Deze rubriek omvat ons eigen Melkwegstelsel en vrijwel alles wat zich daarbinnen afspeelt. Aan bod komen: (exotische) sterren, planetaire nevels, supernovaresten (neutronensterren en zwarte gaten), witte dwergen, gasnevels enzovoorts.

26 januari 2012
Analyse van een oude collectie van fotografische platen levert een stortvloed aan nieuwe veranderlijke sterren op. Het gaat daarbij met name om sterren die heel langzaam, maar niettemin aanzienlijk in helderheid variëren. De unieke collectie omvat 500.000 foto's die in de periode 1885-1993 zijn gemaakt door het Harvard College Observatory en de complete hemel bestrijken. Tot twintig jaar geleden bestonden er nog vrijwel geen digitale camera's en maakten de Harvard-astronomen bij het maken van hemelopnamen doorgaans gebruik van glasplaten met lichtgevoelige zilveremulsies. Deze glasplaten worden momenteel gedigitaliseerd - een klus die nog zeker drie, en misschien wel vijf jaar in beslag zal nemen. Hoewel pas vier procent van het werk voltooid is, is nu al duidelijk dat de platen waardevolle informatie bevatten over de veranderingen die sterren op termijnen van tientallen jaren vertonen. Eén van de eerste ontdekkingen is een klasse van koele reuzensterren, die in de loop van de decennia een factor twee in helderheid variëren. Onderzoek aan deze en andere veranderlijke sterren moet meer inzicht geven in de wijze waarop sterren in de loop van de tijd evolueren.
Meer informatie:
New Star Discoveries Found in Antique Telescope Plates
The Harvard College Observatory Astronomical Plate Stacks

12 januari 2012
Astronomen hebben met de Fermi-satelliet een zeldzaam soort dubbelster ontdekt, die een bron van energierijke gammastraling is. Anders dan andere gammadubbelsterren, die bij toeval werden ontdekt, is deze ontdekking het gevolg van een gerichte zoekactie (Science, 13 januari). Naar verwachting zullen dergelijke zoekacties de klasse van gammadubbelsterren op termijn minder zeldzaam worden. Gammadubbelsterren bestaan uit een normale ster en compact object dat een neutronenster of een zwart gat kan zijn. De exemplaren die tot nu toe werden opgespoord, stralen zowel gamma- als röntgenstraling uit en werden aan de hand van die laatste, minder energierijke vorm van straling opgemerkt. Pas later bleek dat ze ook (veel moeilijker detecteerbare) gammastraling uitzenden. Met de ontdekking van het object 1FGL J1018.6-5856 is daar verandering in gekomen. Deze gammadubbelster is ontdekt aan de hand van de gammastraling die hij uitzendt. Achteraf bleek overigens dat het object ook een bron van röntgenstraling is. 1FGL J1018.6-5856 bestaat waarschijnlijk uit een snel roterende neutronenster en een extreem hete, heldere ster die met een periode van ongeveer zeventien dagen om hun gezamenlijke zwaartepunt wentelen. Normaal gesproken zendt zo'n rondtollende neutronenster pulsen van straling uit, maar dat is hier niet het geval. De astronomen vermoeden dat dit komt doordat deze pulsen worden gemaskeerd door de intense sterrenwind van de begeleidende ster.
Meer informatie:
Rare Gamma-Ray Star Twins Discovered by New Method

12 januari 2012
Astronomen van het California Institute of Technology (Caltech) en de universiteit van Arizona hebben de grootste catalogus van sterren en andere hemelobjecten van veranderlijke helderheid samengesteld. De gegevens voor de lijst, die tweehonderd miljoen objecten bevat, zijn verzameld met een telescoop van bescheiden omvang: de 70-cm telescoop op Mount Bigelow in Arizona. De waarnemingen maken deel uit van de Catalina Sky Survey, een systematische zoekactie naar planetoïden die dicht in de buurt van de aarde (kunnen) komen. In het kader van die zoekactie worden steeds nieuw opnamen gemaakt van grote stukken hemel. Door opeenvolgende opnamen met elkaar te vergelijken, worden behalve planetoïden ook andere veranderlijke objecten opgespoord. De vandaag tijdens de winterbijeenkomst van de American Astronomical Society gepresenteerde lijst omvat onder andere meer dan duizend supernova's, honderden cataclysmische veranderlijken (dubbelstersystemen waarin een normale ster materie overdraagt aan een witte dwerg) en tienduizenden andere sterren van variabele helderheid. Binnenkort hoopt het Catalina-team ook de gegevens vrij te geven die met twee andere telescopen, een 1,5-meter telescoop op Mount Lemmon (Arizona) en een 50-cm telescoop op Siding Spring (Australië), zijn gemaakt.
Meer informatie:
Unprecedented Data Set on Variable Celestial Objects
Website Catalina Real-Time Transient Survey

11 januari 2012
Een team van Amerikaanse en Europese astronomen, onder wie Matthew Kenworthy van de Universiteit Leiden, heeft een bijzondere 'verduistering' waargenomen bij de jonge ster J1407 in het sterrenbeeld Centaurus. Begin 2007 vertoonde deze ster gedurende 54 dagen een sterk variërende helderheidsafname, die mogelijk werd veroorzaakt doordat het ringenstelsel van een nog onbekend object voor de ster langs bewoog. Op het hoogtepunt van de verduistering werd zeker 95 procent van het licht van de ster door stof geabsorbeerd. Uit de vorm van de helderheidskromme van J1407 kan worden afgeleid dat de langdurige verduistering niet kan zijn veroorzaakt door een bolvormig object of door een stofschijf om de ster zelf. De meest plausibele verklaring is dat de ster een begeleider heeft - een grote planeet of een zwakke dwergster - die omgeven is door een Saturnus-achtig ringenstelsel. Zo'n ringenstelsel is geen aaneengesloten schijf van stof, maar vertoont lege gebieden die ook wel 'scheidingen' worden genoemd. In dit geval zijn bij het ringenstelsel drie van deze scheidingen waargenomen. In die scheidingen zou een samenklonteringsproces aan de gang kunnen zijn, dat tot de vorming van een klein vast hemellichaam kan leiden. De grote vraag is nu wat zich in het centrum van het ringenstelsel bevindt. Als het om een zwakke dwergster gaat, zouden de hemellichamen-in-wording planeten zijn. Maar als het centrale object zelf een planeet is, zouden we ze manen moeten noemen. Om hier uitsluitsel over te krijgen, willen de astronomen onderzoeken of de ster J1407 schommelbewegingen vertoont. Dat zou informatie geven over de massa en aard van zijn geheimzinnige begeleider.
Meer informatie:
Scientists discover a Saturn-like ring system eclipsing a sun-like star

11 januari 2012
Astronomen van de universiteit van Pittsburgh hebben vastgesteld dat de naam 'Melkweg' voor ons melkwegstelsel meer dan gepast is. Een nieuwe kleurbepaling laat namelijk zien dat de Melkweg ongeveer zo wit is als pasgevallen sneeuw. Het bepalen van de kleur van de Melkweg lijkt een nogal triviale onderneming, maar wordt bemoeilijkt door het feit dat wij ons stelsel niet van een afstand kunnen bekijken. Hierdoor wordt onze indruk van de Melkweg verstoord door naburige gas- en stofwolken. Het overzicht ontbreekt. Om dat probleem te omzeilen, hebben de astronomen de kolossale database van de Sloan Digital Sky Survey (SDSS) doorgespit op andere sterrenstelsels die sterke overeenkomsten met de Melkweg vertonen. Daarbij is met name gelet op het aantal sterren in deze stelsels en het tempo waarin zij nieuwe sterren produceren - twee factoren die bepalend zijn voor de helderheid en kleur. Uit het onderzoek blijkt dat ons melkwegstelsel ongeveer het midden houdt tussen de rode sterrenstelsels, die vrijwel geen nieuwe sterren produceren, en de blauwe sterrenstelsels, die rijk zijn aan jonge, hete sterren. Dat betekent dat hoewel ons stelsel nog wel nieuwe sterren produceert, de stervormingsactiviteit wel afneemt. Over enkele miljarden zal de Melkweg waarschijnlijk een veel saaier sterrenstelsel zijn geworden, dat grotendeels uit sterren van middelbare leeftijd bestaat.
Meer informatie:
Astronomers Determine Color of Milky Way Galaxy

10 januari 2012
Op de 219e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Austin, Texas, is vandaag een keur aan nieuwe infraroodwaarnemingen gepresenteerd van stervormingsgebieden binnen en buiten ons eigen Melkwegstelsel. Sterren ontstaan in koude, donkere wolken van gas en stof, die alleen op infrarode golflengten in kaart gebracht kunnen worden. Met de Amerikaanse Spitzer Space Telescope zijn spectaculaire opnamen gemaakt van Cygnus X, een actief stervormingsgebied op ca. 4500 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Zwaan waarin duizenden jonge, zware sterren voorkomen. Sterrenkundigen hopen meer inzicht te krijgen in de manier waarop de geboorte en de dood van sterren met elkaar samenhangen: supernova-explosies van kortlevende sterren produceren schokgolven in de omgeving waaruit nieuwe sterren ontstaan, maar ze kunnen ook leiden tot het uiteenrukken van gaswolken, zodat de vorming van nieuwe sterren juist wordt afgeremd. Spitzer heeft ook opnamen gemaakt van de Magelhaense Wolken - twee kleine sterrenstelsels in de directe omgeving van ons eigen Melkwegstelsel. De foto's zijn gecombineerd met opnamen van de Europese Herschel-ruimtetelescoop, die langgolvige infraroodstraling detecteert en daardoor de allerkoelste stofwolken in beeld kan brengen. Vooral in de Grote Magelhaense Wolk blijkt de stervormingsactiviteit extreem hoog te zijn. Met de Amerikaanse WISE-kunstmaan (Wide-field Infrared Survey Explorer) is een panorama-opname van een groot deel van het Melkwegstelsel gemaakt, waarop is ontdekt dat stervorming inderdaad om zich heen grijpt als een bosbrand. Al lange tijd wordt vermoed dat er in het Melkwegstelsel inderdaad 'getriggerde stervorming' voorkomt, maar het proces was nog nooit op overtuigende wijze waargenomen. Tot slot is met SOFIA - een infraroodtelescoop aan boord van een vliegtuig - een opname gemaakt van het jonge stervormingsgebied W3A, op 6400 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Perseus. De gas- en stofwolken in W3A worden langzaam maar zeker weggeblazen door de energierijke straling van ca. 15 pasgeboren, zware sterren.
Persbericht over Spitzer-waarnemingen van Cygnus X
Persbericht over Spitzer- en Herschel-waarnemingen van de Magelhaense Wolken
Persbericht over WISE-waarnemingen van het Melkwegstelsel
Persbericht over SOFIA-waarnemingen van W3A
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

10 januari 2012
Voor het eerst zijn sterrenkundigen erin geslaagd om precies te timen wanneer een zwart gat 'kogels' van heet gas de ruimte in schiet. Eerder was altijd aangenomen dat het uitstoten van dit soort gaskogels gemarkeerd werd door een plotselinge toename in de hoeveelheid uitgezonden radiostraling. Uit nauwkeurige waarnemingen met de Amerikaanse VLBA-radiotelescoop en de röntgenkunstmaan Rossi blijkt echter dat het vuurwerk ongeveer twee dagen eerder begint. De waarnemingen werden begin juni 2009 verricht aan een zwart gat in een dubbelstersysteem op 28.000 lichtjaar afstand van de aarde. Het zwarte gat zuigt materie op van zijn begeleider, en af en toe worden daarbij compacte wolken van heet gas met ongeveer een kwart van de lichtsnelheid de ruimte in geblazen, langs de draaiingsas van het zwarte gat. Door de metingen van Rossi en de VLBA met elkaar te vergelijken, konden de astronomen (onder wie sterrenkundigen van de Universiteit van Amsterdam, de Radboud Universiteit Nijmegen en ASTRON) precies achterhalen op welk moment de gaskogels werden afgevuurd. De nieuwe resultaten, die gepresenteerd zijn op de 219e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Austin, zullen hopelijk leiden tot een beter inzicht in het gedrag van zwarte gaten.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Persbericht NASA (Engelstalig)
Persbericht NRAO (Engelstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

9 januari 2012
Uit metingen van de Sloan Digital Sky Survey III blijkt dat sterren in de zogeheten 'dikke schijf' van het Melkwegstelsel allemaal relatief arm zijn aan 'metalen' - elementen zwaarder dan waterstof en helium. Daarbij is er geen verschil tussen sterren dicht bij het centrum van het Melkwegstelsel en sterren in de buitengebieden. In de centrale dunne schijf van het Melkwegstelel, waarin ook de meeste gasnevels en stervormingsgebieden voorkomen, is die afhankelijkheid er wél: sterren op grote afstand van het centrum bevatten minder zware elementen dan sterren in de buurt van de Melkwegkern. Dat doet vermoeden dat de buitendelen van de dunne schijf jonger zijn dan de binnendelen, omdat het metaalgehalte van sterren binnen een bepaalde populatie pas in de loop van de tijd langzaam toeneemt. De nieuwe resultaten zijn verkregen in het kader van het SEGUE-2 programma (Sloan Extension for Galactic Understanding and Exploration), waarbij van 118.000 sterren in het Melkwegstelsel nauwkeurig de positie, ruimtelijke beweging en scheikundige samenstelling is onderzocht. De resultaten zijn gepresenteerd op de 219e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Austin, Texas. Volgens Judy Cheng van de Universiteit van Californië in Santa Cruz zijn er twee mogelijke verklaringen voor de waargenomen eigenschappen van de dikke schijf: òf de schijf is in korte tijd ontstaan, waardoor alle delen van de schijf dezelfde leeftijdsopbouw hebben, òf de verschillende delen van de schijf zijn op een efficiënte wijze dooreengeroerd, waardoor de leeftijdsverschillen niet langer waarneembaar zijn. Dat zou bijvoorbeeld het gevolg kunnen zijn geweest van botsingen met kleinere dwergstelsels.
Meer informatie:
Not all who wander are lost
Sloan Digital Sky Survey III
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

21 december 2011
Nieuw onderzoek door astrofysici van de universiteit van Rochester (VS) wijst erop dat een verzameling jonge, zware sterren in het noordelijke deel van het sterrenbeeld Schorpioen ouder is dan gedacht. Van deze zogeheten Scorpius-Centaurus-associatie werd aangenomen dat zij slechts vijf miljoen jaar oud was. Maar de onderzoekers denken nu dat de sterren meer dan twee keer zo oud zijn: elf miljoen jaar. De astrofysici kwamen tot hun conclusie na analyse van de lichtspectra van de sterren. Met deze spectra konden nieuwe schattingen worden gemaakt van de temperaturen van de sterren. Geavanceerde modelberekeningen deden de rest. Dat de nieuwe resultaten afwijken van eerdere schattingen, komt niet alleen door de verbeterde temperatuurbepalingen. Ook is de afstand van de Scorpius-Centaurus-associatie (470 lichtjaar) nauwkeuriger bekend dan voorheen. Bovendien is in de computermodellen voor het eerst rekening gehouden met de rotatie van de sterren, die gevolgen heeft voor de manier waarop waterstof - de brandstof van de ster - zich binnen de ster vermengd. De nieuwe resultaten kunnen gevolgen hebben voor een eerdere ontdekking: de planeet die bij een van de sterren van de Scorpius-Centaurus-associatie is ontdekt. Als deze ster veel ouder is dan aanvankelijk werd aangenomen, heeft deze exoplaneet meer tijd gehad om af te koelen en gaat zijn geschatte massa van acht naar veertien Jupitermassa's. En dat zou kunnen betekenen dat '1RXS J1609b' geen planeet is, maar een zogeheten bruine dwerg - een mini-sterretje.
Meer informatie:
Some Nearby Young Stars May Be Much Older

19 december 2011
Met de vliegende infraroodtelescoop SOFIA zijn gedetailleerde opnamen van gemaakt van het hart van de Orionnevel, een groot stervormingsgebied op een afstand van ca. 1500 lichtjaar. De waarnemingen zijn afgelopen voorjaar verricht, als onderdeel van het SOFIA Basic Science Program. De resultaten worden binnenkort gepubliceerd in The Astropysical Journal. SOFIA (Stratospheric Observatory For Infrared Astronomy) is een 2,5-meter telescoop, uitgerust met gevoelige infrarooddetectoren, aan boord van een omgebouwde Boeing 747 die zijn waarnemingen doet vanaf een hoogte van 14 kilometer, boven 99 procent van de absorberende waterdamp in de aardatmosfeer. Op de detailopnamen van de Orionnevel zijn complexe wolken van gas en stof te zien, waarin onder andere veel silicium, koolstof en andere zware elementen voorkomen. De heldere vlekjes op de infraroodfoto's zijn protosterren (sterren-in-wording), soms omgeven door protoplanetaire schijven, waaruit zich in de toekomst planetenstelsels kunnen ontwikkelen.
Meer informatie:
SOFIA Observatory Peers Into Heart of Orion Nebula
SOFIA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 december 2011
Amerikaanse sterrenkundigen hebben gedetailleerde metingen verricht aan de rotatie van de 'balk' in het centrum van ons Melkwegstelsel. Net zoals sommige andere sterrenstelsels bevat ook ons eigen Melkwegstelsel een vrij langgerekte centrale structuur, bestaande uit oude sterren - de zogeheten balk. In het geval van het Melkwegstelsel wijst één uiteinde van die balk min of meer in de richting van de zon. Met de 4-meter Blanco-telescoop op het Cerro Tololo Interamerican Observatory in Chili zijn de afgelopen vier jaar metingen verricht aan de bewegingen van meer dan tienduizend oude, rode sterren in de balk. Hieruit kon worden afgeleid dat hij een 'cylindrische' rotatie vertoont, als een liggend wc-rolletje waarbij we tegen één uiteinde aankijken. De waargenomen rotatie van de Melkwegbalk komt goed overeen met Chinese modelberekeningen waarin wordt aangenomen dat de balk is ontstaan uit een oorspronkelijke zware schijf van sterren. Tot nu toe was weinig met zekerheid bekend over de vorming van balkspiraalstelsels. De nieuwe metingen worden binnenkort gepubliceerd in The Astronomical Journal.
Meer informatie:
NOAO: New Insight into the Bar in the Center of the Milky Way
Vakpublicatie over het onderzoek.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

