudere opnamen kunnen van veel sterren ook nauwkeurige eigenbewegingen worden vastgesteld. De benodigde metingen zijn verricht tussen 1998 en 2004 met een speciale telescoop die twee jaar in Flagstaff, Arizona heeft gestaan en twee jaar op Cerro Tololo in Chili. Inmiddels is een gevoeliger camera al begonnen met de waarnemingen voor een nog uitgebreidere en nauwkeuriger stercatalogus.
Persbericht United States Naval Observatory
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

13 augustus 2012
Het centrum van ons Melkwegstelsel zendt gammastraling uit die afkomstig kan zijn van deeltjes donkere materie die elkaar vernietigen. Dat schrijven wetenschappers van de Universiteit van Californië in Irvine in het tijdschrift Physical Review D. Deze inschatting is gebaseerd op gegevens die de afgelopen vier jaar zijn verzameld met NASA's gammasatelliet Fermi. Uit een analyse van die gegevens blijkt dat er meer gammastraling uit het melkwegcentrum afkomstig is dan vooraf werd verwacht. Gammastraling is een zeer energierijke vorm van elektromagnetische straling, die vrijkomt bij radioactief verval en andere hoogenergetische deeltjesprocessen. De eigenschappen van de waargenomen gammastraling zijn in goede overeenstemming met de theoretische voorspellingen van het gedrag van donkere materie. Deze materie, die vermoedelijk ongeveer 85 procent van de totale massa van het heelal voor haar rekening neemt, zendt normaal gesproken geen waarneembare vorm van straling uit. Maar de hypothetische deeltjes waaruit de donkere materie bestaat, de zogeheten WIMPs, kunnen met elkaar in botsing komen. Wanneer twee van die deeltjes op elkaar stuiten, annihileren ze elkaar. Bij dat proces komen allerlei andere deeltjes vrij, waaronder gammafotonen. Hoewel de gammastraling uit het Melkwegcentrum van botsende WIMPs afkomstig kán zijn, kan daarover nog geen zekerheid worden verkregen. De waargenomen straling kan ook van andere bronnen afkomstig zijn.
Meer informatie:
Gamma rays from galactic center could be evidence of dark matter

9 augustus 2012
Astronomen uit Zwitserland, Engeland en China hebben grote hoeveelheden donkere materie ontdekt in de omgeving van de zon. Hun resultaten zijn in overeenstemming met de theorie dat ons Melkwegstelsel is gehuld in een 'halo' van materie die geen waarneembare vorm van straling uitzendt, maar wel zwaartekracht uitoefent. Het bestaan van donkere materie werd al in de jaren '30 van de afgelopen eeuw opgemerkt door de Zwitsers-Amerikaanse astronoom Fritz Zwicky, die ontdekte dat clusters van sterrenstelsels door een onzichtbare 'hand' bijeen worden gehouden. Rond dezelfde tijd ontdekte de Nederlandse astronoom Jan Oort dat de materiedichtheid in de omgeving van de zon bijna tweemaal zo groot moest zijn dan op basis van sterren en gaswolken kon worden vermoed. Hoewel we inmiddels bijna een eeuw verder zijn, bestaat er nog steeds geen uitsluitsel over de hoeveelheid donkere materie in de omgeving van de zon. De meeste schattingen komen erop uit dat hier drie tot zes keer zoveel donkere materie is als waarneembare materie. In april van dit jaar meldden Chileense astronomen echter dat de hoeveelheid donkere materie in onze omgeving juist verwaarloosbaar klein is. Het nieuwste onderzoek lijkt de donkere materie weer in ere te herstellen. De astronomen hebben gekeken naar de posities en snelheden van duizenden relatief nabije dwergsterren en daaruit de lokale materiedichtheid berekend. Om zeker te zijn van hun zaak, hebben ze de betrouwbaarheid van hun werkwijze getoetst met behulp van een geavanceerd computermodel van ons Melkwegstelsel. Volgens de astronomen is het voor 99% zeker dat er donkere materie aanwezig is in de omgeving van de zon. Sterker nog: er lijkt zelfs iets meer donkere materie te zijn dan verwacht.
Meer informatie:
Plenty of dark matter near the Sun

7 augustus 2012
De extreem zware reuzensterren in de sterrenhoop R136 zijn het resultaat van botsingen en versmeltingen van kleinere, iets lichtere sterren. Dat concluderen onderzoekers van de Universiteit van Bonn op basis van gedetailleerde computersimulaties van de sterrenhoop. R136 bevindt zich in de Tarantulanevel, een kolossaal stervormingsgebied in de Grote Magelhaense Wolk, op ca. 160.000 lichtjaar afstand van de aarde. In de sterrenhoop komen veel heldere, zware sterren voor, maar vier exemplaren spannen de kroon, met massa's van meer dan 300 keer de massa van de zon. Volgens de gangbare theorieën over het ontstaan van sterren kan een ster normaalgesproken niet veel zwaarder worden dan 150 zonsmassa's, dus het bestaan van de vier reuzensterren in R136 leek vooralsnog een mysterie. Uit de computersimulaties van de Duitse onderzoekers, gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, blijkt echter dat er in een compacte, zware sterrenhoop als R136 al vrij snel toevallige botsingen van afzonderlijke sterren voorkomen. Daarbij smelten de sterren samen tot steeds grotere, zwaardere exemplaren.
Meer informatie:
Astronomers crack mystery of the “monster stars
Vakpublicatie over het onderzoek
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

3 augustus 2012
Amerikaanse astronomen hebben ontdekt dat de dubbelster QU Carinae wel eens het toneel van een supernova-explosie zou kunnen worden. Een supernova van type Ia dan wel, want de dubbelster bestaat uit een witte dwerg en een veel grotere begeleider, die materie aan de dwergster overdraagt. Er zijn grofweg twee soorten supernova's. De meest spectaculaire zijn die van sterren zwaarder dan acht zonsmassa's, die aan het eind van hun bestaan 'vanzelf' ontploffen. De andere categorie bestaat uit witte dwergsterren die met een soortgenoot 'fuseren' of zoveel gas aan een grote, begeleidende ster ontfutselen, dat ze instabiel worden. Astronomen hebben de afgelopen decennia duizenden van die dubbelsterren opgespoord, maar bij geen ervan is het nog tot een supernova-explosie gekomen. Bij recent onderzoek is echter gebleken dat bij veel supernova's van type Ia de signatuur van natriumgas waarneembaar is. Dit gas zou afkomstig zijn van de 'donor-ster' en na de explosie van de witte dwerg in het voormalige dubbelstersysteem achterblijven. Waarnemingen hebben nu laten zien dat QU Carinae, een dubbelster in onze Melkweg, niet alleen bestaat uit een witte dwerg die materie van een begeleidende ster opslokt, maar tevens omgeven is door een wolk van natriumgas. Ook is vastgesteld dat de materie-overdracht naar de witte dwerg in zeer hoog tempo verloopt. Daarmee vertoont QU Carinae twee duidelijke kenmerken van een supernova-in-wording.
Meer informatie:
Supernova progenitor found?

30 juli 2012
De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA en de Europese tegenhanger ESA hebben vandaag deze foto vrijgegeven van de bolvormige sterrenhoop M68, die gemaakt is met de Hubble Space Telescope. De bolhoop staat op een afstand van ca. 33.000 lichtjaar in het sterrenbeeld Waterslang en heeft een middellijn van ruim honderd lichtjaar. Hij bevat vele honderdduizenden voornamelijk zeer oude sterren. In het Melkwegstelsel zijn ongeveer 150 bolvormige sterrenhopen bekend.
Meer informatie:
Ten Billion Year Stellar Dance
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

26 juli 2012
Onderzoek door Europese astronomen, onder wie Hugues Sana en Alex de Koter van de Universiteit van Amsterdam, heeft uitgewezen dat heldere, zware sterren zelden alleen zijn. Onverwacht veel van deze sterren blijken een nabije begeleidende ster te hebben. En verrassend genoeg ondergaan de meeste van deze dubbelsterren ontwrichtende interacties, zoals massa-overdracht van de ene ster naar de andere. In veel gevallen komt het waarschijnlijk zelfs tot een fusie van beide sterren (Science, 27 juli). De onderzochte sterren, die formeel sterren van spectraaltype O worden genoemd, zijn heel anders dan onze zon. Ze zijn minstens vijftien keer zo zwaar en hebben een oppervlaktetemperatuur die zes keer zo hoog is. Ondanks die grote massa leven de O-sterren maar heel kort: binnen enkele miljoenen jaren zijn ze door hun brandstof heen. De astronomen hebben 71 van deze stellaire zwaargewichten in onze Melkweg onderzocht, in de meeste gevallen met de Very Large Telescope in Chili. Uit een nauwgezette analyse van het licht dat deze sterren uitzenden blijkt driekwart ervan een dubbelster is. Maar belangrijker is dat in veel gevallen de afstand tussen beide sterren klein genoeg is om onderlinge interacties mogelijk te maken. In 40 tot 50 procent van de onderzochte gevallen vinden massa-uitwisselingen plaats, en in nog een 20-30 procent is de afstand tussen beide sterren zo klein, dat ze uiteindelijk zullen samensmelten. Zulke interacties zorgen ervoor dat een O-ster er in veel gevallen jonger uitziet dan hij in werkelijkheid is. En dat heeft weer tot gevolg dat de leeftijden van de stellaire populaties van verre sterrenstelsels tot nu toe waarschijnlijk onderschat zijn. In hoeverre dit nieuwe inzicht het beeld van de evolutie van deze stelsels zal veranderen, zal uit verder onderzoek moeten blijken.
Meer informatie:
De helderste sterren zijn niet alleen

24 juli 2012
Sterrenkundigen van het Duitse Albert Einstein Instituut voor zwaartekrachtsonderzoek hebben in waarnemingen van de Amerikaanse ruimtetelescoop Fermi een nieuwe gammapulsar ontdekt. Gammapulsars zijn compacte, snel roterende neutronen die geen zichtbaar licht, radiostraling of röntgenstraling uitzenden, maar uitsluitend pulsjes van energierijke gammastraling. De nieuwe gammapulsar, J1838-0537 geheten, staat in het sterrenbeeld Schild, is vermoedelijk slechts ca. 5000 jaar oud, en heeft een rotatiesnelheid van 7 omwentelingen per seconde. Bij de analyse van de Fermi-metingen, met behulp van grote supercomputers, ontdekten de astronomen dat de pulsar in september 2009 plotseling leek te zijn verdwenen. Nader onderzoek wees uit dat de pulsar er nog steeds is, maar dat hij - vermoedelijk als gevolg van een sterbeving - plotseling iets sneller is gaan roteren. De pulsar maakt nu in een periode van ca. 8 uur één omwenteling méér dan vóór september 2009. Dat lijkt een klein verschil, maar een dergelijk grote verandering in de rotatieperiode van een (gamma)pulsar is nooit eerder waargenomen.
Meer informatie:
PDF van het oorspronkelijke persbericht
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

20 juli 2012
Japanse astronomen hebben in het hart van ons Melkwegstelsel een drietal dichte gaswolken ontdekt die bezig zijn uit te dijen. Met een temperatuur van ongeveer 220 graden onder nul zijn de gaswolken relatief warm - de temperatuur van de ruimte ligt immers nog eens vijftig graden lager. Volgens de onderzoekers wijzen de eigenschappen van de gaswolken erop dat zich daarbinnen grote verzamelingen jonge sterren bevinden, waarvan een aantal als supernova zijn ontploft. De gaswolken zijn ontdekt met behulp van de ASTE-telescoop, een radiotelescoop in het noorden van Chili die gevoelig is voor submillimeter-straling. Met dit instrument is tussen 2005 en 2010 de ruimtelijke verdeling van moleculair waterstofgas in het centrale deel van de Melkweg in kaart gebracht. Aanvullende waarnemingen met de 45-meter radiotelescoop in Nobeyama (Japan) maakten het mogelijk om de temperatuur en dichtheid van de verschillende gaswolken te schatten. Het resultaat is de eerste gedetailleerde kaart van 'warme', dichte gaswolken in het centrum van ons Melkwegstelsel. Behalve de drie nieuwe gaswolken is op de kaart ook de gasconcentratie rond Sagittarius A*, het eigenlijke centrum van ons Melkwegstelsel, te zien. Bekend is dat zich daar een ongeveer vier miljoen zonsmassa's zwaar zwart gat verschanst. Volgens de Japanse onderzoekers is het denkbaar dat zich ook in de drie andere gaswolken uiteindelijk een fors zwart gat zal vormen, dat wellicht ooit zal samensmelten met het superzware zwarte gat in het centrum.
Meer informatie:
'Seeds' of Massive Black Holes Found at the Center of the Milky Way Galaxy

18 juli 2012
De zwaarste sterren ontploffen aan het einde van hun leven. Voor naburige sterren kan zo'n supernova-explosie enorme gevolgen hebben. Berekeningen onder leiding van de Leidse astronoom Simon Portegies Zwart laten voor het eerst zien welk welk effect een supernova heeft op de stabiliteit van de banen van meervoudige stersystemen. Sterren verkeren graag in elkaars gezelschap: een derde van de sterren in de Melkweg maakt deel uit van groepjes van twee of meer sterren. Sommige van die meervoudige stersystemen zijn niet stabiel en zullen na enkele (tientallen) omwentelingen uit elkaar gaan. Andere zijn hiërarchisch opgebouwd, wat wil zeggen dat vanuit de centrale ster gezien elke volgende ster verder weg staat. Zulke systemen zijn stabiel, tenzij een supernova roet in het eten gooit. Als een van de sterren een massa heeft die groter is dan ongeveer tien zonsmassa's, vindt er uiteindelijk een supernova-explosie plaats die de banen waarin de sterren om elkaar heen draaien zal verstoren. Op basis van computersimulaties concluderen Portegies Zwart en zijn medewerkers onder meer dat hierdoor elk hiërarchisch meervoudig stersysteem tot een systeem van slechts twee sterren - een dubbelster dus - kan worden gereduceerd. Deze conclusie lijkt te bevestigen dat het bizarre object J1903+0327, bestaande uit een millisecondepulsar en een hoofdreeksster, uit een drievoudig stersysteem is ontstaan - een scenario dat al eerder door Portegies Zwart werd voorgesteld. In dit 'triple'-scenario dienden de drie sterren eerst een supernova te overleven, voordat ze na ruwweg een miljard jaar de lichtste ster eruit 'gooiden'.
Meer informatie:
Supernova kan elk meervoudig stersysteem terugbrengen tot dubbelster

16 juli 2012
Met een armada van telescopen op aarde en in de ruimte, waaronder de Europese röntgentelescoop XMM-Newton, is onderzoek verricht aan een veranderlijke bron van röntgenstraling die in de zomer van 2011 voor het eerst werd waargenomen door de Amerikaanse Swift-satelliet. Uit het vervolgonderzoek blijkt dat het om een 'hybride' magnetar gaat - een merkwaardig type object waarvan tot nu toe slechts één exemplaar bekend was. Magnetars zijn neutronensterren (overblijfselen van supernova-explosies) met een relatief trage rotatie en een extreem sterk magnetisch veld. In die twee opzichten onderscheiden ze zich van pulsars - snel roterende neutronensterren met een minder extreem magnetisch veld. Er blijken nu dus ook tussenvormen te bestaan die zich ogenschijnlijk voordoen als pulsars, maar toch een zeer sterk inwendig magnetisch veld hebben. Als gevolg daarvan ontsnapt er energie via barsten in het (harde) oppervlak van de neutronenster, wat aanleiding geeft tot de röntgenuitbarstingen die door Swift zijn waargenomen.
Meer informatie:
A magnetic monster’s dual personality
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

12 juli 2012
Wetenschappers van het California Institute of Technology (Caltech) hebben via computersimulaties een manier gevonden om supernova-explosies in ons Melkwegstelsel te detecteren die niet rechtstreeks waarneembaar zijn. Het wachten is nu op de aankomst van neutrino's (ongeladen deeltjes) en zwaartekrachtsgolven (rimpelingen in de structuur van ruimte en tijd) van de honderden supernova-explosies die zich de afgelopen duizenden jaren op verre locaties in de Melkweg hebben voltrokken. Statistisch gezien komt ergens in ons Melkwegstelsel ongeveer twee keer per eeuween zware ster tot ontploffing. Heel vaak verloopt zo'n supernova-explosie onopgemerkt, omdat deze schuilgaat achter wolken van gas en stof of voorgrondsterren. Vandaar dat het alweer meer dan 400 jaar geleden is dat er een supernova in de Melkweg is gezien. Naast licht en andere vormen van straling produceert een supernova echter ook grote aantallen neutrino's en de zwaartekrachtsgolven, die zich niets aantrekken van wat gas en stof. En ook deze beide verschijnselen zijn met moderne middelen waarneembaar. Maar hoe kom je er achter of gedetecteerde neutrino's en zwaartekrachtsgolven ook echt van een supernova afkomstig zijn, en niet van een ander kosmisch verschijnsel? Volgens de Caltech-wetenschappers zou de natuur ons daarbij wel eens een handje kunnen helpen. Als de kern van de ster vlak voor de explosie snel genoeg roteert, zouden de neutrino-aantallen en de amplitudes van de zwaartekrachtsgolven namelijk fluctuaties van gelijke frequentie moeten vertonen. (Bij een traag roterende sterkern fluctueert alleen het signaal van de zwaartekrachtsgolven.) De huidige neutrino- en zwaartekrachtsgolfdetectors kunnen voldoende sterke signalen van supernova-explosies oppikken om een correlatie tussen beide op te merken. Als de Caltech-resultaten kloppen, is het dus een kwestie van tijd voordat de eerste 'onzichtbare' supernova-explosie wordt gedetecteerd.
Meer informatie:
Peering into the heart of a supernova

10 juli 2012
Het Melkwegstelsel wordt waarschijnlijk omringd door vele honderden kleine dwergstelseltjes die echter onzichtbaar zijn omdat ze vrijwel geen sterren bevatten. Dat concluderen onderzoekers op basis van Hubble-waarnemingen van drie 'ultra-zwakke dwergsterrenstelsels' in de sterrenbeelden Hercules, Leeuw en Grote Beer. Met een relatief kleine telescoop op aarde zijn meer dan een dozijn van die ultrazwakke stelseltjes gevonden. Drie daarvan zijn nu gedetailleerd onderzocht met de gevoelige Hubble Space Telescope. Het blijkt dat de sterren in de stelsels ruim 13 miljard jaar oud zijn, en dat de vorming van nieuwe sterren in alledrie de stelsels plotseling tot stilstand kwam, ongeveer 100 miljoen jaar na hun ontstaan. De oorzaak van dat 'afknijpen' van de stervorming is zo goed als zeker gelegen in het zogeheten reïonisatieproces in het heelal. Zware sterren in grote stelsels en energierijke kernen van sterrenstelsels produceerden toen zoveel ultraviolette straling dat de alomtegenwoordige 'mist' van neutraal waterstofgas werd geïoniseerd. Het idee is nu dat die ultraviolette straling ook het interstellaire gas uit de kleine dwergstelseltjes wegblies, waardoor de vorming van nieuwe sterren compleet tot stilstand kwam. De verwachting is dat er nog veel meer ultrazwakke dwergstelsels bestaan, waarvan sommige zó weinig sterren bevatten dat ze misschien nooit ontdekt zullen worden. Dat zou een oplossing zijn voor het 'dwergstelsel-probleem': computersimulaties van de evolutie van het heelal voorspellen dat grote sterrenstelsels zoals ons Melkwegstelsel omringd worden door duizenden kleine dwergstelsels, maar die zijn tot nu toe nooit gevonden. De Hubble-resultaten zijn op 1 juli gepubliceerd in Astrophysical Journal Letters.
Meer informatie:
Hubble Unmasks Ghost Galaxies
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

9 juli 2012
De lichtblauwe, vlindervormige nevel op deze infraroodfoto is een grote interstellaire stofwolk die van binnenuit wordt opgewarmd door pasgeboren sterren, waardoor hij energierijkere warmtestraling uitzendt dan zijn omgeving. De opname is gemaakt door de Europese ruimtetelescoop Herschel, en toont het stervormingsgebied Vela C, op 2300 lichtjaar afstand van de aarde in het zuidelijke sterrenbeeld Vela (Zeilen). De zwaarste en heetste jonge sterren zijn gerangschikt langs het 'langgerekte 'lichaam' van de vlinder, dat door de extra opwarming geel oplicht in de infraroodfoto. De allerzwaarste sterren in de nevel zullen binnen tien miljoen jaar hun leven alweer beëindigen in supernova-explosies.
Meer informatie:
Flying along the Vela ridge
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

5 juli 2012
Met behulp van de UKIRT-infraroodtelescoop op Hawaï hebben astronomen vier bijzondere dubbelsterren ontdekt. De dubbelsterren bestaan uit twee sterren die in minder dan vier uur om elkaar wentelen. Het bestaan van zulke compacte dubbelsterren werd tot nog toe voor onmogelijk gehouden. Ongeveer de helft van alle sterren in ons Melkwegstelsel maken deel uit van een dubbelster. Waarschijnlijk ontstaan de sterren van een dubbelster in elkaars naaste omgeving en draaien ze al vanaf hun geboorte om elkaar heen. Aangenomen werd dat als twee sterren te dicht bij elkaar worden geboren, ze al snel tot één grotere ster zouden samensmelten. Dat was in lijn met de vele waarnemingen van dubbelsterren, waarbij geen gevallen werden ontdekt waarbij de sterren in minder dan vijf uur om elkaar cirkelen. Maar nu zijn dan toch enkele dubbelsterren met kortere omlooptijden ontdekt. Het gaat in alle gevallen om rode dwergsterren - koele sterren die ongeveer tien keer zo klein zijn als de zon en duizend keer zo weinig licht uitstralen. Hoe deze dubbelsterren zo compact zijn geworden, is nog onduidelijk. Een mogelijke verklaring kan zijn dat de magnetische veldlijnen van de rode dwergen, die bekend staan om hun grote magnetische activiteit, verstrengeld zijn geraakt. Dat zou de baanbeweging van de sterren kunnen remmen, en ervoor zorgen dat ze langzaam naar elkaar toe spiralen.
Meer informatie:
UK Infrared Telescope discovers 'impossible' binary stars

3 juli 2012
Twee extreem hete gebieden op het oppervlak van de protoster V1647 Orionis verraden de snelle rotatie van deze pasgeboren ster. De gebieden zijn een paar duizend graden heter dan hun omgeving en zenden energierijke röntgenstraling uit. Uit veranderingen in de röntgenhelderheid van de ster, die zich op 1300 lichtjaar afstand bevindt in de zogeheten McNeil's Nebula, blijkt dat de ster eens per dag om zijn as draait - dertig maal zo snel als de zon. Bovendien blijkt er een relatie te bestaan tussen de röntgenhelderheid van de ster en de zogeheten accretiesnelheid - de hoeveelheid gas die vanuit een ronddraaiende schijf op de ster valt. De twee hete gebieden op de protoster zijn ongeveer zo groot als de zon. Ze liggen min of meer tegenover elkaar. Het ene gebied is ongeveer vijf keer zo helder in röntgenstraling als het andere. Vermoedelijk blijven ze zo nauwkeurig op hun plaats door een stabiele configuratie van het magnetisch veld in de ster en in de omringende ronddraaiende schijf. De leeftijd van de ster wordt geschat op minder dan één miljoen jaar. De resultaten, verkregen met behulp van Amerikaanse, Europese en Japanse röntgensatellieten, worden later deze maand gepubliceerd in The Astrophysical Journal.
Meer informatie:
Oh, Baby! A Young Star Flaunts its X-ray Spots in McNeil's Nebula
Persbericht ESA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

3 juli 2012
De turbulente structuur op deze foto, gemaakt met de Hubble Space Telescope, is een 'geiser' van heet gas met een lengte van een half lichtjaar, uitgeblazen door een ster-in-wording. Vanuit een rondwervelende schijf valt er gas op de ster, en een groot deel daarvan wordt in twee tegenovergesteld gerichte straalstromen ('jets') het heelal in geblazen. Zulke 'Herbig Haro-obejcten' (genoemd naar de ontdekkers; Hubble fotografeerde Herbig-Haro 110) vertonen vaak wervelingen en schokgolven, doordat ze zich met hoge snelheid door het ijle, relatief koele interstellaire gas voortplanten. Heldere gebieden in de straalstromen ontstaan doordat de gastoevoer naar de ster niet constant is.
Meer informatie:
A geyser of hot gas flowing from a star
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

28 juni 2012
Astronomen hebben een pulsar (rondtollende neutronenster) ontdekt die met een snelheid van 8,5 tot 10,5 miljoen kilometer per uur door de ruimte raast. Daarmee zou het de snelst bewegende pulsar kunnen zijn die ooit is waargenomen. De ontdekking is gedaan met de röntgensatellieten Chandra en XMM-Newton en de Parkes-radiotelescoop in Australië. Een neutronenster is het compacte overblijfsel van een zware ster die aan het eind van zijn korte bestaan als supernova is ontploft. Zo'n object draait heel snel rond zijn as en heeft een extreem sterk magnetisch veld. Hete plekken aan de beide magnetische polen van de neutronenster produceren twee bundels van radio- en röntgenstraling. Deze maken de neutronenster tot een kosmische 'vuurtoren' - een object dat van grote afstand gezien met grote regelmaat aan en uit knippert. (Vandaar 'pulsar'.) De nu ontdekte pulsar, die de aanduiding IGR J1101 draagt, bevindt zich in de buurt van een gasnevel die bestaat uit de buitenlagen van een ontplofte ster. Het lijkt aannemelijk dat de beide objecten bij één en dezelfde supernova-explosie zijn ontstaan. De pulsar vertoont namelijk een drie lichtjaar lange 'staart' van energierijke deeltjes die in de richting van de gaswolk wijst. Of IGR J1101 ook werkelijk de snelst bewegende pulsar is, moet nog blijken. Zijn naaste 'concurrent', pulsar G350.1-0.3, heeft een snelheid van 5 tot 10 miljoen kilometer en zou theoretisch dus sneller kunnen zijn. Voor beide kandidaten geldt dat afstand en leeftijd niet erg nauwkeurig bekend zijn, wat de snelheidsmeting erg bemoeilijkt.
Meer informatie:
Has the Speediest Pulsar Been Found?

28 juni 2012
Ons melkwegstelsel, dé Melkweg, is ongeveer honderd miljoen jaar geleden doorboord door een kleiner stelsel, en 'galmt' nog steeds na van deze ontmoeting. Dat concluderen Canadese en Amerikaanse astronomen na een inventarisatie van de posities en snelheden van 300.000 nabije sterren. De Melkweg is een groot, schijfvorming stelsel waar tientallen kleinere sterrenstelsels omheen zwermen. Wetenschappers vermoedden al lang dat deze 'satellieten' af en toe door de schijf van van de Melkweg heen gaan, waarbij zowel die schijf als de satelliet zelf vervormd raakt. Tot botsingen tussen sterren komt het daarbij niet: er zit genoeg lege ruimte tussen de sterren. De astronomen hebben nu vastgesteld dat er onverwachte verschillen bestaan in de wijze waarop de sterren boven en onder het centrale vlak van de Melkweg verdeeld zijn. Bij hun zoektocht naar een mogelijke verklaring voor deze noord-zuid-asymmetrie hebben de onderzoekers computersimulaties gebruikt die laten zien wat er gebeurt als een klein sterrenstelsel door de schijf van de Melkweg heen gaat. Deze berekeningen laten zien dat er tot enkele honderden miljoenen jaren na de 'botsing' een verticale golf door de stellaire bevolking gaat. Pas dan heeft de symmetrie ten opzichte van het centrale vlak zich weer hersteld. Het 'nagalmen' van de Melkweg kan dus nog een hele tijd duren.
Meer informatie:
Scientists discover that Milky Way was struck some 100 million years ago, still rings like a bell

22 juni 2012
Een losse verzameling sterren die al meer dan 180 jaar geleden werd ontdekt, maar nooit gedetailleerd onderzocht is, kan waarschijnlijk een hiaat opvullen in het onderzoek van de evolutie van zonachtige sterren en hun eventuele planeten. Dat zeggen onderzoekers van enkele Amerikaanse universiteiten, die hierover binnenkort een artikel zullen publiceren in The Astronomical Journal. De sterrenhoop, bekend als Ruprecht 147 of NGC 6774, is half zo oud als onze zon en bevindt zich op de relatief kleine afstand van 800 tot 1000 lichtjaar. Dat maakt hem tot een interessant onderzoeksobject: andere nabije sterrenhopen zijn veel jonger dan de zon en oudere sterrenhopen staan meer dan drie keer zo ver weg. Er kleven echter twee nadelen aan Ruprecht 147. Door zijn nabijheid beslaat hij een relatief groot hemelgebied en lijken zijn sterren nogal helder. Dat maakt de sterrenhoop ongeschikt voor onderzoek met de meeste grote telescopen, die doorgaans een klein beeldveld hebben en te gevoelig zijn voor sterren als deze. Om Ruprecht 147 te kunnen onderzoeken hebben de Amerikaanse astronomen enkele speciale groothoekcamera's, waaronder die van de MMT-telescoop in Arizona en de CFHT-telescoop op Hawaï, ingezet. Zelfs met deze groothoekcamera's was het nodig om meerdere opnamen tot een mozaïek samen te voegen om de hele sterrenhoop in beeld te brengen. De eerste fase van het onderzoek van Ruprecht 147 behelst nog niet veel meer dan een inventarisatie. In een volgende fase hopen de astronomen de zonachtige sterren die in de sterrenhoop zijn aangetroffen aan een nader onderzoek te kunnen onderwerpen. Zulke sterren zouden bijvoorbeeld interessante doelwitten kunnen zijn voor de jacht op kleine aarde-achtige planeten.
Meer informatie:
Nearby Star Cluster, Long Forgotten, Now Discovered to Be Useful in Studies of Sun and Search for Planets Like Earth

12 juni 2012
Sterrenkundigen vermoeden al lange tijd dat magnetische instabiliteiten tot een afremming van de rotatie van een ster kunnen leiden. Dat idee lijkt nu bevestigd door computersimulaties en laboratoriuminstrumenten. Onderzoekers van het Leibniz-Institut für Astrophysik Potsdam en het Helmholtz-Zentrum Dresden-Rossendorf ontdekten dat magnetische instabiliteiten inderdaad leiden tot een verhoging van de viscositeit ('stroperigheid') van een heet plasma - een gas dat uit afzonderlijke elektrisch geladen deeltjes bestaat. In het inwendige van een ster zou die toename van de viscositeit ertoe kunnen leiden dat het inwendige van de ster minder snel gaat roteren. De resultaten worden binnenkort gepubliceerd in The Astrophysical Journal.
Meer informatie:
Leibniz-Institut für Astrophysik Potsdam
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

12 juni 2012
Sterrenkundigen zijn erin geslaagd om de leeftijden van rode dwergsterren nauwkeuriger te bepalen. Rode dwergen zijn veel koeler en zwakker dan de zon. Bovendien zijn het de talrijkste sterren in het heelal: naar schatting 70 tot 80 procent van alle sterren is een rode dwerg. Er zijn aanwijzingen dat misschien wel 40 procent van alle rode dwergsterren vergezeld zou kunnen worden door een aarde-achtige planeet in de zogeheten 'bewoonbare zone'. Alleen om die reden al is het van belang deze sterren beter te begrijpen. Het bepalen van de leeftijd van rode dwergen is echter moeilijk, omdat ze hun geringe hoeveelheid kernbrandstof maar heel langzaam verstoken, en daardoor bijna geen evolutionaire effecten te zien geven. Sterrenkundigen van Villanova University hebben nu echter rode dwergen bestudeerd die een dubbelsterpaar vormen met witte dwergsterren. Een witte dwerg is gemakkelijker te dateren, en daarmee is dan ook de leeftijd van de rode dwerg bekend. Vervolgens konden de astronomen de leeftijden van andere rode dwergen bepalen door naar de rotatiesnelheid te kijken. Die neemt in de loop van de tijd namelijk langzaam maar zeker af, doordat er energie verloren gaat in de vorm van magnetische activiteit - een relatie die nu dankzij het onderzoek naar de rood-witte dubbelsterren goed gekalibreerd is.
'Living with a Red Dwarf program
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

12 juni 2012
Sterrenkundigen hebben binnenkort de beschikking over een gedetailleerde 'kaart' van de sterrenhemel, met detailinformatie over 40 miljoen sterren. In feite gaat het om een uitgebreide catalogus waarin posities, kleuren en helderheden van al die sterren zijn vastgelegd. De AAVSO Photometric All-Sky Survey (APASS) is het resultaat van een samenwerking tussen beroepsastronomen en amateursterrenkundigen, verenigd in de American Association of Variable Star Observers. De sterren in de APASS-catalogus hebben helderheden tussen magnitude 10 en 16,5. De helderste sterren zijn altijd nog 40 keer zwakker dan wat met het blote oog zichtbaar is; de zwakste sterren in de catalogus zijn nog eens een paar honderd keer zo zwak. De benodigde waarnemingen worden momenteel uitgevoerd met telescopen in New Mexico en in Chili. De eerste waarnemingen zijn verricht in 2009; in 2014 moet de APASS-catalogus compleet zijn. Voorlopige resultaten zijn al voor iedereen beschikbaar.
AAVSO Photometric All-Sky Survey
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