15 december 2011
Sterrenkundigen uit Zwitserland, Polen en Chili hebben een rode dwergster ontdekt in de bolvormige sterrenhoop M22. Op de afstand van M22, ruim tienduizend lichtjaar, zijn zulke sterretjes zelfs met de grootste telescopen niet of nauwelijks waarneembaar. Maar in dit geval hielp Moeder Natuur een handje: elf jaar geleden verried de dwergster zijn bestaan door het licht van een nog verder weg staande, zonachtige ster te versterken. Met de Europese Very Large Telescope is de dwergster nu ook werkelijk in beeld gebracht. De ontdekking van de rode dwerg is te danken aan de werking van de zwaartekracht, die licht kan afbuigen. Hierdoor kunnen in beginsel alle objecten die een flinke massa hebben als een soort lens fungeren. Voorwaarde is wel dat het lensobject en het achtergrondobject vanaf de aarde gezien (tijdelijk) precies op één lijn staan. Dat zich in bolvormige sterrenhopen - verzamelingen van honderdduizenden sterren - ook lichte dwergsterren bevinden, komt niet echt als een verrassing, al waren ze tot nu toe niet waargenomen. Volgens de ontdekkers zouden de sterrenhopen wel eens genoeg rode dwergen kunnen bevatten om hun volledige massa te verklaren, zonder dat er een beroep hoeft te worden gedaan op de geheimzinnige donkere materie, die meer dan tachtig procent van alle materie in het heelal lijkt uit te maken.
Meer informatie:
First low-mass star detected in globular cluster

15 december 2011
Een internationaal team van astronomen onder leiding van Diego Altamirano (Universiteit van Amsterdam) heeft mogelijk het kleinst bekende zwarte gat ontdekt. Met NASA's röntgensatelliet RXTE hebben ze het typische röntgenpatroon waargenomen van de 'hartslagen' die het zwarte gat vertoont. Het kleine zwarte gat maakt deel uit van het dubbelstersysteem IGR J17091 in het sterrenbeeld Schorpioen en weegt waarschijnlijk minder dan drie zonsmassa's. Dat ligt dicht bij de kleinste massa die een stellair zwart gat - de ingestorte kern van een voormalige ster - kan hebben. De waargenomen röntgenstraling ontstaat doordat gas van de begeleidende ster naar het zwarte gat stroomt en een schijf daaromheen vormt. In de schijf wordt het gas verhit tot miljoenen graden - heet genoeg om röntgenstraling uit te zenden. Zulke hete gasschijven vertonen veranderingen in energie en intensiteit op tijdschalen van milliseconden tot maanden. Uit deze fluctuaties kan worden afgeleid welke fysische processen er plaatsvinden bij de overdracht van het gas naar het zwarte gat. In vergelijking met de 'hartslag' die bij een zwaarder zwart gat is gemeten, is de hartslag van IGR J17091 veel sneller. En dat wijst erop dat het zwarte gat relatief licht en klein is.
Meer informatie:
Astronomen observeren de 'hartslag' van een piepklein zwart gat
NASA's RXTE Detects 'Heartbeat' of Smallest Black Hole Candidate

14 december 2011
Astronomen hebben, met ESO's Very Large Telescope, een gaswolk van enkele aardmassa's ontdekt, die steeds sneller in de richting van het zwarte gat in het centrum van de Melkweg beweegt. Het is voor het eerst dat wordt waargenomen hoe zo'n tot ondergang gedoemde gaswolk een superzwaar zwart gat nadert (Nature (online), 14 december). De huidige snelheid van de gaswolk bedraagt meer dan acht miljoen kilometer per uur, wat bijna tweemaal zo snel is als zeven jaar geleden. Hij volgt een zeer langgerekte baan en zal de waarnemingshorizon van het zwarte gat, dat officieel Sagittarius A* heet, medio 2013 tot op slechts ongeveer veertig miljard kilometer naderen. Naar verwachting zal de gaswolk, naarmate de ontmoeting met het vier miljoen zonsmassa's zware zwarte gat nadert, steeds heter worden en ook röntgenstraling gaan uitzenden. Tegelijkertijd zal de gaswolk aan flarden worden getrokken: nu al is te zien hoe hij begint te rafelen. Er is momenteel verder weinig materiaal in de buurt van het zwarte gat, dus deze nieuwe prooi zal zijn belangrijkste brandstof zijn voor de komende jaren. Waar de gaswolk vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Maar mogelijk bestaat hij uit materiaal dat afkomstig is van naburige jonge, zware sterren die hevige sterrenwinden produceren en dus letterlijk hun gas weg blazen.
Meer informatie:
Maaltijd voor zwart gat komt snel dichterbij
Galactic Black Hole Disrupts Gas Cloud
Disaster Looms For Gas Cloud Falling Into Milky Way's Central Black Hole
Schwarzes Loch macht fette Beute

13 december 2011
Het ruim vierhonderd jaar oude restant van een nabije supernova-explosie is nog steeds een bron van energierijke gammastraling. Dat blijkt uit gegevens die de afgelopen jaren met de NASA-satelliet Fermi zijn verzameld. In november 1572 zagen waarnemers op aarde, onder wie de beroemde Deense astronoom Tycho Brahe, een 'nieuwe ster' verschijnen in het sterrenbeeld Cassiopeia. Achteraf bleek dat Tycho's ster een heldere supernova is geweest. Astronomen denken dat zo'n ster-explosie een belangrijke bron is van kosmische straling - de geladen deeltjes, veelal protonen, die met bijna de snelheid van het licht door ons hele Melkwegstelsel suizen. De ontdekking dat het restant van de supernova van 1572 energierijke gammastraling uitzendt, bevestigt die theorie. De gammastraling van dit supernovarestant ontstaat waarschijnlijk bij botsingen tussen supersnelle en veel tragere protonen. Bij zo'n botsing ontstaat een onstabiel deeltje - een pion - dat een fractie van een seconde later tot een tweetal gammafotonen vervalt. Als dit scenario klopt, moeten er dus ergens in het supernovarestant nog protonen tot bijna de lichtsnelheid worden versneld. Waar en hoe dat gebeurt, is onduidelijk.
Meer informatie:
NASA's Fermi Shows That Tycho's Star Shines in Gamma Rays

7 december 2011
Een internationaal team van sterrenkundigen, onder wie Saskia Hekker van de Universiteit van Amsterdam en Conny Aerts van de Radboud Universiteit Nijmegen en de Katholieke Universiteit Leuven, is erin geslaagd diep in een aantal oude sterren te kijken. Daarbij is ontdekt dat de kernen van deze sterren minstens tien keer zo snel ronddraaien als hun oppervlak (Nature, 8 december). Dat het oppervlak van deze oude sterren traag roteert - ongeveer één omwenteling per jaar - was al bekend, maar dat de kernen wel één keer per maand om hun as draaien, werd ontdekt dankzij buitengewoon precieze metingen met NASA's Kepler-satelliet. Met Kepler analyseerde het team de golven die zich door de ster voortplanten. Deze golven zorgen aan het oppervlak voor ritmische variaties in de helderheid van de ster. Via dit asteroseismologisch onderzoek kunnen de sterrenkundigen meer te weten komen over de omstandigheden diep binnenin de ster. Door zorgvuldig te kijken naar de diepte van de golven, konden de astronomen niet alleen bewijzen dat de kern ronddraait, maar ook dat de rotatiesnelheid spectaculair toeneemt in de richting van de ster-kern. De drie sterren die de onderzoekers hebben bestudeerd zijn zogeheten rode reuzen. Ze bevinden zich in een evolutiestadium dat onze zon over ongeveer vijf miljard jaar zal bereiken. Een goed begrip van wat zich binnenin zo'n rode reus afspeelt, leert astronomen iets over de evolutie ervan.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

7 december 2011
Astronomen hebben de beste opnamen ooit verkregen van een ster die een groot deel van zijn materie aan een vampierachtige begeleider is kwijtgeraakt. De nieuwe beelden, gemaakt met de VLT-interferometer van de ESO-sterrenwacht op de Chileense berg Paranal, laten zien dat de materie-overdracht van de ene ster naar de andere verrassend rustig verloopt. Het onderzoek richtte zich op de bijzondere dubbelster SS Leporis in het sterrenbeeld Haas, waarin een kleine en een grote ster in 260 dagen om elkaar heen draaien. Door hun geringe onderlinge afstand heeft de kleine, hete ster al ongeveer de halve massa van de grote ster opgeslokt. De nieuwe waarnemingen zijn scherp genoeg om te laten zien dat de reuzenster kleiner is dan tot nu toe werd aangenomen, waardoor zich veel lastiger laat verklaren hoe hij zoveel materie aan zijn begeleider is kwijtgeraakt. De astronomen denken nu dat de materie niet zozeer van de ene ster naar de andere stroomt, maar als sterrenwind door de grote ster wordt uitgestoten en vervolgens door zijn hetere begeleider wordt opgeveegd.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

6 december 2011
Amsterdamse astronomen hebben aangetoond dat zware sterren-in-wording veel groter zijn dan volwassen zware sterren. Zij bevestigen de theorie dat zware sterren aan het eind van hun vormingsproces nog verder samentrekken, totdat zij een stabiel evenwicht hebben bereikt. De bevindingen zijn gepubliceerd in het tijdschrift Astronomy & Astrophysics. Al jarenlang is geprobeerd een duidelijk spectrum van zo'n jonge, zware ster op te nemen. Dat wordt ernstig bemoeilijkt door de ondoordringbare moederwolk van gas en stof van de ster. Maar met de nieuwe, zeer gevoelige spectrograaf X-shooter van ESO's Very Large Telescope in Chili is het nu voor het eerst gelukt. De astronomen verkregen het spectrum van de jonge ster B275 in de Omeganevel, een stervormingsgebied in het sterrenbeeld Boogschutter. Het spectrum laat zien dat de ster ongeveer driemaal zo groot is als een normale ster van zeven zonsmassa's. Dat komt goed overeen met recente stervormingsmodellen. Eerder in het vormingsproces zijn zulke sterren omringd door een schijf waarin het gas ronddraait en langzaam op de ster-in-wording terecht komt. Als de ster bijna 'klaar' is, verdwijnt de schijf en wordt het oppervlak van de ster zichtbaar. In deze laatste vormingsfase bevindt B275 zich. De ster is in de kern inmiddels zo heet geworden dat de fusie van waterstof van start gaat. De ster trekt verder samen, totdat de energieproductie in de kern de stralingsverliezen aan het oppervlak van de ster precies compenseert en een stabiel evenwicht is bereikt.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

6 december 2011
Wetenschappers van het Max-Planck-Institut für Astrophysik hebben een nieuwe, gedetailleerde kaart gepresenteerd van de magnetische structuur van de Melkweg. Voor het samenstellen van de kaart, die niet alleen informatie bevat over magnetische structuren maar ook over turbulenties in het galactische gas, zijn meer dan 41.000 afzonderlijke metingen gebruikt. Net als alle sterrenstelsels is ons Melkwegstelsel doordrongen van magnetische velden. De oorsprong van die velden is nog onduidelijk, maar aangenomen wordt dat ze ontstaan door dynamoprocessen die vergelijkbaar zijn met die in de vloeibare ijzerkern van de aarde. Als licht (of een andere vorm van straling) door een gemagnetiseerd medium gaat, wordt het gepolariseerd, wat wil zeggen dat het vlak waarin de lichtgolven op en neer gaan een stukje draait. Hoe sterker het magnetische veld, des te sterker de polarisatie. Om de magnetische velden van de Melkweg in kaart te brengen, hebben de wetenschappers de polarisatie gemeten van radiogolven die afkomstig zijn van objecten ver buiten ons Melkwegstelsel. Om een compleet beeld van de magnetische velden in de Melkweg te krijgen, moesten dus talrijke bronnen, verdeeld over de hele hemel, worden waargenomen.
Meer informatie:
New all-sky map shows the magnetic fields of the Milky Way with the highest precision

1 december 2011
De oude Voyager-ruimtesondes hebben een unieke astronomische waarneming gedaan. Door hun grote afstand tot de zon kunnen de ruimtesonde een soort licht van de Melkweg zien dat vanaf de aarde niet waarneembaar is (Science, 2 december). De Voyagers werden in 1977 gelanceerd voor een verkenningstocht langs de buitenplaneten en naderen inmiddels de grenzen van ons zonnestelsel. Het licht dat zij gedetecteerd hebben, is zogeheten Lyman-alfa-straling. Deze ultraviolette straling, afkomstig van 'aangeslagen' waterstofatomen, speelt een belangrijke rol bij het onderzoek van stervormingsgebieden. Het ironische is dat we vanaf de aarde, dankzij de kosmologische roodverschuiving, wél de Lyman-alfa-straling van verre sterrenstelsels kunnen waarnemen, maar niet die van onze eigen Melkweg. Dat komt doordat ook de zon een heldere bron van deze straling is, en de zwakke gloed van de Melkweg doet verbleken. Vanuit hun verre positie is het de Voyagers gelukt om wat Lyman-alfa-straling op te pikken die afkomstig is van stervormingsgebieden in ons Melkwegstelsel. De eerste Lyman-alfa-fotonen werden in 1993 door Voyager 1 geregistreerd, toen deze zich op ongeveer zes miljard kilometer van de zon bevond. De uv-detector waarmee dat gebeurde, is enkele jaren geleden overigens uitgeschakeld, om stroom te besparen. Met de Voyager-gegevens kunnen astronomen een betere vergelijking maken tussen de stervormingsactiviteit in ons eigen Melkwegstelsel en die in verre sterrenstelsels.
Meer informatie:
Voyager space probes show outsiders' view of Milky Way
Voyager Probes Give Us ET's View

30 november 2011
Drie astronomen van de universiteit van Toronto hebben de grootse verzameling jonge, superzware sterren ontdekt die ooit in ons Melkwegstelsel is waargenomen. De sterren maken deel uit van een in 2010 opgespoord stervormingsgebied, dat de Drakenvisnevel wordt genoemd. Het stervormingsgebied telt honderdduizenden sterren, waaronder enkele honderden van de zwaarste categorie - blauwe reuzensterren die tientallen keren zo zwaar zijn als onze zon. Het licht dat deze jonge sterren uitzenden is zo intens, dat er een honderden lichtjaren grote holte is ontstaan in de gaswolk waaruit de sterren geboren zijn. Het is, voor zover bekend, het meest omvangrijke stervormingsgebied van ons Melkwegstelsel. Dat de ontdekking ervan zo lang op zich heeft laten wachten, komt doordat de verzameling sterren 30.000 lichtjaar van ons verwijderd is en bovendien door galactisch stof aan het zicht onttrokken wordt. Hierdoor zijn alleen de helderste sterren van de Drakenvisnevel enigszins waarneembaar.
Meer informatie:
The Next Generation of Superstars to Stir up Our Galaxy (pdf)

29 november 2011
Astronomen van de Cambridge-universiteit hebben ten zuiden van de Melkweg twee nieuwe sterrenstromen ontdekt die aan het Sagittarius-dwergstelsel zijn onttrokken. Eerder waren al twee van zulke 'staarten' van sterren ten noorden van de galactische evenaar ontdekt. Het Sagittarius-dwergstelsel draait als een 'satelliet' om ons Melkwegstelsel. De sterrenstromen zijn het gevolg van de enorme getijdenkrachten die het kleine sterrenstelsel daarbij ondervindt. In feite is het Melkwegstelsel bezig om het dwergstelsel op te slokken. Het stelsel is in de loop van de laatste miljard jaar ongeveer de helft van zijn sterren en al zijn gas kwijtgeraakt. De zuidelijke Sagittarius-stromen lijken niet gelijktijdig te zijn ontstaan. De sterren van de duidelijkst waarneembare stroom bevatten meer zware elementen dan die van de andere. Omdat latere generaties van sterren meer zware elementen bevatten dan hun voorgangers, moet de helderste van de twee zuidelijke staarten dus de jongste van de twee zijn.
Meer informatie:
A beast with 4 tails

24 november 2011
Nieuwe opnamen van de NASA-satelliet Fermi laten zien dat een stervormingsgebied in het sterrenbeeld Zwaan een bron van kosmische straling is (Science, 25 november). Het bestaan van kosmische straling, die grotendeels uit snelle protonen en zwaardere atoomkernen bestaat, is bijna een eeuw geleden ontdekt. Maar nog steeds is niet precies duidelijk waar deze energierijke deeltjes vandaan komen. In 2006 ontdekten astronomen dat er relatief veel kosmische straling uit de richting van het stervormingsgebied Cygnus X kwam. Daarmee was echter nog niet aangetoond dat Cygnus X ook echt de bron was, omdat galactische magnetische velden geladen deeltjes kunnen afbuigen. Om dat effect te omzeilen, heeft een internationaal team van astronomen de Fermi-satelliet op Cygnus X gericht. Daarmee kan energierijke gammastraling worden gedetecteerd, en gammastraling ontstaat waar kosmische straling in interactie komt met materie of licht. Anders dan geladen deeltjes is gammastraling niet gevoelig voor magnetische velden. Uit de Fermi-opnamen blijkt dat een deel van Cygnus X inderdaad een bron van gammastraling is. En het spectrum wijst erop dat deze gammastraling dicht bij een bron van kosmische straling is ontstaan. Vermoed wordt dat kosmische straling ontstaat als ergens schokgolven door interstellair gas gaan, bijvoorbeeld ten gevolge van een supernova-explosie. Maar in het geval van Cygnus X lijkt de gammastraling afkomstig te zijn uit een gebied dat is 'schoongeblazen' door de hevige sterrenwinden van de jonge sterren in de omgeving. Ook zulke sterrenwinden kunnen schokgolven veroorzaken.
Meer informatie:
Cosmic ray factory observed in stellar superbubble
NASA's Fermi Reveals A Cosmic-ray Cocoon

22 november 2011
Op deze Hubble-foto van de bolvormige sterrenhoop NGC 1846 zijn voornamelijk oude sterren zichtbaar. De bolhoop bevindt zich in de Grote Magelhaense Wolk, een onregelmatig gevormde begeleider van ons eigen Melkwegstelsel. De sterren in de bolhoop zijn vele miljarden jaren oud. Geheel onderaan de foto is een klein groen vlekje zichtbaar: een zogeheten planetaire nevel. Zulke nevels ontstaan wanneer zonachtige sterren aan het eind van hun leven hun buitenste gaslagen de ruimte in blazen. Overigens is niet zeker of de planetaire nevel daadwerkelijk deel uitmaakt van de bolhoop, of dat het om een voorgrondobject gaat. De Hubble-foto werd een kleine zes jaar geleden al gemaakt door de Nederlandse astronoom Paul Goudfrooij; hij werd vandaag vrijgegeven door NASA.
Meer informatie:
NASA's Hubble Finds Stellar Life and Death in a Globular Cluster
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

22 november 2011
Deze ogenschijnlijk wazige foto is de beste opname die tot nu toe ooit gemaakt is van het stervormingsgebied W40, dat aan het zicht onttrokken wordt door dikke stofwolken. De kosmische kraamkamer is in beeld gebracht met de infraroodcamera van SOFIA, een Amerikaans/Duits vliegend observatorium met een 2,5 meter-telescoop aan boord van een omgebouwde Boeing 747. Ons eigen zonnestelsel is ruim 4,5 miljard jaar geleden vermoedelijk in een vergelijkbare omgeving ontstaan. De kleurenfoto is samengesteld uit drie foto's op verschillende (onzichtbare) infraroodgolflengten.
Meer informatie:
NASA'S SOFIA Airborne Observatory Views Star Forming Region W40
SOFIA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