8 juni 2012
Het aantal bruine dwergen in de omgeving van de zon is aanzienlijk kleiner dan gedacht. Dat blijkt uit waarnemingen van de Amerikaanse WISE-satelliet (Wide-field Infrared Survey Explorer), die in 2009 werd gelanceerd en die de gehele hemel op infrarode golflengten in kaart heeft gebracht. Bruine dwergen zijn kleine lichtgewicht-'sterren' die te weinig massa hebben om kernfusiereacties van waterstof in hun inwendige op gang te brengen. Sterrenkundigen gingen er altijd van uit dat het aantal bruine dwergen in het Melkwegstelsel ongeveer even groot was als het aantal 'gewone' sterren. Uit de WISE-metingen blijkt echter dat het er in de omgeving van onze eigen zon veel minder zijn: ongeveer één bruine dwerg op zes gewone sterren. WISE ontdekte ongeveer tweehonderd bruine dwergen, waarvan 13 zogeheten Y-dwergen - extreem koele bruine dwergen met een oppervlaktetemperatuur van hooguit enkele tientallen graden. Via parallaxmetingen zijn van al deze bruine dwergen nu de afstanden bepaald. Het blijkt dat er 33 zijn die zich dichter bij de zon bevinden dan 26 lichtjaar. In datzelfde gebied komen ruim 200 gewone sterren voor. De manier waarop bruine dwergen ontstaan is nog steeds niet volledig opgehelderd. De nieuwe WISE-resultaten kunnen hopelijk bijdragen aan een beter begrip van deze 'mislukte sterren'.
Meer informatie:
WISE Finds Few Brown Dwarfs Close to Home
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

4 juni 2012
De Europese infraroodruimtetelescoop Herschel heeft een spectaculaire opname gemaakt van de Carina-nevel, een groot stervormingsgebied op ca. 7500 lichtjaar afstand van de aarde. De nevel bevat bijna één miljoen zonsmassa's aan gas, waaruit voortdurend nieuwe sterren ontstaan. In het centrum van de nevel bevindt zich een compacte jonge sterrenhoop. Een van de sterren hier is Èta Carinae, die meer dan honderd keer zo zwaar is als de zon. De energierijke straling van deze sterren creëert radiaal georiënteerde stofpilaren in de omringende nevel, en blaast ook bellen in de gaswolk. Rechtsboven op de Herschel-foto (zie onderstaande link voor het hogeresolutiebeeld) is de Gum-nevel te zien - eveneens een grote bel, ontstaan door de straling van de centrale sterrenhoop NGC 3324.
Meer informatie:
Blowing bubbles in the Carina Nebula
Hogeresolutiebeeld van de Carina-nevel
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

30 mei 2012
De uitgestrekte halo van oude sterren rond ons Melkwegstelsel is in twee fasen ontstaan. Dat blijkt uit metingen aan de leeftijden van witte dwergsterren in het binnenste deel van de halo die deze week gepubliceerd zijn in Nature. Als van alle sterren in het Melkwegstelsel nauwkeurige leeftijden bekend zouden zijn, was het niet zo moeilijk om de ontstaansgeschiedenis van het stelsel te achterhalen. In de praktijk is dat echter niet zo eenvoudig. Jason Kalirai van het Space Telescope Science Institute in Baltimore heeft nu echter wel leeftijden weten te bepalen voor witte dwergen - de compacte overblijfselen van sterren zoals onze eigen zon. Uit spectroscopische metingen aan witte dwergen in het binnenste deel van de Melkweghalo kan hun massa worden afgeleid, en de massa van een witte dwerg vertelt je direct wat de massa van de oorspronkelijke ster was. Die massa zegt weer iets over de leeftijd: zware sterren leven minder lang dan lichte sterren. Door de eigenschappen van witte dwergen in de Melkweghalo te vergelijken met die van witte dwergen in de oude bolvormige sterrenhoop M4, waarvan de leeftijd goed bekend is, ontdekte Kalirai dat de halo-dwergen 'slechts' 11,5 miljard jaar oud zijn - aanzienlijk jonger dan sterren in het buitenste deel van de halo. Dat ondersteunt de populaire theorie dat de halo uit verschillende delen bestaat, elk met hun eigen ontstaansgeschiedenis.
Meer informatie:
Stellar Archaeology Traces Milky Way's History
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

29 mei 2012
De kern van ons Melkwegstelsel heeft in het verleden twee smalle bundels van gammastraling de ruimte in geblazen, in tegenovergestelde richtingen. De twee 'jets' zijn ontdekt door de Amerikaanse ruimtetelescoop Fermi. De ontdekking bevestigt het beeld dat het superzware zwarte gat in de Melkwegkern vroeger veel actiever is geweest. De gammabundels zijn gerelateerd aan de twee kolossale 'bellen' van gammastraling die in 2010 door de Fermi-ruimtetelescoop zijn ontdekt. Net als de twee bellen strekken ze zich uit tot een afstand van ca. 27.000 lichtjaar boven en onder het centrale vlak van het Melkwegstelsel. Ze zijn echter aanzienlijk smaller, en liggen ca. 15 graden geheld ten opzichte van de loodlijn op het Melkwegvlak. In beide gevallen wordt de gammastraling veroorzaakt door de wisselwerking van zeer snel bewegende elektronen met fotonen (lichtdeeltjes). Terwijl de grote, brede gammabellen het gevolg zijn van een gestage interstellarie 'wind' die vanuit het Melkwegcentrum naar buiten blaast, zijn de smallere gammabundels waarschijnlijk het directe resultaat van energierijke processen in de directe omgeving van het superzware zwarte gat. De scheve stand kan dan veroorzaakt zijn door de helling van de roterende schijf van materie rond het zwarte gat.
Meer informatie:
Ghostly Gamma-ray Beams Blast from Milky Way's Center
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

21 mei 2012
Een maand geleden maakten astronomen van de universiteit van Chili en de Europese Zuidelijke Sterrenwacht bekend dat zich in de buurt van de zon geen noemenswaardige hoeveelheden donkere materie bevinden. Een nieuwe analyse door wetenschappers van het Institute for Advanced Study in Princeton trekt deze conclusie echter in twijfel. Er zou zelf méér donkere materie in de zonsomgeving aanwezig zijn dan aanvankelijk werd gedacht. De astronomen baseerden zich op nauwkeurige metingen van de bewegingen van vierhonderd sterren op afstanden van 5000 tot 13.000 lichtjaar van de schijf van ons Melkwegstelsel. Dat bracht hen tot de conclusie dat zich in de omgeving van de zon niet veel meer aantrekkende materie kan bevinden dan we in de vorm van sterren en gaswolken waarnemen. Volgens de Amerikaanse wetenschappers zijn hun collega's er echter ten onrechte van uitgegaan dat de snelheid waarmee sterren om het centrum van ons Melkwegstelsel draaien onafhankelijk is van hun afstand boven of onder het centrale vlak van de Melkweg. Bovendien zou het onderzochte gebied te klein zijn voor een uitputtende analyse van de sterbewegingen. Na weglating van deze 'onjuiste' elementen komen de Princeton-onderzoekers op basis van dezelfde meetresultaten tot de conclusie dat de sterbewegingen in de omgeving van de zon wel degelijk op de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden donkere materie wijzen. Sterker nog: in het centrale vlak van de Melkweg zou de dichtheid van de donkere materie ongeveer twintig procent hoger zijn dan tot nu toe werd gedacht.
Meer informatie:
Dark Matter Makes a Comeback

16 mei 2012
Officieel is het veranderlijke karakter van de ster Algol, ook wel de Duivelster genoemd, in 1783 ontdekt door de Engelse astronoom John Goodricke. Maar omdat de helderheidsvariaties van Algol gemakkelijk waarneembaar zijn met het blote oog, leek het aannemelijk dat zijn wispelturige gedrag al eens eerder was opgemerkt. Onderzoek van een drieduizend jaar oude Egyptische kalender op papyrus lijkt dat nu te bevestigen. Algol bestaat uit twee sterren van ongelijke helderheid die elkaar, vanaf de aarde gezien, met een regelmaat van 2,867 dag wederzijds bedekken. Dit resulteert in opvallende helderheidsvariaties - als je oplet tenminste. Het lijkt erop dat de oude Egyptenaren dat inderdaad deden. In de Egyptische papyruskalender Cairo 86637 is namelijk een cyclus vastgelegd met een periode van 2,850 dag. Dat is iets korter dan de huidige regelmaat die de dubbelster Algol vertoont, maar dat is verklaarbaar: er vindt namelijk materie-overdracht plaats van de ene ster naar de andere, waardoor de twee geleidelijk trager om elkaar heen gaan wentelen. Als deze interpretatie klopt, zijn de Egyptische aantekeningen niet alleen de oudste waarnemingen van een veranderlijke ster. Ook zouden ze gebruikt kunnen worden om de snelheid van de materie-overdracht te schatten.
Meer informatie:
Astronomers discovered ancient Egyptian observations of a variable star
Vakpublicatie (nog te verschijnen)

10 mei 2012
Astronomen hebben een bruine dwergster ontdekt die voor meer dan 99 procent uit waterstof en helium bestaat. Het stellaire onderdeurtje, dat met een oppervlaktetemperatuur van slechts 400 graden Celsius zeer koel is, kan het onderscheid tussen bruine dwergen en grote gasplaneten helpen aanscherpen. Bruine dwergen zijn sterachtige objecten die onvoldoende massa hebben om kernfusiereacties op te starten en deze langdurig vol te houden. Hierdoor koelen ze na hun ontstaan geleidelijk af tot een temperatuur van een paar honderd graden. Net als 'echte' sterren ontstaan bruine dwergen door het samentrekken van een grote gaswolk, waardoor ze voor het overgrote deel uit waterstof en helium bestaan. Reuzenplaneten daarentegen vertonen een grote chemische diversiteit en bevatten veel meer zware elementen dan een ster. Dat verschil stelt astronomen in staat om onderscheid te maken tussen planeten en bruine dwergen. De recent ontdekte bruine dwerg, die de aanduiding BD+01 2920B draagt, is opgespoord met de infraroodsatelliet WISE. Zijn samenstelling kon echter pas worden bepaald na vervolgonderzoek met infraroodtelescopen op Hawaï en in Chili. Het is dus vooral aan deze telescopen te danken dat de ware aard van het object kon worden vastgesteld.
Meer informatie:
Ultra-cool companion helps reveal giant planets

9 mei 2012
Sterren ontstaan doorgaans niet in afzondering, maar in grote groepen. Onderzoek door astronomen van de universiteit Bonn wijst erop dat deze 'sterrenhopen' bij hun geboorte allemaal ongeveer even groot of beter gezegd even klein zijn. Dat volgt uit computersimulaties die de evolutie van een sterrenhoop nabootsen. De kraamkamer van een sterrenhoop, een grote wolk van gas en stof, levert voornamelijk tweelingen af: bijna elke ster in de sterrenhoop heeft dus een partner. Door onderlinge interacties kan zo'n dubbelster uit elkaar vallen, ongeveer zoals een danspaar dat in een volle balzaal met een ander danspaar in botsing komt. Hierdoor neemt het aantal dubbelsterren in een sterrenhoop in de loop van de tijd af. Maar niet elke stellaire kraamkamer is even vol. En in een volle kraamkamer vinden meer onderlinge ontmoetingen en stellaire 'echtscheidingen' plaats dan in een minder volle. Hoe de verdeling tussen enkelvoudige en dubbelsterren in een sterrenhoop er uiteindelijk uitziet, wordt dus bepaald door de drukte in de stellaire kraamkamer. De Duitse astronomen hebben dit inzicht gebruikt om de oorspronkelijke eigenschappen van een aantal bekende jonge sterrenhopen te reconstrueren. De verrassende conclusie is dat, hoewel sterrenhopen sterk uiteenlopende massa's hebben, ze bij hun ontstaan allemaal slechts ongeveer een lichtjaar groot zijn. Dat wijst erop dat alle sterrenhopen op zeer vergelijkbare wijze ontstaan en zich pas later, afhankelijk van hun massa, op verschillende manieren verder ontwikkelen.
Meer informatie:
Scheidung im Universum
Filmpje van ontmoeting tussen twee dubbelsterren

3 mei 2012
De Poolster, ook bekend als Polaris, verliest mogelijk meer massa dan gedacht. Dat meldt de website van het tijdschrift Earth. Dat er met de Poolster iets bijzonders aan de hand is, is al meer dan anderhalve eeuw bekend. De ster varieert met een periode van vier dagen een beetje in helderheid. En dat komt doordat hij afwisselend een beetje uitzet en weer inkrimpt. Met dit gedrag valt de Poolster in de categorie van de cepheïden - relatief zware sterren die tegen het einde van hun leven instabiel worden. Uit waarnemingen van recentere datum blijkt dat de ster geleidelijk steeds trager is gaan pulseren, al vindt er soms ook een kleine versnelling plaats. En ondertussen verliest hij ook materie. Astronomen van de universiteit van Bonn en twee Amerikaanse instituten denken dat dit massaverlies wel eens heviger zou kunnen zijn dan aanvankelijk werd ingeschat. Zij komen tot die conclusie, omdat de computermodellen die op basis van de bekende eigenschappen van de Poolster zijn gemaakt een ander verloop van zijn pulseergedrag voorspellen dan de waarnemingen laten zien. Door het massaverlies in het model een beetje op te schroeven, kon dit verschil echter worden weggewerkt. Als de Poolster jaarlijks ongeveer één aardmassa aan materie uitstoot, stemmen theorie en waarnemingen goed overeen.
Meer informatie:
North star loses mass but still shines bright

2 mei 2012
Koude, donkere stofwolken gloeien oranje op in een vandaag vrijgegeven 'foto' van het stervormingsgebied M78, in de gordel van het sterrenbeeld Orion. De opname is gemaakt met de Europese APEX-telescoop (Atacama Pathfinder EXperiment), op 5000 meter hoogte in het noorden van Chili. APEX bestudeert het heelal op golflengten van iets minder dan een millimeter. Zulke submillimeterstraling wordt onder andere uitgezonden door koud stof. De achtergrondfoto is een beeld van M78 in zichtbaar licht. Het stof in het stervormingsgebied is geconcentreerd in verdichtingen, waarvan sommige een temperatuur hebben van 250 graden onder nul. Op sommige plaatsen valt de submillimeterstraling samen met donkere stofbanen op de gewone foto; daar bevindt het stof zich dus dichterbij dan de heldere nevel (een zogeheten reflectienevel, die het licht van nabijgelegen sterren weerkaatst). Elders is submillimeterstraling te zien op plaatsen waar geen donkere stofwolken zichtbaar zijn; daar moet het stof zich dus áchter de reflectienevel bevinden. Binnenin sommige stoffige verdichtingen worden momenteel in hoog tempo nieuwe sterren geboren, zoals blijkt uit metingen aan de bewegingssnelheden van gas: van jonge sterren-in-wording is bekend dat ze gasstromen uitstoten.
Meer informatie:
Sifting through Dust near Orion's Belt
APEX
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

30 april 2012
Astronomen van Vanderbilt University in Nashville (VS) hebben honderden sterren opgespoord die ons Melkwegstelsel met hoge snelheid verlaten. Tot nu toe waren slechts zestien van deze 'hypersnelle' sterren ontdekt. Het valt niet meer om een ster een snelheid van enkele miljoenen kilometers per uur mee te geven. Toch bestaan zulke sterren. Astronomen vermoeden dat ze deel hebben uitgemaakt van dubbelsterren die dicht langs het superzware zwarte gat in het centrum van de Melkweg zijn gescheerd. Daarbij kan een van beide sterren door het zwarte gat worden opgeslokt, terwijl de andere met grote snelheid wordt weggeslingerd. De sterren die de Vanderbilt-astronomen hebben opgespoord - 677 in getal - lijken zich in de interstellaire ruimte tussen de Melkweg en het naburige Andromedastelsel te bevinden. Behalve door hun opvallende locatie onderscheiden deze sterren zich ook door hun opvallend rode kleur. Volgens de astronomen zou het gaan om rode reuzensterren met een hoog gehalte aan zware elementen. Dat laatste zou betekenen dat ze uit het binnengebied van ons Melkwegstelsel afkomstig zijn, want sterren uit de buitengebieden bevatten doorgaans kleinere hoeveelheden zware elementen. Dat het in 677 gevallen om hypersnelle rode reuzensterren gaat, staat overigens nog niet vast. Er zouden namelijk ook koele dwergsterren tussen kunnen zitten. Omdat deze dwergsterren veel minder licht uitstralen dan rode reuzen, zouden ze veel dichterbij moeten zijn om even helder te lijken. Nader onderzoek moet uitsluitsel hierover geven.
Meer informatie:
Rogue stars ejected from the galaxy found in intergalactic space

30 april 2012
In een oude ster die deel uitmaakt van de 'halo' - het ijle buitengebied - van ons Melkwegstelsel zijn de elementen arsenicum en selenium ontdekt. Het is voor het eerst dat deze middelzware elementen in een ster op leeftijd zijn aangetroffen. Bij de oerknal, die het ontstaan van ons heelal inluidde, ontstonden alleen de lichte elementen waterstof, helium en (een beetje) lithium - atoomnummers 1 tot en met 3. Alle zwaardere elementen zijn later in het inwendige van sterren geproduceerd. Lichte sterren, zoals onze zon, kunnen waterstof en helium omzetten in elementen tot en met zuurstof (atoomnummer 8). Alle overige elementen zijn door veel zwaardere sterren geproduceerd. Dat laatste geldt dus ook voor het arsenicum (33) en selenium (34) dat astronomen, samen met 43 andere hebben gedetecteerd in het spectrum van de 12 miljard jaar oude ster HD 160617. Buiten ons zonnestelsel is deze combinatie van elementen nooit eerder in één en hetzelfde object waargenomen.
Meer informatie:
Old Star, New Trick

28 april 2012
Astrofysici van de Western University in Canada hebben het ontstaan van bruine dwergen mogelijk ontraadseld. Bruine dwergen zijn 'mislukte' sterren: gasbollen die niet zwaar en heet genoeg zijn om kernfusiereacties van waterstof op gang te brengen. Hun bestaan werd tientallen jaren geleden al voorspeld, maar pas sinds de jaren negentig zijn er in totaal een paar honderd ontdekt. Hoe ze ontstaan is echter niet duidelijk. In een publicatie in The Astrophysical Journal worden nu resultaten gepresenteerd van gedetailleerde computersimulaties, waaruit blijkt dat bruine dwergen kunnen ontstaan in de 'nasleep' van de vorming van gewone sterren. Pasgeboren protosterren worden vaak omgeven door een platte, ronddraaiende schijf van gas en stof, waarin uiteindelijk ook planeten kunnen ontstaan. De computersimulaties laten nu zien dat grotere verdichtingen in deze schijf door onderlinge zwaartekrachtsstoringen de ruimte in geslingerd kunnen worden, zelfs nog vóórdat ze echt volledig zijn samengetrokken tot een bruine dwerg.
Meer informatie:
Persbericht Western University
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

27 april 2012
Een team van Amerikaanse, Canadese en Chileense astronomen heeft bij toeval een opvallend lichtzwakke sterrenhoop ontdekt die om ons Melkwegstelsel cirkelt. De kleine bolvormige sterrenhoop, die de aanduiding Muñoz 1 heeft gekregen, produceert niet meer licht dan 120 zonachtige sterren. Het is niet voor het eerst dat zo'n kleine, zwakke bolvormige sterrenhoop is opgespoord. In 2010 ontdekten astronomen een soortgelijk object, Segue 3, dat qua helderheid en afmetingen vergelijkbaar is met Muñoz 1. Bolvormige sterrenhopen zijn compacte verzamelingen van sterren die door hun onderlinge zwaartekrachtsaantrekking bijeen worden gehouden. Rond de Melkweg cirkelen minstens 150 van die sterrenhopen, waarvan de meeste aanzienlijk groter zijn dan Muñoz 1 en Segue 3. Aangenomen wordt dat ook deze laatste ooit veel meer sterren hebben bevat, maar dat ze er in de loop van de miljarden jaren veel zijn kwijtgeraakt. De verwachting is dat er de komende jaren nog veel meer van deze kleine bolhopen ontdekt zullen worden.
Meer informatie:
'Ridiculously' Dim Bevy Of Stars Found Beyond Milky Way

26 april 2012
Op beelden van NASA's infraroodsatelliet WISE is een oude ster ontdekt die grote hoeveelheden stof de ruimte in blaast. Na de ontdekking bleek dat ster, die oorspronkelijk veel op onze zon moet hebben geleken, al eerder is gefotografeerd, maar toen honderd keer zo helder was als nu. Zijn stofproductie is de laatste jaren dus sterk toegenomen. De ster, die de aanduiding WISE J180956.27-330500.2 heeft gekregen, bevindt zich in het zogeheten rodereuzenstadium. Over ongeveer vijf miljard jaar zal ook onze zon dit stadium bereiken. Een zonachtige ster zwelt op tot een rode reus wanneer de waterstof in zijn kern, die nodig is voor de energieproductie, uitgeput raakt. Dat de WISE-satelliet de ster heeft waargenomen op het moment dat hij veel stof uitstoot, berust op toeval. Stermodellen laten zien dat rode reuzen dat ongeveer eens in de tienduizend jaar doen, en deze stofproductie duurt waarschijnlijk niet langer dan een paar honderd jaar. Er was tot nu toe dan ook maar één andere ster bekend die je als 'stoffabriek' kunt aanmerken.
Meer informatie:
NASA's WISE Catches Aging Star Erupting With Dust

25 april 2012
Astronomen van de universiteit van Bonn (Duitsland) hebben een omvangrijke structuur van satellietstelsels en sterrenhopen rond onze Melkweg ontdekt, die zich over een miljoen lichtjaar uitstrekt. De ontdekking lijkt in strijd te zijn met het bestaan van donkere materie, de onwaarneembare substantie die volgens de geldende inzichten meer dan tachtig procent van alle massa in het heelal voor zijn rekening neemt. Ons Melkwegstelsel bestaat uit een platte schijf van enkele honderden miljarden sterren en grote hoeveelheden gas en stof. Om deze schijf, die een middellijn van ongeveer 100.000 lichtjaar heeft, cirkelen een aantal kleinere stelsels en zogeheten bolvormige sterrenhopen. De conventionele modellen voor ontstaan en evolutie van het heelal gaan ervan uit dat het heelal aanzienlijke hoeveelheden donkere materie bevat. Volgens deze modellen zou ons Melkwegstelsel echter veel meer kleine begeleiders moeten hebben dan er daadwerkelijk worden waargenomen. De astronomen uit Bonn hebben aan de hand van opnamen van de Sloan Deep Sky Survey een zo compleet mogelijke inventarisatie gemaakt van de entourage van de Melkweg. Die inventarisatie heeft een compleet nieuw beeld van onze kosmische achtertuin opgeleverd. De verschillende begeleiders, sterrenstelsels zowel als sterrenhopen, zijn verdeeld over een vlak dat loodrecht op de schijf van het Melkwegstelsel staat. Ze lijken onderdeel uit te maken van één kolossale structuur. Volgens de astronomen zouden alle begeleiders van de Melkweg zijn ontstaan na de botsing met een ander groot sterrenstelsel, die 11 miljard jaar geleden heeft plaatsgevonden. En dat zou betekenen dat het Melkwegstelsel zijn begeleiders niet stuk voor stuk heeft ingevangen, zoals de conventionele, op het bestaan van donkere materie gebaseerde theorieën voorspellen.
Meer informatie:
Do the Milky Way's companions spell trouble for dark matter?

18 april 2012
Astronomen van Penn State University hebben, met behulp van de grote radioschotel van Arecibo op Puerto Rico, radiostraling waargenomen van een bruine dwergster die niet veel warmer is dan sommige grote exoplaneten. Daarmee is het vorige record van de laagste stertemperatuur waarbij radiostraling is waargenomen ruimschoots verbroken. Bruine dwergen zijn kleine, koele objecten die ergens tussen Jupiter-achtige reuzenplaneten en normale kleine sterren in zitten. Ze produceren geen energie door middel van kernfusie maar stralen geleidelijk de inwendige warmte uit die ze bij hun ontstaan hebben meegekregen. De recent ontdekte superkoele bruine dwerg, die de aanduiding J1047+21 heeft gekregen, bevindt zich op een afstand van 33,6 lichtjaar in het sterrenbeeld Leeuw. Hij heeft een oppervlaktetemperatuur van slechts ongeveer 600 graden Celsius. Ondanks zijn kleine afmetingen en lage temperatuur is J1047+21 zeer actief. De uitbarstingen van radiostraling die met de Arecibo-radiotelescoop zijn waargenomen, wijzen erop dat hij een sterk magnetisch veld heeft. Op zichtbare golflengten is de bruine dwerg nauwelijks waarneembaar.
Meer informatie:
Astronomers detect coolest radio star

18 april 2012
In de naaste omgeving van de zon zijn geen grote hoeveelheden donkere materie te vinden. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van de bewegingen van vierhonderd sterren op afstanden van 5000 tot 13.000 lichtjaar van de schijf van ons Melkwegstelsel. Volgens algemeen geaccepteerde theorieën zou de zonsomgeving juist rijk moeten zijn aan donkere materie - een geheimzinnige, onzichtbare substantie die alleen indirect waarneembaar is via de zwaartekrachtsaantrekking die zij uitoefent. De donkere materie werd tachtig jaar geleden voor het eerst opgevoerd om te verklaren waarom de buitenste delen van sterrenstelsels zoals onze eigen Melkweg zo snel roteren. Inmiddels is zij echter ook een cruciaal onderdeel van theorieën die ontstaan en levensloop van sterrenstelsels proberen te verklaren. Tegenwoordig gaan de meeste astronomen ervan uit dat tachtig procent van alle massa in het heelal uit donkere materie bestaat. Behalve in onze naaste omgeving dan. Door heel nauwkeurig de bewegingen van sterren op flinke afstand van het melkwegvlak te meten, hebben vier astronomen van de universiteit van Chili en de Europese Zuidelijke Sterrenwacht kunnen reconstrueren hoeveel materie in de naaste omgeving van de zon aanwezig is. De berekende hoeveelheid massa blijkt heel goed overeen te komen met wat astronomen hier aan sterren, stof en gas waarnemen. Meer materie - donkere dus - lijkt er gewoon niet te zijn. Volgens de astronomen is er geen voor de hand liggende verklaring voor dit lokale gebrek aan donkere materie. Eén mogelijkheid is dat de halo van donkere materie die ons Melkwegstelsel omhult niet bolvormig is, maar meer weg heeft van een rugbybal die min of meer loodrecht op de melkwegschijf staat. In dat geval zou de meeste donkere materie zich binnen de omloopbaan van de zon kunnen bevinden.
Meer informatie:
Zware tegenslag voor theorieën over donkere materie?

16 april 2012
Nederlandse astronomen hebben cruciale metingen verricht aan een zogeheten 'magnetar' - een extreem compacte neutronenster met een uitzonderlijk sterk magnetisch veld. De nieuwe metingen leiden hopelijk tot een beter inzicht in de natuurkundige processen die zich in de directe omgeving van deze exotische projecten afspelen. De magnetar, 1E 1547.0-5408 geheten, vertoonde in januari 2009 een plotselinge, zeer abrupte afremming in de rotatiesnelheid. Zo'n 'timing glitch' wordt vermoedelijk veroorzaakt door een krachtige beving aan het oppervlak. Metingen van de Europese röntgen- en gammasatelliet Integral, uitvoerig geanalyseerd door Lucien Kuiper en Wim Hermsen van het SRON Netherlands Institute for Space Research, laten zien dat er direct na de 'hik' energierijke, niet-gepulste röntgenstraling werd geproduceerd door de gemagnetiseerde neutronenster - een verschijnsel dat nooit eerder is waargenomen. Daarnaast werd ook energierijke röntgenstraling ontdekt die wél een pulsgedrag vertoonde, en die - na een aanvankelijke toename in 70 dagen tijd - in de loop van ca. tien maanden weer geleidelijk zwakker werd. De nieuwe resultaten zijn beschreven in The Astrophysical Journal. De auteurs hopen dat een vergelijking van de waarnemingen met bestaande theoretische modellen meer inzicht zal verschaffen in de wijze waarop magnetars energierijke röntgenstraling produceren.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

11 april 2012
Een internationaal team van astronomen heeft twee witte dwergsterren opgespoord die tot de oudste in hun soort behoren. De beide dwergen, die slechts ongeveer 100 lichtjaar van de aarde verwijderd zijn, hebben leeftijden van 11 tot 12 miljard jaar. Witte dwergen zijn de overblijfselen van sterren die veel op de zon lijken. Aan het einde van hun bestaan blazen deze sterren een groot deel van hun materie weg, waarna een compacte kern ter grootte van de aarde overblijft die heel geleidelijk afkoelt. Aan de temperatuur van zo'n witte dwerg kan worden afgemeten hoe lang die afkoelingsperiode al bezig is. In het geval van de witte dwergen WD 0346+246 en SDSS J1102 moet dat proces al miljarden jaren aan de gang zijn. Hun oppervlaktetemperatuur ligt rond de 3500 graden Celsius, terwijl dat bij een jonge witte dwerg meer dan 100.000 graden is.
Meer informatie:
12-Billion-Year-Old White Dwarf Stars Only 100 Light-Years Away

11 april 2012
Een internationaal team van astronomen, onder wie Albert Zijlstra van de universiteit van Manchester, heeft ontdekt dat rode reuzensterren aan het eind van hun leven een soort zandstorm produceren. Dat blijkt uit onderzoek met de Europese Very Large Telescope in Chili, waarvan de resultaten deze week in Nature verschijnen. Sterren zoals onze zon sluiten hun leven af met een 'superwind' die honderd miljoen keer zo sterk is al een normale zonnewind. In die, naar astronomische maatstaven, korte levensfase van ongeveer tienduizend jaar verliest de ster soms wel de helft van zijn massa. Bij de zon zal dit over ongeveer vijf miljard jaar gebeuren. De oorzaak van deze superwind was altijd een raadsel. Wetenschappers gingen ervan uit dat zulke winden worden aangedreven door minuscule stofdeeltjes die in de atmosfeer van de ster ontstaan en zijn licht absorberen. Het sterlicht zou deze deeltjes als het ware van de ster wegduwen. Modelberekeningen gaven echter te zien dat dit mechanisme niet goed kan werken. De stofdeeltjes zouden zo heet worden dat ze verdampen voordat ze weggeduwd kunnen worden. De nieuwe waarnemingen helpen dat probleem uit de wereld: de deeltjes in de atmosferen van rode reuzen kunnen veel groter worden dan gedacht. De astronomen hebben deeltjes ontdekt die bijna een micrometer groot zijn - kolossaal voor een sterrenwind. Deeltjes van deze grootte absorberen sterlicht niet, maar weerkaatsen het juist. Hierdoor blijven ze koel en kan het sterlicht ze wegduwen zonder ze te vernietigen. De ontdekking zou wel eens de sleutel tot de oplossing van het superwindraadsel kunnen zijn. De grote stofdeeltjes verlaten de ster met snelheden van ongeveer 10 kilometer per seconde - raketsnelheid dus. Het effect daarvan is vergelijkbaar met een zandstorm.
Meer informatie:
Astronomers discover sandstorms in space

29 maart 2012
Een zware ster in het sterrenbeeld Cassiopeia die ongeveer 330 jaar geleden als supernova ontplofte, is bij de explosie min of meer binnenstebuiten gekeerd. Dat blijkt uit röntgenwaarnemingen van het restant van de supernova, die bekendstaat als Cassiopeia A. Wetenschappers hebben met behulp van de röntgensatelliet Chandra gekeken naar de chemische samenstelling van de verschillende delen van Cassiopeia A. Uit dat onderzoek blijkt dat het meeste ijzer, dat volgens stermodellen diep in de kern van de ster moet hebben gezeten, nu juist aan de rand van de nog steeds uitdijende supernovarest te vinden is. Hetzelfde geldt voor andere zware elementen als zwavel, silicium en magnesium, die ook uit het centrale deel van de ster afkomstig moeten zijn. De verdeling van deze elementen wijst erop dat het inwendige van de ster tijdens het explosieproces op de een of andere manier met grote kracht naar buiten is geblazen.
Meer informatie:
A Star Explodes and Turns Inside Out