17 november 2011
Voor het eerst is het astronomen gelukt om een volledige beschrijving te geven van een zwart gat. De nauwkeurige metingen maken het mogelijk om de complete geschiedenis van het ongeveer zes miljoen jaar oude object te reconstrueren. Het zwarte gat, dat deel uitmaakt van de dubbelster Cygnus X-1 draagt, is al bijna vijftig jaar een begrip in de sterrenkunde. Het heeft een normale ster als begeleider, waar hij materie van wegsnoept. Bij deze overdracht wordt de materie dermate heet, dat zij röntgenstraling uitzendt. Het zwarte gat zelf zendt geen enkele waarneembare vorm van straling uit. Hierdoor kunnen er maar drie stukjes informatie over zo'n object worden verzameld: zijn massa, zijn rotatiesnelheid en zijn elektrische lading. Dankzij nieuwe metingen met drie röntgensatellieten en de VLBA, een groot Amerikaans netwerk van radiotelescopen, zijn de massa en rotatiesnelheid van het zwarte gat nu beter bekend dan ooit. Zijn elektrische lading is vrijwel nul. De VLBA-metingen hebben uitsluitsel gegeven over de afstand van Cygnus X-1. Deze blijkt 6070 lichtjaar te bedragen, waar eerdere schattingen uitkwamen op 5800 tot 7800 lichtjaar. Uit de combinatie van deze nieuwe afstand en de gegevens die de afgelopen twintig jaar met de röntgensatellieten zijn verzameld, blijkt dat het zwarte gat in Cygnus X-1 bijna vijftien keer zo zwaar is als onze zon en meer dan achthonderd keer per seconde om zijn as tolt. De VLBA-metingen hebben verder laten zien dat Cygnus X-1 maar heel traag beweegt ten opzichte van de sterren in zijn omgeving. Dat wijst erop dat het zwarte gat bij zijn geboorte geen grote 'schop' heeft gekregen. En dat versterkt het al bestaande vermoeden dat de ongeveer honderd zonsmassa's wegende ster waaruit hij is voortgekomen geen supernova-explosie heeft ondergaan, maar 'stilletjes' in elkaar is gezakt.
Meer informatie:
VLBA Distance Measurement Is Key to Producing First "Complete Description" of a Black Hole

15 november 2011
Sommige supernova-explosies zijn niet netjes symmetrisch, maar blazen sterrengas in twee tegenovergesteld gerichte bundels de ruimte in. Dat verklaart het bestaan van zeer oude sterren in het Melkwegstelsel die onverwacht grote hoeveelheden zware elementen bevatten. De eerste sterren bestonden uit de lichte gassen waterstof en helium, de oerbestanddelen van het heelal. Bij kernreacties in het inwendige van sterren worden zwaardere elementen gevormd, die als gevolg van supernova-explosies in de interstellaire ruimte terechtkomen. Daardoor bevatten latere generaties van sterren verhoudingsgewijs steeds meer van die zware elementen. In het Melkwegstelsel zijn echter ook sterren ontdekt die zeer hoge leeftijden hebben, maar toch grote hoeveelheden zware elementen ('metalen') bevatten, zoals goud, platina en uranium. Voor het bestaan van die sterren zijn twee theorieën opgesteld: ze zouden deel kunnen uitmaken van een dubbelstersysteem, en bij de supernova-explosie van de zware begeleider bedekt kunnen worden met een 'laagje' kernfusieproducten. Of bij supernova-explosies zou sterrengas voornamelijk in smalle bundels de ruimte in geblazen kunnen worden, waardoor sommige interstellaire gaswolken al in de jeugd van het heelal sterk verrijkt zouden worden met zware elementen. Sterrenkundigen van het Deense Niels Bohr-instituut in Kopenhagen hebben nu 17 van dit soort metaalrijke oude sterren in de halo van het Melkwegstelsel onderzocht, met telescopen van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht in Chili en met de Nordical Optical Telescope op La Palma. Onderzoeksleidster Terese Hansen ontdekte daarbij dat slechts drie van de 17 sterren een baanbeweging te zien geven die suggereert dat ze deel uitmaken van een dubbelstersysteem; de andere 14 sterren zijn enkelvoudig. De theorie dat de zware elementen afkomstig zijn van een exploderende begeleider kan dus zeker niet in alle gevallen opgaan, aldus Hansen en haar collega's in een artikel in Astrophysical Journal. Dat betekent dat supernova-explosies waarschijnlijk sterk asymmetrisch zijn, waardoor het interstellaire gas in het Melkwegstelsel al relatief kort na de oerknal plaatselijk sterk verrijkt kon worden met de producten van kernfusie in het inwendige van sterren.
Meer informatie:
Persbericht Niels Bohr-instituut
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

9 november 2011
Britse astronomen hebben aanwijzingen gevonden dat er twee soorten neutronensterren zijn (Nature, 10 november). Neutronensterren zijn de compacte restanten van zware sterren die als supernova zijn geëxplodeerd. De ontdekking kan erop wijzen dat niet alle neutronensterren op dezelfde manier ontstaan, iets wat al op theoretische gronden was voorspeld. De astronomen hebben een groot aantal zogeheten zware röntgendubbelsterren geïnventariseerd. Dat zijn dubbelstersystemen waarin een snel om zijn as tollende neutronenster en een zware, jonge ster om elkaar heen draaien. Het onderzoek laat zien dat de neutronensterren in twee groepen kunnen worden onderverdeeld die zich vooral in rotatiesnelheid onderscheiden. Het ene type neutronenster tolt gemiddeld zes keer per minuut om zijn as, het andere eens in de vijf minuten. Nader onderzoek moet uitwijzen of deze tweedeling direct verband houdt met hun ontstaansproces. Er zijn twee soorten supernova-explosies waarbij zware sterren betrokken zijn, en de ontdekking dat er ook twee soorten neutronensterren bestaan, zou erop kunnen wijzen dat het een met het ander te maken heeft.
Meer informatie:
Discovery of 2 types of neutron stars points to 2 different classes of supernovae

3 november 2011
Een internationaal team van astronomen heeft, met behulp van de NASA-satelliet Fermi, negen nieuwe pulsars ontdekt die de meest energierijke soort straling uitzenden. Eén van deze kosmische 'vuurtorens' is de helderste millisecondepulsar die tot nu toe is opgespoord (Science, 4 november). Pulsars zijn de compacte restanten van sterren die als supernova zijn ontploft. Ze zijn minder dan twintig kilometer groot en tollen soms honderden keren per seconde om hun as, wat in een rotatietijd van enkele milliseconden resulteert. Al draaiende zenden deze objecten twee tegengesteld gerichte bundels van straling uit, waarvan het ontstaan wordt toegeschreven aan een sterk magnetisch veld. Door dit vuurtorengedrag zien astronomen de pulsars heel snel knipperen. De straling die pulsars uitzenden kan zo'n beetje het hele spectrum bestrijken - van radio- tot gammastraling. Maar niet alle radiopulsars zenden ook gammastraling uit en omgekeerd. Acht van de nu ontdekte pulsars behoren tot de moeilijk waarneembare categorie van de 'zuivere' gammapulsars, waarvan er nog maar een stuk of honderd bekend zijn. Dat niet van elke pulsar beide soorten straling wordt ontvangen, komt waarschijnlijk doordat de energiearme radiostraling zich gemakkelijker laat bundelen dan de energierijke gammastraling. Hierdoor is het mogelijk dat de brede gammabundel wel over de aarde strijkt, terwijl de smalle radiobundel ons mist. Eén van de ontdekte gammapulsars bevindt zich in de bolvormige sterrenhoop NGC 6624, die op een afstand van ongeveer 27.000 lichtjaar in het sterrenbeeld Boogschutter staat. Deze jonge millisecondepulsar produceert meer gammastraling eerder ontdekte gammapulsars, wat erop wijst dat hij ook een veel sterker magnetisch veld heeft. Naar een verklaring voor deze uitzonderlijk grote veldsterkte wordt nog gezocht.
Meer informatie:
Nine new gamma pulsars
Millisecond pulsar in spin mode
NASA's Fermi Finds Youngest Millisecond Pulsar, 100 Pulsars To-Date

2 november 2011
Wetenschappers van Rensselaer Polytechnic Institute in New York hebben onderzoek gedaan naar de verdeling van methanol (methylalcohol) in de interstellaire ruimte. Methanol wordt gezien als de 'springplank' naar de vorming van complexere organische moleculen, zoals die waarop het leven op aarde is gebaseerd. De vorming van organische moleculen in de ruimte speelt zich af op stofdeeltjes die met een laagje ijs zijn bedekt. De waterstofatomen in dat ijs reageren met de koolmonoxide-moleculen, zoals die in grote hoeveelheden aanwezig zijn in de gaswolken waaruit sterren ontstaan. En een van de verbindingen die daaruit kunnen voortkomen is methanol. De Amerikaanse onderzoekers hebben ontdekt dat er grote verschillen bestaan in de hoeveelheden methanol die in de interstellaire ruimte worden aangetroffen. Dat kan betekenen dat de vorming van complexere organische moleculen niet bij alle sterren even gemakkelijk gaat. Overigens blijkt uit onderzoek van kometen dat ons eigen zonnestelsel bij zijn geboorte relatief weinig methanol heeft meegekregen. Dat heeft het ontstaan van complexe organische moleculen en levende organismen klaarblijkelijk niet in de weg gestaan. Maar elders zouden de omstandigheden wat dat betreft nóg gunstiger kunnen zijn.
Meer informatie:
Astrobiologists Discover "Sweet Spots" for the Formation of Complex Organic Molecules in the Galaxy

2 november 2011
Astronomen hebben, met de Gemini North-telescoop op Hawaï, dertien nieuwe absorptiebanden ontdekt in de spectra van sterren in het centrumgebied van ons Melkwegstelsel (Nature, 3 november). De absorptiebanden behoren tot de familie van de 'diffuse interstellaire banden' (DIB's) waarvan de oorzaak al negentig jaar onduidelijk is. DIB's ontstaan door de absorptie van (ster)licht door moleculen in de interstellaire ruimte. Die absorptie resulteert in donkere banden op specifieke golflengten, van het ultraviolet tot het infrarood, in de spectra van sterren. Door welke atomen en moleculen de honderden DIB's worden veroorzaakt is nog grotendeels onverklaard. Volgens de meest recente ideeën komen ze voor rekening van organische moleculen. Maar welke? Het zal nog een hele toer worden om dat door middel van laboratoriumonderzoek uit te puzzelen. Er zijn namelijk ontelbare combinaties van moleculen, temperatuur en druk mogelijk.
Meer informatie:
Mysterious Absorption Lines Could Illuminate 90-year Puzzle
Gemini Observatory Celebrates 1,000th Paper

31 oktober 2011
IJsdeeltjes in de ruimte tussen de sterren zijn een geschikte broedplaats voor de vorming van complexe organische moleculen. Dat blijkt uit laboratoriumonderzoek door astrochemici van de Heriot-Watt-universiteit in Edinburgh. Waarnemingen met infraroodsatellieten wijzen erop dat de stofdeeltjes in interstellaire gaswolken zijn bedekt met een dun laagje ijs. Dat ijs speelt een belangrijke rol bij de vorming van sterren zoals onze zon. Het zorgt ervoor dat ook relatief kleine gaswolken, ondanks hun bescheiden zwaartekracht, tot sterren kunnen samentrekken. Zonder verkoelende ijsdeeltjes zou dat niet lukken: de temperatuur in de gaswolk loopt dan zo snel op, dat zijn 'instorting' stilvalt voordat er een ster is ontstaan. Behalve bij de vorming van kleine sterren spelen de ijzige stof deeltjes ook een belangrijke rol in de interstellaire chemie. Ze bevorderen chemische reacties en beschermen moleculen tegen verwoestende kosmische straling. Om dat laatste aspect te onderzoeken hebben de Schotse onderzoekers nagebootste interstellaire stofdeeltjes met en zonder ijscoating bestookt met elektronen, zoals die ook in de kosmische straling voorkomen. Daarbij is vooral gekeken naar de invloed die deze straling heeft op de eenvoudige organische verbinding acetonnitril. Ze ontdekten dat de moleculen op 'kale' stofdeeltjes niet lang standhielden: ze werden door de elektronen afgebroken. Op de ijzige stofdeeltjes vonden juist chemische reacties plaats die tot de vorming van ingewikkeldere moleculen kunnen leiden.
Meer informatie:
Cold chemistry

26 oktober 2011
Astronomen van de universiteit van Hong Kong hebben ontdekt dat overal in het heelal grote organische moleculen te vinden zijn (Nature, 27 oktober). Dat wijst erop dat zulke moleculen niet alleen het domein van levende organismen zijn, maar van nature door sterren worden geproduceerd. De chemische structuren van de moleculen die de Chinese astronomen met behulp van de infraroodsatellieten ISO en Spitzer hebben opgespoord, vertonen overeenkomsten met steenkool en aardolie. Tot nu toe werd aangenomen zulk materiaal alleen door levende organismen kan worden geproduceerd. Maar het lijkt er nu dus op dat het ook in de ruimte, ver van alle leven, kan ontstaan. Het bestaan van de complexe moleculen blijkt uit de straling die sterren en sterrenstelsels op specifieke infrarode golflengten uitzenden. Heel lang is gedacht dat deze straling afkomstig is van relatief eenvoudige organische moleculen, maar het Chinese onderzoek wijst erop dat deze verklaring tekortschiet. Grotere, complexere moleculen kunnen de infraroodspectra beter verklaren. De moleculen lijken te worden geproduceerd door oude sterren die het materiaal aan het einde van hun bestaan de ruimte in blazen. Maar hoe die sterren dat doen, is nog onduidelijk.
Meer informatie:
Astronomers discover complex organic matter in the universe

24 oktober 2011
De supernova-explosie die in het jaar 185 na Christus werd waargenomen door Chinese astronomen vond plaats in een soort kosmische 'holte', met een geringe gasdichtheid. Het sterrengas dat bij de explosie de ruimte in werd geblazen werd daardoor vrijwel niet afgeremd. Dat is de verklaring voor de onverwacht grote afmeting van de resterende, uitdijende supernovarest (RCW86 geheten), aldus Amerikaanse sterrenkundigen. Zij baseren hun conclusies op metingen van NASA's infraroodruimtetelescopen Spitzer en WISE. De afstand tot RCW86 is vastgesteld op ca. 8000 lichtjaar. Uit de waargenomen schijnbare afmetingen aan de sterrenhemel volgt dan de ware middellijn. Het blijkt dat RCW86 veel groter is dan je zou verwachten voor een supernovarest met een leeftijd van een kleine 2000 jaar; hij dijt dus ook veel sneller uit. Met behulp van Spitzer en WISE is nu de temperatuur gemeten van de stofdeeltjes in de supernovarest: ca 200 graden onder nul. Omdat die temperatuur het gevolg is van opwarming door wrijving met interstellaire gasdeeltjes, kon uit deze metingen de gasdichtheid in de omgeving van de supernovarest worden berekend. Die blijkt veel geringer te zijn dan de gemiddelde dichtheid van het interstellaire medium. Door die lage dichtheid kon de supernovarest veel sneller uitdijen dan normaal. De holte in het omringende interstellaire gas is waarschijnlijk geproduceerd door de ster vóórdat hij in een supernova-explosie aan het eind van zijn leven kwam. De explosie in het jaar 185 was zo goed als zeker een zogeheten type Ia-supernova, die ontstaat wanneer een witte dwergster te zwaar wordt door materie op te zuigen van een begeleider.
Meer informatie:
NASA Telescopes Help Solve Ancient Supernova Mystery
Spitzer Space Telescope
WISE
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 oktober 2011
Met de Amerikaanse Spitzer Space Telescope is een 'planeet' gefotografeerd (op infrarode golflengten) die ongeveer dezelfde temperatuur heeft als de aarde: enkele tientallen graden. Volgens Kevin Luhman van de Pennsylvania State University, die de ontdekking donderdag presenteert op een conferentie op NASA's Goddard Space Flight Center, gaat het om het koudste object buiten het zonnestelsel dat ooit is gedetecteerd. De ontdekking wordt binnenkort gepubliceerd in The Astrophysical Journal. Het object, WD0806-661b geheten, is vermoedelijk ongeveer even groot maar ca. zes tot negen keer zo zwaar als de reuzenplaneet Jupiter. Het beweegt in een extreem wijde baan rond een witte dwergster, op een afstand van ca. 375 miljard kilometer. Dat het echt om een begeleider van de witte dwerg gaat, blijkt uit Spitzer-opnamen uit 2004 en 2009. Vermoedelijk is de 'planeet' op dezelfde manier ontstaan als een ster (uit een samentrekkende wolk van interstellair gas en stof), en vormt hij samen met de witte dwergster een lichtgewicht dubbelstersysteem. Misschien is het dan ook beter om te spreken van een zeer lichte bruine dwerg - een 'mislukte' ster die te weinig massa heeft om kernfusie van waterstof in zijn binnenste op gang te brengen. Afgelopen zomer werd ook al de ontdekking gemeld van een geïsoleerde lichte bruine dwerg met een temperatuur van enkele tientallen graden.
Meer informatie:
Record-Breaking Photo Reveals a Planet-sized Object as Cool as the Earth
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 oktober 2011
Amerikaanse sterrenkundigen hebben het raadsel van de 'blauwe treuzelaars' opgelost. Blauwe treuzelaars ( blue stragglers , ook wel 'blauwe achterblijvers' genoemd) zijn sterren die heter en helderder zijn dan je op basis van hun leeftijd zou verwachten. Het lijkt daardoor of ze 'treuzelen' of achterblijven in hun evolutie. Ze werden voor het eerst in 1953 ontdekt, maar hun oorsprong is altijd raadselachtig gebleven - volgens sommige theorieën zouden ze ontstaan wanneer twee sterren met elkaar in botsing komen. Met de 3,5-meter WIYN-telescoop op de Kitt Peak-sterrenwacht in Arizona zijn nu precisiemetingen gedaan aan de blauwe treuzelaars in de open sterrenhoop NGC 188 in het sterrenbeeld Cepheus. Het blijkt dat de sterren kleine, trage, periodieke schommelingen vertonen, die het best verklaard kunnen worden door aan te nemen dat er lichte, zwakke sterren omheen draaien - zogeheten witte dwergen. Volgens de onderzoekers, die hun resultaten deze week publiceren in Nature , doet dat vermoeden dat blauwe treuzelaars ontstaan in dubbelstersystemen waarin materie-overdracht plaatsvindt van de ene ster naar de andere. De donor-ster verliest daardoor zijn buitenste gaslagen, zodat uiteindelijk alleen de witte-dwergkern overblijft; de ontvangende ster krijgt zoveel extra 'brandstof' in de vorm van sterrengas dat hij veel heter en helderder wordt dan normaal.
Meer informatie:
Persbericht Northwestern University
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 oktober 2011
Met de Europese VISTA-telescoop zijn twee nieuwe bolvormige sterrenhopen ontdekt, in het centrale deel van ons Melkwegstelsel. Bolvormige sterrenhopen behoren tot de oudste objecten in het Melkwegstelsel; het zijn min of meer bolvormige verzamelingen van minstens tienduizenden maar vaak zelfs honderdduizenden afzonderlijke sterren. VISTA neemt het heelal waar op infrarode golflengten, en kan daardoor dwars door de absorberende stofwolken in het Melkwegstelsel kijken. Mede daardoor konden de twee nieuwe bolhopen (VVV CL001, dicht bij de reeds bekende bolhoop UKS1, en VVV CL002) ontdekt worden. Het totale aantal bekende bolvormige sterrenhopen in het Melkwegstelsel bedraagt nu 160. Tijdens de VVV- survey (VISTA Variables in the Via Lactae) van het centrale deel van het Melkwegstelsel ontdekte VISTA ook een aantal open sterrenhopen: lossere verzamelingen van tientallen tot honderden pasgeboren sterren. Een daarvan, VVV CL003, bevindt zich (gezien vanaf de aarde) op ca. 15.000 lichtjaar áchter de kern van het Melkwegstelsel.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
VISTA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