29 maart 2012
Een internationaal team van astronomen heeft een reusachtige fotocollage van de Melkweg samengesteld, waarop meer dan een miljard sterren te zien zijn. Het kleurenpanorama wordt donderdag 29 maart gepresenteerd tijdens een gezamenlijke bijeenkomst van Britse en Duitse astronomen in Manchester. Aan de totstandkoming van de foto is tien jaar gewerkt door wetenschappers uit Europa en Chili. Daarbij zijn gegevens gebruikt van de UK Infrared Telescope op Hawaï en ESO's VISTA-surveytelescoop in Chili. Er is voor deze telescopen gekozen omdat zij opnamen in het nabij-infrarood kunnen maken - een golflengtegebied waarin de stofwolken tussen de sterren tamelijk transparant zijn. Helemaal compleet is de foto nog niet: hier en daar zitten er nog wat 'gaten' in. Maar desondanks geeft hij een goede indruk van het centrale vlak van ons Melkwegstelsel, waarvan de vorm wel wordt vergeleken met twee ruggelings op elkaar gelegde gebakken eieren met een (donkere) vulling daartussen. Wie dat wil kan het volledige panorama van 39.300 bij 3750 pixels downloaden (let op: het bestand is 304 MB groot), maar ook online inzoomen op verschillende delen van de foto.
Meer informatie:
Milky Way image reveals detail of a billion stars

28 maart 2012
De rondtollende neutronenster in het hart van de Krabnevel produceert meer energie dan theoretisch kan worden verklaard. Dat blijkt uit waarnemingen met de beide Magic-telescopen op het Canarische eiland La Palma. Met deze instrumenten is de Krabpulsar waargenomen in het tot voor kort moeilijk toegankelijke gebied van de gammastraling met energieën van 25 tot 400 giga-elektronvolt (GeV). Daarbij werd ontdekt dat het object - het compacte restant van een zware ster die bijna 1000 jaar geleden als supernova ontplofte - ook pulsen van de hoogst meetbare energie uitzendt. Daarmee zijn deze pulsen zeker vijftig keer zo energierijk als voor mogelijk werd gehouden. De neutronenster in de Krabnevel draait dertig keer per seconde om zijn as en heeft een zeer sterk magnetisch veld, dat door de rotatie wordt meegesleurd. De geladen deeltjes die de neutronenster voortdurend uitzendt bewegen langs de magnetische veldlijnen en zenden daarbij gebundelde straling uit - van radiostraling tot gammastraling. Steeds als die stralingsbundel in de richting van de aarde wijst (30x per seconde dus) licht de ster even op. Geen van de bekende verschijnselen die op en rond een neutronenster optreden kan het ontstaan van de waargenomen energierijke gammapulsen verklaren. Volgens de onderzoekers moet het haast om een nog onbekend fysisch proces gaan.
Meer informatie:
Powerhouse in the Crab Nebula

14 maart 2012
Astronomen hebben voor het eerst een glimp opgevangen van een cruciaal beginstadium van de stervorming. De nieuwe waarnemingen kunnen meer inzicht geven in de wijze waarop een grote wolk van gas en stof tot sterren samentrekt. De astronomen hebben met behulp van de Europese infraroodsatelliet Herschel en de radiotelescoop van Green Bank (VS) gekeken naar een kolossale gaswolk in het sterrenbeeld Perseus, op 770 lichtjaar van de aarde. Daarbij zijn gedetailleerde waarnemingen gedaan van een samenklontering binnen die gaswolk, waar zich bijna honderd zonsmassa's aan materie heeft verzameld. Uit het onderzoek blijkt dat de 'klont' op het punt staat om in ongeveer tien kernen uiteen te vallen. Uit die kernen zullen uiteindelijk nieuwe sterren ontstaan. Het is voor het eerst dat dit specifieke stadium van stervorming is waargenomen.
Meer informatie:
Astronomers Get Rare Peek at Early Stage of Star Formation

7 maart 2012
Een team van meer dan 35.000 vrijwilligers heeft waarnemingen van de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer uitgevlooid op ronde structuren in de schijf van ons Melkwegstelsel. Die 'bellen' ontstaan op plaatsen waar jonge, hete sterren het omringende gas en stof wegblazen. Ze geven dus de locaties van recente stervormingsactiviteit aan. Het opsporen van de gasbellen is iets waar computers niet zo goed in zijn. Om de vaak gefragmenteerde en elkaar overlappende ringen te kunnen herkennen, heb je blijkbaar de ogen en hersenen van een mens nodig. En hoe meer mensen op dezelfde plek een ring menen te zien, des te waarschijnlijker is het dat zich hier een door een ster leeggeblazen bel bevindt. De onbezoldigde NASA-medewerkers hebben meer dan vijfduizend van die bellen opgespoord - tien keer zo veel als het tot nu toe bekende aantal. Volgens de professionele astronomen die bij het project betrokken zijn, kan dit grote aantal erop wijzen dat het Melkwegstelsel veel meer sterren produceert dan gedacht. Opvallend is dat aan de randen van grote bellen vaak tal van kleinere bellen te vinden zijn. Dat suggereert dat in de uitdijende bellen van 'opgewaaid' gas en stof weer nieuwe sterren kunnen ontstaan. Maar misschien nog wel de meest opmerkelijke ontdekking van de bellenspeurtocht, is dat er bij het centrum van de Melkweg, waar de gasdichtheid het hoogst is, juist weinig bellen te vinden zijn.
Meer informatie:
Finding Bubbles in the Milky Way
Milky Way Project

2 maart 2012
Astronomen hebben een neutronenster ontdekt die zich voorbeeldig gedraagt. De uitbarstingen die de ster, die zich in de bolvormige sterrenhoop Terzan 5 bevindt, vertoont volgen precies het verwachte patroon. Een neutronenster ontstaat door het instorten van de kern van een zware ster. Het resultaat is slechts een kilometer of tien groot, maar bevat net zo veel massa als onze zon. Als zo'n object een normale ster als begeleider heeft, kan er materie van de ster naar de neutronenster stromen. Dit hete gas komt met enorme kracht op het oppervlak terecht en vormt geleidelijk een laag verse 'brandstof'. Zodra de hoeveelheid brandstof een bepaald niveau bereikt, komt er een thermonucleaire explosie op gang. Zulke explosies gaan gepaard met uitbarstingen van röntgenstraling die tot op grote afstanden waarneembaar zijn. Voor het voorspellen van zulke uitbarstingen hebben astronomen modellen opgesteld, die ervan uitgaan dat er vaker explosies optreden naarmate er meer materie op de neutronenster valt. In extreme gevallen zou er zelfs sprake zijn van een 'permanente explosie'. Jammer genoeg voldeed tot nu toe geen enkele van de bijna honderd neutronensterren die röntgenuitbarstingen vertonen aan de theoretische verwachtingen. Totdat de eind 2010 door de satelliet RXTE ontdekte röntgendubbelster in Terzan 5 opdook. Deze vertoont op momenten dat de materie-overdracht klein is korte hevige uitbarstingen en frequentere uitbarstingen als de materieoverdracht groot is. Precies zoals de modellen voorspellen. De grote vraag is nu waarom deze neutronenster wél aan de verwachtingen voldoet en vele andere níét. Een mogelijke aanwijzing zou kunnen zijn dat de neutronenster in Terzan 5 langzamer om zijn as draait dan zijn soortgenoten: 'maar' 11 keer in plaats van honderden keren per seconde. Mogelijk houden de bestaande modellen dus te weinig rekening met de omwentelingssnelheid.
Meer informatie:
Researchers find the first neutron star that bursts as predicted

27 februari 2012
Onderzoek aan sterren in de directe omgeving van de zon heeft informatie opgeleverd over de oorsprong van sterexplosies die van belang zijn voor onderzoek aan de versnellende uitdijing van het heelal. Het gaat om supernova's van het type Ia, die allemaal vrijwel dezelfde lichtkracht hebben en daardoor geschikt zijn voor kosmologische afstandsbepalingen en onderzoek aan de uitdijingsgeschiedenis van het universum. Type Ia-supernova's ontstaan wanneer een witte dwergster op de een of andere manier te zwaar wordt (zwaarder dan ca. 1,4 zonsmassa's) en ineenstort tot een neutronenster. Het is inmiddels duidelijk dat type Ia-supernova's altijd in dubbelstersystemen ontstaan, maar astronomen weten niet of de begeleider van de witte dwerg zelf óók een witte dwerg is (in dat geval zou er sprake zijn van de versmelting van de twee dwergsterren) of dat het om een normale, zonachtige ster gaat (in dat geval moet er sprake zijn van materie-overdracht op de witte dwerg, waardoor hij boven de kritische massagrens komt). Een team van astronomen onder leiding van Charles Badenes van de Universiteit van Pittsburgh heeft nu ontdekt dat de eerste optie de meest waarschijnlijke is. Op basis van waarnemingen van de Sloan Digital Sky Survey is afgeleid dat van de 4000 bestudeerde witte dwergen in de omgeving van de zon er vijftien in werkelijkheid dubbele witte dwergen zijn, die in de verre toekomst steeds dichter om elkaar heen zullen draaien en uiteindelijk met elkaar zullen botsen en versmelten. Op basis van de relativiteitstheorie van Einstein kan berekend worden hoe lang die versmeltingen nog op zich laten wachten, en door de resultaten te extrapoleren naar het hele Melkwegstelsel ontdekten Badenes en zijn collega's dat er ongeveer één type Ia-supernova per eeuw in het Melkwegstelsel moet voorkomen op basis van zo'n versmelting van twee witte-dwergsterren. Die frequentie komt goed overeen met de bekende supernova-frequentie, wat doet vermoeden dat dubbele witte dwergen inderdaad de veroorzakers zijn van type Ia-explosies. De resultaten zijn ter publicatie aangeboden aan The Astrophysical Journal Letters.
Meer informatie:
Fireworks - A little luck and a lot of hard work can really light up the sky
Vakpublicatie over het onderzoek
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

22 februari 2012
Astronomen hebben, met behulp van de infraroodsatelliet Spitzer, 'buckyballen' ontdekt bij de dubbelster XX Ophiuchi. Het is niet voor het eerst dat dit bolvormige koolstofmolecuul in de ruimte is aangetroffen, maar tot nu toe betrof het steeds buckyballen in gasvormige toestand. Ditmaal zijn ze in vaste vorm waargenomen. Buckyballen - officieel buckminsterfullerenen - zijn de grootste moleculen die in de ruimte zijn gevonden. Het zijn zeer stabiele moleculen, bestaande uit zestig koolstofatomen die samen een hol balletje vormen. De buckyballen die nu met Spitzer zijn gedetecteerd, zijn samengeklonterd tot grotere deeltjes. Maar hoewel deze deeltjes uit miljoenen buckyballen bestaan, zijn ze nog ruimschoots kleiner dan de breedte van een haar. De astronomen konden de samengeklonterde buckyballen herkennen aan het soort infraroodlicht dat ze uitzenden. Hun gasvormige soortgenoten hebben een andere infraroodsignatuur.
Meer informatie:
NASA's Spitzer Finds Solid Buckyballs in Space

21 februari 2012
Astronomen hebben, met behulp van de NASA-röntgensatelliet Chandra, ontdekt dat de hete materieschijf rond een zwart gat in de kern van ons Melkwegstelsel de bron is van een hevige 'sterrenwind'. De deeltjesstroom die de materieschijf uitzendt bereikt een recordsnelheid van ongeveer 30 miljoen km/uur - bijna drie procent van de lichtsnelheid. Dat is bijna tien keer zo snel als de tot nu toe snelste sterrenwind die bij een stellair zwart was waargenomen. Een stellair zwart gat ontstaat als een extreem zware ster aan het einde van zijn bestaan ineenstort. Ze zijn doorgaans vijf tot tien keer zo zwaar als de zon. Het zwarte gat dat de waargenomen superwind produceert, draagt de aanduiding IGR J17091. De windsnelheid van IGR J17091 is vergelijkbaar met die van de superzware zwarte gaten die in de centra van sterrenstelsels zijn gevonden. Maar die zijn miljoenen, soms zelfs miljarden keren zo zwaar. Het komt als een verrassing dat ook een 'klein' zwart gat zo'n hevige sterrenwind kan veroorzaken. De sterrenwind van IGR J17091 bereikt niet alleen kolossale snelheden: er worden ook ongebruikelijk grote hoeveelheden deeltjes uitgestoten. Het lijkt erop dat er bij vlagen meer materie uit de omringende materieschijf verdwijnt dan het zwarte gat van zijn begeleidende ster weet aan te zuigen. Maar de sterrenwind is niet altijd zo hevig: bij eerdere waarnemingen is de recordsnelle wind niet waargenomen.
Meer informatie:
NASA's Chandra Finds Fastest Wind From Stellar-Mass Black Hole

17 februari 2012
Wetenschappers van elf Amerikaanse instituten hebben voor het eerst tellurium opgespoord in de ruimte. Sporen van dit zeldzame semi-metaal, dat onder meer wordt gebruikt voor de productie van halfgeleiders, zijn aangetoond in de spectra van drie 12 miljard jaar oude sterren in de halo van ons Melkwegstelsel. De ontdekking bevestigt de theorie dat tellurium, samen met nog zwaardere elementen, bij een zeldzaam soort sterexplosies is ontstaan. Ongeveer 13,7 miljard jaar geleden bestond de materie in het heelal uitsluitend uit de drie lichte elementen waterstof, helium en lithium, die bij de oerknal waren gevormd. Daar kwam pas verandering in toen 300 miljoen jaar later de eerste sterren op het toneel verschenen. Deze produceerden de overige 94 elementen die van nature in het heelal voorkomen. De zwaardere elementen kwamen onder meer via grote sterexplosies, supernovae, in de ruimte en uiteindelijk ook in latere generaties van sterren en hun planeten terecht. Zo moet het ook met tellurium zijn gegaan. De ontdekking van dit element in enkele stokoude sterren wijst erop dat het al vroeg in de geschiedenis van het heelal bestond. De aangetroffen hoeveelheid is in overeenstemming met de theorie dat de elementen zwaarder dan ijzer zijn geproduceerd bij het zogeheten r-proces dat alleen bij de explosies van zware sterren optreedt. Bij dat proces worden atoomkernen als die van het element nikkel in rap tempo met zoveel neutronen bestookt, dat ze in (nog) zwaardere elementen veranderen.
Meer informatie:
Rare Earth element found far, far away

15 februari 2012
De grote uitbarsting die de ster Èta Carinae ruim anderhalve eeuw geleden onderging, verliep waarschijnlijk anders dan gedacht. Dat volgt uit onderzoek van een pas onlangs verschenen 'licht-echo' van de langdurige uitbarsting, die de afgelopen jaren door een internationaal team van astronomen is gevolgd (Nature, 16 februari). Èta Carinae is een heldere blauwe superreus, meer dan honderd keer zo zwaar als de zon, die sterke helderheidsfluctuaties vertoont. Halverwege de 19de eeuw was hij tien jaar lang de op één na helderste ster aan de hemel. Nu staat hij niet eens meer in de top 100. De fluctuaties ontstaan doordat Èta Carinae, die een aanzienlijk kleinere maar nog steeds forse begeleider heeft, steeds instabieler wordt en veel massa verliest. Tijdens de grote uitbarsting - vermoedelijk een hevige vorm van sterrenwind - verloor de ster meer dan tien zonsmassa's materie. De astronomen hebben nu, anderhalve eeuw na dato, alsnog een glimp van de uitbarsting kunnen waarnemen: licht dat door een enkele tientallen lichtjaren verderop staande interstellaire wolk is weerkaatst. Via deze omweg is dat licht nu pas op aarde aangekomen. Uit analyse van het spectrum van de licht-echo blijkt dat de temperatuur van de grote uitbarsting enkele duizenden graden lager was dan modelberekeningen hadden 'voorspeld'. Daarmee onderscheidt de uitbarsting zich duidelijk van ogenschijnlijk vergelijkbare uitbarstingen van blauwe superreuzen die in andere sterrenstelsels zijn waargenomen. Hoe de kolossale uitbarsting van Èta Carinae is ontstaan, en waarom deze de ster niet volledig heeft verwoest, is echter nog steeds een raadsel.
Meer informatie:
Astronomers Watch Delayed Broadcast of Rare Celestial Eruption
Astronomers Watch Delayed Broadcast of a Powerful Stellar Eruption
Astronomers Watch Instant Replay of Powerful Stellar Eruption

15 februari 2012
Met de APEX-telescoop in Chili - APEX staat voor Atacama Pathfinder Experiment - is een bijzondere opname gemaakt van een meer dan tien lichtjaar lange kosmische stofwolk. In de wolk zitten niet alleen pasgeboren sterren verborgen, maar ook dichte gaswolken die op het punt staan om tot nog meer sterren samen te trekken. De stofwolk, die eigenlijk uit twee delen bestaat (Barnard 211 en Barnard 213), werd al ongeveer een eeuw geleden ontdekt als een donker silhouet tegen een heldere achtergrond van sterren in het sterrenbeeld Stier. Toch zenden de roetachtige stofdeeltjes in de wolk wel een beetje straling uit. Door hun extreem lage temperatuur (-260 graden Celsius) is die zwakke gloed echter alleen te zien op golflengten van ongeveer een millimeter. De stofwolk mag dan een obstakel vormen voor astronomen die de achterliggende sterren willen waarnemen, hij is tevens een kraamkamer van nieuwe sterren. Wanneer zo'n wolk onder zijn eigen zwaartekracht samentrekt, valt hij in stukken uiteen. Binnen deze gebieden kunnen zich kernen vormen waar het waterstofgas dicht en heet genoeg wordt om fusiereacties op te starten: een nieuwe ster is geboren. De APEX-waarnemingen laten zien dat Barnard 213 al gefragmenteerd is en dichte kernen heeft gevormd waarin stervorming optreedt. Barnard 211 bevindt zich in een wat vroeger evolutiestadium: het samentrekken en fragmenteren is hier nog bezig en zal pas over enige tijd tot stervorming leiden.
Meer informatie:
APEX richt zijn blik op donkere wolken in de Stier

14 februari 2012
In de nasleep van botsingen tussen sterrenstelsels worden meer bestaande sterrenhopen vernietigd dan er nieuwe ontstaan. Dat is de conclusie die Duitse en Nederlandse astronomen trekken op basis van gedetailleerde computersimulaties die binnenkort gepubliceerd zullen worden in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bij de botsing van twee sterrenstelsels komen hevige geboortegolven van nieuwe sterren op gang. Zo ontstaan onder andere grote nieuwe sterrenhopen, die voor een belangrijk deel uit zware, hete sterren bestaan. Diezelfde starbursts veroorzaken echter ook snel veranderende zwaartekrachtsomstandigheden, waardoor juist kleinere sterrenhopen weer uiteengerukt worden. Volgens teamleider Diederik Kruijssen van het Max-Planck-Institut für Astrophysik zou dit een verklaring kunnen vormen voor het feit dat veel sterrenstelsels (waaronder ons eigen Melkwegstelsel) vooral grote, zware (bolvormige) sterrenhopen bevatten: de kleinere, lichtere exemplaren hebben het 'bloedbad' dat ca. 13 miljard jaar geleden plaatsvond niet overleefd - toen ontstond het Melkwegstelsel uit onderlinge botsingen van kleinere sterrenstelsels.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Simulatie van botsende sterrenstelsels.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

13 februari 2012
De Europese ruimtetelescoop Planck heeft koude wolken van moleculair gas in het Melkwegstelsel in kaart gebracht, en bovendien een mysterieuze 'mist' van microgolfstraling ontdekt. Planck werd in het voorjaar van 2009 gelanceerd om precisiemetingen te verrichten aan de kosmische achtergrondstraling - het afgekoelde overblijfsel van de energie die vrijkwam tijdens de oerknal. De eerste resultaten van dat waarnemingsprogramma worden naar verwachting begin 2013 gepresenteerd, maar op een sterrenkundig congres in Bologna zijn vandaag alvast enkele andere Planck-resultaten bekendgemaakt. Zo heeft de ruimtetelescoop de verdeling van koud moleculair gas in het Melkwegstelsel in kaart gebracht. Zulke gaswolken bestaan voornamelijk uit waterstofmoleculen (H2), maar die zijn nauwelijks detecteerbaar. De wolken bevatten echter ook koolmonoxide-moleculen (CO), die wél waarneembare millimeterstraling uitzenden. Rond het centrum van het Melkwegstelsel ontdekte Planck ook een mysterieuze 'mist' van microgolfstraling, vermoedelijk geproduceerd door elektronen die in een magnetisch veld worden afgebogen. De eigenschappen van de waargenomen straling zijn echter nog niet naar tevredenheid verklaard.
Meer informatie:
Planck steps closer to the cosmic blueprint
Persbericht Jet Propulsion Laboratory
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

8 februari 2012
Wetenschappers hebben met behulp van de Japanse infraroodsatelliet AKARI koolmonoxidemoleculen opgespoord in het tien miljoen graden hete gas van de jonge supernovarest Cassiopeia A. De ontdekking komt als een verrassing: de energierijke elektronen en zware atomen die bij een supernova-explosie vrijkomen, zouden de moleculen afgebroken moeten hebben. Cas A is het overblijfsel van een zware ster die 330 jaar geleden is ontploft. Niet alleen aan de rand van het bij de explosie uitgestoten materiaal is koolmonoxide waargenomen, maar ook in het centrum van de supernovarest, waar sinds de explosie weinig is gebeurd. De ontdekking roept de vraag op wanneer het koolmonoxide is ontstaan - kort na de explosie of later, in het door de ster uitgestoten gas. Hoe dan ook lijkt het erop dat koolstof en misschien ook andere zware elementen die bij een supernova-explosie worden gevormd niet in ongebonden vorm in de interstellaire materie terechtkomen. Dat zou de inzichten omtrent bijvoorbeeld de vorming van stof in het vroege heelal nogal op hun kop zetten.
Meer informatie:
AKARI Finds Carbon Monoxide Molecules Embedded in Ten Million Degree Gas

8 februari 2012
Het grote zwarte gat in het centrum van de Melkweg verslindt wellicht planetoïden en/of kometen. Dat kan de opflakkeringen van röntgenstraling verklaren die het zwarte gat regelmatig vertoont. De afgelopen jaren heeft de NASA-satelliet Chandra ongeveer één keer per dag een kleine röntgenuitbarsting van het superzware zwarte gat, dat bekendstaat als Sagittarius A*, waargenomen. De opflakkeringen, waarbij Sgr A* enkele keren tot bijna honderd keer zoveel röntgenstraling produceert als normaal, duren een paar uur. De uitbarstingen zijn ook gezien in infraroodgegevens van de Europese Very Large Telescope in Chili. Volgens de astronomen die de Chandra-gegevens hebben geanalyseerd, zijn de röntgenuitbarstingen verklaarbaar als Sgr A* omgeven is door een wolk van biljoenen kometen en planetoïden die aan sterren zijn ontfutseld. Planetoïden die binnen ongeveer 150 miljoen kilometer van het zwarte gat komen, worden door de sterke getijkrachten ter plaatse verbrijzeld. En hun brokstukken zouden bij hun tocht door het hete gas rond Sgr A* verdampen en een röntgenuitbarsting veroorzaken. De astronomen schatten dat er planetoïden groter dan ongeveer tien kilometer nodig zijn om de waargenomen röntgenuitbarstingen te verklaren. Het zwarte gat slokt misschien ook kleinere exemplaren op, maar uitbarstingen die deze opleveren zijn te zwak om door Chandra gedetecteerd te worden.
Meer informatie:
NASA's Chandra Finds Milky Way's Black Hole Grazing on Asteroids
Zwart gat in centrum Melkweg verorbert planetoïden

1 februari 2012
De Amerikaanse röntgensatelliet Chandra heeft onderzoek gedaan aan het supernova-restant G350.1+0.3. Het onderzoek laat zien dat het restant van de ontplofte ster met kolossale snelheid door het Melkwegstelsel beweegt. Waarschijnlijk heeft hij deze snelheid te danken aan de explosie zelf. G350.1+0.3 bevindt zich op een afstand van 14.700 lichtjaar in de richting van het Melkwegcentrum. Enkele jaren geleden is uit onderzoek met de Europese röntgensatelliet XMM-Newton gebleken dat er in het supernova-restant een neutronenster schuilhoudt: de tot extreme dichtheid samengeperste kern van de ontplofte ster. De neutronenster staat echter niet precies in het centrum van G350.1+0.3. Dat wijst erop dat hij bij de supernova-explosie een flinke 'schop' heeft meegekregen. De Chandra-metingen laten zien hoe hard die schop moet zijn geweest. De metingen laten zien dat de supernova-explosie tussen de 600 en 1200 jaar geleden moet hebben plaatsgevonden. Uit de huidige positie van de neutronenster kan dan worden afgeleid dat hij sinds de explosie met een snelheid van zeker 5 miljoen km/uur door de ruimte raast.
Meer informatie:
Remnant of an Explosion With a Powerful Kick?

26 januari 2012
Analyse van een oude collectie van fotografische platen levert een stortvloed aan nieuwe veranderlijke sterren op. Het gaat daarbij met name om sterren die heel langzaam, maar niettemin aanzienlijk in helderheid variëren. De unieke collectie omvat 500.000 foto's die in de periode 1885-1993 zijn gemaakt door het Harvard College Observatory en de complete hemel bestrijken. Tot twintig jaar geleden bestonden er nog vrijwel geen digitale camera's en maakten de Harvard-astronomen bij het maken van hemelopnamen doorgaans gebruik van glasplaten met lichtgevoelige zilveremulsies. Deze glasplaten worden momenteel gedigitaliseerd - een klus die nog zeker drie, en misschien wel vijf jaar in beslag zal nemen. Hoewel pas vier procent van het werk voltooid is, is nu al duidelijk dat de platen waardevolle informatie bevatten over de veranderingen die sterren op termijnen van tientallen jaren vertonen. Eén van de eerste ontdekkingen is een klasse van koele reuzensterren, die in de loop van de decennia een factor twee in helderheid variëren. Onderzoek aan deze en andere veranderlijke sterren moet meer inzicht geven in de wijze waarop sterren in de loop van de tijd evolueren.
Meer informatie:
New Star Discoveries Found in Antique Telescope Plates
The Harvard College Observatory Astronomical Plate Stacks

12 januari 2012
Astronomen hebben met de Fermi-satelliet een zeldzaam soort dubbelster ontdekt, die een bron van energierijke gammastraling is. Anders dan andere gammadubbelsterren, die bij toeval werden ontdekt, is deze ontdekking het gevolg van een gerichte zoekactie (Science, 13 januari). Naar verwachting zullen dergelijke zoekacties de klasse van gammadubbelsterren op termijn minder zeldzaam worden. Gammadubbelsterren bestaan uit een normale ster en compact object dat een neutronenster of een zwart gat kan zijn. De exemplaren die tot nu toe werden opgespoord, stralen zowel gamma- als röntgenstraling uit en werden aan de hand van die laatste, minder energierijke vorm van straling opgemerkt. Pas later bleek dat ze ook (veel moeilijker detecteerbare) gammastraling uitzenden. Met de ontdekking van het object 1FGL J1018.6-5856 is daar verandering in gekomen. Deze gammadubbelster is ontdekt aan de hand van de gammastraling die hij uitzendt. Achteraf bleek overigens dat het object ook een bron van röntgenstraling is. 1FGL J1018.6-5856 bestaat waarschijnlijk uit een snel roterende neutronenster en een extreem hete, heldere ster die met een periode van ongeveer zeventien dagen om hun gezamenlijke zwaartepunt wentelen. Normaal gesproken zendt zo'n rondtollende neutronenster pulsen van straling uit, maar dat is hier niet het geval. De astronomen vermoeden dat dit komt doordat deze pulsen worden gemaskeerd door de intense sterrenwind van de begeleidende ster.
Meer informatie:
Rare Gamma-Ray Star Twins Discovered by New Method

12 januari 2012
Astronomen van het California Institute of Technology (Caltech) en de universiteit van Arizona hebben de grootste catalogus van sterren en andere hemelobjecten van veranderlijke helderheid samengesteld. De gegevens voor de lijst, die tweehonderd miljoen objecten bevat, zijn verzameld met een telescoop van bescheiden omvang: de 70-cm telescoop op Mount Bigelow in Arizona. De waarnemingen maken deel uit van de Catalina Sky Survey, een systematische zoekactie naar planetoïden die dicht in de buurt van de aarde (kunnen) komen. In het kader van die zoekactie worden steeds nieuw opnamen gemaakt van grote stukken hemel. Door opeenvolgende opnamen met elkaar te vergelijken, worden behalve planetoïden ook andere veranderlijke objecten opgespoord. De vandaag tijdens de winterbijeenkomst van de American Astronomical Society gepresenteerde lijst omvat onder andere meer dan duizend supernova's, honderden cataclysmische veranderlijken (dubbelstersystemen waarin een normale ster materie overdraagt aan een witte dwerg) en tienduizenden andere sterren van variabele helderheid. Binnenkort hoopt het Catalina-team ook de gegevens vrij te geven die met twee andere telescopen, een 1,5-meter telescoop op Mount Lemmon (Arizona) en een 50-cm telescoop op Siding Spring (Australië), zijn gemaakt.
Meer informatie:
Unprecedented Data Set on Variable Celestial Objects
Website Catalina Real-Time Transient Survey

11 januari 2012
Een team van Amerikaanse en Europese astronomen, onder wie Matthew Kenworthy van de Universiteit Leiden, heeft een bijzondere 'verduistering' waargenomen bij de jonge ster J1407 in het sterrenbeeld Centaurus. Begin 2007 vertoonde deze ster gedurende 54 dagen een sterk variërende helderheidsafname, die mogelijk werd veroorzaakt doordat het ringenstelsel van een nog onbekend object voor de ster langs bewoog. Op het hoogtepunt van de verduistering werd zeker 95 procent van het licht van de ster door stof geabsorbeerd. Uit de vorm van de helderheidskromme van J1407 kan worden afgeleid dat de langdurige verduistering niet kan zijn veroorzaakt door een bolvormig object of door een stofschijf om de ster zelf. De meest plausibele verklaring is dat de ster een begeleider heeft - een grote planeet of een zwakke dwergster - die omgeven is door een Saturnus-achtig ringenstelsel. Zo'n ringenstelsel is geen aaneengesloten schijf van stof, maar vertoont lege gebieden die ook wel 'scheidingen' worden genoemd. In dit geval zijn bij het ringenstelsel drie van deze scheidingen waargenomen. In die scheidingen zou een samenklonteringsproces aan de gang kunnen zijn, dat tot de vorming van een klein vast hemellichaam kan leiden. De grote vraag is nu wat zich in het centrum van het ringenstelsel bevindt. Als het om een zwakke dwergster gaat, zouden de hemellichamen-in-wording planeten zijn. Maar als het centrale object zelf een planeet is, zouden we ze manen moeten noemen. Om hier uitsluitsel over te krijgen, willen de astronomen onderzoeken of de ster J1407 schommelbewegingen vertoont. Dat zou informatie geven over de massa en aard van zijn geheimzinnige begeleider.
Meer informatie:
Scientists discover a Saturn-like ring system eclipsing a sun-like star

11 januari 2012
Astronomen van de universiteit van Pittsburgh hebben vastgesteld dat de naam 'Melkweg' voor ons melkwegstelsel meer dan gepast is. Een nieuwe kleurbepaling laat namelijk zien dat de Melkweg ongeveer zo wit is als pasgevallen sneeuw. Het bepalen van de kleur van de Melkweg lijkt een nogal triviale onderneming, maar wordt bemoeilijkt door het feit dat wij ons stelsel niet van een afstand kunnen bekijken. Hierdoor wordt onze indruk van de Melkweg verstoord door naburige gas- en stofwolken. Het overzicht ontbreekt. Om dat probleem te omzeilen, hebben de astronomen de kolossale database van de Sloan Digital Sky Survey (SDSS) doorgespit op andere sterrenstelsels die sterke overeenkomsten met de Melkweg vertonen. Daarbij is met name gelet op het aantal sterren in deze stelsels en het tempo waarin zij nieuwe sterren produceren - twee factoren die bepalend zijn voor de helderheid en kleur. Uit het onderzoek blijkt dat ons melkwegstelsel ongeveer het midden houdt tussen de rode sterrenstelsels, die vrijwel geen nieuwe sterren produceren, en de blauwe sterrenstelsels, die rijk zijn aan jonge, hete sterren. Dat betekent dat hoewel ons stelsel nog wel nieuwe sterren produceert, de stervormingsactiviteit wel afneemt. Over enkele miljarden zal de Melkweg waarschijnlijk een veel saaier sterrenstelsel zijn geworden, dat grotendeels uit sterren van middelbare leeftijd bestaat.
Meer informatie:
Astronomers Determine Color of Milky Way Galaxy

10 januari 2012
Op de 219e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Austin, Texas, is vandaag een keur aan nieuwe infraroodwaarnemingen gepresenteerd van stervormingsgebieden binnen en buiten ons eigen Melkwegstelsel. Sterren ontstaan in koude, donkere wolken van gas en stof, die alleen op infrarode golflengten in kaart gebracht kunnen worden. Met de Amerikaanse Spitzer Space Telescope zijn spectaculaire opnamen gemaakt van Cygnus X, een actief stervormingsgebied op ca. 4500 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Zwaan waarin duizenden jonge, zware sterren voorkomen. Sterrenkundigen hopen meer inzicht te krijgen in de manier waarop de geboorte en de dood van sterren met elkaar samenhangen: supernova-explosies van kortlevende sterren produceren schokgolven in de omgeving waaruit nieuwe sterren ontstaan, maar ze kunnen ook leiden tot het uiteenrukken van gaswolken, zodat de vorming van nieuwe sterren juist wordt afgeremd. Spitzer heeft ook opnamen gemaakt van de Magelhaense Wolken - twee kleine sterrenstelsels in de directe omgeving van ons eigen Melkwegstelsel. De foto's zijn gecombineerd met opnamen van de Europese Herschel-ruimtetelescoop, die langgolvige infraroodstraling detecteert en daardoor de allerkoelste stofwolken in beeld kan brengen. Vooral in de Grote Magelhaense Wolk blijkt de stervormingsactiviteit extreem hoog te zijn. Met de Amerikaanse WISE-kunstmaan (Wide-field Infrared Survey Explorer) is een panorama-opname van een groot deel van het Melkwegstelsel gemaakt, waarop is ontdekt dat stervorming inderdaad om zich heen grijpt als een bosbrand. Al lange tijd wordt vermoed dat er in het Melkwegstelsel inderdaad 'getriggerde stervorming' voorkomt, maar het proces was nog nooit op overtuigende wijze waargenomen. Tot slot is met SOFIA - een infraroodtelescoop aan boord van een vliegtuig - een opname gemaakt van het jonge stervormingsgebied W3A, op 6400 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Perseus. De gas- en stofwolken in W3A worden langzaam maar zeker weggeblazen door de energierijke straling van ca. 15 pasgeboren, zware sterren.
Persbericht over Spitzer-waarnemingen van Cygnus X
Persbericht over Spitzer- en Herschel-waarnemingen van de Magelhaense Wolken
Persbericht over WISE-waarnemingen van het Melkwegstelsel
Persbericht over SOFIA-waarnemingen van W3A
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

10 januari 2012
Voor het eerst zijn sterrenkundigen erin geslaagd om precies te timen wanneer een zwart gat 'kogels' van heet gas de ruimte in schiet. Eerder was altijd aangenomen dat het uitstoten van dit soort gaskogels gemarkeerd werd door een plotselinge toename in de hoeveelheid uitgezonden radiostraling. Uit nauwkeurige waarnemingen met de Amerikaanse VLBA-radiotelescoop en de röntgenkunstmaan Rossi blijkt echter dat het vuurwerk ongeveer twee dagen eerder begint. De waarnemingen werden begin juni 2009 verricht aan een zwart gat in een dubbelstersysteem op 28.000 lichtjaar afstand van de aarde. Het zwarte gat zuigt materie op van zijn begeleider, en af en toe worden daarbij compacte wolken van heet gas met ongeveer een kwart van de lichtsnelheid de ruimte in geblazen, langs de draaiingsas van het zwarte gat. Door de metingen van Rossi en de VLBA met elkaar te vergelijken, konden de astronomen (onder wie sterrenkundigen van de Universiteit van Amsterdam, de Radboud Universiteit Nijmegen en ASTRON) precies achterhalen op welk moment de gaskogels werden afgevuurd. De nieuwe resultaten, die gepresenteerd zijn op de 219e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Austin, zullen hopelijk leiden tot een beter inzicht in het gedrag van zwarte gaten.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Persbericht NASA (Engelstalig)
Persbericht NRAO (Engelstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

9 januari 2012
Uit metingen van de Sloan Digital Sky Survey III blijkt dat sterren in de zogeheten 'dikke schijf' van het Melkwegstelsel allemaal relatief arm zijn aan 'metalen' - elementen zwaarder dan waterstof en helium. Daarbij is er geen verschil tussen sterren dicht bij het centrum van het Melkwegstelsel en sterren in de buitengebieden. In de centrale dunne schijf van het Melkwegstelel, waarin ook de meeste gasnevels en stervormingsgebieden voorkomen, is die afhankelijkheid er wél: sterren op grote afstand van het centrum bevatten minder zware elementen dan sterren in de buurt van de Melkwegkern. Dat doet vermoeden dat de buitendelen van de dunne schijf jonger zijn dan de binnendelen, omdat het metaalgehalte van sterren binnen een bepaalde populatie pas in de loop van de tijd langzaam toeneemt. De nieuwe resultaten zijn verkregen in het kader van het SEGUE-2 programma (Sloan Extension for Galactic Understanding and Exploration), waarbij van 118.000 sterren in het Melkwegstelsel nauwkeurig de positie, ruimtelijke beweging en scheikundige samenstelling is onderzocht. De resultaten zijn gepresenteerd op de 219e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Austin, Texas. Volgens Judy Cheng van de Universiteit van Californië in Santa Cruz zijn er twee mogelijke verklaringen voor de waargenomen eigenschappen van de dikke schijf: òf de schijf is in korte tijd ontstaan, waardoor alle delen van de schijf dezelfde leeftijdsopbouw hebben, òf de verschillende delen van de schijf zijn op een efficiënte wijze dooreengeroerd, waardoor de leeftijdsverschillen niet langer waarneembaar zijn. Dat zou bijvoorbeeld het gevolg kunnen zijn geweest van botsingen met kleinere dwergstelsels.
Meer informatie:
Not all who wander are lost
Sloan Digital Sky Survey III
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

21 december 2011
Nieuw onderzoek door astrofysici van de universiteit van Rochester (VS) wijst erop dat een verzameling jonge, zware sterren in het noordelijke deel van het sterrenbeeld Schorpioen ouder is dan gedacht. Van deze zogeheten Scorpius-Centaurus-associatie werd aangenomen dat zij slechts vijf miljoen jaar oud was. Maar de onderzoekers denken nu dat de sterren meer dan twee keer zo oud zijn: elf miljoen jaar. De astrofysici kwamen tot hun conclusie na analyse van de lichtspectra van de sterren. Met deze spectra konden nieuwe schattingen worden gemaakt van de temperaturen van de sterren. Geavanceerde modelberekeningen deden de rest. Dat de nieuwe resultaten afwijken van eerdere schattingen, komt niet alleen door de verbeterde temperatuurbepalingen. Ook is de afstand van de Scorpius-Centaurus-associatie (470 lichtjaar) nauwkeuriger bekend dan voorheen. Bovendien is in de computermodellen voor het eerst rekening gehouden met de rotatie van de sterren, die gevolgen heeft voor de manier waarop waterstof - de brandstof van de ster - zich binnen de ster vermengd. De nieuwe resultaten kunnen gevolgen hebben voor een eerdere ontdekking: de planeet die bij een van de sterren van de Scorpius-Centaurus-associatie is ontdekt. Als deze ster veel ouder is dan aanvankelijk werd aangenomen, heeft deze exoplaneet meer tijd gehad om af te koelen en gaat zijn geschatte massa van acht naar veertien Jupitermassa's. En dat zou kunnen betekenen dat '1RXS J1609b' geen planeet is, maar een zogeheten bruine dwerg - een mini-sterretje.
Meer informatie:
Some Nearby Young Stars May Be Much Older

19 december 2011
Met de vliegende infraroodtelescoop SOFIA zijn gedetailleerde opnamen van gemaakt van het hart van de Orionnevel, een groot stervormingsgebied op een afstand van ca. 1500 lichtjaar. De waarnemingen zijn afgelopen voorjaar verricht, als onderdeel van het SOFIA Basic Science Program. De resultaten worden binnenkort gepubliceerd in The Astropysical Journal. SOFIA (Stratospheric Observatory For Infrared Astronomy) is een 2,5-meter telescoop, uitgerust met gevoelige infrarooddetectoren, aan boord van een omgebouwde Boeing 747 die zijn waarnemingen doet vanaf een hoogte van 14 kilometer, boven 99 procent van de absorberende waterdamp in de aardatmosfeer. Op de detailopnamen van de Orionnevel zijn complexe wolken van gas en stof te zien, waarin onder andere veel silicium, koolstof en andere zware elementen voorkomen. De heldere vlekjes op de infraroodfoto's zijn protosterren (sterren-in-wording), soms omgeven door protoplanetaire schijven, waaruit zich in de toekomst planetenstelsels kunnen ontwikkelen.
Meer informatie:
SOFIA Observatory Peers Into Heart of Orion Nebula
SOFIA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 december 2011
Amerikaanse sterrenkundigen hebben gedetailleerde metingen verricht aan de rotatie van de 'balk' in het centrum van ons Melkwegstelsel. Net zoals sommige andere sterrenstelsels bevat ook ons eigen Melkwegstelsel een vrij langgerekte centrale structuur, bestaande uit oude sterren - de zogeheten balk. In het geval van het Melkwegstelsel wijst één uiteinde van die balk min of meer in de richting van de zon. Met de 4-meter Blanco-telescoop op het Cerro Tololo Interamerican Observatory in Chili zijn de afgelopen vier jaar metingen verricht aan de bewegingen van meer dan tienduizend oude, rode sterren in de balk. Hieruit kon worden afgeleid dat hij een 'cylindrische' rotatie vertoont, als een liggend wc-rolletje waarbij we tegen één uiteinde aankijken. De waargenomen rotatie van de Melkwegbalk komt goed overeen met Chinese modelberekeningen waarin wordt aangenomen dat de balk is ontstaan uit een oorspronkelijke zware schijf van sterren. Tot nu toe was weinig met zekerheid bekend over de vorming van balkspiraalstelsels. De nieuwe metingen worden binnenkort gepubliceerd in The Astronomical Journal.
Meer informatie:
NOAO: New Insight into the Bar in the Center of the Milky Way
Vakpublicatie over het onderzoek.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

15 december 2011
Sterrenkundigen uit Zwitserland, Polen en Chili hebben een rode dwergster ontdekt in de bolvormige sterrenhoop M22. Op de afstand van M22, ruim tienduizend lichtjaar, zijn zulke sterretjes zelfs met de grootste telescopen niet of nauwelijks waarneembaar. Maar in dit geval hielp Moeder Natuur een handje: elf jaar geleden verried de dwergster zijn bestaan door het licht van een nog verder weg staande, zonachtige ster te versterken. Met de Europese Very Large Telescope is de dwergster nu ook werkelijk in beeld gebracht. De ontdekking van de rode dwerg is te danken aan de werking van de zwaartekracht, die licht kan afbuigen. Hierdoor kunnen in beginsel alle objecten die een flinke massa hebben als een soort lens fungeren. Voorwaarde is wel dat het lensobject en het achtergrondobject vanaf de aarde gezien (tijdelijk) precies op één lijn staan. Dat zich in bolvormige sterrenhopen - verzamelingen van honderdduizenden sterren - ook lichte dwergsterren bevinden, komt niet echt als een verrassing, al waren ze tot nu toe niet waargenomen. Volgens de ontdekkers zouden de sterrenhopen wel eens genoeg rode dwergen kunnen bevatten om hun volledige massa te verklaren, zonder dat er een beroep hoeft te worden gedaan op de geheimzinnige donkere materie, die meer dan tachtig procent van alle materie in het heelal lijkt uit te maken.
Meer informatie:
First low-mass star detected in globular cluster

15 december 2011
Een internationaal team van astronomen onder leiding van Diego Altamirano (Universiteit van Amsterdam) heeft mogelijk het kleinst bekende zwarte gat ontdekt. Met NASA's röntgensatelliet RXTE hebben ze het typische röntgenpatroon waargenomen van de 'hartslagen' die het zwarte gat vertoont. Het kleine zwarte gat maakt deel uit van het dubbelstersysteem IGR J17091 in het sterrenbeeld Schorpioen en weegt waarschijnlijk minder dan drie zonsmassa's. Dat ligt dicht bij de kleinste massa die een stellair zwart gat - de ingestorte kern van een voormalige ster - kan hebben. De waargenomen röntgenstraling ontstaat doordat gas van de begeleidende ster naar het zwarte gat stroomt en een schijf daaromheen vormt. In de schijf wordt het gas verhit tot miljoenen graden - heet genoeg om röntgenstraling uit te zenden. Zulke hete gasschijven vertonen veranderingen in energie en intensiteit op tijdschalen van milliseconden tot maanden. Uit deze fluctuaties kan worden afgeleid welke fysische processen er plaatsvinden bij de overdracht van het gas naar het zwarte gat. In vergelijking met de 'hartslag' die bij een zwaarder zwart gat is gemeten, is de hartslag van IGR J17091 veel sneller. En dat wijst erop dat het zwarte gat relatief licht en klein is.
Meer informatie:
Astronomen observeren de 'hartslag' van een piepklein zwart gat
NASA's RXTE Detects 'Heartbeat' of Smallest Black Hole Candidate

14 december 2011
Astronomen hebben, met ESO's Very Large Telescope, een gaswolk van enkele aardmassa's ontdekt, die steeds sneller in de richting van het zwarte gat in het centrum van de Melkweg beweegt. Het is voor het eerst dat wordt waargenomen hoe zo'n tot ondergang gedoemde gaswolk een superzwaar zwart gat nadert (Nature (online), 14 december). De huidige snelheid van de gaswolk bedraagt meer dan acht miljoen kilometer per uur, wat bijna tweemaal zo snel is als zeven jaar geleden. Hij volgt een zeer langgerekte baan en zal de waarnemingshorizon van het zwarte gat, dat officieel Sagittarius A* heet, medio 2013 tot op slechts ongeveer veertig miljard kilometer naderen. Naar verwachting zal de gaswolk, naarmate de ontmoeting met het vier miljoen zonsmassa's zware zwarte gat nadert, steeds heter worden en ook röntgenstraling gaan uitzenden. Tegelijkertijd zal de gaswolk aan flarden worden getrokken: nu al is te zien hoe hij begint te rafelen. Er is momenteel verder weinig materiaal in de buurt van het zwarte gat, dus deze nieuwe prooi zal zijn belangrijkste brandstof zijn voor de komende jaren. Waar de gaswolk vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Maar mogelijk bestaat hij uit materiaal dat afkomstig is van naburige jonge, zware sterren die hevige sterrenwinden produceren en dus letterlijk hun gas weg blazen.
Meer informatie:
Maaltijd voor zwart gat komt snel dichterbij
Galactic Black Hole Disrupts Gas Cloud
Disaster Looms For Gas Cloud Falling Into Milky Way's Central Black Hole
Schwarzes Loch macht fette Beute

13 december 2011
Het ruim vierhonderd jaar oude restant van een nabije supernova-explosie is nog steeds een bron van energierijke gammastraling. Dat blijkt uit gegevens die de afgelopen jaren met de NASA-satelliet Fermi zijn verzameld. In november 1572 zagen waarnemers op aarde, onder wie de beroemde Deense astronoom Tycho Brahe, een 'nieuwe ster' verschijnen in het sterrenbeeld Cassiopeia. Achteraf bleek dat Tycho's ster een heldere supernova is geweest. Astronomen denken dat zo'n ster-explosie een belangrijke bron is van kosmische straling - de geladen deeltjes, veelal protonen, die met bijna de snelheid van het licht door ons hele Melkwegstelsel suizen. De ontdekking dat het restant van de supernova van 1572 energierijke gammastraling uitzendt, bevestigt die theorie. De gammastraling van dit supernovarestant ontstaat waarschijnlijk bij botsingen tussen supersnelle en veel tragere protonen. Bij zo'n botsing ontstaat een onstabiel deeltje - een pion - dat een fractie van een seconde later tot een tweetal gammafotonen vervalt. Als dit scenario klopt, moeten er dus ergens in het supernovarestant nog protonen tot bijna de lichtsnelheid worden versneld. Waar en hoe dat gebeurt, is onduidelijk.
Meer informatie:
NASA's Fermi Shows That Tycho's Star Shines in Gamma Rays

7 december 2011
Een internationaal team van sterrenkundigen, onder wie Saskia Hekker van de Universiteit van Amsterdam en Conny Aerts van de Radboud Universiteit Nijmegen en de Katholieke Universiteit Leuven, is erin geslaagd diep in een aantal oude sterren te kijken. Daarbij is ontdekt dat de kernen van deze sterren minstens tien keer zo snel ronddraaien als hun oppervlak (Nature, 8 december). Dat het oppervlak van deze oude sterren traag roteert - ongeveer één omwenteling per jaar - was al bekend, maar dat de kernen wel één keer per maand om hun as draaien, werd ontdekt dankzij buitengewoon precieze metingen met NASA's Kepler-satelliet. Met Kepler analyseerde het team de golven die zich door de ster voortplanten. Deze golven zorgen aan het oppervlak voor ritmische variaties in de helderheid van de ster. Via dit asteroseismologisch onderzoek kunnen de sterrenkundigen meer te weten komen over de omstandigheden diep binnenin de ster. Door zorgvuldig te kijken naar de diepte van de golven, konden de astronomen niet alleen bewijzen dat de kern ronddraait, maar ook dat de rotatiesnelheid spectaculair toeneemt in de richting van de ster-kern. De drie sterren die de onderzoekers hebben bestudeerd zijn zogeheten rode reuzen. Ze bevinden zich in een evolutiestadium dat onze zon over ongeveer vijf miljard jaar zal bereiken. Een goed begrip van wat zich binnenin zo'n rode reus afspeelt, leert astronomen iets over de evolutie ervan.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

7 december 2011
Astronomen hebben de beste opnamen ooit verkregen van een ster die een groot deel van zijn materie aan een vampierachtige begeleider is kwijtgeraakt. De nieuwe beelden, gemaakt met de VLT-interferometer van de ESO-sterrenwacht op de Chileense berg Paranal, laten zien dat de materie-overdracht van de ene ster naar de andere verrassend rustig verloopt. Het onderzoek richtte zich op de bijzondere dubbelster SS Leporis in het sterrenbeeld Haas, waarin een kleine en een grote ster in 260 dagen om elkaar heen draaien. Door hun geringe onderlinge afstand heeft de kleine, hete ster al ongeveer de halve massa van de grote ster opgeslokt. De nieuwe waarnemingen zijn scherp genoeg om te laten zien dat de reuzenster kleiner is dan tot nu toe werd aangenomen, waardoor zich veel lastiger laat verklaren hoe hij zoveel materie aan zijn begeleider is kwijtgeraakt. De astronomen denken nu dat de materie niet zozeer van de ene ster naar de andere stroomt, maar als sterrenwind door de grote ster wordt uitgestoten en vervolgens door zijn hetere begeleider wordt opgeveegd.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

6 december 2011
Amsterdamse astronomen hebben aangetoond dat zware sterren-in-wording veel groter zijn dan volwassen zware sterren. Zij bevestigen de theorie dat zware sterren aan het eind van hun vormingsproces nog verder samentrekken, totdat zij een stabiel evenwicht hebben bereikt. De bevindingen zijn gepubliceerd in het tijdschrift Astronomy & Astrophysics. Al jarenlang is geprobeerd een duidelijk spectrum van zo'n jonge, zware ster op te nemen. Dat wordt ernstig bemoeilijkt door de ondoordringbare moederwolk van gas en stof van de ster. Maar met de nieuwe, zeer gevoelige spectrograaf X-shooter van ESO's Very Large Telescope in Chili is het nu voor het eerst gelukt. De astronomen verkregen het spectrum van de jonge ster B275 in de Omeganevel, een stervormingsgebied in het sterrenbeeld Boogschutter. Het spectrum laat zien dat de ster ongeveer driemaal zo groot is als een normale ster van zeven zonsmassa's. Dat komt goed overeen met recente stervormingsmodellen. Eerder in het vormingsproces zijn zulke sterren omringd door een schijf waarin het gas ronddraait en langzaam op de ster-in-wording terecht komt. Als de ster bijna 'klaar' is, verdwijnt de schijf en wordt het oppervlak van de ster zichtbaar. In deze laatste vormingsfase bevindt B275 zich. De ster is in de kern inmiddels zo heet geworden dat de fusie van waterstof van start gaat. De ster trekt verder samen, totdat de energieproductie in de kern de stralingsverliezen aan het oppervlak van de ster precies compenseert en een stabiel evenwicht is bereikt.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

6 december 2011
Wetenschappers van het Max-Planck-Institut für Astrophysik hebben een nieuwe, gedetailleerde kaart gepresenteerd van de magnetische structuur van de Melkweg. Voor het samenstellen van de kaart, die niet alleen informatie bevat over magnetische structuren maar ook over turbulenties in het galactische gas, zijn meer dan 41.000 afzonderlijke metingen gebruikt. Net als alle sterrenstelsels is ons Melkwegstelsel doordrongen van magnetische velden. De oorsprong van die velden is nog onduidelijk, maar aangenomen wordt dat ze ontstaan door dynamoprocessen die vergelijkbaar zijn met die in de vloeibare ijzerkern van de aarde. Als licht (of een andere vorm van straling) door een gemagnetiseerd medium gaat, wordt het gepolariseerd, wat wil zeggen dat het vlak waarin de lichtgolven op en neer gaan een stukje draait. Hoe sterker het magnetische veld, des te sterker de polarisatie. Om de magnetische velden van de Melkweg in kaart te brengen, hebben de wetenschappers de polarisatie gemeten van radiogolven die afkomstig zijn van objecten ver buiten ons Melkwegstelsel. Om een compleet beeld van de magnetische velden in de Melkweg te krijgen, moesten dus talrijke bronnen, verdeeld over de hele hemel, worden waargenomen.
Meer informatie:
New all-sky map shows the magnetic fields of the Milky Way with the highest precision

1 december 2011
De oude Voyager-ruimtesondes hebben een unieke astronomische waarneming gedaan. Door hun grote afstand tot de zon kunnen de ruimtesonde een soort licht van de Melkweg zien dat vanaf de aarde niet waarneembaar is (Science, 2 december). De Voyagers werden in 1977 gelanceerd voor een verkenningstocht langs de buitenplaneten en naderen inmiddels de grenzen van ons zonnestelsel. Het licht dat zij gedetecteerd hebben, is zogeheten Lyman-alfa-straling. Deze ultraviolette straling, afkomstig van 'aangeslagen' waterstofatomen, speelt een belangrijke rol bij het onderzoek van stervormingsgebieden. Het ironische is dat we vanaf de aarde, dankzij de kosmologische roodverschuiving, wél de Lyman-alfa-straling van verre sterrenstelsels kunnen waarnemen, maar niet die van onze eigen Melkweg. Dat komt doordat ook de zon een heldere bron van deze straling is, en de zwakke gloed van de Melkweg doet verbleken. Vanuit hun verre positie is het de Voyagers gelukt om wat Lyman-alfa-straling op te pikken die afkomstig is van stervormingsgebieden in ons Melkwegstelsel. De eerste Lyman-alfa-fotonen werden in 1993 door Voyager 1 geregistreerd, toen deze zich op ongeveer zes miljard kilometer van de zon bevond. De uv-detector waarmee dat gebeurde, is enkele jaren geleden overigens uitgeschakeld, om stroom te besparen. Met de Voyager-gegevens kunnen astronomen een betere vergelijking maken tussen de stervormingsactiviteit in ons eigen Melkwegstelsel en die in verre sterrenstelsels.
Meer informatie:
Voyager space probes show outsiders' view of Milky Way
Voyager Probes Give Us ET's View

30 november 2011
Drie astronomen van de universiteit van Toronto hebben de grootse verzameling jonge, superzware sterren ontdekt die ooit in ons Melkwegstelsel is waargenomen. De sterren maken deel uit van een in 2010 opgespoord stervormingsgebied, dat de Drakenvisnevel wordt genoemd. Het stervormingsgebied telt honderdduizenden sterren, waaronder enkele honderden van de zwaarste categorie - blauwe reuzensterren die tientallen keren zo zwaar zijn als onze zon. Het licht dat deze jonge sterren uitzenden is zo intens, dat er een honderden lichtjaren grote holte is ontstaan in de gaswolk waaruit de sterren geboren zijn. Het is, voor zover bekend, het meest omvangrijke stervormingsgebied van ons Melkwegstelsel. Dat de ontdekking ervan zo lang op zich heeft laten wachten, komt doordat de verzameling sterren 30.000 lichtjaar van ons verwijderd is en bovendien door galactisch stof aan het zicht onttrokken wordt. Hierdoor zijn alleen de helderste sterren van de Drakenvisnevel enigszins waarneembaar.
Meer informatie:
The Next Generation of Superstars to Stir up Our Galaxy (pdf)

29 november 2011
Astronomen van de Cambridge-universiteit hebben ten zuiden van de Melkweg twee nieuwe sterrenstromen ontdekt die aan het Sagittarius-dwergstelsel zijn onttrokken. Eerder waren al twee van zulke 'staarten' van sterren ten noorden van de galactische evenaar ontdekt. Het Sagittarius-dwergstelsel draait als een 'satelliet' om ons Melkwegstelsel. De sterrenstromen zijn het gevolg van de enorme getijdenkrachten die het kleine sterrenstelsel daarbij ondervindt. In feite is het Melkwegstelsel bezig om het dwergstelsel op te slokken. Het stelsel is in de loop van de laatste miljard jaar ongeveer de helft van zijn sterren en al zijn gas kwijtgeraakt. De zuidelijke Sagittarius-stromen lijken niet gelijktijdig te zijn ontstaan. De sterren van de duidelijkst waarneembare stroom bevatten meer zware elementen dan die van de andere. Omdat latere generaties van sterren meer zware elementen bevatten dan hun voorgangers, moet de helderste van de twee zuidelijke staarten dus de jongste van de twee zijn.
Meer informatie:
A beast with 4 tails

24 november 2011
Nieuwe opnamen van de NASA-satelliet Fermi laten zien dat een stervormingsgebied in het sterrenbeeld Zwaan een bron van kosmische straling is (Science, 25 november). Het bestaan van kosmische straling, die grotendeels uit snelle protonen en zwaardere atoomkernen bestaat, is bijna een eeuw geleden ontdekt. Maar nog steeds is niet precies duidelijk waar deze energierijke deeltjes vandaan komen. In 2006 ontdekten astronomen dat er relatief veel kosmische straling uit de richting van het stervormingsgebied Cygnus X kwam. Daarmee was echter nog niet aangetoond dat Cygnus X ook echt de bron was, omdat galactische magnetische velden geladen deeltjes kunnen afbuigen. Om dat effect te omzeilen, heeft een internationaal team van astronomen de Fermi-satelliet op Cygnus X gericht. Daarmee kan energierijke gammastraling worden gedetecteerd, en gammastraling ontstaat waar kosmische straling in interactie komt met materie of licht. Anders dan geladen deeltjes is gammastraling niet gevoelig voor magnetische velden. Uit de Fermi-opnamen blijkt dat een deel van Cygnus X inderdaad een bron van gammastraling is. En het spectrum wijst erop dat deze gammastraling dicht bij een bron van kosmische straling is ontstaan. Vermoed wordt dat kosmische straling ontstaat als ergens schokgolven door interstellair gas gaan, bijvoorbeeld ten gevolge van een supernova-explosie. Maar in het geval van Cygnus X lijkt de gammastraling afkomstig te zijn uit een gebied dat is 'schoongeblazen' door de hevige sterrenwinden van de jonge sterren in de omgeving. Ook zulke sterrenwinden kunnen schokgolven veroorzaken.
Meer informatie:
Cosmic ray factory observed in stellar superbubble
NASA's Fermi Reveals A Cosmic-ray Cocoon

22 november 2011
Op deze Hubble-foto van de bolvormige sterrenhoop NGC 1846 zijn voornamelijk oude sterren zichtbaar. De bolhoop bevindt zich in de Grote Magelhaense Wolk, een onregelmatig gevormde begeleider van ons eigen Melkwegstelsel. De sterren in de bolhoop zijn vele miljarden jaren oud. Geheel onderaan de foto is een klein groen vlekje zichtbaar: een zogeheten planetaire nevel. Zulke nevels ontstaan wanneer zonachtige sterren aan het eind van hun leven hun buitenste gaslagen de ruimte in blazen. Overigens is niet zeker of de planetaire nevel daadwerkelijk deel uitmaakt van de bolhoop, of dat het om een voorgrondobject gaat. De Hubble-foto werd een kleine zes jaar geleden al gemaakt door de Nederlandse astronoom Paul Goudfrooij; hij werd vandaag vrijgegeven door NASA.
Meer informatie:
NASA's Hubble Finds Stellar Life and Death in a Globular Cluster
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

22 november 2011
Deze ogenschijnlijk wazige foto is de beste opname die tot nu toe ooit gemaakt is van het stervormingsgebied W40, dat aan het zicht onttrokken wordt door dikke stofwolken. De kosmische kraamkamer is in beeld gebracht met de infraroodcamera van SOFIA, een Amerikaans/Duits vliegend observatorium met een 2,5 meter-telescoop aan boord van een omgebouwde Boeing 747. Ons eigen zonnestelsel is ruim 4,5 miljard jaar geleden vermoedelijk in een vergelijkbare omgeving ontstaan. De kleurenfoto is samengesteld uit drie foto's op verschillende (onzichtbare) infraroodgolflengten.
Meer informatie:
NASA'S SOFIA Airborne Observatory Views Star Forming Region W40
SOFIA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

17 november 2011
Voor het eerst is het astronomen gelukt om een volledige beschrijving te geven van een zwart gat. De nauwkeurige metingen maken het mogelijk om de complete geschiedenis van het ongeveer zes miljoen jaar oude object te reconstrueren. Het zwarte gat, dat deel uitmaakt van de dubbelster Cygnus X-1 draagt, is al bijna vijftig jaar een begrip in de sterrenkunde. Het heeft een normale ster als begeleider, waar hij materie van wegsnoept. Bij deze overdracht wordt de materie dermate heet, dat zij röntgenstraling uitzendt. Het zwarte gat zelf zendt geen enkele waarneembare vorm van straling uit. Hierdoor kunnen er maar drie stukjes informatie over zo'n object worden verzameld: zijn massa, zijn rotatiesnelheid en zijn elektrische lading. Dankzij nieuwe metingen met drie röntgensatellieten en de VLBA, een groot Amerikaans netwerk van radiotelescopen, zijn de massa en rotatiesnelheid van het zwarte gat nu beter bekend dan ooit. Zijn elektrische lading is vrijwel nul. De VLBA-metingen hebben uitsluitsel gegeven over de afstand van Cygnus X-1. Deze blijkt 6070 lichtjaar te bedragen, waar eerdere schattingen uitkwamen op 5800 tot 7800 lichtjaar. Uit de combinatie van deze nieuwe afstand en de gegevens die de afgelopen twintig jaar met de röntgensatellieten zijn verzameld, blijkt dat het zwarte gat in Cygnus X-1 bijna vijftien keer zo zwaar is als onze zon en meer dan achthonderd keer per seconde om zijn as tolt. De VLBA-metingen hebben verder laten zien dat Cygnus X-1 maar heel traag beweegt ten opzichte van de sterren in zijn omgeving. Dat wijst erop dat het zwarte gat bij zijn geboorte geen grote 'schop' heeft gekregen. En dat versterkt het al bestaande vermoeden dat de ongeveer honderd zonsmassa's wegende ster waaruit hij is voortgekomen geen supernova-explosie heeft ondergaan, maar 'stilletjes' in elkaar is gezakt.
Meer informatie:
VLBA Distance Measurement Is Key to Producing First "Complete Description" of a Black Hole

15 november 2011
Sommige supernova-explosies zijn niet netjes symmetrisch, maar blazen sterrengas in twee tegenovergesteld gerichte bundels de ruimte in. Dat verklaart het bestaan van zeer oude sterren in het Melkwegstelsel die onverwacht grote hoeveelheden zware elementen bevatten. De eerste sterren bestonden uit de lichte gassen waterstof en helium, de oerbestanddelen van het heelal. Bij kernreacties in het inwendige van sterren worden zwaardere elementen gevormd, die als gevolg van supernova-explosies in de interstellaire ruimte terechtkomen. Daardoor bevatten latere generaties van sterren verhoudingsgewijs steeds meer van die zware elementen. In het Melkwegstelsel zijn echter ook sterren ontdekt die zeer hoge leeftijden hebben, maar toch grote hoeveelheden zware elementen ('metalen') bevatten, zoals goud, platina en uranium. Voor het bestaan van die sterren zijn twee theorieën opgesteld: ze zouden deel kunnen uitmaken van een dubbelstersysteem, en bij de supernova-explosie van de zware begeleider bedekt kunnen worden met een 'laagje' kernfusieproducten. Of bij supernova-explosies zou sterrengas voornamelijk in smalle bundels de ruimte in geblazen kunnen worden, waardoor sommige interstellaire gaswolken al in de jeugd van het heelal sterk verrijkt zouden worden met zware elementen. Sterrenkundigen van het Deense Niels Bohr-instituut in Kopenhagen hebben nu 17 van dit soort metaalrijke oude sterren in de halo van het Melkwegstelsel onderzocht, met telescopen van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht in Chili en met de Nordical Optical Telescope op La Palma. Onderzoeksleidster Terese Hansen ontdekte daarbij dat slechts drie van de 17 sterren een baanbeweging te zien geven die suggereert dat ze deel uitmaken van een dubbelstersysteem; de andere 14 sterren zijn enkelvoudig. De theorie dat de zware elementen afkomstig zijn van een exploderende begeleider kan dus zeker niet in alle gevallen opgaan, aldus Hansen en haar collega's in een artikel in Astrophysical Journal. Dat betekent dat supernova-explosies waarschijnlijk sterk asymmetrisch zijn, waardoor het interstellaire gas in het Melkwegstelsel al relatief kort na de oerknal plaatselijk sterk verrijkt kon worden met de producten van kernfusie in het inwendige van sterren.
Meer informatie:
Persbericht Niels Bohr-instituut
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