11 oktober 2011
Met de Japanse Subaru-telescoop op Hawaii en de Europese Very Large Telescope in Chili zijn ca. 25 bruine dwergsterren ontdekt in twee jonge sterrenhopen: NGC 1333 en de Rho Ophiuchi-sterrenhoop. Vooral NGC 1333 blijkt rijk te zijn aan deze geïsoleerde bruine dwergen: hun aantal is maar liefst half zo groot als het aantal 'gewone' sterren in de sterrenhoop. Enkele van de nieuw ontdekte bruine dwergen ('mislukte' sterren, die niet zwaar genoeg zijn voor spontane kernfusie van waterstof in hun inwendige) zijn minder dan twintig keer zo zwaar als de reuzenplaneet Jupiter; één exemplaar weegt zelfs niet meer dan zes Jupitermassa's. De nieuwe ontdekkingen worden binnenkort gepubliceerd in twee artikelen in The Astrophysical Journal. Volgens onderzoeksleider Ray Jayawardhana van de Universiteit van Toronto laten de nieuwe ontdekkingen zien dat zelfs zeer lichte objecten op dezelfde manier kunnen ontstaan als sterren - door de zwaartekrachtscollaps van een interstellaire gas- en stofwolk.
Meer informatie:
'Failed Stars' Galore
Persbericht Universiteit van Toronto
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

6 oktober 2011
De Krabpulsar, het compacte restant van een supernova-explosie die zich bijna duizend jaar geleden voltrok in het sterrenbeeld Stier, produceert verrassend energierijke pulsen van gammastraling. Dat blijkt uit onderzoek door Canadese en Amerikaanse astronomen die hun resultaten deze week in Science (8 oktober) publiceren. De gammapulsen zijn ontdekt met de vierdelige VERITAS-telescoop van de Whipple-sterrenwacht in Arizona. De Krabpulsar is een snel om zijn as tollende neutronenster die als een vuurtoren twee bundels van straling uitzendt. Steeds als zo'n bundel in de richting van de aarde wijst - wat dertig keer per seconde het geval is - licht de pulsar eventje op. Hoe de uitgezonden straling precies ontstaat, is nog onduidelijk. De bron wordt gezocht bij geladen deeltjes die door het magnetische veld van de pulsar tot bijna de lichtsnelheid worden versneld. Zulke versnelde deeltjes zenden inderdaad allerlei soorten straling uit. Maar de nu waargenomen gammapulsen zijn dermate energierijk dat de bestaande modellen voor het ontstaan van pulsarstraling tekortschieten.
Meer informatie:
Crab pulsar beams most energetic gamma rays ever detected from a pulsar
Crab Pulsar Dazzles Astronomers with its Gamma-Ray Beams

5 oktober 2011
Een team astronomen, onder wie de Nijmeegse sterrenkundige Marijke Haverkorn, is er voor het eerst in geslaagd turbulentie in het interstellaire medium zichtbaar te maken. Met behulp van gepolariseerde radiostraling, en in het bijzonder de veranderingen daarin, ontdekten ze een verrassende structuur die zich het best laat vergelijken met een slangenkuil (Nature, 6 oktober). Turbulentie zorgt ervoor dat chemische elementen uit ontplofte sterren worden gemengd met het interstellaire medium, kan stervorming stimuleren of juist voorkomen, en bepaalt de dynamica van de interstellaire gaswolken. Het is een belangrijk effect in het interstellaire gas, maar kan alleen indirect worden gemeten, bijvoorbeeld door het meten van de snelheidsverschillen in gaswolken. De onderzoekers gebruikten de Australia Telescope Compact Array om de kleine veranderingen te meten in het gepolariseerde radiosignaal van een helder deel van de Melkweg op zo'n tienduizend lichtjaar van de aarde. De onderzoekers verwachtten dat de mate waarin het gepolariseerde signaal door de turbulentie werd gewijzigd een willekeurig patroon zou volgen. Tot hun verbazing kwam er echter een beeld tevoorschijn met duidelijke lijnstructuren.
Meer informatie:
Turbulentie in de ruimte blijkt slangenkuil

28 september 2011
Astronomen hebben met de Europese Very Large Telescope een opname gemaakt van een kolossale ster die tot de zeldzame klasse van de gele hyperreuzen behoort. Daarop is te zien hoe zich rond de ster een dubbele stofschil heeft gevormd. De monsterachtige ster - die officieel IRAS 17163-3907 heet, maar de bijnaam 'Gebakken Einevel' heeft gekregen - is ongeveer duizendmaal zo groot als onze zon en straalt 500.000 keer zoveel licht uit. Met een afstand van ongeveer 13.000 lichtjaar is hij voor zover bekend de meest nabije ster van dit type. Gele hyperreuzen bevinden zich in een extreem actief evolutiestadium waarbij ze een reeks explosieve gebeurtenissen ondergaan. IRAS 17163-3907 is daardoor in de loop van slechts enkele eeuwen vier zonsmassa's lichter geworden. Deze activiteit wijst erop dat de ster, die nu nog ongeveer twintig zonsmassa's 'weegt', binnenkort op explosieve wijze aan zijn einde zal komen. Dat zal waarschijnlijk een van de eerstvolgende supernova-explosies in ons Melkwegstelsel zijn.
Meer informatie:
De Gebakken-Einevel: een lust voor het oog

20 september 2011
Met de Europese infraroodruimtetelescoop Herschel, die in voorjaar 2009 is gelanceerd, zijn uitgestrekte stofschillen, - ringen en -bogen ontdekt rond de rode reuzenster CW Leonis. De stofdeeltjes zijn gecondenseerd in de koude buitendelen van het zogeheten circumstellaire omhulsel van de reuzenster. Onderzoek aan de geometrie van de stofschillen biedt een kijkje in de recente evolutionaire geschiedenis van CW Leonis, die zich op ca. 500 lichtjaar afstand van de aarde bevindt, in het sterrenbeeld Leeuw. CW Leonis nadert het eind van zijn leven. De ster is opgezwollen tot een relatief koele, pulserende rode reus, die duizenden malen zo groot is als de zon. Het materiaal dat door de ster de ruimte in wordt geblazen, met een snelheid van zo'n 15 kilometer per seconde, zal in de toekomst zichtbaar zijn als een planetaire nevel. Eerder werden al stofstructuren rond CW Leonis ontdekt die ongeveer 4000 jaar geleden door de ster moeten zijn weggeblazen; Herschel ontdekte op aanzienlijk grotere afstand schillen en bogen met een leeftijd van ca. 16.000 jaar. Uit de spatiëring van de schillen leiden de onderzoekers af dat ze met tussenpozen van 500 tot 1700 jaar zijn geproduceerd. Hun variërende dikte, onregelmatige verdeling en excentriciteit doet vermoeden dat de vorming van de structuren sterk beïnvloed is door verschillen in uitstootsnelheid en door temperatuurverschillen in het circumstellaire omhulsel. Uit de Herschel-waaarnemingen, die gepubliceerd worden in Astronomy & Astrophysics , blijkt dat er in de stoffige omgeving van CW Leonis inderdaad zogeheten fotochemie voorkomt (scheikundige reacties die plaatsvinden onder invloed van elektromagnetische straling), zoals enige tijd geleden al werd geopperd op basis van de ontdekking van relatief warme waterdampmoleculen in de pasgevormde nevel.
Meer informatie:
Herschel probes the dusty history of a giant star
Herschel
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

17 september 2011
Als weer en wind meewerken, zullen wetenschappers van de universiteit van New Hampshire zondag 18 september een ballon naar een hoogte van bijna veertig kilometer laten opstijgen. Aan de ballon hangt een duizend kilogram wegend meetinstrument, GRAPE geheten, waarmee gammastraling van de Krabpulsar zal worden opgevangen. De Krabpulsar is het pulserende restant van een supernova-explosie die zich afspeelde in het jaar 1054. Het gaat om een testvlucht die maximaal veertig uur zal duren. GRAPE is namelijk eigenlijk bedoeld voor het onderzoek aan gammaflitsen - hevige supernova-explosies in verre sterrenstelsels. Voor dat laatste onderzoek zal de ballon echter niet, zoals nu, opstijgen vanuit New Mexico, maar vanaf Antarctica. De circumpolaire winden aldaar maken het mogelijk om een ballon dertig tot veertig dagen achtereen in de lucht te houden, zonder dat hij al te ver afdrijft. Met GRAPE zal met name worden gekeken naar de polarisatie - de 'trillingsrichting' - van de uitgezonden gammastraling. Gepolariseerde straling trilt niet in willekeurige richtingen zoals normale straling, maar heeft een voorkeursrichting. De sterkte van de polarisatie levert informatie op over de manier waarop de straling is ontstaan.
Meer informatie:
Balloon-based experiment to measure gamma rays 6,500 light years distant
Live-beelden van de 'lancering'

15 september 2011
Astronomen van de universiteit van Bonn denken een verklaring te hebben gevonden voor het feit dat niet veel meer sterren als dubbelster door het leven gaan. Dat lijkt samen te hangen met de omgeving waarin sterren geboren worden. Sterren ontstaan doorgaans in groepsverband en hebben bij hun geboorte minstens één vaste begeleider. De meeste van deze sterrenhopen vallen al snel uit elkaar, waarna hun leden zich over het Melkwegstelsel verspreiden. Maar waarom is dan maar ongeveer één op de twee sterren die we aan de hemel zien staan een dubbelster? Computersimlaties van de Duitse astronomen laten zien dat het al misgaat in de sterrenhoop. Door onderlinge ontmoetingen raken veel sterren hun begeleider(s) kwijt. En dat gebeurt vaker naarmate de sterdichtheid in de sterrenhoop groter is. In 'drukke' sterrenhopen ontstaan weliswaar meer dubbelsterren, maar daar is het aantal onderlinge interacties ook groter dan in een lossere verzameling van sterren. Het aantal dubbelsterren dat een sterrenhoop uiteindelijk aflevert kan dus sterk variëren.
Meer informatie:
How single stars lost their companions

14 september 2011
Amsterdamse astronomen hebben een neutronenster waargenomen die spot met de gangbare modellen voor röntgenflitsen op dit soort extreme objecten. In een röntgendubbelster draaien een neutronenster en een begeleidende ster om elkaar heen. Neutronensterren zijn anderhalf keer zo zwaar als de zon, maar hebben een middellijn van hooguit 25 kilometer. Ze hebben een sterk zwaartekrachtsveld dat gas van de begeleidende ster aantrekt. Dit gas kan zich ophopen op het oppervlak van de neutronenster en daar een kernexplosie veroorzaken die Type 1 röntgenflits wordt genoemd. Doorgaans explodeert het hele oppervlak van de neutronenster gelijkmatig. Maar in ongeveer tien procent van de gevallen worden sommige delen van de ster veel helderder dan andere. De afgelopen jaren zijn verschillende modellen ontwikkeld om dit verschijnsel te verklaren. Volgens de ene verklaring vertraagt de snelle rotatie van de ster het vlamfront, op dezelfde wijze als de draaiing van de aarde bijdraagt aan de vorming van orkanen (het corioliseffect). Een ander idee is dat de explosie grote golven veroorzaakt in het oppervlak van de ster. De 'oceaan' aan de ene kant van de ster koelt af en verliest helderheid, terwijl de andere kant warmer en helderder blijft. Bij de neutronenster J17480 gaan beide verklaringen echter niet op. Hoewel zijn oppervlak tijdens röntgenflitsen ongebruikelijk heldere vlekken vertoont, roteert hij te langzaam om een sterk corioliseffect op te wekken. Ook het idee van grootschalige golfwerking biedt geen oplossing. De astronomen zoeken de verklaring voor de ongelijkmatige verbranding op J17480 nu bij het magneetveld van de ster, dat de gelijkmatige verspreiding van de kernexplosie over het oppervlak zou hinderen.
Meer informatie:
Neutronenster blaast modellen voor röntgenflitsen op

14 september 2011
Computersimulaties door Amerikaanse astronomen laten zien dat de spiraalstructuur van ons Melkwegstelsel voor een belangrijk deel is veroorzaakt door een botsing met het (oorspronkelijk niet zo kleine) Sagittarius-dwergstelsel (Nature, 15 september). Het Sagittarius-dwergstelsel is een moeilijk waarneembaar satellietstelsel van de Melkweg, dat pas in 1994 werd ontdekt. Uit de baan die het volgt blijkt dat het de afgelopen twee miljard jaar twee keer dwars door de melkwegschijf heen is gegaan en dat over tien miljoen jaar opnieuw zal doen. Het dwergstelsel heeft daar een hoge prijs voor betaald. Het is het grootste deel van zijn sterren en (donkere) materie kwijtgeraakt, en is geen schim meer van wat het ooit is geweest. Maar de botsingen hebben ook het Melkwegstelsel niet onberoerd gelaten, zo laten de computersimulaties zien. Zowel de centrale balk, de spiraalstructuur als de welving in de buitenste delen van melkwegschijf kunnen door deze ontmoetingen zijn veroorzaakt. Eerdere pogingen om de structuur van ons sterrenstelsel te verklaren gingen er nog van uit dat er geen invloeden van buitenaf in het spel zijn geweest.
Meer informatie:
Milky Way's spiral arms are the product of an intergalactic collision course

12 september 2011
Sterrenkundigen hebben extreem weer ontdekt op een nabije bruine dwerg. Bruine dwergen zijn 'mislukte sterren'; ze zijn veel zwaarder dan gewone reuzenplaneten zoals Jupiter, maar niet zwaar genoeg voor kernfusiereacties van waterstof, zoals die in de kern van de zon voorkomen. Daardoor zijn ze relatief koel, en kunnen er wolken van stofdeeltjes en chemische verbindingen voorkomen in hun buitenste dampkringlagen. Met een infraroodcamera op de 2,5-meter telescoop van de Las Campanas-sterrenwacht in Chili is gevonden dat de nabije bruine dwerg 2MASS 2139 in minder dan acht uur helderheidsvariaties van dertig procent vertoont. De onderzoekers, onder leiding van Ray Jayawardhana van de Universiteit van Toronto, denken dat die variaties veroorzaakt worden door de rotatie van de bruine dwerg. Dat zou betekenen dat er in de dampkring een reusachtige, donkere storm woedt, vergelijkbaar met de Grote Rode Vlek op Jupiter, maar dan nog veel groter. Het is ook mogelijk dat er grote gaten in het wolkendek zijn die zicht bieden op de warmere, dieper gelegen delen van de atmosfeer. De helderheidsvariaties zijn niet constant, maar vertonen zelf ook weer veranderingen in de loop van weken en maanden. Dat doet vermoeden dat er sprake is van zeer actieve weersystemen. Onderzoek aan weer en wolken in de dampkring van een bruine dwerg biedt waarschijnlijk ook meer inzicht in het klimaat van reuzenplaneten bij andere sterren. De nieuwe resultaten worden binnenkort gepubliceerd in The Astrophysical Journal , en worden deze week ook gepresenteerd op het tweede Extreme Solar Systems-congres in Wyoming.
Meer informatie:
Astronomers find extreme weather on an alien world
Vakpublicatie over het onderzoek.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

7 september 2011
Computersimulaties van onderzoekers van het Max-Planck-Institut für Astrophysik laten zien wat de meest waarschijnlijke bron is van de zwaarste elementen in het heelal, zoals lood en goud. Deze elementen zijn waarschijnlijk ontstaan uit de materie die vrijkomt als twee neutronensterren met elkaar in botsing komen. De meeste zware elementen zijn gevormd bij kernreacties in sterren. Maar uit deze reacties kunnen geen elementen zwaarder dan ijzer voortkomen. Om lood of goud te maken, moeten atoomkernen worden bestookt met grote aantallen neutronen. De vraag was wáár in het heelal de juiste omstandigheden voor dit proces te vinden zijn. Aanvankelijk werd gedacht supernova-explosies de meest waarschijnlijke bron van deze elementen waren, maar latere modellen trokken dat in twijfel. De nieuwe computersimulaties wijzen erop dat botsingen tussen neutronensterren het ontstaan van zware elementen beter kunnen verklaren. Neutronensterren zijn de uiterst compacte restanten van zware sterren die als supernova zijn ontploft. Waar twee zware sterren een dubbelster hebben gevormd, kunnen dus twee om elkaar heen wentelende neutronensterren overblijven. In de loop van de miljoenen jaren spiralen deze naar elkaar toe, wat uiteindelijk tot een botsing leidt. Volgens de computersimulaties zijn de omstandigheden in de relatief kleine hoeveelheid materie die daarbij vrijkomt heel geschikt voor de vorming van zware elementen. De hoeveelheden die uit de berekeningen komen, zijn ook in goede overeenstemming met de waargenomen hoeveelheden in het heelal.
Meer informatie:
Cosmic Crashes Forging Gold

6 september 2011
In het Melkwegstelsel komen duizenden 'tikkende tijdbommen' voor: snel roterende witte dwergsterren die als supernova zullen exploderen wanneer hun draaisnelheid in de loop van lange tijd geleidelijk afneemt. Die conclusie trekken Rosanne Di Stefano (Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics), Joke Claeys (Universiteit Utrecht) en Rasmus Voss (Radboud Universiteit Nijmegen) in een recent artikel in The Astrophysical Journal. De drie sterrenkundigen hebben berekend op welke manier de draaisnelheid van witte dwergen van invloed is op hun stabiliteit. Witte dwergen zijn de compacte overblijfselen van zonachtige sterren. Als ze meer dan veertig procent zwaarder worden dan de zon, door materie-overdracht van een begeleidende ster, zijn ze niet langer bestand tegen de zwaartekracht en komen ze aan hun eind in een catastrofale supernova-explosie van het type Ia. In sommige gevallen kan een witte dwerg echter toch zwaarder zijn, namelijk wanneer hij snel om zijn eigen as draait. Als gevolg van de middelpuntvliedende kracht is de kritische massa waaraoven de witte dwerg explodeert dan hoger dan 1,4 zonsmassa's. Zo'n snelle rotatie kan ontstaan door dezelfde materie-overdracht die ook verantwoordelijk is voor de massatoename van de witte dwerg. Wanneer die materie-overdracht tot stilstand komt, door welke reden dan ook, zal de rotatiesnelheid van de witte dwerg echter heel langzaam weer afnemen, onder andere door het uitzenden van zwaartekrachtsgolven. Uiteindelijk is de rotatiesnelheid dan zo laag dat de ster alsnog explodeert. Volgens Di Stefano, Claeys en Voss kan dat echter vele tientallen of honderden miljoenen jaren duren. Tegen die tijd zijn alle sporen van materie-overdracht van de begeleider al verdwenen. Op die manier verklaren de drie astronomen dat er in het licht van supernova-explosies van type Ia vrijwel nooit aanwijzingen worden gevonden voor het bestaan van een begeleider.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Persbericht Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics (Engelsstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