9 november 2011
Britse astronomen hebben aanwijzingen gevonden dat er twee soorten neutronensterren zijn (Nature, 10 november). Neutronensterren zijn de compacte restanten van zware sterren die als supernova zijn geëxplodeerd. De ontdekking kan erop wijzen dat niet alle neutronensterren op dezelfde manier ontstaan, iets wat al op theoretische gronden was voorspeld. De astronomen hebben een groot aantal zogeheten zware röntgendubbelsterren geïnventariseerd. Dat zijn dubbelstersystemen waarin een snel om zijn as tollende neutronenster en een zware, jonge ster om elkaar heen draaien. Het onderzoek laat zien dat de neutronensterren in twee groepen kunnen worden onderverdeeld die zich vooral in rotatiesnelheid onderscheiden. Het ene type neutronenster tolt gemiddeld zes keer per minuut om zijn as, het andere eens in de vijf minuten. Nader onderzoek moet uitwijzen of deze tweedeling direct verband houdt met hun ontstaansproces. Er zijn twee soorten supernova-explosies waarbij zware sterren betrokken zijn, en de ontdekking dat er ook twee soorten neutronensterren bestaan, zou erop kunnen wijzen dat het een met het ander te maken heeft.
Meer informatie:
Discovery of 2 types of neutron stars points to 2 different classes of supernovae

3 november 2011
Een internationaal team van astronomen heeft, met behulp van de NASA-satelliet Fermi, negen nieuwe pulsars ontdekt die de meest energierijke soort straling uitzenden. Eén van deze kosmische 'vuurtorens' is de helderste millisecondepulsar die tot nu toe is opgespoord (Science, 4 november). Pulsars zijn de compacte restanten van sterren die als supernova zijn ontploft. Ze zijn minder dan twintig kilometer groot en tollen soms honderden keren per seconde om hun as, wat in een rotatietijd van enkele milliseconden resulteert. Al draaiende zenden deze objecten twee tegengesteld gerichte bundels van straling uit, waarvan het ontstaan wordt toegeschreven aan een sterk magnetisch veld. Door dit vuurtorengedrag zien astronomen de pulsars heel snel knipperen. De straling die pulsars uitzenden kan zo'n beetje het hele spectrum bestrijken - van radio- tot gammastraling. Maar niet alle radiopulsars zenden ook gammastraling uit en omgekeerd. Acht van de nu ontdekte pulsars behoren tot de moeilijk waarneembare categorie van de 'zuivere' gammapulsars, waarvan er nog maar een stuk of honderd bekend zijn. Dat niet van elke pulsar beide soorten straling wordt ontvangen, komt waarschijnlijk doordat de energiearme radiostraling zich gemakkelijker laat bundelen dan de energierijke gammastraling. Hierdoor is het mogelijk dat de brede gammabundel wel over de aarde strijkt, terwijl de smalle radiobundel ons mist. Eén van de ontdekte gammapulsars bevindt zich in de bolvormige sterrenhoop NGC 6624, die op een afstand van ongeveer 27.000 lichtjaar in het sterrenbeeld Boogschutter staat. Deze jonge millisecondepulsar produceert meer gammastraling eerder ontdekte gammapulsars, wat erop wijst dat hij ook een veel sterker magnetisch veld heeft. Naar een verklaring voor deze uitzonderlijk grote veldsterkte wordt nog gezocht.
Meer informatie:
Nine new gamma pulsars
Millisecond pulsar in spin mode
NASA's Fermi Finds Youngest Millisecond Pulsar, 100 Pulsars To-Date

2 november 2011
Wetenschappers van Rensselaer Polytechnic Institute in New York hebben onderzoek gedaan naar de verdeling van methanol (methylalcohol) in de interstellaire ruimte. Methanol wordt gezien als de 'springplank' naar de vorming van complexere organische moleculen, zoals die waarop het leven op aarde is gebaseerd. De vorming van organische moleculen in de ruimte speelt zich af op stofdeeltjes die met een laagje ijs zijn bedekt. De waterstofatomen in dat ijs reageren met de koolmonoxide-moleculen, zoals die in grote hoeveelheden aanwezig zijn in de gaswolken waaruit sterren ontstaan. En een van de verbindingen die daaruit kunnen voortkomen is methanol. De Amerikaanse onderzoekers hebben ontdekt dat er grote verschillen bestaan in de hoeveelheden methanol die in de interstellaire ruimte worden aangetroffen. Dat kan betekenen dat de vorming van complexere organische moleculen niet bij alle sterren even gemakkelijk gaat. Overigens blijkt uit onderzoek van kometen dat ons eigen zonnestelsel bij zijn geboorte relatief weinig methanol heeft meegekregen. Dat heeft het ontstaan van complexe organische moleculen en levende organismen klaarblijkelijk niet in de weg gestaan. Maar elders zouden de omstandigheden wat dat betreft nóg gunstiger kunnen zijn.
Meer informatie:
Astrobiologists Discover "Sweet Spots" for the Formation of Complex Organic Molecules in the Galaxy

2 november 2011
Astronomen hebben, met de Gemini North-telescoop op Hawaï, dertien nieuwe absorptiebanden ontdekt in de spectra van sterren in het centrumgebied van ons Melkwegstelsel (Nature, 3 november). De absorptiebanden behoren tot de familie van de 'diffuse interstellaire banden' (DIB's) waarvan de oorzaak al negentig jaar onduidelijk is. DIB's ontstaan door de absorptie van (ster)licht door moleculen in de interstellaire ruimte. Die absorptie resulteert in donkere banden op specifieke golflengten, van het ultraviolet tot het infrarood, in de spectra van sterren. Door welke atomen en moleculen de honderden DIB's worden veroorzaakt is nog grotendeels onverklaard. Volgens de meest recente ideeën komen ze voor rekening van organische moleculen. Maar welke? Het zal nog een hele toer worden om dat door middel van laboratoriumonderzoek uit te puzzelen. Er zijn namelijk ontelbare combinaties van moleculen, temperatuur en druk mogelijk.
Meer informatie:
Mysterious Absorption Lines Could Illuminate 90-year Puzzle
Gemini Observatory Celebrates 1,000th Paper

31 oktober 2011
IJsdeeltjes in de ruimte tussen de sterren zijn een geschikte broedplaats voor de vorming van complexe organische moleculen. Dat blijkt uit laboratoriumonderzoek door astrochemici van de Heriot-Watt-universiteit in Edinburgh. Waarnemingen met infraroodsatellieten wijzen erop dat de stofdeeltjes in interstellaire gaswolken zijn bedekt met een dun laagje ijs. Dat ijs speelt een belangrijke rol bij de vorming van sterren zoals onze zon. Het zorgt ervoor dat ook relatief kleine gaswolken, ondanks hun bescheiden zwaartekracht, tot sterren kunnen samentrekken. Zonder verkoelende ijsdeeltjes zou dat niet lukken: de temperatuur in de gaswolk loopt dan zo snel op, dat zijn 'instorting' stilvalt voordat er een ster is ontstaan. Behalve bij de vorming van kleine sterren spelen de ijzige stof deeltjes ook een belangrijke rol in de interstellaire chemie. Ze bevorderen chemische reacties en beschermen moleculen tegen verwoestende kosmische straling. Om dat laatste aspect te onderzoeken hebben de Schotse onderzoekers nagebootste interstellaire stofdeeltjes met en zonder ijscoating bestookt met elektronen, zoals die ook in de kosmische straling voorkomen. Daarbij is vooral gekeken naar de invloed die deze straling heeft op de eenvoudige organische verbinding acetonnitril. Ze ontdekten dat de moleculen op 'kale' stofdeeltjes niet lang standhielden: ze werden door de elektronen afgebroken. Op de ijzige stofdeeltjes vonden juist chemische reacties plaats die tot de vorming van ingewikkeldere moleculen kunnen leiden.
Meer informatie:
Cold chemistry

26 oktober 2011
Astronomen van de universiteit van Hong Kong hebben ontdekt dat overal in het heelal grote organische moleculen te vinden zijn (Nature, 27 oktober). Dat wijst erop dat zulke moleculen niet alleen het domein van levende organismen zijn, maar van nature door sterren worden geproduceerd. De chemische structuren van de moleculen die de Chinese astronomen met behulp van de infraroodsatellieten ISO en Spitzer hebben opgespoord, vertonen overeenkomsten met steenkool en aardolie. Tot nu toe werd aangenomen zulk materiaal alleen door levende organismen kan worden geproduceerd. Maar het lijkt er nu dus op dat het ook in de ruimte, ver van alle leven, kan ontstaan. Het bestaan van de complexe moleculen blijkt uit de straling die sterren en sterrenstelsels op specifieke infrarode golflengten uitzenden. Heel lang is gedacht dat deze straling afkomstig is van relatief eenvoudige organische moleculen, maar het Chinese onderzoek wijst erop dat deze verklaring tekortschiet. Grotere, complexere moleculen kunnen de infraroodspectra beter verklaren. De moleculen lijken te worden geproduceerd door oude sterren die het materiaal aan het einde van hun bestaan de ruimte in blazen. Maar hoe die sterren dat doen, is nog onduidelijk.
Meer informatie:
Astronomers discover complex organic matter in the universe

24 oktober 2011
De supernova-explosie die in het jaar 185 na Christus werd waargenomen door Chinese astronomen vond plaats in een soort kosmische 'holte', met een geringe gasdichtheid. Het sterrengas dat bij de explosie de ruimte in werd geblazen werd daardoor vrijwel niet afgeremd. Dat is de verklaring voor de onverwacht grote afmeting van de resterende, uitdijende supernovarest (RCW86 geheten), aldus Amerikaanse sterrenkundigen. Zij baseren hun conclusies op metingen van NASA's infraroodruimtetelescopen Spitzer en WISE. De afstand tot RCW86 is vastgesteld op ca. 8000 lichtjaar. Uit de waargenomen schijnbare afmetingen aan de sterrenhemel volgt dan de ware middellijn. Het blijkt dat RCW86 veel groter is dan je zou verwachten voor een supernovarest met een leeftijd van een kleine 2000 jaar; hij dijt dus ook veel sneller uit. Met behulp van Spitzer en WISE is nu de temperatuur gemeten van de stofdeeltjes in de supernovarest: ca 200 graden onder nul. Omdat die temperatuur het gevolg is van opwarming door wrijving met interstellaire gasdeeltjes, kon uit deze metingen de gasdichtheid in de omgeving van de supernovarest worden berekend. Die blijkt veel geringer te zijn dan de gemiddelde dichtheid van het interstellaire medium. Door die lage dichtheid kon de supernovarest veel sneller uitdijen dan normaal. De holte in het omringende interstellaire gas is waarschijnlijk geproduceerd door de ster vóórdat hij in een supernova-explosie aan het eind van zijn leven kwam. De explosie in het jaar 185 was zo goed als zeker een zogeheten type Ia-supernova, die ontstaat wanneer een witte dwergster te zwaar wordt door materie op te zuigen van een begeleider.
Meer informatie:
NASA Telescopes Help Solve Ancient Supernova Mystery
Spitzer Space Telescope
WISE
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 oktober 2011
Met de Amerikaanse Spitzer Space Telescope is een 'planeet' gefotografeerd (op infrarode golflengten) die ongeveer dezelfde temperatuur heeft als de aarde: enkele tientallen graden. Volgens Kevin Luhman van de Pennsylvania State University, die de ontdekking donderdag presenteert op een conferentie op NASA's Goddard Space Flight Center, gaat het om het koudste object buiten het zonnestelsel dat ooit is gedetecteerd. De ontdekking wordt binnenkort gepubliceerd in The Astrophysical Journal. Het object, WD0806-661b geheten, is vermoedelijk ongeveer even groot maar ca. zes tot negen keer zo zwaar als de reuzenplaneet Jupiter. Het beweegt in een extreem wijde baan rond een witte dwergster, op een afstand van ca. 375 miljard kilometer. Dat het echt om een begeleider van de witte dwerg gaat, blijkt uit Spitzer-opnamen uit 2004 en 2009. Vermoedelijk is de 'planeet' op dezelfde manier ontstaan als een ster (uit een samentrekkende wolk van interstellair gas en stof), en vormt hij samen met de witte dwergster een lichtgewicht dubbelstersysteem. Misschien is het dan ook beter om te spreken van een zeer lichte bruine dwerg - een 'mislukte' ster die te weinig massa heeft om kernfusie van waterstof in zijn binnenste op gang te brengen. Afgelopen zomer werd ook al de ontdekking gemeld van een geïsoleerde lichte bruine dwerg met een temperatuur van enkele tientallen graden.
Meer informatie:
Record-Breaking Photo Reveals a Planet-sized Object as Cool as the Earth
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 oktober 2011
Amerikaanse sterrenkundigen hebben het raadsel van de 'blauwe treuzelaars' opgelost. Blauwe treuzelaars ( blue stragglers , ook wel 'blauwe achterblijvers' genoemd) zijn sterren die heter en helderder zijn dan je op basis van hun leeftijd zou verwachten. Het lijkt daardoor of ze 'treuzelen' of achterblijven in hun evolutie. Ze werden voor het eerst in 1953 ontdekt, maar hun oorsprong is altijd raadselachtig gebleven - volgens sommige theorieën zouden ze ontstaan wanneer twee sterren met elkaar in botsing komen. Met de 3,5-meter WIYN-telescoop op de Kitt Peak-sterrenwacht in Arizona zijn nu precisiemetingen gedaan aan de blauwe treuzelaars in de open sterrenhoop NGC 188 in het sterrenbeeld Cepheus. Het blijkt dat de sterren kleine, trage, periodieke schommelingen vertonen, die het best verklaard kunnen worden door aan te nemen dat er lichte, zwakke sterren omheen draaien - zogeheten witte dwergen. Volgens de onderzoekers, die hun resultaten deze week publiceren in Nature , doet dat vermoeden dat blauwe treuzelaars ontstaan in dubbelstersystemen waarin materie-overdracht plaatsvindt van de ene ster naar de andere. De donor-ster verliest daardoor zijn buitenste gaslagen, zodat uiteindelijk alleen de witte-dwergkern overblijft; de ontvangende ster krijgt zoveel extra 'brandstof' in de vorm van sterrengas dat hij veel heter en helderder wordt dan normaal.
Meer informatie:
Persbericht Northwestern University
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 oktober 2011
Met de Europese VISTA-telescoop zijn twee nieuwe bolvormige sterrenhopen ontdekt, in het centrale deel van ons Melkwegstelsel. Bolvormige sterrenhopen behoren tot de oudste objecten in het Melkwegstelsel; het zijn min of meer bolvormige verzamelingen van minstens tienduizenden maar vaak zelfs honderdduizenden afzonderlijke sterren. VISTA neemt het heelal waar op infrarode golflengten, en kan daardoor dwars door de absorberende stofwolken in het Melkwegstelsel kijken. Mede daardoor konden de twee nieuwe bolhopen (VVV CL001, dicht bij de reeds bekende bolhoop UKS1, en VVV CL002) ontdekt worden. Het totale aantal bekende bolvormige sterrenhopen in het Melkwegstelsel bedraagt nu 160. Tijdens de VVV- survey (VISTA Variables in the Via Lactae) van het centrale deel van het Melkwegstelsel ontdekte VISTA ook een aantal open sterrenhopen: lossere verzamelingen van tientallen tot honderden pasgeboren sterren. Een daarvan, VVV CL003, bevindt zich (gezien vanaf de aarde) op ca. 15.000 lichtjaar áchter de kern van het Melkwegstelsel.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
VISTA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

11 oktober 2011
Met de Japanse Subaru-telescoop op Hawaii en de Europese Very Large Telescope in Chili zijn ca. 25 bruine dwergsterren ontdekt in twee jonge sterrenhopen: NGC 1333 en de Rho Ophiuchi-sterrenhoop. Vooral NGC 1333 blijkt rijk te zijn aan deze geïsoleerde bruine dwergen: hun aantal is maar liefst half zo groot als het aantal 'gewone' sterren in de sterrenhoop. Enkele van de nieuw ontdekte bruine dwergen ('mislukte' sterren, die niet zwaar genoeg zijn voor spontane kernfusie van waterstof in hun inwendige) zijn minder dan twintig keer zo zwaar als de reuzenplaneet Jupiter; één exemplaar weegt zelfs niet meer dan zes Jupitermassa's. De nieuwe ontdekkingen worden binnenkort gepubliceerd in twee artikelen in The Astrophysical Journal. Volgens onderzoeksleider Ray Jayawardhana van de Universiteit van Toronto laten de nieuwe ontdekkingen zien dat zelfs zeer lichte objecten op dezelfde manier kunnen ontstaan als sterren - door de zwaartekrachtscollaps van een interstellaire gas- en stofwolk.
Meer informatie:
'Failed Stars' Galore
Persbericht Universiteit van Toronto
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

6 oktober 2011
De Krabpulsar, het compacte restant van een supernova-explosie die zich bijna duizend jaar geleden voltrok in het sterrenbeeld Stier, produceert verrassend energierijke pulsen van gammastraling. Dat blijkt uit onderzoek door Canadese en Amerikaanse astronomen die hun resultaten deze week in Science (8 oktober) publiceren. De gammapulsen zijn ontdekt met de vierdelige VERITAS-telescoop van de Whipple-sterrenwacht in Arizona. De Krabpulsar is een snel om zijn as tollende neutronenster die als een vuurtoren twee bundels van straling uitzendt. Steeds als zo'n bundel in de richting van de aarde wijst - wat dertig keer per seconde het geval is - licht de pulsar eventje op. Hoe de uitgezonden straling precies ontstaat, is nog onduidelijk. De bron wordt gezocht bij geladen deeltjes die door het magnetische veld van de pulsar tot bijna de lichtsnelheid worden versneld. Zulke versnelde deeltjes zenden inderdaad allerlei soorten straling uit. Maar de nu waargenomen gammapulsen zijn dermate energierijk dat de bestaande modellen voor het ontstaan van pulsarstraling tekortschieten.
Meer informatie:
Crab pulsar beams most energetic gamma rays ever detected from a pulsar
Crab Pulsar Dazzles Astronomers with its Gamma-Ray Beams

5 oktober 2011
Een team astronomen, onder wie de Nijmeegse sterrenkundige Marijke Haverkorn, is er voor het eerst in geslaagd turbulentie in het interstellaire medium zichtbaar te maken. Met behulp van gepolariseerde radiostraling, en in het bijzonder de veranderingen daarin, ontdekten ze een verrassende structuur die zich het best laat vergelijken met een slangenkuil (Nature, 6 oktober). Turbulentie zorgt ervoor dat chemische elementen uit ontplofte sterren worden gemengd met het interstellaire medium, kan stervorming stimuleren of juist voorkomen, en bepaalt de dynamica van de interstellaire gaswolken. Het is een belangrijk effect in het interstellaire gas, maar kan alleen indirect worden gemeten, bijvoorbeeld door het meten van de snelheidsverschillen in gaswolken. De onderzoekers gebruikten de Australia Telescope Compact Array om de kleine veranderingen te meten in het gepolariseerde radiosignaal van een helder deel van de Melkweg op zo'n tienduizend lichtjaar van de aarde. De onderzoekers verwachtten dat de mate waarin het gepolariseerde signaal door de turbulentie werd gewijzigd een willekeurig patroon zou volgen. Tot hun verbazing kwam er echter een beeld tevoorschijn met duidelijke lijnstructuren.
Meer informatie:
Turbulentie in de ruimte blijkt slangenkuil

28 september 2011
Astronomen hebben met de Europese Very Large Telescope een opname gemaakt van een kolossale ster die tot de zeldzame klasse van de gele hyperreuzen behoort. Daarop is te zien hoe zich rond de ster een dubbele stofschil heeft gevormd. De monsterachtige ster - die officieel IRAS 17163-3907 heet, maar de bijnaam 'Gebakken Einevel' heeft gekregen - is ongeveer duizendmaal zo groot als onze zon en straalt 500.000 keer zoveel licht uit. Met een afstand van ongeveer 13.000 lichtjaar is hij voor zover bekend de meest nabije ster van dit type. Gele hyperreuzen bevinden zich in een extreem actief evolutiestadium waarbij ze een reeks explosieve gebeurtenissen ondergaan. IRAS 17163-3907 is daardoor in de loop van slechts enkele eeuwen vier zonsmassa's lichter geworden. Deze activiteit wijst erop dat de ster, die nu nog ongeveer twintig zonsmassa's 'weegt', binnenkort op explosieve wijze aan zijn einde zal komen. Dat zal waarschijnlijk een van de eerstvolgende supernova-explosies in ons Melkwegstelsel zijn.
Meer informatie:
De Gebakken-Einevel: een lust voor het oog

20 september 2011
Met de Europese infraroodruimtetelescoop Herschel, die in voorjaar 2009 is gelanceerd, zijn uitgestrekte stofschillen, - ringen en -bogen ontdekt rond de rode reuzenster CW Leonis. De stofdeeltjes zijn gecondenseerd in de koude buitendelen van het zogeheten circumstellaire omhulsel van de reuzenster. Onderzoek aan de geometrie van de stofschillen biedt een kijkje in de recente evolutionaire geschiedenis van CW Leonis, die zich op ca. 500 lichtjaar afstand van de aarde bevindt, in het sterrenbeeld Leeuw. CW Leonis nadert het eind van zijn leven. De ster is opgezwollen tot een relatief koele, pulserende rode reus, die duizenden malen zo groot is als de zon. Het materiaal dat door de ster de ruimte in wordt geblazen, met een snelheid van zo'n 15 kilometer per seconde, zal in de toekomst zichtbaar zijn als een planetaire nevel. Eerder werden al stofstructuren rond CW Leonis ontdekt die ongeveer 4000 jaar geleden door de ster moeten zijn weggeblazen; Herschel ontdekte op aanzienlijk grotere afstand schillen en bogen met een leeftijd van ca. 16.000 jaar. Uit de spatiëring van de schillen leiden de onderzoekers af dat ze met tussenpozen van 500 tot 1700 jaar zijn geproduceerd. Hun variërende dikte, onregelmatige verdeling en excentriciteit doet vermoeden dat de vorming van de structuren sterk beïnvloed is door verschillen in uitstootsnelheid en door temperatuurverschillen in het circumstellaire omhulsel. Uit de Herschel-waaarnemingen, die gepubliceerd worden in Astronomy & Astrophysics , blijkt dat er in de stoffige omgeving van CW Leonis inderdaad zogeheten fotochemie voorkomt (scheikundige reacties die plaatsvinden onder invloed van elektromagnetische straling), zoals enige tijd geleden al werd geopperd op basis van de ontdekking van relatief warme waterdampmoleculen in de pasgevormde nevel.
Meer informatie:
Herschel probes the dusty history of a giant star
Herschel
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

17 september 2011
Als weer en wind meewerken, zullen wetenschappers van de universiteit van New Hampshire zondag 18 september een ballon naar een hoogte van bijna veertig kilometer laten opstijgen. Aan de ballon hangt een duizend kilogram wegend meetinstrument, GRAPE geheten, waarmee gammastraling van de Krabpulsar zal worden opgevangen. De Krabpulsar is het pulserende restant van een supernova-explosie die zich afspeelde in het jaar 1054. Het gaat om een testvlucht die maximaal veertig uur zal duren. GRAPE is namelijk eigenlijk bedoeld voor het onderzoek aan gammaflitsen - hevige supernova-explosies in verre sterrenstelsels. Voor dat laatste onderzoek zal de ballon echter niet, zoals nu, opstijgen vanuit New Mexico, maar vanaf Antarctica. De circumpolaire winden aldaar maken het mogelijk om een ballon dertig tot veertig dagen achtereen in de lucht te houden, zonder dat hij al te ver afdrijft. Met GRAPE zal met name worden gekeken naar de polarisatie - de 'trillingsrichting' - van de uitgezonden gammastraling. Gepolariseerde straling trilt niet in willekeurige richtingen zoals normale straling, maar heeft een voorkeursrichting. De sterkte van de polarisatie levert informatie op over de manier waarop de straling is ontstaan.
Meer informatie:
Balloon-based experiment to measure gamma rays 6,500 light years distant
Live-beelden van de 'lancering'

15 september 2011
Astronomen van de universiteit van Bonn denken een verklaring te hebben gevonden voor het feit dat niet veel meer sterren als dubbelster door het leven gaan. Dat lijkt samen te hangen met de omgeving waarin sterren geboren worden. Sterren ontstaan doorgaans in groepsverband en hebben bij hun geboorte minstens één vaste begeleider. De meeste van deze sterrenhopen vallen al snel uit elkaar, waarna hun leden zich over het Melkwegstelsel verspreiden. Maar waarom is dan maar ongeveer één op de twee sterren die we aan de hemel zien staan een dubbelster? Computersimlaties van de Duitse astronomen laten zien dat het al misgaat in de sterrenhoop. Door onderlinge ontmoetingen raken veel sterren hun begeleider(s) kwijt. En dat gebeurt vaker naarmate de sterdichtheid in de sterrenhoop groter is. In 'drukke' sterrenhopen ontstaan weliswaar meer dubbelsterren, maar daar is het aantal onderlinge interacties ook groter dan in een lossere verzameling van sterren. Het aantal dubbelsterren dat een sterrenhoop uiteindelijk aflevert kan dus sterk variëren.
Meer informatie:
How single stars lost their companions

14 september 2011
Amsterdamse astronomen hebben een neutronenster waargenomen die spot met de gangbare modellen voor röntgenflitsen op dit soort extreme objecten. In een röntgendubbelster draaien een neutronenster en een begeleidende ster om elkaar heen. Neutronensterren zijn anderhalf keer zo zwaar als de zon, maar hebben een middellijn van hooguit 25 kilometer. Ze hebben een sterk zwaartekrachtsveld dat gas van de begeleidende ster aantrekt. Dit gas kan zich ophopen op het oppervlak van de neutronenster en daar een kernexplosie veroorzaken die Type 1 röntgenflits wordt genoemd. Doorgaans explodeert het hele oppervlak van de neutronenster gelijkmatig. Maar in ongeveer tien procent van de gevallen worden sommige delen van de ster veel helderder dan andere. De afgelopen jaren zijn verschillende modellen ontwikkeld om dit verschijnsel te verklaren. Volgens de ene verklaring vertraagt de snelle rotatie van de ster het vlamfront, op dezelfde wijze als de draaiing van de aarde bijdraagt aan de vorming van orkanen (het corioliseffect). Een ander idee is dat de explosie grote golven veroorzaakt in het oppervlak van de ster. De 'oceaan' aan de ene kant van de ster koelt af en verliest helderheid, terwijl de andere kant warmer en helderder blijft. Bij de neutronenster J17480 gaan beide verklaringen echter niet op. Hoewel zijn oppervlak tijdens röntgenflitsen ongebruikelijk heldere vlekken vertoont, roteert hij te langzaam om een sterk corioliseffect op te wekken. Ook het idee van grootschalige golfwerking biedt geen oplossing. De astronomen zoeken de verklaring voor de ongelijkmatige verbranding op J17480 nu bij het magneetveld van de ster, dat de gelijkmatige verspreiding van de kernexplosie over het oppervlak zou hinderen.
Meer informatie:
Neutronenster blaast modellen voor röntgenflitsen op

14 september 2011
Computersimulaties door Amerikaanse astronomen laten zien dat de spiraalstructuur van ons Melkwegstelsel voor een belangrijk deel is veroorzaakt door een botsing met het (oorspronkelijk niet zo kleine) Sagittarius-dwergstelsel (Nature, 15 september). Het Sagittarius-dwergstelsel is een moeilijk waarneembaar satellietstelsel van de Melkweg, dat pas in 1994 werd ontdekt. Uit de baan die het volgt blijkt dat het de afgelopen twee miljard jaar twee keer dwars door de melkwegschijf heen is gegaan en dat over tien miljoen jaar opnieuw zal doen. Het dwergstelsel heeft daar een hoge prijs voor betaald. Het is het grootste deel van zijn sterren en (donkere) materie kwijtgeraakt, en is geen schim meer van wat het ooit is geweest. Maar de botsingen hebben ook het Melkwegstelsel niet onberoerd gelaten, zo laten de computersimulaties zien. Zowel de centrale balk, de spiraalstructuur als de welving in de buitenste delen van melkwegschijf kunnen door deze ontmoetingen zijn veroorzaakt. Eerdere pogingen om de structuur van ons sterrenstelsel te verklaren gingen er nog van uit dat er geen invloeden van buitenaf in het spel zijn geweest.
Meer informatie:
Milky Way's spiral arms are the product of an intergalactic collision course

12 september 2011
Sterrenkundigen hebben extreem weer ontdekt op een nabije bruine dwerg. Bruine dwergen zijn 'mislukte sterren'; ze zijn veel zwaarder dan gewone reuzenplaneten zoals Jupiter, maar niet zwaar genoeg voor kernfusiereacties van waterstof, zoals die in de kern van de zon voorkomen. Daardoor zijn ze relatief koel, en kunnen er wolken van stofdeeltjes en chemische verbindingen voorkomen in hun buitenste dampkringlagen. Met een infraroodcamera op de 2,5-meter telescoop van de Las Campanas-sterrenwacht in Chili is gevonden dat de nabije bruine dwerg 2MASS 2139 in minder dan acht uur helderheidsvariaties van dertig procent vertoont. De onderzoekers, onder leiding van Ray Jayawardhana van de Universiteit van Toronto, denken dat die variaties veroorzaakt worden door de rotatie van de bruine dwerg. Dat zou betekenen dat er in de dampkring een reusachtige, donkere storm woedt, vergelijkbaar met de Grote Rode Vlek op Jupiter, maar dan nog veel groter. Het is ook mogelijk dat er grote gaten in het wolkendek zijn die zicht bieden op de warmere, dieper gelegen delen van de atmosfeer. De helderheidsvariaties zijn niet constant, maar vertonen zelf ook weer veranderingen in de loop van weken en maanden. Dat doet vermoeden dat er sprake is van zeer actieve weersystemen. Onderzoek aan weer en wolken in de dampkring van een bruine dwerg biedt waarschijnlijk ook meer inzicht in het klimaat van reuzenplaneten bij andere sterren. De nieuwe resultaten worden binnenkort gepubliceerd in The Astrophysical Journal , en worden deze week ook gepresenteerd op het tweede Extreme Solar Systems-congres in Wyoming.
Meer informatie:
Astronomers find extreme weather on an alien world
Vakpublicatie over het onderzoek.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

7 september 2011
Computersimulaties van onderzoekers van het Max-Planck-Institut für Astrophysik laten zien wat de meest waarschijnlijke bron is van de zwaarste elementen in het heelal, zoals lood en goud. Deze elementen zijn waarschijnlijk ontstaan uit de materie die vrijkomt als twee neutronensterren met elkaar in botsing komen. De meeste zware elementen zijn gevormd bij kernreacties in sterren. Maar uit deze reacties kunnen geen elementen zwaarder dan ijzer voortkomen. Om lood of goud te maken, moeten atoomkernen worden bestookt met grote aantallen neutronen. De vraag was wáár in het heelal de juiste omstandigheden voor dit proces te vinden zijn. Aanvankelijk werd gedacht supernova-explosies de meest waarschijnlijke bron van deze elementen waren, maar latere modellen trokken dat in twijfel. De nieuwe computersimulaties wijzen erop dat botsingen tussen neutronensterren het ontstaan van zware elementen beter kunnen verklaren. Neutronensterren zijn de uiterst compacte restanten van zware sterren die als supernova zijn ontploft. Waar twee zware sterren een dubbelster hebben gevormd, kunnen dus twee om elkaar heen wentelende neutronensterren overblijven. In de loop van de miljoenen jaren spiralen deze naar elkaar toe, wat uiteindelijk tot een botsing leidt. Volgens de computersimulaties zijn de omstandigheden in de relatief kleine hoeveelheid materie die daarbij vrijkomt heel geschikt voor de vorming van zware elementen. De hoeveelheden die uit de berekeningen komen, zijn ook in goede overeenstemming met de waargenomen hoeveelheden in het heelal.
Meer informatie:
Cosmic Crashes Forging Gold

6 september 2011
In het Melkwegstelsel komen duizenden 'tikkende tijdbommen' voor: snel roterende witte dwergsterren die als supernova zullen exploderen wanneer hun draaisnelheid in de loop van lange tijd geleidelijk afneemt. Die conclusie trekken Rosanne Di Stefano (Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics), Joke Claeys (Universiteit Utrecht) en Rasmus Voss (Radboud Universiteit Nijmegen) in een recent artikel in The Astrophysical Journal. De drie sterrenkundigen hebben berekend op welke manier de draaisnelheid van witte dwergen van invloed is op hun stabiliteit. Witte dwergen zijn de compacte overblijfselen van zonachtige sterren. Als ze meer dan veertig procent zwaarder worden dan de zon, door materie-overdracht van een begeleidende ster, zijn ze niet langer bestand tegen de zwaartekracht en komen ze aan hun eind in een catastrofale supernova-explosie van het type Ia. In sommige gevallen kan een witte dwerg echter toch zwaarder zijn, namelijk wanneer hij snel om zijn eigen as draait. Als gevolg van de middelpuntvliedende kracht is de kritische massa waaraoven de witte dwerg explodeert dan hoger dan 1,4 zonsmassa's. Zo'n snelle rotatie kan ontstaan door dezelfde materie-overdracht die ook verantwoordelijk is voor de massatoename van de witte dwerg. Wanneer die materie-overdracht tot stilstand komt, door welke reden dan ook, zal de rotatiesnelheid van de witte dwerg echter heel langzaam weer afnemen, onder andere door het uitzenden van zwaartekrachtsgolven. Uiteindelijk is de rotatiesnelheid dan zo laag dat de ster alsnog explodeert. Volgens Di Stefano, Claeys en Voss kan dat echter vele tientallen of honderden miljoenen jaren duren. Tegen die tijd zijn alle sporen van materie-overdracht van de begeleider al verdwenen. Op die manier verklaren de drie astronomen dat er in het licht van supernova-explosies van type Ia vrijwel nooit aanwijzingen worden gevonden voor het bestaan van een begeleider.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Persbericht Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics (Engelsstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

31 augustus 2011
Astronomen hebben met behulp van de Europese Very Large Telescope een ster opgespoord die volgens velen niet zou mogen bestaan (Nature, 1 september). De kleine, oude ster, die de aanduiding SDSS J102915+17292 draagt, bevat naast waterstof en helium bijzonder weinig andere chemische elementen. En dat is in strijd met een breed geaccepteerde theorie over het ontstaan van sterren. Er zijn sterke aanwijzingen dat de materie die kort na de oerknal (de geboorte van het heelal) werd gevormd vrijwel uitsluitend uit waterstof en helium bestond. Zwaardere elementen zouden pas later door sterren zijn geproduceerd en door supernova-explosies in het interstellaire medium zijn terechtgekomen. De sterren die uit dit verrijkte gas voortkwamen, bevatten hierdoor meer zware elementen dan hun voorgangers. Omdat nu gebleken is dat SDSS J102915+17292 extreem weinig zware elementen bevat, moet de ster wel bijzonder kort na de oerknal zijn ontstaan. Maar volgens de huidige inzichten kunnen sterren die zo licht zijn als deze pas zijn ontstaan toen het interstellaire medium al een zekere hoeveelheid zware elementen bevatte. De reden hiervoor is dat zware elementen als een soort koelmiddel fungeren dat ervoor zorgt dat ook betrekkelijk kleine gaswolken in dit medium voldoende warmte kunnen wegstralen om tot sterren te kunnen samentrekken. Zonder dit 'koelmiddel' zou de druk ten gevolge van de opwarming die met dit samentrekken gepaard gaat te groot worden, waardoor de eigen zwaartekracht van de wolk te zwak zou zijn om deze tegendruk te overwinnen. De astronomen verwachten dat er nog meer van deze 'paradoxale' sterren gevonden zullen worden. Het begint er dus op te lijken dat er ook kort na de oerknal al kleine sterren werden gevormd. Tijd om de bestaande stervormingsmodellen nog eens onder de loep te nemen.
Meer informatie:
De ster die niet zou mogen bestaan

31 augustus 2011
Astronomen hebben aan de hand van opnamen die vanaf 1994 met de Hubble-ruimtetelescoop zijn gemaakt filmpjes samengesteld die het gedrag van jonge sterren laten zien. Tijdens hun eerste levensfase blazen sterren bundels van hete materie ('jets') de ruimte in. De filmpjes laten zien hoe het uitgestoten materiaal zich een weg baant door de interstellaire materie. Dat jonge sterren materiebundels produceren is al ruim een halve eeuw bekend. Maar het onderzoek ervan wordt bemoeilijkt door het feit dat de jet-fase van een ster niet veel langer dan honderdduizend jaar duurt. Dat lijkt lang, maar het is maar een oogwenk in het leven van een ster, dat miljarden jaren kan duren. Een ster ontstaat door het samentrekken van een grote wolk waterstofgas. Tijdens dat proces vormt zich een schijf van gas en stof rond de ster-in-wording van waaruit de verzamelde materie geleidelijk naar de ster spiraalt. Niet al deze materie komt uiteindelijk in de ster terecht: een deel ervan wordt met snelheden van meer dan 700.000 km/uur langs zijn rotatie-as weggeblazen. Hoe de jets precies ontstaan, en welke rol zij bij de geboorte van een ster spelen is nog onduidelijk. De Hubble-filmpjes moeten daar meer inzicht in geven. Uit de bewegende beelden blijkt alvast dat de materiestroom in de jets niet constant is: er zitten duidelijke onderbrekingen in, en de snelheid waarmee de materie wordt uitgestoten varieert.
Meer informatie:
Hubble Movies Provide Unprecedented View of Supersonic Jets from Young Stars

29 augustus 2011
Theoretici zijn er voor het eerst in geslaagd om het ontstaan en de evolutie van een sterrenstelsel zoals ons eigen Melkwegstelsel tot in detail na te bootsen. Zulke computersimulaties worden gebruikt om de vorming van sterrenstelsels beter te begrijpen. Voor de nieuwe simulatie, Eris geheten, zijn multi-processor supercomputers in de Verenigde Staten en Zwitserland ingezet. In totaal waren meer dan 1,4 miljoen processoruren nodig. Bij de simulatie van de geboorte van een sterrenstelsel worden zwaartekrachtsberekeningen losgelaten op tientallen miljoenen testdeeltjes die een grote wolk van voornamelijk donkere materie voorstellen. Die wolk stort onder zijn eigen gewicht ineen en begint te roteren. In eerdere simulaties konden op die manier wel bepaalde aspecten van sterrenstelsels worden nagebootst, maar een stelsel zoals ons eigen Melkwegstelsel, met een zware centrale schijf, bleek altijd moeilijk te reproduceren. Dat dat met Eris nu wel is gelukt, is volgens de onderzoekers van de Universiteit van Californië in Santa Cruz en het Instituut voor Theoretische Fysica in Zürich te danken aan het gedetailleerd modelleren van de vorming en de evolutie van (zware) sterren. De geboorte en de explosieve dood van zulke sterren, in gebieden met een hoger-dan-gemiddelde dichtheid, blijken van grote invloed te kunnen zijn op de algehele structuur van een sterrenstelsel. De resultaten worden gepubliceerd in The Astrophysical Journal. De nieuwe resultaten vormen een welkome ondersteuning voor de zogeheten cold dark matter -theorie. Die beweert dat het grootste deel van de materie in het heelal uit onzichtbare, mysterieuze elementaire deeltjes bestaat. De zorg dat de vorming van zware sterrenstelsels zoals het Melkwegstelsel met deze theorie niet verklaard zou kunnen worden, lijkt met de nieuwe simulaties te zijn weggenomen.
Meer informatie:
Astrophysicists report first simulation to create a Milky Way-like galaxy
First glimpse into birth of the Milky Way
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

25 augustus 2011
De stervorming in het Melkwegstelsel wordt op gang gehouden door de toevoer van nieuwe brandstof van buitenaf. Tot die conclusie komen wetenschappers van de universiteit van Notre Dam (VS) in Science (26 augustus). Als de voorraad waterstofgas van het Melkwegstelsel niet voortdurend werd aangevuld, zou het snel gedaan zijn met de vorming van nieuwe sterren. Daarom bestond al het vermoeden dat grote wolken van geïoniseerd gas die op veel plaatsen aan de hemel worden waargenomen ons Melkwegstelsel regelmatig van vers gas voorzien. Metingen met de Cosmic Origins Spectrograph (COS), een van de nieuwste instrumenten van de Hubble-ruimtetelescoop, bevestigen dat vermoeden. Met dat instrument zijn voor het eerst de afstanden van een aantal van die snel bewegende gaswolken gemeten. En daaruit blijkt dat zij deel uitmaken van de verre buitengebieden van ons Melkwegstelsel en grote hoeveelheden gas bevatten. De metingen vormen verder een bevestiging van modellen die voorspelden dat gas dat naar het Melkwegstelsel toe valt, afremt naarmate het dichterbij komt en meer weerstand ondervindt van het daar al aanwezige gas. Gaswolken die zich dichterbij bevinden bewegen inderdaad minder snel dan hun verder weg gelegen soortgenoten.
Meer informatie:
Notre Dame astrophysicists identify missing fuel for Galactic star formation

25 augustus 2011
Astrofysici van de universiteiten van Zürich en Californië (Santa Cruz) zijn er voor het eerst in geslaagd om de vorming van ons Melkwegstelsel realistisch na te bootsen. Uit de computersimulaties blijkt onder meer dat er ook in de buitengebieden van de Melkweg sterren moeten zijn. Wetenschappers ondernemen al tientallen jaren pogingen om de vorming van sterrenstelsels na te bootsen, maar tot nu toe lukte dat niet goed. De stelsels die de modellen voortbrachten, bevatten ofwel te veel sterren in hun kern of te veel stermassa als geheel. Het nieuwe model, dat uitgaat van een mengsel van normale en donkere (onzichtbare) materie, vertoont deze gebreken niet. Het model laat zien dat om op juiste hoeveelheid stermassa uit te komen, het noodzakelijk is dat veel normale materie uit de kern van het sterrenstelsel-in-wording verdwijnt. Dat zou het gevolg zijn van de vele supernova-explosies die daar aanvankelijk hebben plaatsgevonden. Ook voorspelt het model dat zich aan de rand van de halo van het Melkwegstelsel, 600.000 lichtjaar hier vandaan, sterren en gaswolken bevinden.
Meer informatie:
First glimpse into birth of the Milky Way

25 augustus 2011
Radiosterrenkundigen hebben een diamanten 'planeet' ontdekt. Het kostbare hemellichaam beschrijft elke 2 uur en 10 minuten een baan rond een snel rondtollende neutronenster op 4000 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Slang. De afstand tussen de ster en de 'planeet' bedraagt slechts 600.000 kilometer - minder dan twee keer de afstand tussen aarde en maan. De neutronenster (J1719-1438) draait meer dan tienduizend keer per minuut om zijn as, en zendt daarbij korte pulsjes van radiostraling de ruimte in. Zulke pulserende radiobronnen worden ook wel pulsars genoemd. Uit minieme variaties in de aankomsttijden van de radiopulsjes kon de aanwezigheid van een begeleider worden afgeleid. Die is hooguit vijf keer zo groot als de aarde, maar zwaarder dan de reuzenplaneet Jupiter. In een artikel dat deze week in Science verschijnt, concluderen de onderzoekers dat de 'planeet' grotendeels uit diamant moet bestaan. Het gaat namelijk zo goed als zeker om het afgepelde overblijfsel van een witte dwerg - een compacte ster waarvan de kern voornamelijk uit zuurstof- en koolstofatomen bestaat. Onder invloed van de energierijke straling van de neutronenster moet de witte dwerg het overgrote deel van zijn massa zijn verloren. Wat resteert is een bal van zuurstof en koolstof met een zeer grote dichtheid - ruim voldoende om de koolstofatomen samen te persen tot diamant.
Meer informatie:
A Planet made of Diamond
A planet made of diamond
'The Dish' finds a 'diamond planet'
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

23 augustus 2011
Met de Amerikaanse infraroodsatelliet WISE is een zestal uiterst koele 'sterren' ontdekt. De hemellichamen, die tot de familie van de bruine dwergen behoren, hebben zo ongeveer de temperatuur van het menselijk lichaam. Het bestaan van deze donkere objecten werd al vermoed, maar de afgelopen tien jaar is tevergeefs naar ze gezocht. Met WISE zijn nu voor het eerst zes van deze zwakke dwergsterren ontdekt, die zich op afstanden van negen tot veertig lichtjaar bevinden. Ze zenden voornamelijk langgolvige infraroodstraling uit, die met telescopen op aarde niet waarneembaar is. Bruine dwergen worden ook wel 'mislukte sterren' genoemd. Ze hebben te weinig massa om atomen in hun inwendige te laten fuseren, om zo energie op te wekken. De energie die ze in de vorm van infraroodstraling uitzenden, ontlenen ze aan de warmte die zij bij hun ontstaan hebben meegekregen. De meest nabije ultrakoele ster, WISE 1541-2250, staat met zijn afstand van negen lichtjaar op de zevende plaats van de lijst met meest nabije sterren. Hij is ruim twee keer zo ver van ons verwijderd als de meest nabije buur van onze zon, Proxima Centauri. Het wordt niet ondenkbaar geacht dat er nog een koele bruine dwerg ontdekt zal worden die Proxima van de eerste plaats zal verstoten.
Meer informatie:
NASA'S Wise Mission Discovers Coolest Class of Stars

23 augustus 2011
Een Duits-Chinees team van astronomen hebben na tien jaar onderzoek een nieuwe atlas van het noordelijke deel van de Melkweg voltooid. Deze atlas is gebaseerd op gegevens die zijn verzameld met de 25-meter radiotelescoop bij de stad Ürümqi, in het noordwesten van China. Bij het samenstellen ervan zijn onder meer twee nog onbekende restanten van supernova-explosies ontdekt. De 'radiokaart' toont de gepolariseerde radiostraling van ons sterrenstelsel op een golflengte van vijf gigahertz (een golflengte van zes centimeter). Dat is de hoogste frequentie ooit waarbij de Melkweg met een instrument op aarde is waargenomen. Gepolariseerde radiostraling bevat informatie over magnetische velden. Doel van het project was dan ook om het globale magnetische veld van de Melkweg in kaart te brengen. Tijdens die activiteit zijn niet alleen twee nieuwe supernovaresten ontdekt, ook werden twee objecten waarvan aanvankelijk werd gedacht dat het supernovaresten waren ontmaskerd als andersoortige bronnen van radiostraling. Netto blijft de teller dus op dezelfde stand staan (270).
Meer informatie:
Ein Atlas der Milchstraße

11 augustus 2011
De Hubble Space Telescope maakte onlangs deze foto van de 'Halssnoernevel' (PN G054.2-03.4), een recent ontdekte planetaire nevel op 15.000 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Pijl. De nevel is ongeveer tienduizend jaar geleden ontstaan toen één van de sterren in een zeer nauwe dubbelster opzwol, waardoor de begeleider in de buitenste gaslagen van de ster terecht kwam. Als gevolg van de wisselwerking tussen de twee sterren, die slechts een paar miljoen kilometer van elkaar zijn verwijderd, begon de opgezwollen ster steeds sneller te roteren, en werd er vooral in het evenaarsvlak van de ster veel gas de ruimte in geblazen. De heldere 'parels' in de nevel zijn hete, compacte concentraties in dit weggeblazen sterrengas. De ring heeft een middellijn van bijna twintig biljoen kilometer. De foto werd op 2 juli gemaakt door de Wide Field Camera 3.
Meer informatie:
Hubble Offers a Dazzling 'Necklace'
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

3 augustus 2011
Met behulp van gegevens van de VISTA infrarood-surveytelescoop van de ESO-sterrenwacht op Paranal heeft een internationaal team van astronomen 96 nieuwe open sterrenhopen ontdekt, die zich schuilhielden achter het stof in de Melkweg. Deze kleine, zwakke objecten waren bij eerdere zoekacties niet opgemerkt. Aan de gevoelige infrarooddetectors van de grootste surveytelescoop ter wereld, die door stof heen kan kijken, konden zij echter niet ontsnappen. Het is voor het eerst dat in één keer zoveel zwakke, kleine sterrenhopen zijn ontdekt. Bij het onderzoek van de sterrenhopen is gebruik gemaakt van geavanceerde computersoftware, waarmee 'storende' voorgrondsterren uit de VISTA-opnamen werden verwijderd, zodat de echte leden van de sterrenhoop geteld konden worden. Daarna inspecteerden de astronomen de beelden visueel, om de afmetingen van de sterrenhopen te kunnen bepalen. Van de meest sterrijke sterrenhopen maten zij onder meer ook de afstand en de leeftijd. Daarbij is vastgesteld dat de meeste van de nieuwe sterrenhopen erg klein zijn en slechts tien à twintig sterren bevatten. Vergeleken met doorsnee open sterrenhopen zijn ze erg zwak en compact - het stof op de voorgrond van deze sterrenhopen zorgt ervoor dat zij in zichtbaar licht 10.000 tot 100 miljoen keer zwakker lijken. Geen wonder dus dat zij bij eerdere surveys niet zijn gevonden. Sinds de oudheid zijn in het Melkwegstelsel pas 2500 open sterrenhopen ontdekt. Maar astronomen schatten dat er misschien nog wel 30.000 verscholen zitten achter stof en gas.
Meer informatie:
VISTA vindt 96 achter stof verscholen sterrenhopen

1 augustus 2011
Met de Europese ruimtetelescoop Herschel is voor het eerst moleculair zuurstof ontdekt in het heelal. De zuurstofmoleculen (O2, bestaande uit twee afzonderlijke zuurstofatomen) zijn aangetroffen in de Orionnevel, een kolossaal stervormingsgebied op ca. 1500 lichtjaar afstand van de aarde.
Meer informatie:
Astronomers searching for oxygen can breathe more easily
Persbericht Jet Propulsion Laboratory
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 juli 2011
Nieuwe waarnemingen met de Europese infraroodsatelliet Herschel tonen een vreemde, verdraaide ring van gas en stof in het centrum van ons Melkwegstelsel. Slechts een paar delen van de ring, die zich over meer dan 600 lichtjaar uitstrekt, waren eerder bekend. Het is voor het eerst dat hij volledig in beeld is gebracht. De ring ligt in het hart van de centrale 'balk' van het Melkwegstelsel - een langwerpig gebied van sterren en gaswolken. Deze balk is op zijn beurt weer ingebed in een nog grotere ring. Ook andere sterrenstelsels vertonen zulke balken en ringen. Hoe deze structuren ontstaan is nog niet helemaal duidelijk, maar computersimulaties laten zien dat ze het gevolg kunnen zijn van zwaartekrachtsinteracties. Volgens sommige theorieën zijn balken het gevolg van interacties tussen verschillende sterrenstelsels. Zo zou de balk in het melkwegcentrum het gevolg kunnen zijn van de invloed van onze grote buur, het Andromedastelsel.
Meer informatie:
Twisted Tale of our Galaxy's Ring

14 juli 2011
Wetenschappers van het Leibniz-instituut voor Astrofysica in Potsdam (Duitsland) heeft twee nieuwe bruine dwergsterren ontdekt op afstanden van slechts 15 en 18 lichtjaar van de zon. Ter vergelijking: de dichtstbijzijnde buurster van de zon, Proxima Centauri, bevindt zich op een afstand van iets meer dan vier lichtjaar. En de eerder ontdekte bruine dwergen die om de nabije ster Epsilon Indi draaien, zijn twaalf lichtjaar van ons verwijderd. De nieuwe buren van de zon heten WISE J0254+0223 en WISE J1741+2553, wat aangeeft dat ze zijn opgedoken in gegevens die zijn verzameld met de NASA-satelliet WISE. Ze vielen op doordat ze veel infraroodstraling produceren, maar vrijwel geen zichtbaar licht - een bekende eigenschap van bruine dwergen, die als ondermaatse, 'mislukte' sterren worden beschouwd. Hun nabijheid bleek uit het feit dat zij zich relatief snel verplaatsen ten opzichte van verre achtergrondsterren. De beide dwergsterren zijn bruine dwergen van het koelste soort. Hun oppervlaktetemperaturen bedragen slechts enkele honderden graden Celsius. Het is niet uitgesloten dat in de omgeving van de zon nog meer van deze ultrakoele sterren op ontdekking wachten.
Meer informatie:
Two new brown dwarf Solar neighbours discovered

13 juli 2011
Amerikaanse astronomen hebben twee witte dwergsterren ontdekt die met halsbrekende snelheden om elkaar heen wentelen. De sterren zijn elkaar al zo dicht genaderd, dat ze minder dan een kwartier nodig hebben om een rondje te volbrengen. Maar hun onderlinge afstand wordt nog steeds kleiner: binnen een miljoen jaar zullen ze met elkaar in botsing komen en een kolossale explosie veroorzaken. Witte dwergen zijn oude, uitgeputte kernen van sterren zoals onze zon. De twee witte dwergen cirkelen met een snelheid van maar liefst 600 kilometer per seconde om elkaar heen. De helderste van de twee is ongeveer zo groot als de planeet Neptunus en 'weegt' ongeveer een kwart zonsmassa. Zijn begeleider is twee keer zo zwaar, maar ook aanzienlijk compacter: hij is niet veel groter dan de aarde. Zware, compacte objecten als deze kunnen worden gebruikt om de algemene relativiteitstheorie te toetsen. Volgens deze theorie veroorzaken bewegende objecten rimpelingen in het weefsel van ruimte en tijd, die zwaartekrachtsgolven worden genoemd. Het daarmee gepaard gaande energieverlies is de oorzaak van de kleiner wordende afstand tussen de twee dwergsterren. Door de geleidelijk steeds sneller wordende omwentelingen van de dubbelster heel nauwkeurig te timen, hopen de onderzoekers dit energieverlies te kunnen meten. Op die manier kan - indirect - het bestaan van zwaartekrachtsgolven worden aangetoond.
Meer informatie:
Evolved Stars Locked in Fatalistic Dance

6 juli 2011
Voor het eerst zijn in de interstellaire ruimte moleculen van waterstofperoxide gevonden. Deze ontdekking geeft meer inzicht in het chemische verband tussen twee moleculen die cruciaal zijn voor het ontstaan van leven: water en zuurstof. Op aarde speelt waterstofperoxide een sleutelrol bij de chemische interactie tussen water en ozon in de atmosfeer, en staat de stof bekend als ontsmettings- en haarbleekmiddel. Nu is hij met de Europese APEX-telescoop in Chili dan ook in de ruimte ontdekt. De waterstofperoxide is waargenomen in de omgeving van de ongeveer 400 lichtjaar verre ster Rho Ophiuchi. In dat gebied bevinden zich zeer koude (ca. -250 graden Celsius), dichte wolken van gas en stof waarin nieuwe sterren worden geboren. De wolken bestaan grotendeels uit waterstof, maar bevatten ook sporen van andere chemische stoffen, die interessant zijn voor astronomen die op kosmische moleculen jagen. Telescopen zoals APEX, die straling in het millimeter- en submillimetergebied opvangen, zijn ideaal voor het opsporen van deze moleculen. Vermoed wordt dat waterstofperoxide in de ruimte ontstaat aan de oppervlakken van kosmische stofdeeltjes - zeer fijne deeltjes, vergelijkbaar met zand en roet - waar waterstof- en zuurstofmoleculen bijeenkomen. De reactie van waterstofperoxide met nog meer waterstof is een van de manieren om water te produceren. De detectie van waterstofperoxide kan astronomen dus helpen begrijpen hoe het water in het heelal is ontstaan.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

29 juni 2011
Eind vorig jaar vond een grootschalige onderzoekscampagne plaats van een unieke dubbelster in het Zuiderkruis, die met grote regelmaat uitbarstingen van (onder meer) gammastraling produceert. De resultaten van deze campagne, waar tal van instrumenten in de ruimte en op aarde aan deelnamen, verschijnen binnenkort in The Astrophysical Journal Letters. De 8000 lichtjaar verre dubbelster bestaat uit een een pulsar, een snel om zijn as tollende neutronenster, die in een langgerekte baan om een 'normale' hete, zware ster draait. Deze twee naderen elkaar eens in de ongeveer drieënhalf jaar tot op ongeveer 100 miljoen kilometer. En steeds als dat gebeurt, zoals in december 2010, komt er veel straling vrij. Dat laatste komt doordat de pulsar bij elke dichte nadering de materieschijf doorkruist die de zware ster omringt - tweemaal binnen enkele maanden zelfs. Tijdens deze passages treden er interacties op tussen de energierijke deeltjes die de pulsar uitzendt en het gas in de schijf, waardoor allerlei soorten straling vrijkomen. De resultaten van de onderzoekscampagne laten zien dat er als de pulsar op de terugweg is veel meer gammastraling vrijkomt dan tijdens zijn eerste tocht door materieschijf. De minder energierijke radio- en röntgenstraling laten daarentegen geen opvallende toename zien. Een verklaring voor dit opvallende verschil is er nog niet. Mogelijk dat waarnemingen van de volgende dubbele uitbarsting, die in mei 2014 worden verwacht, uitsluitsel kunnen geven.
Meer informatie:
'Odd Couple' Binary Makes Dual Gamma-ray Flares

28 juni 2011
De neutronenster IGR J18410-0535 heeft zich 'verslikt' in een kolossale wolk van heet gas, die uitgeblazen werd door de begeleider van de neutronenster, een blauwe superreus. De gaswolk, met een geschatte afmeting van 15 miljoen kilometer, werd slechts gedeeltelijk door de kleine, compacte neutronenster 'onderschept'. Het gas dat door het sterke zwaartekrtachtsveld van de neutronenster werd ingevangen werd daarbij zo sterk verhit dat er sprake was van een vier uur durende uitbarsting van extreem intense röntgenstraling, ongeveer tienduizend keer helderder dan de normale röntgenintensiteit van de neutronenster. De röntgenuitbarsting is waargenomen door de Europese ruimtetelescoop XMM-Newton. Uit de waarnemingen blijkt dat de blauwe superreus niet alleen een sterke, gestage 'sterrenwind' de ruimte in blaast, maar dat het materieverlies ook optreedt in de vorm van grote, geïsoleerde gasuitbarstingen.
Meer informatie:
Neutron star bites off more than it can chew
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

23 juni 2011
Met behulp de Europese Very Large Telescope (VLT) hebben astronomen de complexe en heldere nevel rond de superreuzenster Betelgeuze gedetailleerder in beeld gebracht dan ooit. Deze structuur, die de indruk wekt dat er vlammen uit de ster schieten, is ontstaan doordat de stellaire kolos grote hoeveelheden materie de ruimte in blaast. Betelgeuze is een van de helderste sterren aan de nachtelijke hemel. Met zo ongeveer de omvang van de omloopbaan van Jupiter, die vierenhalf keer zo groot is als de aardbaan, is hij ook een van de grootste. De VLT-opname toont de omringende nevel, die veel groter is dan de ster zelf: hij strekt zich uit tot 60 miljard kilometer van het steroppervlak - ongeveer 400 keer de afstand zon-aarde. Rode superreuzen zoals Betelgeuze vertegenwoordigen een van de laatste stadia in het bestaan van een zware ster. Tijdens deze kortstondige fase groeit de ster in omvang en blaast hij in hoog tempo materie de ruimte in. Op die manier wordt in slechts tienduizend jaar tijd een enorme hoeveelheid (ongeveer een zonsmassa) materie afgestoten. De materie die op de nieuwe opname te zien is, bestaat hoogstwaarschijnlijk uit stof dat rijk is aan silicium- en aluminiumoxide. Dat is hetzelfde materiaal waar de korst van de aarde en van andere rotsachtige planeten grotendeels uit bestaat. De onregelmatige vorm van de nevel wijst erop dat de ster zijn materie niet op symmetrische wijze heeft uitgestoten.
Meer informatie:
De vlammen van Betelgeuze

22 juni 2011
De bolvormige sterrenhoop Terzan 5 stelt astronomen voor een raadsel. Met de H.E.S.S.-telescoop in Namibië hebben zij uit de richting van dit object hoogenergetische gammastraling opgevangen. Het is voor het eerst dat een bolhoop als bron van zulke straling is herkend. Waarschijnlijk is de gammastraling afkomstig uit het buitenste deel van Terzan 5, maar haar exacte oorsprong is nog onduidelijk. De bolhoop Terzan 5 in het sterrenbeeld Boogschutter is in verschillende opzichten een opmerkelijk exemplaar. Hij gaat schuil achter dichte stofwolken in de Melkweg en is daardoor zo onopvallend, dat hij pas in 1968 werd ontdekt. En anders dan andere bolhopen, compacte verzamelingen van duizenden sterren, beweegt hij niet in een wijde baan om het Melkwegstelsel, maar bevindt hij zich in het centrale deel ervan. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat de sterren van Terzan 5 tot twee verschillende populaties behoren: een oude met een leeftijd van 12 miljard jaar oud en een jongere van zes miljard jaar. Uit die bijzondere eigenschappen leiden onderzoekers af dat Terzan 5 eigenlijk geen bolvormige sterrenhoop is, maar het restant van een klein sterrenstelsel dat door het Melkwegstelsel is opgeslokt. En nu is er dus die raadselachtige gammastraling, waarvoor verschillende verklaringen denkbaar zijn. De meest waarschijnlijke kandidaten zijn een snel rondtollende neutronenster (ster) of het restant van een geëxplodeerde ster, die op de een of andere manier uit het centrale deel van Terzan 5 verbannen is.
Meer informatie:
Gammastrahlung von Terzan 5

1 juni 2011
De open sterrenhoop NGC 6791 in het sterrenbeeld Lier lijkt een vreemde kruising te zijn tussen een open en een bolvormige sterrenhoop. Dat blijkt uit onderzoek door Amerikaanse astronomen, die een uitgebreide inventarisatie van de sterrenhoop hebben gemaakt. Doorgaans maken astronomen strikt onderscheid tussen de beide soorten sterrenhopen. Bolvormige sterrenhopen zijn miljarden jaren oud en bevatten sterren die weinig elementen zwaarder dan helium bevatten. Open sterrenhopen zijn vaak aanzienlijk jonger en hun sterren zijn relatief rijk aan elementen zwaarder dan helium. Dat NGC 6791 niet helemaal in dit plaatje past, was al langer duidelijk. Deze open sterrenhoop is bijna tien miljard jaar oud, maar niettemin rijk aan elementen zwaarder dan helium. Uit het nieuwe onderzoek blijkt dat NGC 6791 een soort sterren bevat dat normaal gesproken alleen in bolvormige sterrenhopen voorkomt. Daarnaast komen er echter ook sterren in voor die weer kenmerkend zijn voor een open sterrenhoop. Het lijkt er dus echt op dat NGC 6791 - voorlopig als enige van de ongeveer 2000 bekende sterrenhopen in ons Melkwegstelsel - tot een aparte klasse van sterrenhopen behoort.
Meer informatie:
'Oddball' Star Cluster Is A Hybrid

1 juni 2011
Uit nieuwe computersimulaties blijkt dat de stralingsdruk van zware sterren groot genoeg is om de gaswolk uiteen te blazen waarin zij geboren zijn. Tot nog toe werd aangenomen dat deze sterren hun kraamkamer pas echt beginnen te verwoesten als ze aan het eind van hun leven als supernova exploderen. Maar volgens Canadese astronomen die hun resultaten vandaag op de jaarbijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in London, Ontario, presenteren, spelen supernova-explosies daarbij vrijwel geen rol. Sterren worden geboren uit reusachtige wolken van moleculair gas. Uit waarnemingen van onze eigen Melkweg was al gebleken dat zulke gaswolken grote lege holten kunnen vertonen terwijl er in geen velden of wegen restanten van supernova-explosies te vinden zijn. Dat wees er al op dat de gaswolken uiteenvallen voordat er supernova-explosies optreden. De Canadese computersimulaties laten zien dat tot nu toe te weinig rekening is gehouden met de stralingsdruk die zware, hete sterren nog tijdens hun leven op hun omgeving uitoefenen. Zodanig zelfs, dat zodra minder dan twintig procent van de gaswolk in sterren is omgezet, de stralingsdruk al hoog genoeg is om de gaswolk aan flarden te blazen. Tegen de tijd dat deze sterren aan een supernova-explosie toe zijn, is de gaswolk allang verdwenen.
Meer informatie:
CASCA 2011