31 augustus 2011
Astronomen hebben met behulp van de Europese Very Large Telescope een ster opgespoord die volgens velen niet zou mogen bestaan (Nature, 1 september). De kleine, oude ster, die de aanduiding SDSS J102915+17292 draagt, bevat naast waterstof en helium bijzonder weinig andere chemische elementen. En dat is in strijd met een breed geaccepteerde theorie over het ontstaan van sterren. Er zijn sterke aanwijzingen dat de materie die kort na de oerknal (de geboorte van het heelal) werd gevormd vrijwel uitsluitend uit waterstof en helium bestond. Zwaardere elementen zouden pas later door sterren zijn geproduceerd en door supernova-explosies in het interstellaire medium zijn terechtgekomen. De sterren die uit dit verrijkte gas voortkwamen, bevatten hierdoor meer zware elementen dan hun voorgangers. Omdat nu gebleken is dat SDSS J102915+17292 extreem weinig zware elementen bevat, moet de ster wel bijzonder kort na de oerknal zijn ontstaan. Maar volgens de huidige inzichten kunnen sterren die zo licht zijn als deze pas zijn ontstaan toen het interstellaire medium al een zekere hoeveelheid zware elementen bevatte. De reden hiervoor is dat zware elementen als een soort koelmiddel fungeren dat ervoor zorgt dat ook betrekkelijk kleine gaswolken in dit medium voldoende warmte kunnen wegstralen om tot sterren te kunnen samentrekken. Zonder dit 'koelmiddel' zou de druk ten gevolge van de opwarming die met dit samentrekken gepaard gaat te groot worden, waardoor de eigen zwaartekracht van de wolk te zwak zou zijn om deze tegendruk te overwinnen. De astronomen verwachten dat er nog meer van deze 'paradoxale' sterren gevonden zullen worden. Het begint er dus op te lijken dat er ook kort na de oerknal al kleine sterren werden gevormd. Tijd om de bestaande stervormingsmodellen nog eens onder de loep te nemen.
Meer informatie:
De ster die niet zou mogen bestaan

31 augustus 2011
Astronomen hebben aan de hand van opnamen die vanaf 1994 met de Hubble-ruimtetelescoop zijn gemaakt filmpjes samengesteld die het gedrag van jonge sterren laten zien. Tijdens hun eerste levensfase blazen sterren bundels van hete materie ('jets') de ruimte in. De filmpjes laten zien hoe het uitgestoten materiaal zich een weg baant door de interstellaire materie. Dat jonge sterren materiebundels produceren is al ruim een halve eeuw bekend. Maar het onderzoek ervan wordt bemoeilijkt door het feit dat de jet-fase van een ster niet veel langer dan honderdduizend jaar duurt. Dat lijkt lang, maar het is maar een oogwenk in het leven van een ster, dat miljarden jaren kan duren. Een ster ontstaat door het samentrekken van een grote wolk waterstofgas. Tijdens dat proces vormt zich een schijf van gas en stof rond de ster-in-wording van waaruit de verzamelde materie geleidelijk naar de ster spiraalt. Niet al deze materie komt uiteindelijk in de ster terecht: een deel ervan wordt met snelheden van meer dan 700.000 km/uur langs zijn rotatie-as weggeblazen. Hoe de jets precies ontstaan, en welke rol zij bij de geboorte van een ster spelen is nog onduidelijk. De Hubble-filmpjes moeten daar meer inzicht in geven. Uit de bewegende beelden blijkt alvast dat de materiestroom in de jets niet constant is: er zitten duidelijke onderbrekingen in, en de snelheid waarmee de materie wordt uitgestoten varieert.
Meer informatie:
Hubble Movies Provide Unprecedented View of Supersonic Jets from Young Stars

29 augustus 2011
Theoretici zijn er voor het eerst in geslaagd om het ontstaan en de evolutie van een sterrenstelsel zoals ons eigen Melkwegstelsel tot in detail na te bootsen. Zulke computersimulaties worden gebruikt om de vorming van sterrenstelsels beter te begrijpen. Voor de nieuwe simulatie, Eris geheten, zijn multi-processor supercomputers in de Verenigde Staten en Zwitserland ingezet. In totaal waren meer dan 1,4 miljoen processoruren nodig. Bij de simulatie van de geboorte van een sterrenstelsel worden zwaartekrachtsberekeningen losgelaten op tientallen miljoenen testdeeltjes die een grote wolk van voornamelijk donkere materie voorstellen. Die wolk stort onder zijn eigen gewicht ineen en begint te roteren. In eerdere simulaties konden op die manier wel bepaalde aspecten van sterrenstelsels worden nagebootst, maar een stelsel zoals ons eigen Melkwegstelsel, met een zware centrale schijf, bleek altijd moeilijk te reproduceren. Dat dat met Eris nu wel is gelukt, is volgens de onderzoekers van de Universiteit van Californië in Santa Cruz en het Instituut voor Theoretische Fysica in Zürich te danken aan het gedetailleerd modelleren van de vorming en de evolutie van (zware) sterren. De geboorte en de explosieve dood van zulke sterren, in gebieden met een hoger-dan-gemiddelde dichtheid, blijken van grote invloed te kunnen zijn op de algehele structuur van een sterrenstelsel. De resultaten worden gepubliceerd in The Astrophysical Journal. De nieuwe resultaten vormen een welkome ondersteuning voor de zogeheten cold dark matter -theorie. Die beweert dat het grootste deel van de materie in het heelal uit onzichtbare, mysterieuze elementaire deeltjes bestaat. De zorg dat de vorming van zware sterrenstelsels zoals het Melkwegstelsel met deze theorie niet verklaard zou kunnen worden, lijkt met de nieuwe simulaties te zijn weggenomen.
Meer informatie:
Astrophysicists report first simulation to create a Milky Way-like galaxy
First glimpse into birth of the Milky Way
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

25 augustus 2011
De stervorming in het Melkwegstelsel wordt op gang gehouden door de toevoer van nieuwe brandstof van buitenaf. Tot die conclusie komen wetenschappers van de universiteit van Notre Dam (VS) in Science (26 augustus). Als de voorraad waterstofgas van het Melkwegstelsel niet voortdurend werd aangevuld, zou het snel gedaan zijn met de vorming van nieuwe sterren. Daarom bestond al het vermoeden dat grote wolken van geïoniseerd gas die op veel plaatsen aan de hemel worden waargenomen ons Melkwegstelsel regelmatig van vers gas voorzien. Metingen met de Cosmic Origins Spectrograph (COS), een van de nieuwste instrumenten van de Hubble-ruimtetelescoop, bevestigen dat vermoeden. Met dat instrument zijn voor het eerst de afstanden van een aantal van die snel bewegende gaswolken gemeten. En daaruit blijkt dat zij deel uitmaken van de verre buitengebieden van ons Melkwegstelsel en grote hoeveelheden gas bevatten. De metingen vormen verder een bevestiging van modellen die voorspelden dat gas dat naar het Melkwegstelsel toe valt, afremt naarmate het dichterbij komt en meer weerstand ondervindt van het daar al aanwezige gas. Gaswolken die zich dichterbij bevinden bewegen inderdaad minder snel dan hun verder weg gelegen soortgenoten.
Meer informatie:
Notre Dame astrophysicists identify missing fuel for Galactic star formation

25 augustus 2011
Astrofysici van de universiteiten van Zürich en Californië (Santa Cruz) zijn er voor het eerst in geslaagd om de vorming van ons Melkwegstelsel realistisch na te bootsen. Uit de computersimulaties blijkt onder meer dat er ook in de buitengebieden van de Melkweg sterren moeten zijn. Wetenschappers ondernemen al tientallen jaren pogingen om de vorming van sterrenstelsels na te bootsen, maar tot nu toe lukte dat niet goed. De stelsels die de modellen voortbrachten, bevatten ofwel te veel sterren in hun kern of te veel stermassa als geheel. Het nieuwe model, dat uitgaat van een mengsel van normale en donkere (onzichtbare) materie, vertoont deze gebreken niet. Het model laat zien dat om op juiste hoeveelheid stermassa uit te komen, het noodzakelijk is dat veel normale materie uit de kern van het sterrenstelsel-in-wording verdwijnt. Dat zou het gevolg zijn van de vele supernova-explosies die daar aanvankelijk hebben plaatsgevonden. Ook voorspelt het model dat zich aan de rand van de halo van het Melkwegstelsel, 600.000 lichtjaar hier vandaan, sterren en gaswolken bevinden.
Meer informatie:
First glimpse into birth of the Milky Way

25 augustus 2011
Radiosterrenkundigen hebben een diamanten 'planeet' ontdekt. Het kostbare hemellichaam beschrijft elke 2 uur en 10 minuten een baan rond een snel rondtollende neutronenster op 4000 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Slang. De afstand tussen de ster en de 'planeet' bedraagt slechts 600.000 kilometer - minder dan twee keer de afstand tussen aarde en maan. De neutronenster (J1719-1438) draait meer dan tienduizend keer per minuut om zijn as, en zendt daarbij korte pulsjes van radiostraling de ruimte in. Zulke pulserende radiobronnen worden ook wel pulsars genoemd. Uit minieme variaties in de aankomsttijden van de radiopulsjes kon de aanwezigheid van een begeleider worden afgeleid. Die is hooguit vijf keer zo groot als de aarde, maar zwaarder dan de reuzenplaneet Jupiter. In een artikel dat deze week in Science verschijnt, concluderen de onderzoekers dat de 'planeet' grotendeels uit diamant moet bestaan. Het gaat namelijk zo goed als zeker om het afgepelde overblijfsel van een witte dwerg - een compacte ster waarvan de kern voornamelijk uit zuurstof- en koolstofatomen bestaat. Onder invloed van de energierijke straling van de neutronenster moet de witte dwerg het overgrote deel van zijn massa zijn verloren. Wat resteert is een bal van zuurstof en koolstof met een zeer grote dichtheid - ruim voldoende om de koolstofatomen samen te persen tot diamant.
Meer informatie:
A Planet made of Diamond
A planet made of diamond
'The Dish' finds a 'diamond planet'
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

23 augustus 2011
Met de Amerikaanse infraroodsatelliet WISE is een zestal uiterst koele 'sterren' ontdekt. De hemellichamen, die tot de familie van de bruine dwergen behoren, hebben zo ongeveer de temperatuur van het menselijk lichaam. Het bestaan van deze donkere objecten werd al vermoed, maar de afgelopen tien jaar is tevergeefs naar ze gezocht. Met WISE zijn nu voor het eerst zes van deze zwakke dwergsterren ontdekt, die zich op afstanden van negen tot veertig lichtjaar bevinden. Ze zenden voornamelijk langgolvige infraroodstraling uit, die met telescopen op aarde niet waarneembaar is. Bruine dwergen worden ook wel 'mislukte sterren' genoemd. Ze hebben te weinig massa om atomen in hun inwendige te laten fuseren, om zo energie op te wekken. De energie die ze in de vorm van infraroodstraling uitzenden, ontlenen ze aan de warmte die zij bij hun ontstaan hebben meegekregen. De meest nabije ultrakoele ster, WISE 1541-2250, staat met zijn afstand van negen lichtjaar op de zevende plaats van de lijst met meest nabije sterren. Hij is ruim twee keer zo ver van ons verwijderd als de meest nabije buur van onze zon, Proxima Centauri. Het wordt niet ondenkbaar geacht dat er nog een koele bruine dwerg ontdekt zal worden die Proxima van de eerste plaats zal verstoten.
Meer informatie:
NASA'S Wise Mission Discovers Coolest Class of Stars

23 augustus 2011
Een Duits-Chinees team van astronomen hebben na tien jaar onderzoek een nieuwe atlas van het noordelijke deel van de Melkweg voltooid. Deze atlas is gebaseerd op gegevens die zijn verzameld met de 25-meter radiotelescoop bij de stad Ürümqi, in het noordwesten van China. Bij het samenstellen ervan zijn onder meer twee nog onbekende restanten van supernova-explosies ontdekt. De 'radiokaart' toont de gepolariseerde radiostraling van ons sterrenstelsel op een golflengte van vijf gigahertz (een golflengte van zes centimeter). Dat is de hoogste frequentie ooit waarbij de Melkweg met een instrument op aarde is waargenomen. Gepolariseerde radiostraling bevat informatie over magnetische velden. Doel van het project was dan ook om het globale magnetische veld van de Melkweg in kaart te brengen. Tijdens die activiteit zijn niet alleen twee nieuwe supernovaresten ontdekt, ook werden twee objecten waarvan aanvankelijk werd gedacht dat het supernovaresten waren ontmaskerd als andersoortige bronnen van radiostraling. Netto blijft de teller dus op dezelfde stand staan (270).
Meer informatie:
Ein Atlas der Milchstraße

11 augustus 2011
De Hubble Space Telescope maakte onlangs deze foto van de 'Halssnoernevel' (PN G054.2-03.4), een recent ontdekte planetaire nevel op 15.000 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Pijl. De nevel is ongeveer tienduizend jaar geleden ontstaan toen één van de sterren in een zeer nauwe dubbelster opzwol, waardoor de begeleider in de buitenste gaslagen van de ster terecht kwam. Als gevolg van de wisselwerking tussen de twee sterren, die slechts een paar miljoen kilometer van elkaar zijn verwijderd, begon de opgezwollen ster steeds sneller te roteren, en werd er vooral in het evenaarsvlak van de ster veel gas de ruimte in geblazen. De heldere 'parels' in de nevel zijn hete, compacte concentraties in dit weggeblazen sterrengas. De ring heeft een middellijn van bijna twintig biljoen kilometer. De foto werd op 2 juli gemaakt door de Wide Field Camera 3.
Meer informatie:
Hubble Offers a Dazzling 'Necklace'
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

3 augustus 2011
Met behulp van gegevens van de VISTA infrarood-surveytelescoop van de ESO-sterrenwacht op Paranal heeft een internationaal team van astronomen 96 nieuwe open sterrenhopen ontdekt, die zich schuilhielden achter het stof in de Melkweg. Deze kleine, zwakke objecten waren bij eerdere zoekacties niet opgemerkt. Aan de gevoelige infrarooddetectors van de grootste surveytelescoop ter wereld, die door stof heen kan kijken, konden zij echter niet ontsnappen. Het is voor het eerst dat in één keer zoveel zwakke, kleine sterrenhopen zijn ontdekt. Bij het onderzoek van de sterrenhopen is gebruik gemaakt van geavanceerde computersoftware, waarmee 'storende' voorgrondsterren uit de VISTA-opnamen werden verwijderd, zodat de echte leden van de sterrenhoop geteld konden worden. Daarna inspecteerden de astronomen de beelden visueel, om de afmetingen van de sterrenhopen te kunnen bepalen. Van de meest sterrijke sterrenhopen maten zij onder meer ook de afstand en de leeftijd. Daarbij is vastgesteld dat de meeste van de nieuwe sterrenhopen erg klein zijn en slechts tien à twintig sterren bevatten. Vergeleken met doorsnee open sterrenhopen zijn ze erg zwak en compact - het stof op de voorgrond van deze sterrenhopen zorgt ervoor dat zij in zichtbaar licht 10.000 tot 100 miljoen keer zwakker lijken. Geen wonder dus dat zij bij eerdere surveys niet zijn gevonden. Sinds de oudheid zijn in het Melkwegstelsel pas 2500 open sterrenhopen ontdekt. Maar astronomen schatten dat er misschien nog wel 30.000 verscholen zitten achter stof en gas.
Meer informatie:
VISTA vindt 96 achter stof verscholen sterrenhopen

1 augustus 2011
Met de Europese ruimtetelescoop Herschel is voor het eerst moleculair zuurstof ontdekt in het heelal. De zuurstofmoleculen (O2, bestaande uit twee afzonderlijke zuurstofatomen) zijn aangetroffen in de Orionnevel, een kolossaal stervormingsgebied op ca. 1500 lichtjaar afstand van de aarde.
Meer informatie:
Astronomers searching for oxygen can breathe more easily
Persbericht Jet Propulsion Laboratory
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

19 juli 2011
Nieuwe waarnemingen met de Europese infraroodsatelliet Herschel tonen een vreemde, verdraaide ring van gas en stof in het centrum van ons Melkwegstelsel. Slechts een paar delen van de ring, die zich over meer dan 600 lichtjaar uitstrekt, waren eerder bekend. Het is voor het eerst dat hij volledig in beeld is gebracht. De ring ligt in het hart van de centrale 'balk' van het Melkwegstelsel - een langwerpig gebied van sterren en gaswolken. Deze balk is op zijn beurt weer ingebed in een nog grotere ring. Ook andere sterrenstelsels vertonen zulke balken en ringen. Hoe deze structuren ontstaan is nog niet helemaal duidelijk, maar computersimulaties laten zien dat ze het gevolg kunnen zijn van zwaartekrachtsinteracties. Volgens sommige theorieën zijn balken het gevolg van interacties tussen verschillende sterrenstelsels. Zo zou de balk in het melkwegcentrum het gevolg kunnen zijn van de invloed van onze grote buur, het Andromedastelsel.
Meer informatie:
Twisted Tale of our Galaxy's Ring

14 juli 2011
Wetenschappers van het Leibniz-instituut voor Astrofysica in Potsdam (Duitsland) heeft twee nieuwe bruine dwergsterren ontdekt op afstanden van slechts 15 en 18 lichtjaar van de zon. Ter vergelijking: de dichtstbijzijnde buurster van de zon, Proxima Centauri, bevindt zich op een afstand van iets meer dan vier lichtjaar. En de eerder ontdekte bruine dwergen die om de nabije ster Epsilon Indi draaien, zijn twaalf lichtjaar van ons verwijderd. De nieuwe buren van de zon heten WISE J0254+0223 en WISE J1741+2553, wat aangeeft dat ze zijn opgedoken in gegevens die zijn verzameld met de NASA-satelliet WISE. Ze vielen op doordat ze veel infraroodstraling produceren, maar vrijwel geen zichtbaar licht - een bekende eigenschap van bruine dwergen, die als ondermaatse, 'mislukte' sterren worden beschouwd. Hun nabijheid bleek uit het feit dat zij zich relatief snel verplaatsen ten opzichte van verre achtergrondsterren. De beide dwergsterren zijn bruine dwergen van het koelste soort. Hun oppervlaktetemperaturen bedragen slechts enkele honderden graden Celsius. Het is niet uitgesloten dat in de omgeving van de zon nog meer van deze ultrakoele sterren op ontdekking wachten.
Meer informatie:
Two new brown dwarf Solar neighbours discovered