31 mei 2011
Met de Europese infraroodsatelliet Herschel is een jonge ster ontdekt die 'waterkogels' de ruimte in schiet met een snelheid van ruim 200.000 kilometer per uur - tachtig keer de snelheid van een geweerkogel. Het gaat om L1448-MM, een ster op 750 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Perseus. De metingen zijn uitgevoerd door een internationaal team van sterrenkundigen dat onder leiding staat van de Leidse hoogleraar Ewine van Dishoeck. Dat waterstof- en zuurstofatomen zich in de omgeving van sterren kunnen samenvoegen tot watermoleculen was al langer bekend. Maar dat de moleculen de schokgolven kunnen overleven die gepaard gaan bij de geboorte van een ster is een verrassing. Vermoedelijk worden de moleculen aanvankelijk wel degelijk vernietigd, maar vormen ze zich vervolgens vrij gemakkelijk opnieuw. De totale waterproductie in de omgeving van L1448-MM bedraagt maar liefst honderd miljoen keer de hoeveelheid water in de Amazone-rivier per seconde. Ook onze eigen zon heeft kort na het ontstaan een dergelijke energierijke fase doorlopen, waarbij omringende materie temperaturen bereikt van wel 10.000 graden en er kennelijk krachtige 'jets' van water kunnen ontstaan. De Herschel-satelliet, met het in Nederland ontwikkelde en gebouwde HIFI-instrument aan boord, is speciaal ontworpen voor het detecteren van moleculen in de interstellaire ruimte. De nieuwe resultaten zijn deze week gepresenteerd op een astrochemie-symposium in Toledo, Spanje. Ze zullen binnenkort gepubliceerd worden in Astronomy and Astrophysics.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Herschel
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

31 mei 2011
Computerberekeningen van een Canadese astronoom hebben nieuw licht geworpen op de ontstaansgeschiedenis van een ongewoon zware neutronenster. Neutronensterren zijn de extreem compacte, snel rondtollende overblijfselen van supernova-explosies. Meestal zijn ze ongeveer veertig procent zwaarder dan de zon, maar al die materie is wel samengeperst in een bolletje van hooguit zo'n dertig kilometer in middellijn. In oktober 2010 werd echter een neutronenster (PSR J1614-2230) ontdekt die ongeveer twee keer zo zwaar is als de zon. Hij tolt 317 keer per seconde om zijn as, en is met radiotelescopen waarneembaar als een zogeheten millisecondepulsar. Hij blijkt bovendien elke negen dagen een baan te beschrijven rond een witte dwergster, wat doet vermoeden dat de grote massa mogelijk veroorzaakt is door materieoverdracht van die witte dwerg. Lorne Nelson van de Bishop University in Sherbrooke, Quebec, heeft nu computerberekeningen uitgevoerd waarbij de evolutie van zo'n dubbelstersysteem is nagerekend voor niet minder dan veertigduizend verschillende beginsituaties. Enkele daarvan blijken inderdaad te resulteren in een witte dwerg en een extreem zware neutronenster, die de buitenste gaslagen van de witte dwerg heeft opgeslokt. Nelson presenteert zijn resultaten deze week op de jaarbijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in London, Ontario. Dat slechts enkele beginsituaties aanleiding geven tot materieoverdracht en massatoename van de neutronenster, is volgens de astronoom de verklaring voor het feit dat zware neutronensterren zo zeldzaam zijn.
CASCA 2011
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

31 mei 2011
Met de Canadese MOST-satelliet zijn onverwacht grote veranderingen ontdekt in het gedrag van CV Serpenits - een bijzondere dubbelster in het sterrenbeeld Slang die uit twee extreem hete sterren bestaat. Een van de twee sterren is een zogeheten Wolf Rayet-ster. Hij produceert een extreem krachtige sterrenwind, waarin veel koolstof voorkomt - het product van de heliumfusie die het laatste levensstadium van de ster markeert. In die sterrenwind ontstaan op nog onopgehelderde wijze ook veel stofdeeltjes die rijk zijn aan koolstofverbindingen. De intensiteit van de sterrenwind kan afgeleid worden uit onderzoek aan de andere ster in het systeem: het licht van die ster wordt tijdens elke omloop enige tijd verzwakt door absorptie in de sterrenwind van de Wolf Rayet-ster. Uit de MOST-metingen, uitgevoerd in 2009 en 2010, blijkt nu dat de dichtheid van die sterrenwind variaties van wel 70 procent vertoont. Volgens de onderzoekers, die hun resultaten deze week presenteren op de jaarbijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in London, Ontario, zijn die grote veranderingen mogelijk gerelateerd aan de productie van stofdeeltjes.
CASCA 2011
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

30 mei 2011
In bolvormige sterrenhopen blijken twee generaties sterren voor te komen. Dat blijkt uit nieuwe waarnemingen met de Hubble Space Telescope, verricht door astronomen van de McMaster-universiteit in Hamilton (Ontario, Canada). Tot nu toe werd altijd aangenomen dat alle sterren in bolhopen tegelijkertijd zijn ontstaan. Bolvormige sterrenhopen - grote verzamelingen van honderdduizenden oude sterren - behoren tot de oudste structure in ons Melkwegstelsel. De ontdekking dat niet alle sterren in een bolhoop tegelijkertijd zijn ontstaan, komt als een verrassing. De nieuwe waarnemingen, die deze week gepresenteerd worden op een bijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in London, Ontario, doen vermoeden dat de tweede generatie sterren ontstaan is uit gas dat door de eerste (grotere) generatie sterren de ruimte in is geblazen. Onderzoeksleidster Alison Sills denkt dat er mogelijk een verband bestaat tussen de oorsprong van deze tweede generatie sterren in bolhopen en de aanwezigheid van zogeheten 'blauwe achterblijvers': sterren die als gevolg van onderlinge interacties en materie-overdracht heter (en dus blauwer) zijn dan je op basis van hun gevorderde leeftijd zou verwachten.
Homepage van onderzoeksleidster Alison Sills
CASCA2011
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

26 mei 2011
Bij een jonge ster in het sterrenbeeld Orion regent het kristallen van het mineraal olivijn. Dat blijkt uit waarnemingen met de NASA-infraroodsatelliet Spitzer. Het is voor het eerst dat olivijnkristallen zijn waargenomen in de stofrijke gaswolken rond een ster-in-wording. Astronomen weten nog niet precies hoe die kristallen zijn ontstaan, maar de meest waarschijnlijke oorzaak ligt bij de materiebundels of jets die de ster - HOPS-68 geheten - uitstoot. Vermoed wordt dat de kristallen zijn gevormd aan het oppervlak van de ster, via de jets in de omringende gaswolk zijn terechtgekomen - waar het veel kouder is - en vervolgens weer omlaag zijn geregend. De ontdekking kan helpen verklaren waarom ook kometen, die in de koude buitendelen van ons zonnestelsel zijn ontstaan, dit soort kristallen bevatten. De temperaturen in de buitengebieden zijn veel te laag om zulke kristallen te laten ontstaan. Maar ook onze zon stootte in haar begintijd jets van materie uit, en het is dus denkbaar dat kometen op via die weg aan olivijnkristallen zijn gekomen.
Meer informatie:
Spitzer Sees Crystal Rain in Infant Star Outer Clouds

25 mei 2011
In het centrale deel van ons Melkwegstelsel zijn 42 zeldzame 'blauwe achterblijvers' gevonden - hete, blauwe sterren die er jonger uitzien dan ze in werkelijkheid zijn, en vergeleken met leeftijdsgenoten dus achter lijken te blijven in hun evolutie. De blauwe achterblijvers zijn ontdekt met de Hubble Space Telescope, tijdens een onderzoek dat in 2006 al werd uitgevoerd en dat gericht was op het opsporen van exoplaneten. Blauwe achterblijvers zijn eerder ontdekt in sterrenhopen, maar nog nooit in de kern van ons eigen Melkwegstelsel. Ze ontstaan waarschijnlijk wanneer twee sterren om elkaar heen draaien, waarbij gas van de ene ster door de andere wordt opgezogen. Daarbij nemen druk en temperatuur toe, zodat kernfusiereacties in het inwendige zich in hoger tempo voltrekken, en de ster meer energie produceert dan verwacht zou worden voor zijn leeftijd. Uit het Hubble-onderzoek blijkt verder dat er in het centrale deel van het Melkwegstelsel geen écht jonge sterren voorkomen. Dat werd ook niet verwacht: de Melkwegkern bevat vrijwel geen gas waaaruit nieuwe sterren zouden kunnen ontstaan. Overigens zijn indertijd met het Hubble-onderzoek ook zestien kandidaat-exoplaneten gevonden.
Meer informatie:
NASA's Hubble Finds Rare 'Blue Straggler' Stars in Milky Way's Hub
Persbericht NASA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

25 mei 2011
In een aards laboratorium zijn nieuwe aanwijzingen gevonden dat er 'roet-moleculen' voorkomen in de interstellaire ruimte. Deze 'polycyclische aromatische koolwaterstoffen' (PAKs), die ook aanwezig zijn in roet en uitlaatgassen, zijn grote, platte moleculen met de structuur van kippengaas: ze bestaan uit aaneengeregen koolstofmoleculen in een repeterend zeshoekpatroon. Wetenschappers van NASA's Ames Research Center in Moffet Field, Californië, hebben extreem gedetailleerde metingen verricht aan zulke PAKs, in een opstelling waarin de omstandigheden in de interstellaire ruimte nauwkeurig worden nagebootsts: vacuüm, extreem lage temperatuur, en energierijke straling. De laboratoriummetingen blijken een goede overeenkomst te vertonen met waarnemingen van sterren, waarin mysterieuze absorptielijnen en diffuse absorptiebanden zijn aangetroffen, vooral op infrarode golflengten. Er werd al langer aangenomen dat deze absorptielijnen en -banden veroorzaakt worden door PAKs, maar doordat nu ook metingen beschikbaar zijn in het optische en ultraviolette deel van het spectrum, is hierover veel meer zekerheid verkregen, aldus teamleider Farid Salama, die de resultaten vandaag presenteerde op de 218e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Boston.
Meer informatie:
NASA Scientists on the Trail of Mystery Molecules
NASA's laboratorium voor astrofysica en astrochemie
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

25 mei 2011
Astronomen van de Universiteit van Warwick hebben een unieke dubbele heliumdwerg ontdekt. Het gaat om twee witte dwergsterren (ongeveer zo groot als de aarde maar zo zwaar als de zon) die voor het grootste deel uit samengeperst heliumgas bestaat. Witte dwergen vormen de eindstadia van sterren zoals onze eigen zon. Ze bevatten normaalgesproken een kern van koolstof en zuurstof - elementen die ontstaan bij de kernfusie van helium. Helium is weer het fusieproduct van waterstof. Het feit dat de twee witte dwergen in de nieuw ontdekte dubbelster (CS41177, op 1140 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Leeuw) vrijwel geheel uit helkium bestaan, betekent dat ze hun buitenste gasmantels kwijtgeraakt moeten zijn - zo goed als zeker door de onderlinge zwaartekrachtswerking - waardoor druk en temperatuur in het inwendige niet langer hoog genoeg waren om de fusie van helium op gang te brengen. Berekeningen wijzen uit dat de omloopbaan van de twee heliumsterren langzaam maar zeker steeds kleiner wordt; over ongeveer één miljard jaar zullen ze versmelten tot een hete 'subdwerg'.
Meer informatie:
Persbericht University of Warwick
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

24 mei 2011
Uit waarnemingen van de NASA-röntgensatelliet Chandra blijkt dat de Carinanevel, een stervormingsgebied op slechts 7500 lichtjaar van de aarde, geleidelijk in een supernovafabriek verandert. Tussen de talrijke jonge sterren in de gasnevel zijn diverse restanten van deze kolossale sterexplosies ontdekt. Een andere aanwijzing dat de Carinanevel het toneel van supernova-explosies is, is het tekort aan röntgenbronnen in een van de sterrenhopen die de nevel rijk is. Verspreid over de Carinanevel heeft Chandra vele duizenden heldere röntgenobjecten gevonden, maar in de sterrenhoop Trumpler 15 zijn ze relatief schaars. Volgens astronomen wijst dat erop dat de zwaarste sterren in deze sterrenhoop hun (relatief korte) bestaan al hebben afgesloten met een supernova-explosie. Bij het Chandra-onderzoek zijn ook zes mogelijke neutronensterren ontdekt - de compacte kernen die vaak overblijven nadat een zware ster is geëxplodeerd. Tot nu toe was maar één neutronenster in de Carinanevel gevonden. Dat kwam voornamelijk doordat het rijkelijke aanwezige stof en gas de laagenergetische röntgenstraling van neutronensterren betrekkelijk sterk absorberen. Waarschijnlijk houden zich hier dus nog meer supernovaresten schuil.
Meer informatie:
Nearby Supernova Factory Ramps Up

23 mei 2011
Een internationaal team van sterrenkundigen is erin geslaagd om de leeftijden van enkele tientallen relatief jonge sterren te bepalen. Daarbij is gebruik gemaakt van het gegeven dat sterren mettertijd steeds langzamer gaan draaien. De resultaten van de leeftijdsbepalingen worden vandaag bekendgemaakt tijdens de 218de bijeenkomst van de American Astronomical Society (AAS). Net als onze zon zien de meeste sterren er gedurende bijna hun hele leven hetzelfde uit. Aan de buitenkant kun je dus niet zien hoe oud ze zijn. Toch is van veel sterren de leeftijd bekend: de leeftijden van sterrenhopen bijvoorbeeld kunnen worden afgeleid uit de kleuren en helderheden van de sterren waaruit deze groepen bestaan. De bepaling van de leeftijden van afzonderlijke sterren is veel moeilijker. Er bestaat weliswaar een bekende relatie tussen leeftijd en rotatie, maar het meten van de draaisnelheid van een ster is een lastige klus. Dankzij de Amerikaanse satelliet Kepler komt er echter schot in dit onderzoek. Kepler is ontworpen om heel nauwkeurig de helderheden van grote aantallen sterren te meten, met name om planeten bij deze sterren te kunnen opsporen. Kleine fluctuaties in de helderheid van een ster kunnen echter niet alleen door een steeds weer voor de ster langs bewegende planeet worden veroorzaakt, maar ook door donkere vlekken op het oppervlak van de ster - het equivalent van zonnevlekken. Door te meten hoe lang het duurt voordat zo'n vlek uit het zicht verdwijnt, kan de rotatiesnelheid van de ster worden vastgesteld. Op die manier hebben de astronomen de leeftijden van 71 sterren van de sterrenhoop NGC 6811 gemeten - een klus die vier jaar in beslag nam. De sterren vertonen rotatieperioden van één tot elf dagen. Ter vergelijking: onze zon, die met 5 miljard jaar van middelbare leeftijd is, heeft een rotatieperiode van dertig dagen.
Meer informatie:
How To Learn A Star's True Age

12 mei 2011
De Krabnevel in het sterrenbeeld Stier is het restant van een supernova die in 1054 werd gezien. In het hart van de nevel staat een pulsar, een snel draaiende neutronenster met een zeer sterk magnetisch veld, die als een superdynamo energie in de nevel pompt die daardoor kan blijven stralen. Bijzonder aan de Krabnevel zijn de gamma-uitbarstingen die sinds 2009 kunnen worden waargenomen. Op 12 april is met de Fermi Gamma-ray Space Telescope de grootste uitbarsting ooit waargenomen, vijf keer sterker dan ooit te voren met een duur van zes dagen. De helderheid in gammastraling werd 30x groter dan de normale helderheid. Al eerder, in januari, waren met diverse satellieten, waaronder Fermi, Swift en de Rossi X-ray Timing Explorer, langdurige helderheidsvariaties waargenomen in röntgenstraling. Maar opmerkelijk genoeg werden met het Chandra-röntgenobservatorium geen veranderingen in röntgenstraling waargenomen tijdens de gamma-uitbarsting in april. Astrononen denken dat de gamma-uitbarstingen optreden als zeer sterke magnetische velden in de buurt van de neutronenster zich herschikken. Bij deze veranderingen kunnen deeltjes als elektronen worden versneld tot bijna de lichtsnelheid. Als deze zeer snelle deeltjes vervolgens weer reageren met magnetische velden, kan gammastraling worden opgewekt. Met het Chandra-röntgenobservatorium is de Krabnevel regelmatig waargenomen sinds september 2010, juist met het doel om te bepalen waar in de nevel de gamma-uitbarstingen plaatsvinden. Gamma-satellieten kijken niet scherp genoeg om dit te zien, maar treed een uitbarsting tegelijk op in het röntgengebied, dan kan de positie wel worden bepaald omdat röntgensatellieten veel scherper kunnen kijken. In die opzet is men dus nog niet geslaagd, maar zeven maanden kijken naar de Krabnevel heeft wel een film opgeleverd waarin allerlei andere variaties in het röntgenbeeld zijn te zien.
Meer informatie:
NASA'S Fermi Spots 'Superflares' In The Crab Nebula
Crab Nebula: The Crab in Action & The Case of The Dog That Did Not Bark
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Edwin Mathlener - www.dekoepel.nl

2 mei 2011
Een team van sterrenkundigen onder leiding van de Amsterdamse promovendus Lucas Ellerbroek heeft het - zeldzame - geboorteproces van een zware ster blootgelegd. Met de spiksplinternieuwe spectrograaf X-shooter op ESO's Very Large Telescope (VLT) in Chili is een zich nog vormende zware ster waargenomen, diep verborgen in een stervormingsgebied in het sterrenbeeld Vela (Zeilen). Aanvullende waarnemingen met een ander instrument op de VLT hebben het bestaan bevestigd van een gasschijf rond de ster, en materie blazende straalstromen loodrecht daarop. Hoe sterren precies worden gevormd is een van de belangrijkste onopgeloste vraagstukken in de hedendaagse sterrenkunde. Met name de vorming van zware sterren (zo'n 10-100 keer zo zwaar als de zon) is een groot raadsel. Dit komt doordat zware sterren zeldzaam zijn - slechts 1 op de 10.000 sterren is een zware ster - en maar kort leven: een paar miljoen jaar tegen 10 miljard jaar voor de zon. Het vormingsproces gaat ongeveer honderd keer zo snel. Jonge zware sterren zijn bovendien slecht te vinden doordat ze zich diep in het binnenste van enorme gas- en stofwolken bevinden die zo goed als ondoordringbaar zijn voor zichtbaar licht. Bij de vorming van een lichte ster komt het materiaal via een langzaam ronddraaiende schijf gedeeltelijk op de ster terecht; de rest verdwijnt via straalstromen uit het systeem. De vraag is of dit scenario ook van toepassing is op zwaardere sterren. De nieuwe waarnemingen lijken dit laatste te bevestigen, al gaat het er allemaal veel sneller en heftiger aan toe.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

27 april 2011
Analyse van de chemische samenstelling van enkele van de oudste sterren in ons Melkwegstelsel heeft meer inzicht gegeven in de aard van de eerste generaties sterren in ons heelal. Volgens het internationale team van astronomen dat het onderzoek heeft verricht, tolden de eerste zware sterren heel snel om hun as (Nature, 28 april). Kort na de oerknal bestond alle materie in het heelal nog uit waterstof en helium. Pas toen 300 miljoen jaar later de eerste zware sterren op explosieve wijze aan hun eind kwamen, werd het oergas verrijkt met zwaardere elementen. Op die manier hebben deze sterren chemische 'vingerafdrukken' achtergelaten, die nog terug te vinden zijn in de oudste sterren van ons Melkwegstelsel. Door deze sterren te onderzoeken, kom je dus meer te weten over hun zware soortgenoten. En inderdaad: ze bevatten elementen die afkomstig moeten zijn van zware sterren. Maar verrassend genoeg blijkt uit het nieuwe onderzoek dat ze ook elementen bevatten waarvan gedacht werd dat ze alleen door lichtere sterren worden geproduceerd - sterren die nog niet opgebrand waren toen de oudste sterren van ons Melkwegstelsel geboren werden. De eerste generaties zware sterren lijken dus een breder scala aan elementen te hebben achtergelaten dan voor mogelijk werd gehouden. Hoewel daar verschillende verklaringen voor te bedenken zijn, houden de astronomen het er voorlopig op dat die eerste stellaire kolossen heel snel om hun as draaiden. Computersimulaties laten namelijk zien dat hun eigenschappen daardoor zodanig veranderen, dat ze ook elementen afleveren die doorgaans aan minder zware sterren worden toegeschreven.
Meer informatie:
SPINSTARS: the first polluters of the Universe?

26 april 2011
Sterrenkundigen hebben een reconstructie gemaakt van een historische supernova-explosie. Uit dit onderzoek, gebaseerd op metingen van de Amerikaanse röntgensatelliet Chandra, blijkt dat zo'n explosie geen catastrofale gevolgen hoeft te hebben voor naburige sterren. Het nieuwe onderzoek draait om het restant van de supernova die in het jaar 1572 werd waargenomen door de Deense sterrenkundige Tycho Brahe. Die supernova was van type Ia, een explosie die optreedt in een stelsel van twee sterren die op geringe afstand om elkaar heen draaien. Bij supernovae van dit type zijn twee scenario's denkbaar. Het ene is dat de dubbelster bestaat uit twee compacte witte dwergen die met elkaar in botsing komen. In dat geval zouden er na de explosie geen sporen van een begeleidende ster te vinden zijn. Volgens het andere scenario bestaat de dubbelster uit een witte dwerg en een normale ster. Door materie-overdracht van de normale ster aan de witte dwerg kan deze laatste een kritieke massa bereiken en ontploffen. Met Chandra is in het restant van Tycho's supernova een boog van hete materie ontdekt. Uit nader onderzoek blijkt dat deze boog waarschijnlijk is ontstaan doordat de schokgolf van de exploderende witte dwerg materiaal van het oppervlak van een nabije stellaire begeleider heeft weggeblazen. Daarmee staat vrijwel vast dat de dubbelster waarin de supernova-explosie optrad, heeft bestaan uit een witte dwerg en een normale ster. De hoeveelheid materie die door de explosie van de begeleidende ster is weggeblazen lijkt betrekkelijk gering. Dat maakt de kans groot dat de begeleider van de exploderende witte dwerg de catastrofe heeft overleefd. Een tweede aanwijzing in die richting is de eerdere ontdekking van een ster in de omgeving van de supernova-rest die zich met opvallend hoge snelheid uit de voeten maakt.
Meer informatie:
Chandra Finds New Evidence on Origin of Supernovas

20 april 2011
Astronomen hebben met de infraroodsatelliet Herschel een uitzonderlijk heldere uitbarsting waargenomen bij een ster-in-wording. De proto-ster, die de aanduiding HBC 722 draagt, maakt deel uit van de zogeheten Noord-Amerikanevel en is omgeven door gaswolken en andere jonge sterren. HBC 722 begon in de zomer van 2010 helderder te worden - eerst langzaam, later steeds sneller. In september vorig jaar was de ster twintig keer zo helder als voorheen. Sindsdien wordt hij geleidelijk zwakker. Het opvlammen van een jonge ster wordt niet zo vaak waargenomen: de vorige waarneming van een dergelijk verschijnsel was al meer dan dertig jaar geleden. Vermoed wordt dat zo'n uitbarsting ontstaat als zich in de materieschijf die elke ster-in-wording omgeeft zo veel gas heeft opgehoopt, dat deze als het ware overstroomt. Er stroomt dan in één keer veel meer materie naar de ster dan normaal.
Meer informatie:
Caught in the Act: Cascading Material Pours onto a Young Star

20 april 2011
Een nieuw onderzoek naar het ontstaan van spiraalpatronen in sterrenstelsels zoals onze Melkweg zou grote gevolgen kunnen hebben voor de bestaande ideeën over de vorming van spiraalarmen. Sinds de jaren zestig gaan sterrenkundigen ervan uit dat spiraalarmen een golfeffect zijn, enigszins vergelijkbaar met de Mexicaanse golf in een voetbalstadion. De sterren die erin te zien zijn, zouden zijn ontstaan doordat de golf die door het stelsel heen gaat het daarin aanwezige gas samendrukt en nieuwe sterren doet ontstaan. Als de golf gepasseerd is, zouden deze sterren achterblijven en zich verspreiden. Computersimulaties door Britse sterrenkundigen wijzen er nu echter op dat de sterren met de spiraalarmen mee draaien. Bovendien zou het spiraalpatroon slechts een tijdelijke structuur zijn, met een levensduur van hooguit 100 miljoen jaar, die uiteindelijk plaatsmaakt voor nieuwe spiraalarmen. Volgens de onderzoekers migreren sterren binnen een spiraalstelsel veel gemakkelijker dan tot nog toe werd gedacht. Sterren die aan de voorzijde van een spiraalarm zitten, verplaatsen zich in de richting van het centrum van het stelsel. En die aan de achterzijde van een spiraalarm migreren naar buiten.
Meer informatie:
New theory of evolution for spiral galaxy arms

18 april 2011
De heetste sterren in het heelal tollen zo snel om hun as, dat ze aan hun evenaar flink uitstulpen. Maar dit heeft niet tot gevolg dat deze sterren aan hun evenaar beduidend minder heet zijn dan aan hun polen, zoals tot nog toe werd aangenomen. Dat blijkt uit onderzoek door astronomen van enkele Amerikaanse universiteiten, die op een paar van deze sterren hebben ingezoomd. Dat de snel roterende sterren een aanzienlijk koeler evenaargebied zouden hebben, volgde uit een theorie die 90 jaar geleden werd opgesteld door de Zweedse astronoom Edvard Hugo von Zeipel. Uit metingen van de ster Regulus, die zo snel om zijn as tolt dat hij bijna uit elkaar spat, blijkt echter dat het temperatuurverschil tussen evenaar en polen betrekkelijk klein is. Volgens de onderzoekers heeft Von Zeipel onvoldoende rekening gehouden met het feit dat in sterren als Regulus circulaties optreden die vergelijkbaar zijn met de windpatronen op aarde. Deze stromingen zorgen ervoor dat temperatuurverschillen binnen de perken blijven. De gemeten afwijkingen van de theorie zijn dermate groot, dat de schattingen van de massa's en leeftijden van deze hete sterren moeten worden bijgesteld.
Meer informatie:
Zoom-up star photos poke holes in century-old astronomical theory

18 april 2011
Leerlingen van vijf middelbare scholen in Engeland en Wales hebben meegewerkt aan het ontraadselen van een mysterieuze röntgendubbelster, IRG J00291+5934 geheten. De dubbelster bestaat uit een kleine, compacte en snel roterende neutronenster (zichtbaar als een pulsar), die materiaal opzuigt van een begeleidende ster. Zulke röntgendubbelsterren vertonen regelmatig krachtige uitbarstingen, vermoedelijk wanneer zich voldoende materiaal van de ster heeft opgehoopt in een afgeplatte, roterende schijf rond de pulsar. Het materiaal uit die accretieschijf komt dan op het oppervlak van de pulsar terecht, waarbij krachtige röntgenstraling wordt gegenereerd. Vervolgens duurt het geruime tijd voordat de schijf zich opnieuw heeft 'gevuld'. Met IRG J00291+5934 is echter iets bijzonders aan de hand: in september 2008 werd een zeer energierijke uitbarsting waargenomen, die binnen drie weken uitdoofde, waarna een maand later alweer een nieuwe uitbarsting plaatsvond - onwaarschijnlijk snel. Een internationaal team van astronomen heeft de röntgendubbelster nu zeer uitgebreid geanalyseerd, op basis van waarnemingen van talloze telescopen op aarde en in de ruimte (waaronder de Westerbork Synthese Radio Telescoop in Drenthe). Bij de analyse zijn ook waarnemingen onderzocht die door Engelse scholieren verricht zijn met de Faulkes North Telescope op Hawaii, een op afstand bedienbare telescoop voor educatieve doeleinden. Hoewel het raadsel van de snelle uitbarstingen nog niet is opgelost, denken astronomen dat de twee röntgenexplosies in werkelijkheid één uitbarsting vormden, die halverwege tijdelijk werd onderbroken, mogelijk door een soort 'propeller-effect' waarbij juist materiaal naar buiten werd geblazen. De voorlopige resultaten van het onderzoek zijn gepresenteerd op de National Astronomy Meeting (NAM 2011) van de Royal Astronomical Society in Llandudno, Wales.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

14 april 2011
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft met de Internationale LOFAR Telescoop (ILT), ontworpen en gebouwd door het Nederlandse instituut voor radioastronomie ASTRON, meer dan honderd pulsars waargenomen. Pulsars geven felle regelmatige radioflitsen met een stabiel ritme van 40 tot wel 3800 slagen per minuut. Daarvan maakte het team de gevoeligste 'hartfilmpjes' die ooit op deze waarneemfrequentie zijn gemaakt. In die filmpjes is te zien dat sommige pulsars anders flitsen dan werd gedacht. De eerste pulsar werd in 1967 bij toeval ontdekt op een waarneemfrequentie van 81 Mhz (vergelijkbaar met een FM radiozender). LOFAR grijpt terug op een vergelijkbare techniek, maar is de eerste radiotelescoop waarbij een krachtige supercomputer de signalen van duizenden eenvoudige antennes combineert. Daarmee zoekt LOFAR de hele hemel af naar nieuwe radiopulsars. De eerste resultaten van de zoektocht naar nieuwe pulsars die op het ogenblik gaande is, verschijnen binnenkort in het wetenschappelijke tijdschrift Astronomy & Astrophysics.

13 april 2011
Uit waarnemingen met de Europese infraroodsatelliet Herschel blijkt dat interstellaire gaswolken netwerken van onderling verstrengelde gasslierten bevatten. Elk van die zogeheten filamenten is ongeveer even breed en volgens astronomen wijst dat erop dat zij allemaal op dezelfde manier zijn ontstaan. De meest waarschijnlijke oorzaak zijn schokgolven in de interstellaire ruimte. De waargenomen filamenten zijn tot wel tientallen lichtjaren lang en uit de Herschel-waarnemingen blijkt dat in de delen met de hoogste gasdichtheid vaak pasgeboren sterren te zien zijn. Qua breedte lopen de gasstrengen niet veel uiteen: ze zijn allemaal ongeveer 0,3 lichtjaar breed - oftewel 20.000 keer de afstand zon-aarde. Door de waargenomen eigenschappen te vergelijken met de resultaten van computermodellen zijn de astronomen tot de conclusie gekomen dat de filamenten waarschijnlijk zijn gevormd door 'supersone' schokgolven die door het interstellaire gas zijn gegaan. Deze schokgolven zijn het gevolg van de explosies van sterren in de omgeving die het gas plaatselijk samendrukken. De verhoogde gasdichtheid die daar het gevolg van is, geeft de aanzet tot de vorming van nieuwe sterren.
Meer informatie:
Herschel links star formation to sonic booms
Herschel unravels the thread of star formation in the Gould Belt

11 april 2011
De Amsterdamse sterrenkundigen Rudy Wijnands en Nathalie Degenaar hebben grote temperatuurvariaties waargenomen aan het oppervlak van een neutronenster, veroorzaakt door materieoverdracht van een begeleidende ster. De mate en de snelheid van opwarming en afkoeling biedt informatie over de inwendige opbouw van neutronensterren - kleine, supercompacte en snel rondtollende sterren die het overblijfsel vormen van supernova-explosies. De neutronenster IGR J17480-2446, in de bolvormige sterrenhoop Terzan 5, maakt deel uit van een röntgendubbelster: er draait een andere ster omheen, en wanneer gas van die ster overgedragen wordt aan de neutronenster, zendt het systeem energierijke röntgenstraling uit. Uit archiefwaarnemingen en nieuwe metingen met de Amerikaanse Chandra-ruimtetelescoop blijkt nu dat de neutronenster ná zo'n periode van materieoverdracht bijna anderhalf keer zo heet is als ervoor. De resultaten worden gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. In mei worden nieuwe waarnemingen gedaan om te onderzoeken in welke mate en in welk tempo de neutronenster weer is afgekoeld.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

7 april 2011
Het stellaire bevolkingsonderzoek waarmee de Amerikaanse satelliet Kepler momenteel bezig is, levert een schat aan informatie op over sterren zoals onze zon. Deze week berichten astronomen van onder meer de universiteiten van Amsterdam en Nijmegen over waarnemingen van kleine helderheidsvariaties bij vijfhonderd zonachtige sterren (Science, 8 maart). Het onderzoek van deze sterren moet meer inzicht geven in hun ontwikkeling. Hoofdtaak van de Kepler-satelliet is het registreren van de periodieke helderheidsdipjes die sterren kunnen vertonen als er planeten omheen draaien. Maar ook van zichzelf vertonen sterren kleine helderheidsvariaties, die worden veroorzaakt door oscillaties of 'sterbevingen'. En net als bij seismologisch onderzoek op aarde kunnen deze bevingen worden gebruikt om meer te weten te komen over het inwendige. Dankzij Kepler is het aantal zonachtige sterren waarbij oscillaties zijn waargenomen meer dan vertwintigvoudigd. Uit analyse van de nieuwe metingen blijkt dat de onderzochte sterren ongeveer zo groot zijn als vooraf was ingeschat. Maar hun massa's zijn iets kleiner dan verwacht en vertonen een grotere spreiding. Dat betekent dat een belangrijk onderdeel van de bestaande modellen voor de evolutie van sterren - de zogeheten massa-straalrelatie - wellicht moet worden bijgesteld. In hetzelfde nummer van Science maakt een ander team van astronomen de ontdekking bekend van een drievoudige ster die uit een rode reus en twee rode dwergsterren bestaat. Uit Kepler-gegevens blijkt dat de oscillaties in de reuzenster worden verstoord door de aanwezigheid van de beide dwergen.
Meer informatie:
Kepler-telescoop luistert naar een concert van zonachtige sterren
Astronomers Update Census Of Sun-Like Stars
Kepler Asteroseismic Science Consortium

6 april 2011
Astronomen hebben, met de hulp van duizenden vrijwilligers, een bijzondere pulsar ontdekt. De rondtollende neutronenster vormt een paar met een witte dwergster, en is daardoor bijzonder geschikt voor het toetsen van de algemene relativiteitstheorie. Wetenschappers die zich met kosmisch onderzoek bezighouden, hebben een luxeprobleem. Ze verzamelen zo veel gegevens, dat het steeds moeilijker wordt om die gegevens te analyseren. Daarom roepen zij steeds vaker de hulp in van vrijwilligers die de rekenkracht van hun pc's ter beschikking willen stellen voor dataverwerking via het internet. Eén van die initiatieven is Einstein@Home, een programma waarbij gegevens van de Arecibo-radiotelescoop worden geanalyseerd om nieuwe pulserende neutronensterren te vinden. Op die manier is ook de exotische pulsar J1952+2630 opgespoord. Deze neutronenster, 31.000 lichtjaar van ons verwijderd, geeft eens in de 20,7 milliseconde een korte stoot radiostraling. Door het pulsgedrag heel nauwkeurig te analyseren zijn professionele astronomen tot de ontdekking gekomen dat er kleine, regelmatige variaties in die pulsperiode zitten. Daaruit kan worden afgeleid dat de pulsar een kleine, maar zware begeleider heeft: vermoedelijk een witte dwerg. De twee wentelen in vrijwel volmaakte cirkelbanen in ruim negen uur om hun gemeenschappelijke zwaartepunt. Dat maakt deze bijzondere dubbelster tot een geschikt object voor het meten van relativistische verschijnselen. Zo hopen astromen bij J1952+2630 het zogeheten Shapiro-effect te kunnen meten. Dat effect zorgt ervoor dat (radio)straling die vlak langs een zwaar object scheert van het rechte pad afwijkt en dus een beetje vertraging oploopt. Als deze vertragingen in het geval van J1952+2630 inderdaad meetbaar zijn, kunnen daaruit de massa's van de pulsar en de witte dwerg worden afgeleid.
Meer informatie:
Einstein@Home detects unusual stellar pair
Einstein@Home

6 april 2011
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft een dubbelster ontdekt, bestaande uit twee witte dwergsterren die in 39 minuten om elkaar heen wentelen. De onderlinge afstand tussen beide sterretjes is zo klein, dat zij binnen enkele tientallen miljoenen jaren met elkaar in botsing zullen komen en een 'nieuwe' ster vormen. Een witte dwerg is het restant van een ster die aan het eind van zijn bestaan zijn buitenste gaslagen heeft afgestoten. Het overblijfsel, in feite de kern van de oorspronkelijke ster, is ongeveer zo groot als de aarde, maar vele malen zwaarder. Dubbelsterren die uit twee van die witte dwergen bestaan zijn schaars, en zulke compacte als de recent ontdekte dubbelster SDSS J010657.39 al helemaal. De onderlinge afstand tussen de twee sterren, die waarschijnlijk geheel uit helium bestaan, is slechts 225.000 kilometer - kleiner dus dan de afstand aarde-maan. Doordat de beide sterretjes zo snel om elkaar heen draaien, zenden ze veel zogeheten gravitatiestraling uit. Hierdoor verliezen ze snelheid en naderen ze elkaar steeds dichter. Bij relatief zware witte dwergen kan de uiteindelijke botsing uitdraaien op een supernova-explosie. Maar déze witte dwergen hebben daar niet genoeg massa voor: samen zijn ze nog niet half zo zwaar als onze zon. Hun samensmelting zal dan ook met een sisser aflopen. Het resultaat zal waarschijnlijk niet van een 'normale' ster te onderscheiden zijn.
Meer informatie:
Two Dying Stars Reborn as One

4 april 2011
Infraroodwaarnemingen met NASA's Spitzer Space Telescope van een protoster op 1500 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Orion hebben een merkwaardig verschijnsel aan het licht gebracht. Zoals vrijwel alle protosterren blaast HH34 in twee tegenovergestelde richtingen bundels van gas de ruimte in, maar de ene straalstroom ( jet ) blijkt een vertraging van 4,5 jaar te hebben ten opzichte van de andere. De opmerkelijke ontdekking is gepubliceerd in Astrophycisal Journal Letters. Sterren ontstaan uit afgeplatte, ronddraaiende schijven van gas en stof. Tijdens het samentrekkingsproces begint zo'n schijf steeds sneller te roteren. Overtollige draai-energie wordt afgevoerd door het wegblazen van twee straalstromen, die haaks op de schijf staan, evenwijdig aan de draaiingsas. Van HH34 was één van die twee jets al uitgebreid bestudeerd met de Hubble Space Telescope. De andere is met een optische telescoop echter niet zichtbaar: hij wordt aan het oog onttrokken door absorberend stof. Met de Spitzer Space Telescope is die tweede straalstroom nu wel waargenomen op infrarode golflengten. Beide bundels blijken hetzelfde patroon van verdichtingen te bevatten, ontstaan doordat er soms meer materie dan gemiddeld wordt weggeblazen. De patronen zijn echter verschoven ten opzichte van elkaar, wat erop wijst dat de ene bundel een vertraging van 4,5 jaar vertoont ten opzichte van de andere. De onderzoekers vermoeden dat de tegenovergesteld gerichte bundels met elkaar 'communiceren' door middel van geluidsgolven in het gas. Uit de gemeten vertraging blijkt dan dat de bundels moeten ontstaan in een gebied dat kleiner is dan een paar honderd miljoen kilometer.
Meer informatie:
NASA's Spitzer Discovers Time-Delayed Jets Around Young Star
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

30 maart 2011
Een internationaal team van astronomen, onder wie Saskia Hekker van de Universiteit van Amsterdam, is erin geslaagd diep in het binnenste van zogeheten rode reuzen te kijken en te bepalen welke van deze reuzensterren nog in hun kinderjaren zijn, welke aan het puberen en welke op sterven na dood. Deze ontdekking, die deze week in Nature wordt gepubliceerd, is gedaan met de Kepler-ruimtetelescoop en geeft nieuwe aanknopingspunten voor onderzoek naar de evolutie van sterren zoals onze eigen zon. Rode reuzen zijn sterren die aan het eind van hun leven zijn gekomen. Onze eigen zon bereikt dat stadium over zo'n vijf miljard jaar. Tegen die tijd zal de zon ruim tien keer groter zijn dan nu, en ongeveer vijftig keer zo helder. De kleur is dan verschoven van geelachtig naar roodachtig - vandaar de naam rode reus. De voorraad waterstof in de kern raakt op en de ster gaat de waterstof in een schil rondom de kern verbranden. Tegen het einde van zijn leven begint de rode reus het helium in zijn kern te verbranden. De astronomen hebben gedurende bijna een jaar met een ongekende precisie het licht van honderden rode reuzen bestudeerd en zijn veel te weten gekomen over hun kernen. 'De veranderingen in de helderheid aan het oppervlak van de ster zijn het gevolg van turbulente bewegingen in het inwendige van de ster, die continu sterbevingen veroorzaken', zegt eerste auteur prof. Tim Bedding van de Universiteit van Sydney. De geluidsgolven die daarbij worden geproduceerd, reizen naar het inwendige van de ster en weer terug. Als de condities goed zijn, gaan de geluidsgolven een interactie aan met andere golven, die in de heliumkern van de ster zitten. Het zijn deze gemengde schommelingen (oscillaties) die iets zeggen over de leeftijdsfase van de rode reus.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Kepler spacecraft gives astronomers a look inside red giant stars

28 maart 2011
Vier Nederlandse astronomen hebben een verklaring gevonden voor een bizar astronomisch object, met de naam J1903+0327. Het gaat om een zogeheten millisecondenpulsar (een kleine, compacte, extreem snel rondtollende ster), waar een gewone, zonachtige ster in een wijde, langgerekte baan omheen draait. Algemeen wordt aangenomen dat millisecondenpulsars tot hun hoge rotatiesnelheden (meer dan honderd keer per seconde) door materie-overdracht van een begeleider, maar zo'n begeleider moet dan juist in een zeer kleine baan rond de pulsar draaien. Modelberekeningen van Ed van den Heuvel, Simon Portegies Zwart, Joeri van Leeuwen en Gijs Nelemans bieden nu een mogelijke verklaring voor het merkwaardige duo. Volgens de vier astronomen, die hun resultaten beschrijven in Astrophysical Journal , bestond het systeem oorspronkelijk uit drie sterren. De pulsar werd inderdaad opgezweept door materie-overdracht van een begeleider in een kleine baan, en de zonachtige ster draaide op grote afstand rond dat duo heen. Door de materie-overdracht raakte het stelsel echter instabiel, en werd de 'leeglopende' ster de ruimte in geslingerd.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

24 maart 2011
In het restant van een meer dan vier eeuwen geleden ontplofte ster is een patroon van 'röntgenstrepen' ontdekt. Dat patroon vormt het eerste directe bewijs dat een kosmisch verschijnsel deeltjes kan versnellen tot energieën vele malen groter zijn dan die in de krachtigste deeltjesversneller op aarde. Het bestaan van het röntgenpatroon is aan het licht gekomen na langdurig onderzoek van het restant van de supernova van 1572 met de Chandra-röntgensatelliet. Bij een supernova-explosie ontstaan zeer sterke magnetische velden, waarvan de veldlijnen onderling verstrikt kunnen raken. Vermoed wordt dat de door Chandra ontdekte röntgenstrepen gebieden zijn waar de magnetische velden nog meer verstrengeld zijn dan elders. Onduidelijk is echter nog waarom dat zo'n regelmatig patroon oplevert.Maar ongeacht de precieze oorzaak, kan de afstand tussen de röntgenstrepen worden gebruikt om de energieën te schatten van de deeltjes die door de magnetische velden worden versneld, en daardoor röntgenstraling gaan uitzenden. Uit de schatting bleekt dat de deeltjes energieën krijgen die honderd keer groter zijn dan de energieën die met de Large Hadron Collider, de krachtigste deeltjesversneller op aarde, worden bereikt. Dit resultaat kan voor een deel verklaren waar de meest energierijke deeltjes van de kosmische straling vandaan komen, waar de aarde voortdurend mee wordt gebombardeerd. Dat supernova-explosies een belangrijke leverancier zijn van deze deeltjes werd al langer vermoed, maar een direct bewijs ontbrak tot nog toe.
Meer informatie:
Exploding Stars and Stripes

24 maart 2011
De Europese gammasatelliet Integral heeft extreem hete materie waargenomen die op het punt staat om in een zwart gat te verdwijnen. Of toch niet? De waarnemingen laten de mogelijkheid open dat een deel van de materie nog kan ontsnappen. Bij een zwart gat kun je maar beter niet in de buurt komen. Op enkele honderden kilometers van zijn 'oppervlak' kolkt de ruimte van de energierijke deeltjes en straling. Normaal gesproken zijn die deeltjes slechts een duizendste seconde van hun noodlottige einde verwijderd. Maar voor sommige van hen bestaat hoop. Dat blijkt uit de eigenschappen van gammastraling die afkomstig is van het object Cygnus X-1 - een zwart gat dat samen met een reuzenster een bizarre dubbelster vormt. De metingen van Integral, die verspreid over zeven jaar hebben plaatsgevonden, laten zien dat de omgeving van dat zwarte gat één grote kluwen van magnetische veldlijnen is. En op sommige plaatsen is het magnetische veld zó sterk dat ze de deeltjes uit de zwaartekrachtsgreep van het zwarte gat kunnen losrukken en terug de ruimte schieten.Hoe dat wegschieten precies in zijn werk gaat, is overigens nog onduidelijk. Mogelijk dat de Integral-metingen meer duidelijkheid over dit proces kunnen geven.
Meer informatie:
Integral spots matter a millisecond from doom

23 maart 2011
Het nieuws was twee weken geleden al uitgelekt, maar nu is er wat meer informatie over de koele bruine dwerg die door een internationaal team van astronomen is opgespoord. Het object, dat gebukt gaat onder de aanduiding CFBDSIR 1458+10B, is de zwakste van een tweetal om elkaar draaiende bruine dwergen op 75 lichtjaar van de aarde. Het heeft een temperatuur van amper 100 graden. Bruine dwergen zijn feitelijk mislukte sterren. Ze hebben te weinig massa om de kernreacties op gang te brengen die sterren laten stralen. Hierdoor zijn bruine dwergen per definitie tamelijk koel en zenden ze in plaats van zichtbaar licht voornamelijk infraroodstraling uit. Bij het ontrafelen van de eigenschappen van deze koele bruine dwerg is gebruik gemaakt van drie verschillende telescopen. Dat CFBDSIR 1458+10 een dubbelster is, werd ontdekt met het Laser Guide Star (LGS) adaptieve optische systeem van de Keck II-telescoop op Hawaï. De astronomen hebben vervolgens de Canada-France-Hawaii-telescoop ingezet om met behulp van een infraroodcamera de afstand van de bruine dwerg te bepalen. Ten slotte werd de Europese Very Large Telescope in Chili gebruikt om het infraroodspectrum van het object te onderzoeken en zijn temperatuur te meten. De jacht op koele objecten is momenteel een hot topic in de astronomie. De Spitzer-ruimtetelescoop heeft onlangs twee andere zeer zwakke objecten ontdekt die meedingen naar de titel 'koelste bruine dwerg', al zijn hun temperaturen nog niet zo nauwkeurig gemeten. Toekomstige waarnemingen moeten uitwijzen hoe deze objecten zich verhouden tot CFBDSIR 1458+10B. 'Bij zulke temperaturen verwachten we dat een bruine dwerg veel meer op een reuzenplaneet lijkt dan eerder ontdekte bruine dwergen - hij zou zelfs wolken waterdamp in zijn atmosfeer kunnen hebben,' aldus Michael Liu van het Institute for Astronomy van de universiteit van Hawaï, die de hoofdauteur is van het artikel waarin de ontdekking van de koele bruine dwerg wordt beschreven. 'Sterker nog, als we in de nabije toekomst foto's gaan maken van grote gasplaneten bij zonachtige sterren, zullen vele daarvan volgens mij op CFBDSIR 1458+10B lijken.'
Meer informatie:
Een zeer koel tweetal bruine dwergen

17 maart 2011
Een internationaal team van astronomen, onder wie Saskia Hekker van de Universiteit van Amsterdam, heeft een manier gevonden om het diepe inwendige van rode reuzensterren te onderzoeken. De ontdekking is gedaan dankzij nauwkeurige metingen met de NASA-satelliet Kepler (Science Express,17 maart). Rode reuzen zijn opgezwollen, koele sterren die in hun laatste levensfase verkeren. Ook onze zon zal, over ongeveer vijf miljard jaar, tot zo'n kolos uitgroeien. Het onderzoek aan deze sterren kan dus meer inzicht geven in het uiteindelijke lot van onze eigen ster. Net zoals seismologen de trillingen van een aardbeving kunnen benutten om de aardkern in kaart te brengen, kunnen astronomen gebruik maken van de oscillerende golven die in sterren optreden om hun inwendige te onderzoeken. Bij het analyseren van de Kepler-gegevens hebben de astronomen ontdekt dat er in rode reuzen oscillaties optreden die helemaal tot in het hart van de ster doordringen. Dat betekent niet alleen dat nu een gedetailleerd beeld kan worden verkregen van het diepe inwendige van deze sterren, ook kan hun chemische samenstelling en rotatiegedrag beter worden bepaald.
Meer informatie:
Astronomen nemen echo's waar uit de kern van een rode reus

9 maart 2011
Astronomen van de universiteit van Hawaï hebben een extreem koele bruine dwergster ontdekt. Vanwege zijn lage temperatuur is het object al nauwelijks meer een ster te noemen. Bruine dwergen vormen het overgangsgebied van (zware) planeten naar normale sterren. Deze 'mislukte sterren' zijn te klein om grootschalige fusiereacties in hun kern in gang te zetten, maar wijken qua opbouw sterk af van planeten. Anders dan dat van een planeet heeft het inwendige van een bruine dwerg overal dezelfde chemische samenstelling. De meeste bruine dwergen hebben temperaturen van enkele duizenden graden, maar op theoretische gronden werd verwacht dat er ook een categorie extreem koele exemplaren zou bestaan. Het nu ontdekte object, CFBDSIR J1458+1013A, lijkt tot die categorie te behoren. CFBDSIR J1458+1013A is naar schatting slechts zes tot vijftien keer zo zwaar als de planeet Jupiter en heeft een temperatuur van slechts 97 graden. Door die lage temperatuur is de bruine dwerg slechts waarneembaar als een zwakke bron van infraroodstraling.
Meer informatie:
'Very Cold' Brown Dwarf Discovered

9 maart 2011
Het groeiproces van een jonge ster gaat met horten en stoten. En dat is gunstig voor het ontstaan van planeten en 'babysterren', zo blijkt uit een nieuw Brits computermodel. Sterren ontstaan uit samentrekkende wolken van voornamelijk waterstofgas. Het materiaal uit die gaswolk valt niet rechtstreeks op de ster-in-wording, maar verzamelt zich in een schijf daaromheen. Die schijf bevat vaak voldoende materiaal voor de vorming van nóg een (kleine) ster of een aantal planeten. Maar dat vormingsproces wordt gehinderd door de grote uitbarstingen die de centrale jonge ster vertoont. Het Britse computermodel laat echter zien dat die ster het grootste deel van de tijd 'slaapt'. Steeds als hij een flinke portie materie uit de omringende schijf tot zich genomen heeft, is hij weer een paar duizend jaar rustig. En ondertussen verzamelt de accretieschijf nog steeds gas en stof uit de omgeving. Volgens de onderzoekers duren de rustige perioden van de ster lang genoeg om de accretieschijf zo omvangrijk te laten worden, dat hij in stukjes uiteenvalt. Afhankelijk van de grootte van deze fragmenten kunnen daaruit planeten of kleine sterren ontstaan. De nieuwe theorie kan een verklaring bieden voor het ontstaan van sterren die meer dan vijf keer zo licht zijn als onze zon. Deze 'babysterren' vertegenwoordigen meer dan zestig procent van alle sterren in ons Melkwegstelsel.
Meer informatie:
Baby stars born to 'napping' parents

2 maart 2011
Uit waarnemingen met de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer blijkt dat de ruimte tussen de sterren rijker is aan zogeheten buckyballen dan gedacht. Buckyballen heten officieel buckminsterfullerenen en zijn de grootste moleculen die in de ruimte gevonden zijn. Het zijn zeer stabiele, bolvormige moleculen die geheel uit koolstofatomen bestaan. De Spitzer-waarnemingen laten zien dat buckyballen juist niet voorkomen op de schaarse plekken waar weinig waterstof aanwezig is, zoals tot nog toe werd gedacht. Ze zijn gewoon te vinden in omgevingen die rijk zijn aan waterstofgas. Dat is opmerkelijk, omdat laboratoriumexperimenten erop wezen dat de aanwezigheid van waterstof de vorming van buckyballen belemmert. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de vorming van buckyballen in de ruimte zich op een andere manier voltrekt dan aanvankelijk werd aangenomen. Er zijn aanwijzingen dat ze ontstaan door de inwerking van ultraviolette straling op koolstofhoudende stofdeeltjes. Daarbij zouden niet alleen buckyballen gevormd worden, maar ook groter koolwaterstofmoleculen.
Meer informatie:
Buckyballs, Largest Known Molecules, More Common in Space Than Thought

23 februari 2011
Door de ontdekking dat de temperatuur van een ultracompacte ster snel afneemt, zijn astronomen een exotische materietoestand op het spoor gekomen. Twee onafhankelijke onderzoeksteams hebben uit gegevens van de Amerikaanse röntgensatelliet NASA afgeleid dat het inwendige van de neutronenster in de supernovarest Cassiopeia A (Cas A) zogeheten superfluïde materie bevat. Cas A is het restant van een zware ster die 330 jaar geleden tot ontploffing kwam. De kern van de oorspronkelijke ster is daarbij ineengestort tot een compacte bal die grotendeels uit neutronen bestaat. Uit Chandra-metingen blijkt dat deze neutronenster de afgelopen tien jaar ongeveer vier procent is afgekoeld. Dat lijkt niet zo veel, maar een dergelijke afkoeling is alleen mogelijk als zich in de neutronenster iets bijzonders afspeelt. Volgens de onderzoekers is er in zijn kern de afgelopen honderd jaar een superfluïdum van neutronen ontstaan. Dat wil zeggen: materie die zich in een wrijvingsloze toestand bevindt. Op aarde kan deze materietoestand alleen worden gerealiseerd bij temperaturen nabij het absolute nulpunt, maar bij de extreem hoge druk die in een neutronenster heerst is superfluïditeit ook bij veel hogere temperaturen mogelijk. De onderzoekers verwachten dat de snelle afkoeling nog enkele tientallen jaren doorgaat, maar daarna afneemt.
Meer informatie:
Superfluid And Superconductor Discovered In A Star's Core
NASA'S Chandra Finds Superfluid in Neutron Star's Core

10 februari 2011
Met de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer zijn in de Noord-Amerikanevel, een grote nevel van gas en stof in het sterrenbeeld Zwaan, meer dan tweeduizend jonge sterren ontdekt. Daarmee is het bekende aantal sterren in dit stervormingsgebied in één klap vertienvoudigd. De Noord-Amerikanevel dankt zijn naam aan het feit dat zijn vorm in zichtbaar licht wel wat weg heeft van het gelijknamige continent. Die gelijkenis is grotendeels te danken aan dichte, donkere stofbanden die het licht van erachter gelegen sterren en gaswolken tegenhouden. In het infrarood kijken we door dat stof heen, en ziet de nevel er heel anders uit. Achter het stof houden zich dus duizenden jonge sterren verscholen, maar daarmee heeft de Noord-Amerikanevel nog niet al zijn geheimen prijsgegeven. Onduidelijk is namelijk waar de straling vandaan komt die het gas in de nevel aan het gloeien brengt. Waarschijnlijk is een groepje zware, heldere sterren de bron van die straling, maar die sterren zijn ook op de Spitzer-opname niet te zien. Waarschijnlijk gaan ze schuil achter de dichtste stofwolken in het gebied.
Meer informatie:
New View of Family Life in the North American Nebula

2 februari 2011
Een internationaal team astronomen, onder wie de Groningse professor Amina Helmi, heeft een nieuwe stroom van sterren ontdekt in de Melkweg. De 'Aquarius-stroom' is genoemd naar het sterrenbeeld Waterman in welke richting hij zich bevindt. De ontdekking is gedaan binnen het RAVE-project, waarin de eigenschappen en snelheden van 250.000 individuele sterren zijn bepaald. De Aquarius-stroom bevindt zich, in tegenstelling tot eerder ontdekte 'sterrenkolonies' als de Helmi-stroom, in het galactisch vlak, en was daardoor moeilijk te vinden. De astronomen stelden met behulp van de RAVE-data van 12.000 sterren in dit gebied de radiale snelheid (de snelheid van een object van ons af of naar ons toe) vast en ontdekten dat vijftien sterren een afwijkende baan volgen. Ze bewegen met een relatieve snelheid tot 15.000 kilometer per uur door de schijf van de Melkweg. Uit computersimulaties blijkt dat deze sterren deel uitmaken van een grotere stroom die afkomstig is van een klein sterrenstelsel dat zo'n 700 miljoen jaar geleden door de Melkweg is aangetrokken en opgeslokt.
Meer informatie:
Astronomen vinden nieuwe sterrenstroom van extragalactische origine
Het RAVE-project

26 januari 2011
Europese sterrenkundigen hebben een mogelijke verklaring gevonden voor de stofschijf rond de hete reuzenster HD 62623. De oorzaak lijkt te liggen bij een (niet waarneembare) kleinere ster die om HD 62623 draait. Dichte stofschijven worden doorgaans alleen aangetroffen rond jonge sterren die nog bezig zijn om materie te verzamelen uit de gaswolk waarin zij geboren worden. HD 62623 is echter een reuzenster die op het punt staat om zijn laatste adem uit te blazen. De intense straling van deze ster zou stofvorming in zijn omgeving eigenlijk moeten verhinderen. Hoe komt HD 62623 dan aan die stofschijf? Interferometrische waarnemingen met de vier 1,8-meter hulptelescopen van de Very Large Telescope van de Europese zuidelijke sterrenwacht in Chili hebben een tipje van de sluier opgelicht. Uit de waarnemingen blijkt namelijk dat de manier waarop het stof rond HD 62623 draait zich goed laat verklaren als er op kleine afstand van de reuzenster een 'normale' ster van ongeveer één zonsmassa draait. De kleinere begeleider, die volkomen verbleekt bij het felle licht van HD 62623, zou zich moeten bevinden in het lege hart van de stofschijf. De getijdenkracht van zo'n stellaire begeleider kan ook het waargenomen grote massaverlies van de reuzenster - de bron van de materie in de stofschijf - goed verklaren.
Meer informatie:
Supergiant star gains thick dusty waist

13 januari 2011
De Amerikaanse sterrenkundige Sukanya Chakrabarti denkt een methode te hebben gevonden om een donker satellietstelsel van ons Melkwegstelsel op te sporen. De positie van het kleine sterrenstelsel zou te herleiden zijn uit de verdeling van het waterstofgas in de melkweg. Om veel grote sterrenstelsels, waaronder ook het onze, cirkelen misschien wel duizenden dwergstelsels die te lichtzwak zijn om op te vallen. Deze stelsels bestaan voor een groot deel uit donkere materie. Ze mogen dan weinig of geen licht uitzenden, de donkere satellieten hebben wel massa en oefenen dus een aantrekkingskracht uit op hun omgeving - bijvoorbeeld op het gas tussen de sterren van het stelsel waar ze omheen cirkelen. Berekeningen van Chakrabarti wijzen erop dat rimpelingen in het gas van ons Melkwegstelsel worden veroorzaakt door een klein sterrenstelsel dat zich vanaf de aarde gezien aan de andere kant van de melkweg bevindt. Het stelsel houdt zich daardoor schuil achter het gas en stof van ons eigen Melkwegstelsel. Binnenkort zal worden geprobeerd om het dwergstelsel op te sporen met de infraroodsatelliet Spitzer. Maar dat de methode van Chakrabarti werkt, staat al vast. Ze is met succes getest op twee andere sterrenstelsels met bekende zwakke satellieten.
Meer informatie:
Forget Planet X! New Technique Could Pinpoint Galaxy X

12 januari 2011
Een week geleden maakten astronomen al melding van het feit dat de Krabnevel, het beroemde restant van een supernova-explosie in het sterrenbeeld Stier, uitbarstingen van gammastraling vertoont. Ook de röntgenstraling van het object blijkt niet zo constant te zijn als tot nog toe werd gedacht. Veertig jaar lang hebben röntgensterrenkundigen de Krabnevel als ijkbron gebruikt. De röntgenstraling die de nevel produceert leek zelfs dermate constant dat de intensiteit ervan een veelgebruikte eenheid werd. Maar aan die gewoonte komt waarschijnlijk een eind.Uit waarnemingen van een aantal satellieten volgt namelijk dat de intensiteit van de meest energierijke röntgenstraling die de Krabnevel uitzendt variabel is. De afgelopen twee jaar is een daling van zeven procent geconstateerd. Ook is gebleken dat de intensiteit van de supernovarest sinds 1999 met 3,5 procent op en neer gaat. De oorzaak van de variaties is nog onduidelijk. De Krabnevel ontleent zijn energie aan het rondtollende restant van de bijna duizend jaar geleden ontplofte ster in zijn centrum. En de energie die deze zogeheten pulsar uitzendt lijkt niet te zijn afgenomen.
Meer informatie:
NASA Satellites Find High-Energy Surprises in 'Constant' Crab Nebula
The Crab Nebula: standard candle no more?

12 januari 2011
Voor het eerst is het directe bewijs gevonden dat cepheïden, sterren die een belangrijke rol spelen bij de bepaling van afstanden in het heelal, zich niet zo betrouwbaar gedragen als tot nu toe werd aangenomen. Dat blijkt uit waarnemingen van de ster Delta Cepheï en 25 andere cepheïden die met de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer zijn verricht. Cepheïden worden door astronomen als 'standaardkaarsen' gebruikt. Het zijn pulserende sterren met een bijzondere eigenschap: ze geven meer licht naarmate ze trager pulseren. Door de pulsperiode van een cepheïde te meten, kom je dus zijn werkelijke helderheid te weten. En door die intrinsieke helderheid ter vergelijken met de schijnbare helderheid zoals we die op aarde waarnemen, kun je zijn afstand berekenen. Uit de Spitzer-waarnemingen blijkt nu dat veel cepheïden massa verliezen. Hierdoor vormt zich een stoffige cocon rond de ster die van invloed is op zijn helderheid. En dat heeft consequenties voor de berekende afstand van zo'n ster.
Meer informatie:
Cosmology Standard Candle Not So Standard After All

11 januari 2011
Bij zijn speurtocht naar planeten bij andere sterren doet de Amerikaanse satelliet Kepler soms ook een bijzondere ontdekking van geheel andere aard. De helderheidsveranderingen die hij bij de ster KOI-126 heeft gemeten, blijken niet te worden veroorzaakt door een planeet, maar door een tweetal dwergsterren (Science Express, 11 januari). Alles bij elkaar is KOI-126 dus een drievoudige ster. De hoofdster is iets zwaarder en ruim twee keer zo groot als onze zon. De twee sterretjes die er als dubbelster omheen draaien zijn ongeveer vier keer zo klein en licht als de zon. De beide kleine sterren wentelen op een onderlinge afstand van slechts drie miljoen kilometer om elkaar heen. Gezamenlijk draait het tweetal op een afstand van nog geen 40 miljoen kilometer om de grote ster. Hoe deze bijzondere drievoudige ster tot stand is gekomen, is nog onduidelijk.
Meer informatie:
Twinkle, Twinkle, Twinkle: Triplet Stars Discovered

10 januari 2011
Uit een grote inventarisatie van rode dwergen blijkt dat deze kleine, koele sterren aanzienlijk minder actief zijn dan uit eerder onderzoek leek te volgen. Rode dwergen zijn de meest voorkomende sterren in het heelal. Ze staan bekend om hun grillige gedrag: de sterren vertonen soms kolossale uitbarstingen waarbij hete materie en energierijke straling worden uitgezonden. Bij zo'n 'sterrenvlam' kan net zo veel energie vrijkomen als bij honderd miljoen atoombomexplosies. Om een indruk te krijgen van de frequentie waarmee rode dwergen zo'n uitbarsting vertonen, hebben astronomen gebruik gemaakt van de gegevens van 215.000 rode dwergsterren die al in 2006 met de Hubble-ruimtetelescoop zijn verzameld. De ruimtetelescoop was dat jaar een week lang gericht op een klein hemelgebiedje in het sterrenbeeld Boogschutter. Niet om rode dwergen te onderzoeken, maar om naar eventuele planeten te speuren. Uit analyse van de sterhelderheden die toen zijn gemeten, is nu gebleken dat rode dwergsterren vijftien keer minder vaak opvlammen dan tot nog toe werd gedacht. Tijdens de week van metingen zijn slechts een stuk of honderd opvlammende rode dwergen geregistreerd. Overigens is daarbij vastgesteld dat rode dwergen die regelmatige helderheidsveranderingen vertonen ook de meeste sterrenvlammen produceren.
Meer informatie:
NASA's Hubble Finds That Puny Stars Pack A Big Punch

6 januari 2011
In september vorig jaar detecteerden enkele astronomen een uitbarsting van gammastraling uit de Krabnevel, het bijna duizend jaar oude restant van een supernova-explosie in het sterrenbeeld Stier. Vervolgwaarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop lieten zien dat de gasnevel enkele subtiele veranderingen vertoonde. In Science doen astronomen deze week verslag van de gamma-uitbarsting, maar de oorzaak van het verschijnsel blijft vooralsnog onduidelijk. 'We zijn met stomheid geslagen,' aldus onderzoeker Roger Blandford. De gamma-uitbarsting van september, die een paar dagen duurde, was niet de eerste die de Krabnevel vertoonde. Ook in februari 2009 en oktober 2007 zijn zulke uitbarstingen van energierijke straling waargenomen. De oorzaak wordt gezocht bij de pulsar in het hart van de nevel - het compacte, rondtollende restant van de ster die in het jaar 1054 ontplofte. Deze pulsar blaast voortdurend een wind van energierijke geladen deeltjes uit, die interacties aangaan met het sterke magnetische veld van de pulsar en daardoor straling uitzenden. Blijkbaar zijn de gamma-uitbarstingen veroorzaakt door geladen deeltjes die nog energierijker zijn dan normaal. Hoe deze deeltjes aan die extra energie zijn gekomen, is voorlopig een mysterie.
Meer informatie:
Fermi's Large Area Telescope Sees Surprising Flares in Crab Nebula

vervolg archief Melkweg