13 juli 2011
Amerikaanse astronomen hebben twee witte dwergsterren ontdekt die met halsbrekende snelheden om elkaar heen wentelen. De sterren zijn elkaar al zo dicht genaderd, dat ze minder dan een kwartier nodig hebben om een rondje te volbrengen. Maar hun onderlinge afstand wordt nog steeds kleiner: binnen een miljoen jaar zullen ze met elkaar in botsing komen en een kolossale explosie veroorzaken. Witte dwergen zijn oude, uitgeputte kernen van sterren zoals onze zon. De twee witte dwergen cirkelen met een snelheid van maar liefst 600 kilometer per seconde om elkaar heen. De helderste van de twee is ongeveer zo groot als de planeet Neptunus en 'weegt' ongeveer een kwart zonsmassa. Zijn begeleider is twee keer zo zwaar, maar ook aanzienlijk compacter: hij is niet veel groter dan de aarde. Zware, compacte objecten als deze kunnen worden gebruikt om de algemene relativiteitstheorie te toetsen. Volgens deze theorie veroorzaken bewegende objecten rimpelingen in het weefsel van ruimte en tijd, die zwaartekrachtsgolven worden genoemd. Het daarmee gepaard gaande energieverlies is de oorzaak van de kleiner wordende afstand tussen de twee dwergsterren. Door de geleidelijk steeds sneller wordende omwentelingen van de dubbelster heel nauwkeurig te timen, hopen de onderzoekers dit energieverlies te kunnen meten. Op die manier kan - indirect - het bestaan van zwaartekrachtsgolven worden aangetoond.
Meer informatie:
Evolved Stars Locked in Fatalistic Dance

6 juli 2011
Voor het eerst zijn in de interstellaire ruimte moleculen van waterstofperoxide gevonden. Deze ontdekking geeft meer inzicht in het chemische verband tussen twee moleculen die cruciaal zijn voor het ontstaan van leven: water en zuurstof. Op aarde speelt waterstofperoxide een sleutelrol bij de chemische interactie tussen water en ozon in de atmosfeer, en staat de stof bekend als ontsmettings- en haarbleekmiddel. Nu is hij met de Europese APEX-telescoop in Chili dan ook in de ruimte ontdekt. De waterstofperoxide is waargenomen in de omgeving van de ongeveer 400 lichtjaar verre ster Rho Ophiuchi. In dat gebied bevinden zich zeer koude (ca. -250 graden Celsius), dichte wolken van gas en stof waarin nieuwe sterren worden geboren. De wolken bestaan grotendeels uit waterstof, maar bevatten ook sporen van andere chemische stoffen, die interessant zijn voor astronomen die op kosmische moleculen jagen. Telescopen zoals APEX, die straling in het millimeter- en submillimetergebied opvangen, zijn ideaal voor het opsporen van deze moleculen. Vermoed wordt dat waterstofperoxide in de ruimte ontstaat aan de oppervlakken van kosmische stofdeeltjes - zeer fijne deeltjes, vergelijkbaar met zand en roet - waar waterstof- en zuurstofmoleculen bijeenkomen. De reactie van waterstofperoxide met nog meer waterstof is een van de manieren om water te produceren. De detectie van waterstofperoxide kan astronomen dus helpen begrijpen hoe het water in het heelal is ontstaan.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

29 juni 2011
Eind vorig jaar vond een grootschalige onderzoekscampagne plaats van een unieke dubbelster in het Zuiderkruis, die met grote regelmaat uitbarstingen van (onder meer) gammastraling produceert. De resultaten van deze campagne, waar tal van instrumenten in de ruimte en op aarde aan deelnamen, verschijnen binnenkort in The Astrophysical Journal Letters. De 8000 lichtjaar verre dubbelster bestaat uit een een pulsar, een snel om zijn as tollende neutronenster, die in een langgerekte baan om een 'normale' hete, zware ster draait. Deze twee naderen elkaar eens in de ongeveer drieënhalf jaar tot op ongeveer 100 miljoen kilometer. En steeds als dat gebeurt, zoals in december 2010, komt er veel straling vrij. Dat laatste komt doordat de pulsar bij elke dichte nadering de materieschijf doorkruist die de zware ster omringt - tweemaal binnen enkele maanden zelfs. Tijdens deze passages treden er interacties op tussen de energierijke deeltjes die de pulsar uitzendt en het gas in de schijf, waardoor allerlei soorten straling vrijkomen. De resultaten van de onderzoekscampagne laten zien dat er als de pulsar op de terugweg is veel meer gammastraling vrijkomt dan tijdens zijn eerste tocht door materieschijf. De minder energierijke radio- en röntgenstraling laten daarentegen geen opvallende toename zien. Een verklaring voor dit opvallende verschil is er nog niet. Mogelijk dat waarnemingen van de volgende dubbele uitbarsting, die in mei 2014 worden verwacht, uitsluitsel kunnen geven.
Meer informatie:
'Odd Couple' Binary Makes Dual Gamma-ray Flares

28 juni 2011
De neutronenster IGR J18410-0535 heeft zich 'verslikt' in een kolossale wolk van heet gas, die uitgeblazen werd door de begeleider van de neutronenster, een blauwe superreus. De gaswolk, met een geschatte afmeting van 15 miljoen kilometer, werd slechts gedeeltelijk door de kleine, compacte neutronenster 'onderschept'. Het gas dat door het sterke zwaartekrtachtsveld van de neutronenster werd ingevangen werd daarbij zo sterk verhit dat er sprake was van een vier uur durende uitbarsting van extreem intense röntgenstraling, ongeveer tienduizend keer helderder dan de normale röntgenintensiteit van de neutronenster. De röntgenuitbarsting is waargenomen door de Europese ruimtetelescoop XMM-Newton. Uit de waarnemingen blijkt dat de blauwe superreus niet alleen een sterke, gestage 'sterrenwind' de ruimte in blaast, maar dat het materieverlies ook optreedt in de vorm van grote, geïsoleerde gasuitbarstingen.
Meer informatie:
Neutron star bites off more than it can chew
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

23 juni 2011
Met behulp de Europese Very Large Telescope (VLT) hebben astronomen de complexe en heldere nevel rond de superreuzenster Betelgeuze gedetailleerder in beeld gebracht dan ooit. Deze structuur, die de indruk wekt dat er vlammen uit de ster schieten, is ontstaan doordat de stellaire kolos grote hoeveelheden materie de ruimte in blaast. Betelgeuze is een van de helderste sterren aan de nachtelijke hemel. Met zo ongeveer de omvang van de omloopbaan van Jupiter, die vierenhalf keer zo groot is als de aardbaan, is hij ook een van de grootste. De VLT-opname toont de omringende nevel, die veel groter is dan de ster zelf: hij strekt zich uit tot 60 miljard kilometer van het steroppervlak - ongeveer 400 keer de afstand zon-aarde. Rode superreuzen zoals Betelgeuze vertegenwoordigen een van de laatste stadia in het bestaan van een zware ster. Tijdens deze kortstondige fase groeit de ster in omvang en blaast hij in hoog tempo materie de ruimte in. Op die manier wordt in slechts tienduizend jaar tijd een enorme hoeveelheid (ongeveer een zonsmassa) materie afgestoten. De materie die op de nieuwe opname te zien is, bestaat hoogstwaarschijnlijk uit stof dat rijk is aan silicium- en aluminiumoxide. Dat is hetzelfde materiaal waar de korst van de aarde en van andere rotsachtige planeten grotendeels uit bestaat. De onregelmatige vorm van de nevel wijst erop dat de ster zijn materie niet op symmetrische wijze heeft uitgestoten.
Meer informatie:
De vlammen van Betelgeuze

22 juni 2011
De bolvormige sterrenhoop Terzan 5 stelt astronomen voor een raadsel. Met de H.E.S.S.-telescoop in Namibië hebben zij uit de richting van dit object hoogenergetische gammastraling opgevangen. Het is voor het eerst dat een bolhoop als bron van zulke straling is herkend. Waarschijnlijk is de gammastraling afkomstig uit het buitenste deel van Terzan 5, maar haar exacte oorsprong is nog onduidelijk. De bolhoop Terzan 5 in het sterrenbeeld Boogschutter is in verschillende opzichten een opmerkelijk exemplaar. Hij gaat schuil achter dichte stofwolken in de Melkweg en is daardoor zo onopvallend, dat hij pas in 1968 werd ontdekt. En anders dan andere bolhopen, compacte verzamelingen van duizenden sterren, beweegt hij niet in een wijde baan om het Melkwegstelsel, maar bevindt hij zich in het centrale deel ervan. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat de sterren van Terzan 5 tot twee verschillende populaties behoren: een oude met een leeftijd van 12 miljard jaar oud en een jongere van zes miljard jaar. Uit die bijzondere eigenschappen leiden onderzoekers af dat Terzan 5 eigenlijk geen bolvormige sterrenhoop is, maar het restant van een klein sterrenstelsel dat door het Melkwegstelsel is opgeslokt. En nu is er dus die raadselachtige gammastraling, waarvoor verschillende verklaringen denkbaar zijn. De meest waarschijnlijke kandidaten zijn een snel rondtollende neutronenster (ster) of het restant van een geëxplodeerde ster, die op de een of andere manier uit het centrale deel van Terzan 5 verbannen is.
Meer informatie:
Gammastrahlung von Terzan 5

1 juni 2011
De open sterrenhoop NGC 6791 in het sterrenbeeld Lier lijkt een vreemde kruising te zijn tussen een open en een bolvormige sterrenhoop. Dat blijkt uit onderzoek door Amerikaanse astronomen, die een uitgebreide inventarisatie van de sterrenhoop hebben gemaakt. Doorgaans maken astronomen strikt onderscheid tussen de beide soorten sterrenhopen. Bolvormige sterrenhopen zijn miljarden jaren oud en bevatten sterren die weinig elementen zwaarder dan helium bevatten. Open sterrenhopen zijn vaak aanzienlijk jonger en hun sterren zijn relatief rijk aan elementen zwaarder dan helium. Dat NGC 6791 niet helemaal in dit plaatje past, was al langer duidelijk. Deze open sterrenhoop is bijna tien miljard jaar oud, maar niettemin rijk aan elementen zwaarder dan helium. Uit het nieuwe onderzoek blijkt dat NGC 6791 een soort sterren bevat dat normaal gesproken alleen in bolvormige sterrenhopen voorkomt. Daarnaast komen er echter ook sterren in voor die weer kenmerkend zijn voor een open sterrenhoop. Het lijkt er dus echt op dat NGC 6791 - voorlopig als enige van de ongeveer 2000 bekende sterrenhopen in ons Melkwegstelsel - tot een aparte klasse van sterrenhopen behoort.
Meer informatie:
'Oddball' Star Cluster Is A Hybrid

1 juni 2011
Uit nieuwe computersimulaties blijkt dat de stralingsdruk van zware sterren groot genoeg is om de gaswolk uiteen te blazen waarin zij geboren zijn. Tot nog toe werd aangenomen dat deze sterren hun kraamkamer pas echt beginnen te verwoesten als ze aan het eind van hun leven als supernova exploderen. Maar volgens Canadese astronomen die hun resultaten vandaag op de jaarbijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in London, Ontario, presenteren, spelen supernova-explosies daarbij vrijwel geen rol. Sterren worden geboren uit reusachtige wolken van moleculair gas. Uit waarnemingen van onze eigen Melkweg was al gebleken dat zulke gaswolken grote lege holten kunnen vertonen terwijl er in geen velden of wegen restanten van supernova-explosies te vinden zijn. Dat wees er al op dat de gaswolken uiteenvallen voordat er supernova-explosies optreden. De Canadese computersimulaties laten zien dat tot nu toe te weinig rekening is gehouden met de stralingsdruk die zware, hete sterren nog tijdens hun leven op hun omgeving uitoefenen. Zodanig zelfs, dat zodra minder dan twintig procent van de gaswolk in sterren is omgezet, de stralingsdruk al hoog genoeg is om de gaswolk aan flarden te blazen. Tegen de tijd dat deze sterren aan een supernova-explosie toe zijn, is de gaswolk allang verdwenen.
Meer informatie:
CASCA 2011

31 mei 2011
Met de Europese infraroodsatelliet Herschel is een jonge ster ontdekt die 'waterkogels' de ruimte in schiet met een snelheid van ruim 200.000 kilometer per uur - tachtig keer de snelheid van een geweerkogel. Het gaat om L1448-MM, een ster op 750 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Perseus. De metingen zijn uitgevoerd door een internationaal team van sterrenkundigen dat onder leiding staat van de Leidse hoogleraar Ewine van Dishoeck. Dat waterstof- en zuurstofatomen zich in de omgeving van sterren kunnen samenvoegen tot watermoleculen was al langer bekend. Maar dat de moleculen de schokgolven kunnen overleven die gepaard gaan bij de geboorte van een ster is een verrassing. Vermoedelijk worden de moleculen aanvankelijk wel degelijk vernietigd, maar vormen ze zich vervolgens vrij gemakkelijk opnieuw. De totale waterproductie in de omgeving van L1448-MM bedraagt maar liefst honderd miljoen keer de hoeveelheid water in de Amazone-rivier per seconde. Ook onze eigen zon heeft kort na het ontstaan een dergelijke energierijke fase doorlopen, waarbij omringende materie temperaturen bereikt van wel 10.000 graden en er kennelijk krachtige 'jets' van water kunnen ontstaan. De Herschel-satelliet, met het in Nederland ontwikkelde en gebouwde HIFI-instrument aan boord, is speciaal ontworpen voor het detecteren van moleculen in de interstellaire ruimte. De nieuwe resultaten zijn deze week gepresenteerd op een astrochemie-symposium in Toledo, Spanje. Ze zullen binnenkort gepubliceerd worden in Astronomy and Astrophysics.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Herschel
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

31 mei 2011
Computerberekeningen van een Canadese astronoom hebben nieuw licht geworpen op de ontstaansgeschiedenis van een ongewoon zware neutronenster. Neutronensterren zijn de extreem compacte, snel rondtollende overblijfselen van supernova-explosies. Meestal zijn ze ongeveer veertig procent zwaarder dan de zon, maar al die materie is wel samengeperst in een bolletje van hooguit zo'n dertig kilometer in middellijn. In oktober 2010 werd echter een neutronenster (PSR J1614-2230) ontdekt die ongeveer twee keer zo zwaar is als de zon. Hij tolt 317 keer per seconde om zijn as, en is met radiotelescopen waarneembaar als een zogeheten millisecondepulsar. Hij blijkt bovendien elke negen dagen een baan te beschrijven rond een witte dwergster, wat doet vermoeden dat de grote massa mogelijk veroorzaakt is door materieoverdracht van die witte dwerg. Lorne Nelson van de Bishop University in Sherbrooke, Quebec, heeft nu computerberekeningen uitgevoerd waarbij de evolutie van zo'n dubbelstersysteem is nagerekend voor niet minder dan veertigduizend verschillende beginsituaties. Enkele daarvan blijken inderdaad te resulteren in een witte dwerg en een extreem zware neutronenster, die de buitenste gaslagen van de witte dwerg heeft opgeslokt. Nelson presenteert zijn resultaten deze week op de jaarbijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in London, Ontario. Dat slechts enkele beginsituaties aanleiding geven tot materieoverdracht en massatoename van de neutronenster, is volgens de astronoom de verklaring voor het feit dat zware neutronensterren zo zeldzaam zijn.
CASCA 2011
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

31 mei 2011
Met de Canadese MOST-satelliet zijn onverwacht grote veranderingen ontdekt in het gedrag van CV Serpenits - een bijzondere dubbelster in het sterrenbeeld Slang die uit twee extreem hete sterren bestaat. Een van de twee sterren is een zogeheten Wolf Rayet-ster. Hij produceert een extreem krachtige sterrenwind, waarin veel koolstof voorkomt - het product van de heliumfusie die het laatste levensstadium van de ster markeert. In die sterrenwind ontstaan op nog onopgehelderde wijze ook veel stofdeeltjes die rijk zijn aan koolstofverbindingen. De intensiteit van de sterrenwind kan afgeleid worden uit onderzoek aan de andere ster in het systeem: het licht van die ster wordt tijdens elke omloop enige tijd verzwakt door absorptie in de sterrenwind van de Wolf Rayet-ster. Uit de MOST-metingen, uitgevoerd in 2009 en 2010, blijkt nu dat de dichtheid van die sterrenwind variaties van wel 70 procent vertoont. Volgens de onderzoekers, die hun resultaten deze week presenteren op de jaarbijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in London, Ontario, zijn die grote veranderingen mogelijk gerelateerd aan de productie van stofdeeltjes.
CASCA 2011
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

30 mei 2011
In bolvormige sterrenhopen blijken twee generaties sterren voor te komen. Dat blijkt uit nieuwe waarnemingen met de Hubble Space Telescope, verricht door astronomen van de McMaster-universiteit in Hamilton (Ontario, Canada). Tot nu toe werd altijd aangenomen dat alle sterren in bolhopen tegelijkertijd zijn ontstaan. Bolvormige sterrenhopen - grote verzamelingen van honderdduizenden oude sterren - behoren tot de oudste structure in ons Melkwegstelsel. De ontdekking dat niet alle sterren in een bolhoop tegelijkertijd zijn ontstaan, komt als een verrassing. De nieuwe waarnemingen, die deze week gepresenteerd worden op een bijeenkomst van de Canadian Astronomical Society (CASCA) in London, Ontario, doen vermoeden dat de tweede generatie sterren ontstaan is uit gas dat door de eerste (grotere) generatie sterren de ruimte in is geblazen. Onderzoeksleidster Alison Sills denkt dat er mogelijk een verband bestaat tussen de oorsprong van deze tweede generatie sterren in bolhopen en de aanwezigheid van zogeheten 'blauwe achterblijvers': sterren die als gevolg van onderlinge interacties en materie-overdracht heter (en dus blauwer) zijn dan je op basis van hun gevorderde leeftijd zou verwachten.
Homepage van onderzoeksleidster Alison Sills
CASCA2011
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

26 mei 2011
Bij een jonge ster in het sterrenbeeld Orion regent het kristallen van het mineraal olivijn. Dat blijkt uit waarnemingen met de NASA-infraroodsatelliet Spitzer. Het is voor het eerst dat olivijnkristallen zijn waargenomen in de stofrijke gaswolken rond een ster-in-wording. Astronomen weten nog niet precies hoe die kristallen zijn ontstaan, maar de meest waarschijnlijke oorzaak ligt bij de materiebundels of jets die de ster - HOPS-68 geheten - uitstoot. Vermoed wordt dat de kristallen zijn gevormd aan het oppervlak van de ster, via de jets in de omringende gaswolk zijn terechtgekomen - waar het veel kouder is - en vervolgens weer omlaag zijn geregend. De ontdekking kan helpen verklaren waarom ook kometen, die in de koude buitendelen van ons zonnestelsel zijn ontstaan, dit soort kristallen bevatten. De temperaturen in de buitengebieden zijn veel te laag om zulke kristallen te laten ontstaan. Maar ook onze zon stootte in haar begintijd jets van materie uit, en het is dus denkbaar dat kometen op via die weg aan olivijnkristallen zijn gekomen.
Meer informatie:
Spitzer Sees Crystal Rain in Infant Star Outer Clouds

25 mei 2011
In het centrale deel van ons Melkwegstelsel zijn 42 zeldzame 'blauwe achterblijvers' gevonden - hete, blauwe sterren die er jonger uitzien dan ze in werkelijkheid zijn, en vergeleken met leeftijdsgenoten dus achter lijken te blijven in hun evolutie. De blauwe achterblijvers zijn ontdekt met de Hubble Space Telescope, tijdens een onderzoek dat in 2006 al werd uitgevoerd en dat gericht was op het opsporen van exoplaneten. Blauwe achterblijvers zijn eerder ontdekt in sterrenhopen, maar nog nooit in de kern van ons eigen Melkwegstelsel. Ze ontstaan waarschijnlijk wanneer twee sterren om elkaar heen draaien, waarbij gas van de ene ster door de andere wordt opgezogen. Daarbij nemen druk en temperatuur toe, zodat kernfusiereacties in het inwendige zich in hoger tempo voltrekken, en de ster meer energie produceert dan verwacht zou worden voor zijn leeftijd. Uit het Hubble-onderzoek blijkt verder dat er in het centrale deel van het Melkwegstelsel geen écht jonge sterren voorkomen. Dat werd ook niet verwacht: de Melkwegkern bevat vrijwel geen gas waaaruit nieuwe sterren zouden kunnen ontstaan. Overigens zijn indertijd met het Hubble-onderzoek ook zestien kandidaat-exoplaneten gevonden.
Meer informatie:
NASA's Hubble Finds Rare 'Blue Straggler' Stars in Milky Way's Hub
Persbericht NASA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

25 mei 2011
In een aards laboratorium zijn nieuwe aanwijzingen gevonden dat er 'roet-moleculen' voorkomen in de interstellaire ruimte. Deze 'polycyclische aromatische koolwaterstoffen' (PAKs), die ook aanwezig zijn in roet en uitlaatgassen, zijn grote, platte moleculen met de structuur van kippengaas: ze bestaan uit aaneengeregen koolstofmoleculen in een repeterend zeshoekpatroon. Wetenschappers van NASA's Ames Research Center in Moffet Field, Californië, hebben extreem gedetailleerde metingen verricht aan zulke PAKs, in een opstelling waarin de omstandigheden in de interstellaire ruimte nauwkeurig worden nagebootsts: vacuüm, extreem lage temperatuur, en energierijke straling. De laboratoriummetingen blijken een goede overeenkomst te vertonen met waarnemingen van sterren, waarin mysterieuze absorptielijnen en diffuse absorptiebanden zijn aangetroffen, vooral op infrarode golflengten. Er werd al langer aangenomen dat deze absorptielijnen en -banden veroorzaakt worden door PAKs, maar doordat nu ook metingen beschikbaar zijn in het optische en ultraviolette deel van het spectrum, is hierover veel meer zekerheid verkregen, aldus teamleider Farid Salama, die de resultaten vandaag presenteerde op de 218e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Boston.
Meer informatie:
NASA Scientists on the Trail of Mystery Molecules
NASA's laboratorium voor astrofysica en astrochemie
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

25 mei 2011
Astronomen van de Universiteit van Warwick hebben een unieke dubbele heliumdwerg ontdekt. Het gaat om twee witte dwergsterren (ongeveer zo groot als de aarde maar zo zwaar als de zon) die voor het grootste deel uit samengeperst heliumgas bestaat. Witte dwergen vormen de eindstadia van sterren zoals onze eigen zon. Ze bevatten normaalgesproken een kern van koolstof en zuurstof - elementen die ontstaan bij de kernfusie van helium. Helium is weer het fusieproduct van waterstof. Het feit dat de twee witte dwergen in de nieuw ontdekte dubbelster (CS41177, op 1140 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Leeuw) vrijwel geheel uit helkium bestaan, betekent dat ze hun buitenste gasmantels kwijtgeraakt moeten zijn - zo goed als zeker door de onderlinge zwaartekrachtswerking - waardoor druk en temperatuur in het inwendige niet langer hoog genoeg waren om de fusie van helium op gang te brengen. Berekeningen wijzen uit dat de omloopbaan van de twee heliumsterren langzaam maar zeker steeds kleiner wordt; over ongeveer één miljard jaar zullen ze versmelten tot een hete 'subdwerg'.
Meer informatie:
Persbericht University of Warwick
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

24 mei 2011
Uit waarnemingen van de NASA-röntgensatelliet Chandra blijkt dat de Carinanevel, een stervormingsgebied op slechts 7500 lichtjaar van de aarde, geleidelijk in een supernovafabriek verandert. Tussen de talrijke jonge sterren in de gasnevel zijn diverse restanten van deze kolossale sterexplosies ontdekt. Een andere aanwijzing dat de Carinanevel het toneel van supernova-explosies is, is het tekort aan röntgenbronnen in een van de sterrenhopen die de nevel rijk is. Verspreid over de Carinanevel heeft Chandra vele duizenden heldere röntgenobjecten gevonden, maar in de sterrenhoop Trumpler 15 zijn ze relatief schaars. Volgens astronomen wijst dat erop dat de zwaarste sterren in deze sterrenhoop hun (relatief korte) bestaan al hebben afgesloten met een supernova-explosie. Bij het Chandra-onderzoek zijn ook zes mogelijke neutronensterren ontdekt - de compacte kernen die vaak overblijven nadat een zware ster is geëxplodeerd. Tot nu toe was maar één neutronenster in de Carinanevel gevonden. Dat kwam voornamelijk doordat het rijkelijke aanwezige stof en gas de laagenergetische röntgenstraling van neutronensterren betrekkelijk sterk absorberen. Waarschijnlijk houden zich hier dus nog meer supernovaresten schuil.
Meer informatie:
Nearby Supernova Factory Ramps Up

23 mei 2011
Een internationaal team van sterrenkundigen is erin geslaagd om de leeftijden van enkele tientallen relatief jonge sterren te bepalen. Daarbij is gebruik gemaakt van het gegeven dat sterren mettertijd steeds langzamer gaan draaien. De resultaten van de leeftijdsbepalingen worden vandaag bekendgemaakt tijdens de 218de bijeenkomst van de American Astronomical Society (AAS). Net als onze zon zien de meeste sterren er gedurende bijna hun hele leven hetzelfde uit. Aan de buitenkant kun je dus niet zien hoe oud ze zijn. Toch is van veel sterren de leeftijd bekend: de leeftijden van sterrenhopen bijvoorbeeld kunnen worden afgeleid uit de kleuren en helderheden van de sterren waaruit deze groepen bestaan. De bepaling van de leeftijden van afzonderlijke sterren is veel moeilijker. Er bestaat weliswaar een bekende relatie tussen leeftijd en rotatie, maar het meten van de draaisnelheid van een ster is een lastige klus. Dankzij de Amerikaanse satelliet Kepler komt er echter schot in dit onderzoek. Kepler is ontworpen om heel nauwkeurig de helderheden van grote aantallen sterren te meten, met name om planeten bij deze sterren te kunnen opsporen. Kleine fluctuaties in de helderheid van een ster kunnen echter niet alleen door een steeds weer voor de ster langs bewegende planeet worden veroorzaakt, maar ook door donkere vlekken op het oppervlak van de ster - het equivalent van zonnevlekken. Door te meten hoe lang het duurt voordat zo'n vlek uit het zicht verdwijnt, kan de rotatiesnelheid van de ster worden vastgesteld. Op die manier hebben de astronomen de leeftijden van 71 sterren van de sterrenhoop NGC 6811 gemeten - een klus die vier jaar in beslag nam. De sterren vertonen rotatieperioden van één tot elf dagen. Ter vergelijking: onze zon, die met 5 miljard jaar van middelbare leeftijd is, heeft een rotatieperiode van dertig dagen.
Meer informatie:
How To Learn A Star's True Age

12 mei 2011
De Krabnevel in het sterrenbeeld Stier is het restant van een supernova die in 1054 werd gezien. In het hart van de nevel staat een pulsar, een snel draaiende neutronenster met een zeer sterk magnetisch veld, die als een superdynamo energie in de nevel pompt die daardoor kan blijven stralen. Bijzonder aan de Krabnevel zijn de gamma-uitbarstingen die sinds 2009 kunnen worden waargenomen. Op 12 april is met de Fermi Gamma-ray Space Telescope de grootste uitbarsting ooit waargenomen, vijf keer sterker dan ooit te voren met een duur van zes dagen. De helderheid in gammastraling werd 30x groter dan de normale helderheid. Al eerder, in januari, waren met diverse satellieten, waaronder Fermi, Swift en de Rossi X-ray Timing Explorer, langdurige helderheidsvariaties waargenomen in röntgenstraling. Maar opmerkelijk genoeg werden met het Chandra-röntgenobservatorium geen veranderingen in röntgenstraling waargenomen tijdens de gamma-uitbarsting in april. Astrononen denken dat de gamma-uitbarstingen optreden als zeer sterke magnetische velden in de buurt van de neutronenster zich herschikken. Bij deze veranderingen kunnen deeltjes als elektronen worden versneld tot bijna de lichtsnelheid. Als deze zeer snelle deeltjes vervolgens weer reageren met magnetische velden, kan gammastraling worden opgewekt. Met het Chandra-röntgenobservatorium is de Krabnevel regelmatig waargenomen sinds september 2010, juist met het doel om te bepalen waar in de nevel de gamma-uitbarstingen plaatsvinden. Gamma-satellieten kijken niet scherp genoeg om dit te zien, maar treed een uitbarsting tegelijk op in het röntgengebied, dan kan de positie wel worden bepaald omdat röntgensatellieten veel scherper kunnen kijken. In die opzet is men dus nog niet geslaagd, maar zeven maanden kijken naar de Krabnevel heeft wel een film opgeleverd waarin allerlei andere variaties in het röntgenbeeld zijn te zien.
Meer informatie:
NASA'S Fermi Spots 'Superflares' In The Crab Nebula
Crab Nebula: The Crab in Action & The Case of The Dog That Did Not Bark
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Edwin Mathlener - www.dekoepel.nl

2 mei 2011
Een team van sterrenkundigen onder leiding van de Amsterdamse promovendus Lucas Ellerbroek heeft het - zeldzame - geboorteproces van een zware ster blootgelegd. Met de spiksplinternieuwe spectrograaf X-shooter op ESO's Very Large Telescope (VLT) in Chili is een zich nog vormende zware ster waargenomen, diep verborgen in een stervormingsgebied in het sterrenbeeld Vela (Zeilen). Aanvullende waarnemingen met een ander instrument op de VLT hebben het bestaan bevestigd van een gasschijf rond de ster, en materie blazende straalstromen loodrecht daarop. Hoe sterren precies worden gevormd is een van de belangrijkste onopgeloste vraagstukken in de hedendaagse sterrenkunde. Met name de vorming van zware sterren (zo'n 10-100 keer zo zwaar als de zon) is een groot raadsel. Dit komt doordat zware sterren zeldzaam zijn - slechts 1 op de 10.000 sterren is een zware ster - en maar kort leven: een paar miljoen jaar tegen 10 miljard jaar voor de zon. Het vormingsproces gaat ongeveer honderd keer zo snel. Jonge zware sterren zijn bovendien slecht te vinden doordat ze zich diep in het binnenste van enorme gas- en stofwolken bevinden die zo goed als ondoordringbaar zijn voor zichtbaar licht. Bij de vorming van een lichte ster komt het materiaal via een langzaam ronddraaiende schijf gedeeltelijk op de ster terecht; de rest verdwijnt via straalstromen uit het systeem. De vraag is of dit scenario ook van toepassing is op zwaardere sterren. De nieuwe waarnemingen lijken dit laatste te bevestigen, al gaat het er allemaal veel sneller en heftiger aan toe.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

27 april 2011
Analyse van de chemische samenstelling van enkele van de oudste sterren in ons Melkwegstelsel heeft meer inzicht gegeven in de aard van de eerste generaties sterren in ons heelal. Volgens het internationale team van astronomen dat het onderzoek heeft verricht, tolden de eerste zware sterren heel snel om hun as (Nature, 28 april). Kort na de oerknal bestond alle materie in het heelal nog uit waterstof en helium. Pas toen 300 miljoen jaar later de eerste zware sterren op explosieve wijze aan hun eind kwamen, werd het oergas verrijkt met zwaardere elementen. Op die manier hebben deze sterren chemische 'vingerafdrukken' achtergelaten, die nog terug te vinden zijn in de oudste sterren van ons Melkwegstelsel. Door deze sterren te onderzoeken, kom je dus meer te weten over hun zware soortgenoten. En inderdaad: ze bevatten elementen die afkomstig moeten zijn van zware sterren. Maar verrassend genoeg blijkt uit het nieuwe onderzoek dat ze ook elementen bevatten waarvan gedacht werd dat ze alleen door lichtere sterren worden geproduceerd - sterren die nog niet opgebrand waren toen de oudste sterren van ons Melkwegstelsel geboren werden. De eerste generaties zware sterren lijken dus een breder scala aan elementen te hebben achtergelaten dan voor mogelijk werd gehouden. Hoewel daar verschillende verklaringen voor te bedenken zijn, houden de astronomen het er voorlopig op dat die eerste stellaire kolossen heel snel om hun as draaiden. Computersimulaties laten namelijk zien dat hun eigenschappen daardoor zodanig veranderen, dat ze ook elementen afleveren die doorgaans aan minder zware sterren worden toegeschreven.
Meer informatie:
SPINSTARS: the first polluters of the Universe?

26 april 2011
Sterrenkundigen hebben een reconstructie gemaakt van een historische supernova-explosie. Uit dit onderzoek, gebaseerd op metingen van de Amerikaanse röntgensatelliet Chandra, blijkt dat zo'n explosie geen catastrofale gevolgen hoeft te hebben voor naburige sterren. Het nieuwe onderzoek draait om het restant van de supernova die in het jaar 1572 werd waargenomen door de Deense sterrenkundige Tycho Brahe. Die supernova was van type Ia, een explosie die optreedt in een stelsel van twee sterren die op geringe afstand om elkaar heen draaien. Bij supernovae van dit type zijn twee scenario's denkbaar. Het ene is dat de dubbelster bestaat uit twee compacte witte dwergen die met elkaar in botsing komen. In dat geval zouden er na de explosie geen sporen van een begeleidende ster te vinden zijn. Volgens het andere scenario bestaat de dubbelster uit een witte dwerg en een normale ster. Door materie-overdracht van de normale ster aan de witte dwerg kan deze laatste een kritieke massa bereiken en ontploffen. Met Chandra is in het restant van Tycho's supernova een boog van hete materie ontdekt. Uit nader onderzoek blijkt dat deze boog waarschijnlijk is ontstaan doordat de schokgolf van de exploderende witte dwerg materiaal van het oppervlak van een nabije stellaire begeleider heeft weggeblazen. Daarmee staat vrijwel vast dat de dubbelster waarin de supernova-explosie optrad, heeft bestaan uit een witte dwerg en een normale ster. De hoeveelheid materie die door de explosie van de begeleidende ster is weggeblazen lijkt betrekkelijk gering. Dat maakt de kans groot dat de begeleider van de exploderende witte dwerg de catastrofe heeft overleefd. Een tweede aanwijzing in die richting is de eerdere ontdekking van een ster in de omgeving van de supernova-rest die zich met opvallend hoge snelheid uit de voeten maakt.
Meer informatie:
Chandra Finds New Evidence on Origin of Supernovas

20 april 2011
Astronomen hebben met de infraroodsatelliet Herschel een uitzonderlijk heldere uitbarsting waargenomen bij een ster-in-wording. De proto-ster, die de aanduiding HBC 722 draagt, maakt deel uit van de zogeheten Noord-Amerikanevel en is omgeven door gaswolken en andere jonge sterren. HBC 722 begon in de zomer van 2010 helderder te worden - eerst langzaam, later steeds sneller. In september vorig jaar was de ster twintig keer zo helder als voorheen. Sindsdien wordt hij geleidelijk zwakker. Het opvlammen van een jonge ster wordt niet zo vaak waargenomen: de vorige waarneming van een dergelijk verschijnsel was al meer dan dertig jaar geleden. Vermoed wordt dat zo'n uitbarsting ontstaat als zich in de materieschijf die elke ster-in-wording omgeeft zo veel gas heeft opgehoopt, dat deze als het ware overstroomt. Er stroomt dan in één keer veel meer materie naar de ster dan normaal.
Meer informatie:
Caught in the Act: Cascading Material Pours onto a Young Star

20 april 2011
Een nieuw onderzoek naar het ontstaan van spiraalpatronen in sterrenstelsels zoals onze Melkweg zou grote gevolgen kunnen hebben voor de bestaande ideeën over de vorming van spiraalarmen. Sinds de jaren zestig gaan sterrenkundigen ervan uit dat spiraalarmen een golfeffect zijn, enigszins vergelijkbaar met de Mexicaanse golf in een voetbalstadion. De sterren die erin te zien zijn, zouden zijn ontstaan doordat de golf die door het stelsel heen gaat het daarin aanwezige gas samendrukt en nieuwe sterren doet ontstaan. Als de golf gepasseerd is, zouden deze sterren achterblijven en zich verspreiden. Computersimulaties door Britse sterrenkundigen wijzen er nu echter op dat de sterren met de spiraalarmen mee draaien. Bovendien zou het spiraalpatroon slechts een tijdelijke structuur zijn, met een levensduur van hooguit 100 miljoen jaar, die uiteindelijk plaatsmaakt voor nieuwe spiraalarmen. Volgens de onderzoekers migreren sterren binnen een spiraalstelsel veel gemakkelijker dan tot nog toe werd gedacht. Sterren die aan de voorzijde van een spiraalarm zitten, verplaatsen zich in de richting van het centrum van het stelsel. En die aan de achterzijde van een spiraalarm migreren naar buiten.
Meer informatie:
New theory of evolution for spiral galaxy arms

18 april 2011
De heetste sterren in het heelal tollen zo snel om hun as, dat ze aan hun evenaar flink uitstulpen. Maar dit heeft niet tot gevolg dat deze sterren aan hun evenaar beduidend minder heet zijn dan aan hun polen, zoals tot nog toe werd aangenomen. Dat blijkt uit onderzoek door astronomen van enkele Amerikaanse universiteiten, die op een paar van deze sterren hebben ingezoomd. Dat de snel roterende sterren een aanzienlijk koeler evenaargebied zouden hebben, volgde uit een theorie die 90 jaar geleden werd opgesteld door de Zweedse astronoom Edvard Hugo von Zeipel. Uit metingen van de ster Regulus, die zo snel om zijn as tolt dat hij bijna uit elkaar spat, blijkt echter dat het temperatuurverschil tussen evenaar en polen betrekkelijk klein is. Volgens de onderzoekers heeft Von Zeipel onvoldoende rekening gehouden met het feit dat in sterren als Regulus circulaties optreden die vergelijkbaar zijn met de windpatronen op aarde. Deze stromingen zorgen ervoor dat temperatuurverschillen binnen de perken blijven. De gemeten afwijkingen van de theorie zijn dermate groot, dat de schattingen van de massa's en leeftijden van deze hete sterren moeten worden bijgesteld.
Meer informatie:
Zoom-up star photos poke holes in century-old astronomical theory

18 april 2011
Leerlingen van vijf middelbare scholen in Engeland en Wales hebben meegewerkt aan het ontraadselen van een mysterieuze röntgendubbelster, IRG J00291+5934 geheten. De dubbelster bestaat uit een kleine, compacte en snel roterende neutronenster (zichtbaar als een pulsar), die materiaal opzuigt van een begeleidende ster. Zulke röntgendubbelsterren vertonen regelmatig krachtige uitbarstingen, vermoedelijk wanneer zich voldoende materiaal van de ster heeft opgehoopt in een afgeplatte, roterende schijf rond de pulsar. Het materiaal uit die accretieschijf komt dan op het oppervlak van de pulsar terecht, waarbij krachtige röntgenstraling wordt gegenereerd. Vervolgens duurt het geruime tijd voordat de schijf zich opnieuw heeft 'gevuld'. Met IRG J00291+5934 is echter iets bijzonders aan de hand: in september 2008 werd een zeer energierijke uitbarsting waargenomen, die binnen drie weken uitdoofde, waarna een maand later alweer een nieuwe uitbarsting plaatsvond - onwaarschijnlijk snel. Een internationaal team van astronomen heeft de röntgendubbelster nu zeer uitgebreid geanalyseerd, op basis van waarnemingen van talloze telescopen op aarde en in de ruimte (waaronder de Westerbork Synthese Radio Telescoop in Drenthe). Bij de analyse zijn ook waarnemingen onderzocht die door Engelse scholieren verricht zijn met de Faulkes North Telescope op Hawaii, een op afstand bedienbare telescoop voor educatieve doeleinden. Hoewel het raadsel van de snelle uitbarstingen nog niet is opgelost, denken astronomen dat de twee röntgenexplosies in werkelijkheid één uitbarsting vormden, die halverwege tijdelijk werd onderbroken, mogelijk door een soort 'propeller-effect' waarbij juist materiaal naar buiten werd geblazen. De voorlopige resultaten van het onderzoek zijn gepresenteerd op de National Astronomy Meeting (NAM 2011) van de Royal Astronomical Society in Llandudno, Wales.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

14 april 2011
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft met de Internationale LOFAR Telescoop (ILT), ontworpen en gebouwd door het Nederlandse instituut voor radioastronomie ASTRON, meer dan honderd pulsars waargenomen. Pulsars geven felle regelmatige radioflitsen met een stabiel ritme van 40 tot wel 3800 slagen per minuut. Daarvan maakte het team de gevoeligste 'hartfilmpjes' die ooit op deze waarneemfrequentie zijn gemaakt. In die filmpjes is te zien dat sommige pulsars anders flitsen dan werd gedacht. De eerste pulsar werd in 1967 bij toeval ontdekt op een waarneemfrequentie van 81 Mhz (vergelijkbaar met een FM radiozender). LOFAR grijpt terug op een vergelijkbare techniek, maar is de eerste radiotelescoop waarbij een krachtige supercomputer de signalen van duizenden eenvoudige antennes combineert. Daarmee zoekt LOFAR de hele hemel af naar nieuwe radiopulsars. De eerste resultaten van de zoektocht naar nieuwe pulsars die op het ogenblik gaande is, verschijnen binnenkort in het wetenschappelijke tijdschrift Astronomy & Astrophysics.

13 april 2011
Uit waarnemingen met de Europese infraroodsatelliet Herschel blijkt dat interstellaire gaswolken netwerken van onderling verstrengelde gasslierten bevatten. Elk van die zogeheten filamenten is ongeveer even breed en volgens astronomen wijst dat erop dat zij allemaal op dezelfde manier zijn ontstaan. De meest waarschijnlijke oorzaak zijn schokgolven in de interstellaire ruimte. De waargenomen filamenten zijn tot wel tientallen lichtjaren lang en uit de Herschel-waarnemingen blijkt dat in de delen met de hoogste gasdichtheid vaak pasgeboren sterren te zien zijn. Qua breedte lopen de gasstrengen niet veel uiteen: ze zijn allemaal ongeveer 0,3 lichtjaar breed - oftewel 20.000 keer de afstand zon-aarde. Door de waargenomen eigenschappen te vergelijken met de resultaten van computermodellen zijn de astronomen tot de conclusie gekomen dat de filamenten waarschijnlijk zijn gevormd door 'supersone' schokgolven die door het interstellaire gas zijn gegaan. Deze schokgolven zijn het gevolg van de explosies van sterren in de omgeving die het gas plaatselijk samendrukken. De verhoogde gasdichtheid die daar het gevolg van is, geeft de aanzet tot de vorming van nieuwe sterren.
Meer informatie:
Herschel links star formation to sonic booms
Herschel unravels the thread of star formation in the Gould Belt

11 april 2011
De Amsterdamse sterrenkundigen Rudy Wijnands en Nathalie Degenaar hebben grote temperatuurvariaties waargenomen aan het oppervlak van een neutronenster, veroorzaakt door materieoverdracht van een begeleidende ster. De mate en de snelheid van opwarming en afkoeling biedt informatie over de inwendige opbouw van neutronensterren - kleine, supercompacte en snel rondtollende sterren die het overblijfsel vormen van supernova-explosies. De neutronenster IGR J17480-2446, in de bolvormige sterrenhoop Terzan 5, maakt deel uit van een röntgendubbelster: er draait een andere ster omheen, en wanneer gas van die ster overgedragen wordt aan de neutronenster, zendt het systeem energierijke röntgenstraling uit. Uit archiefwaarnemingen en nieuwe metingen met de Amerikaanse Chandra-ruimtetelescoop blijkt nu dat de neutronenster ná zo'n periode van materieoverdracht bijna anderhalf keer zo heet is als ervoor. De resultaten worden gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. In mei worden nieuwe waarnemingen gedaan om te onderzoeken in welke mate en in welk tempo de neutronenster weer is afgekoeld.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

7 april 2011
Het stellaire bevolkingsonderzoek waarmee de Amerikaanse satelliet Kepler momenteel bezig is, levert een schat aan informatie op over sterren zoals onze zon. Deze week berichten astronomen van onder meer de universiteiten van Amsterdam en Nijmegen over waarnemingen van kleine helderheidsvariaties bij vijfhonderd zonachtige sterren (Science, 8 maart). Het onderzoek van deze sterren moet meer inzicht geven in hun ontwikkeling. Hoofdtaak van de Kepler-satelliet is het registreren van de periodieke helderheidsdipjes die sterren kunnen vertonen als er planeten omheen draaien. Maar ook van zichzelf vertonen sterren kleine helderheidsvariaties, die worden veroorzaakt door oscillaties of 'sterbevingen'. En net als bij seismologisch onderzoek op aarde kunnen deze bevingen worden gebruikt om meer te weten te komen over het inwendige. Dankzij Kepler is het aantal zonachtige sterren waarbij oscillaties zijn waargenomen meer dan vertwintigvoudigd. Uit analyse van de nieuwe metingen blijkt dat de onderzochte sterren ongeveer zo groot zijn als vooraf was ingeschat. Maar hun massa's zijn iets kleiner dan verwacht en vertonen een grotere spreiding. Dat betekent dat een belangrijk onderdeel van de bestaande modellen voor de evolutie van sterren - de zogeheten massa-straalrelatie - wellicht moet worden bijgesteld. In hetzelfde nummer van Science maakt een ander team van astronomen de ontdekking bekend van een drievoudige ster die uit een rode reus en twee rode dwergsterren bestaat. Uit Kepler-gegevens blijkt dat de oscillaties in de reuzenster worden verstoord door de aanwezigheid van de beide dwergen.
Meer informatie:
Kepler-telescoop luistert naar een concert van zonachtige sterren
Astronomers Update Census Of Sun-Like Stars
Kepler Asteroseismic Science Consortium

6 april 2011
Astronomen hebben, met de hulp van duizenden vrijwilligers, een bijzondere pulsar ontdekt. De rondtollende neutronenster vormt een paar met een witte dwergster, en is daardoor bijzonder geschikt voor het toetsen van de algemene relativiteitstheorie. Wetenschappers die zich met kosmisch onderzoek bezighouden, hebben een luxeprobleem. Ze verzamelen zo veel gegevens, dat het steeds moeilijker wordt om die gegevens te analyseren. Daarom roepen zij steeds vaker de hulp in van vrijwilligers die de rekenkracht van hun pc's ter beschikking willen stellen voor dataverwerking via het internet. Eén van die initiatieven is Einstein@Home, een programma waarbij gegevens van de Arecibo-radiotelescoop worden geanalyseerd om nieuwe pulserende neutronensterren te vinden. Op die manier is ook de exotische pulsar J1952+2630 opgespoord. Deze neutronenster, 31.000 lichtjaar van ons verwijderd, geeft eens in de 20,7 milliseconde een korte stoot radiostraling. Door het pulsgedrag heel nauwkeurig te analyseren zijn professionele astronomen tot de ontdekking gekomen dat er kleine, regelmatige variaties in die pulsperiode zitten. Daaruit kan worden afgeleid dat de pulsar een kleine, maar zware begeleider heeft: vermoedelijk een witte dwerg. De twee wentelen in vrijwel volmaakte cirkelbanen in ruim negen uur om hun gemeenschappelijke zwaartepunt. Dat maakt deze bijzondere dubbelster tot een geschikt object voor het meten van relativistische verschijnselen. Zo hopen astromen bij J1952+2630 het zogeheten Shapiro-effect te kunnen meten. Dat effect zorgt ervoor dat (radio)straling die vlak langs een zwaar object scheert van het rechte pad afwijkt en dus een beetje vertraging oploopt. Als deze vertragingen in het geval van J1952+2630 inderdaad meetbaar zijn, kunnen daaruit de massa's van de pulsar en de witte dwerg worden afgeleid.
Meer informatie:
Einstein@Home detects unusual stellar pair
Einstein@Home

6 april 2011
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft een dubbelster ontdekt, bestaande uit twee witte dwergsterren die in 39 minuten om elkaar heen wentelen. De onderlinge afstand tussen beide sterretjes is zo klein, dat zij binnen enkele tientallen miljoenen jaren met elkaar in botsing zullen komen en een 'nieuwe' ster vormen. Een witte dwerg is het restant van een ster die aan het eind van zijn bestaan zijn buitenste gaslagen heeft afgestoten. Het overblijfsel, in feite de kern van de oorspronkelijke ster, is ongeveer zo groot als de aarde, maar vele malen zwaarder. Dubbelsterren die uit twee van die witte dwergen bestaan zijn schaars, en zulke compacte als de recent ontdekte dubbelster SDSS J010657.39 al helemaal. De onderlinge afstand tussen de twee sterren, die waarschijnlijk geheel uit helium bestaan, is slechts 225.000 kilometer - kleiner dus dan de afstand aarde-maan. Doordat de beide sterretjes zo snel om elkaar heen draaien, zenden ze veel zogeheten gravitatiestraling uit. Hierdoor verliezen ze snelheid en naderen ze elkaar steeds dichter. Bij relatief zware witte dwergen kan de uiteindelijke botsing uitdraaien op een supernova-explosie. Maar déze witte dwergen hebben daar niet genoeg massa voor: samen zijn ze nog niet half zo zwaar als onze zon. Hun samensmelting zal dan ook met een sisser aflopen. Het resultaat zal waarschijnlijk niet van een 'normale' ster te onderscheiden zijn.
Meer informatie:
Two Dying Stars Reborn as One

4 april 2011
Infraroodwaarnemingen met NASA's Spitzer Space Telescope van een protoster op 1500 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Orion hebben een merkwaardig verschijnsel aan het licht gebracht. Zoals vrijwel alle protosterren blaast HH34 in twee tegenovergestelde richtingen bundels van gas de ruimte in, maar de ene straalstroom ( jet ) blijkt een vertraging van 4,5 jaar te hebben ten opzichte van de andere. De opmerkelijke ontdekking is gepubliceerd in Astrophycisal Journal Letters. Sterren ontstaan uit afgeplatte, ronddraaiende schijven van gas en stof. Tijdens het samentrekkingsproces begint zo'n schijf steeds sneller te roteren. Overtollige draai-energie wordt afgevoerd door het wegblazen van twee straalstromen, die haaks op de schijf staan, evenwijdig aan de draaiingsas. Van HH34 was één van die twee jets al uitgebreid bestudeerd met de Hubble Space Telescope. De andere is met een optische telescoop echter niet zichtbaar: hij wordt aan het oog onttrokken door absorberend stof. Met de Spitzer Space Telescope is die tweede straalstroom nu wel waargenomen op infrarode golflengten. Beide bundels blijken hetzelfde patroon van verdichtingen te bevatten, ontstaan doordat er soms meer materie dan gemiddeld wordt weggeblazen. De patronen zijn echter verschoven ten opzichte van elkaar, wat erop wijst dat de ene bundel een vertraging van 4,5 jaar vertoont ten opzichte van de andere. De onderzoekers vermoeden dat de tegenovergesteld gerichte bundels met elkaar 'communiceren' door middel van geluidsgolven in het gas. Uit de gemeten vertraging blijkt dan dat de bundels moeten ontstaan in een gebied dat kleiner is dan een paar honderd miljoen kilometer.
Meer informatie:
NASA's Spitzer Discovers Time-Delayed Jets Around Young Star
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

30 maart 2011
Een internationaal team van astronomen, onder wie Saskia Hekker van de Universiteit van Amsterdam, is erin geslaagd diep in het binnenste van zogeheten rode reuzen te kijken en te bepalen welke van deze reuzensterren nog in hun kinderjaren zijn, welke aan het puberen en welke op sterven na dood. Deze ontdekking, die deze week in Nature wordt gepubliceerd, is gedaan met de Kepler-ruimtetelescoop en geeft nieuwe aanknopingspunten voor onderzoek naar de evolutie van sterren zoals onze eigen zon. Rode reuzen zijn sterren die aan het eind van hun leven zijn gekomen. Onze eigen zon bereikt dat stadium over zo'n vijf miljard jaar. Tegen die tijd zal de zon ruim tien keer groter zijn dan nu, en ongeveer vijftig keer zo helder. De kleur is dan verschoven van geelachtig naar roodachtig - vandaar de naam rode reus. De voorraad waterstof in de kern raakt op en de ster gaat de waterstof in een schil rondom de kern verbranden. Tegen het einde van zijn leven begint de rode reus het helium in zijn kern te verbranden. De astronomen hebben gedurende bijna een jaar met een ongekende precisie het licht van honderden rode reuzen bestudeerd en zijn veel te weten gekomen over hun kernen. 'De veranderingen in de helderheid aan het oppervlak van de ster zijn het gevolg van turbulente bewegingen in het inwendige van de ster, die continu sterbevingen veroorzaken', zegt eerste auteur prof. Tim Bedding van de Universiteit van Sydney. De geluidsgolven die daarbij worden geproduceerd, reizen naar het inwendige van de ster en weer terug. Als de condities goed zijn, gaan de geluidsgolven een interactie aan met andere golven, die in de heliumkern van de ster zitten. Het zijn deze gemengde schommelingen (oscillaties) die iets zeggen over de leeftijdsfase van de rode reus.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Kepler spacecraft gives astronomers a look inside red giant stars

28 maart 2011
Vier Nederlandse astronomen hebben een verklaring gevonden voor een bizar astronomisch object, met de naam J1903+0327. Het gaat om een zogeheten millisecondenpulsar (een kleine, compacte, extreem snel rondtollende ster), waar een gewone, zonachtige ster in een wijde, langgerekte baan omheen draait. Algemeen wordt aangenomen dat millisecondenpulsars tot hun hoge rotatiesnelheden (meer dan honderd keer per seconde) door materie-overdracht van een begeleider, maar zo'n begeleider moet dan juist in een zeer kleine baan rond de pulsar draaien. Modelberekeningen van Ed van den Heuvel, Simon Portegies Zwart, Joeri van Leeuwen en Gijs Nelemans bieden nu een mogelijke verklaring voor het merkwaardige duo. Volgens de vier astronomen, die hun resultaten beschrijven in Astrophysical Journal , bestond het systeem oorspronkelijk uit drie sterren. De pulsar werd inderdaad opgezweept door materie-overdracht van een begeleider in een kleine baan, en de zonachtige ster draaide op grote afstand rond dat duo heen. Door de materie-overdracht raakte het stelsel echter instabiel, en werd de 'leeglopende' ster de ruimte in geslingerd.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

24 maart 2011
In het restant van een meer dan vier eeuwen geleden ontplofte ster is een patroon van 'röntgenstrepen' ontdekt. Dat patroon vormt het eerste directe bewijs dat een kosmisch verschijnsel deeltjes kan versnellen tot energieën vele malen groter zijn dan die in de krachtigste deeltjesversneller op aarde. Het bestaan van het röntgenpatroon is aan het licht gekomen na langdurig onderzoek van het restant van de supernova van 1572 met de Chandra-röntgensatelliet. Bij een supernova-explosie ontstaan zeer sterke magnetische velden, waarvan de veldlijnen onderling verstrikt kunnen raken. Vermoed wordt dat de door Chandra ontdekte röntgenstrepen gebieden zijn waar de magnetische velden nog meer verstrengeld zijn dan elders. Onduidelijk is echter nog waarom dat zo'n regelmatig patroon oplevert.Maar ongeacht de precieze oorzaak, kan de afstand tussen de röntgenstrepen worden gebruikt om de energieën te schatten van de deeltjes die door de magnetische velden worden versneld, en daardoor röntgenstraling gaan uitzenden. Uit de schatting bleekt dat de deeltjes energieën krijgen die honderd keer groter zijn dan de energieën die met de Large Hadron Collider, de krachtigste deeltjesversneller op aarde, worden bereikt. Dit resultaat kan voor een deel verklaren waar de meest energierijke deeltjes van de kosmische straling vandaan komen, waar de aarde voortdurend mee wordt gebombardeerd. Dat supernova-explosies een belangrijke leverancier zijn van deze deeltjes werd al langer vermoed, maar een direct bewijs ontbrak tot nog toe.
Meer informatie:
Exploding Stars and Stripes

24 maart 2011
De Europese gammasatelliet Integral heeft extreem hete materie waargenomen die op het punt staat om in een zwart gat te verdwijnen. Of toch niet? De waarnemingen laten de mogelijkheid open dat een deel van de materie nog kan ontsnappen. Bij een zwart gat kun je maar beter niet in de buurt komen. Op enkele honderden kilometers van zijn 'oppervlak' kolkt de ruimte van de energierijke deeltjes en straling. Normaal gesproken zijn die deeltjes slechts een duizendste seconde van hun noodlottige einde verwijderd. Maar voor sommige van hen bestaat hoop. Dat blijkt uit de eigenschappen van gammastraling die afkomstig is van het object Cygnus X-1 - een zwart gat dat samen met een reuzenster een bizarre dubbelster vormt. De metingen van Integral, die verspreid over zeven jaar hebben plaatsgevonden, laten zien dat de omgeving van dat zwarte gat één grote kluwen van magnetische veldlijnen is. En op sommige plaatsen is het magnetische veld zó sterk dat ze de deeltjes uit de zwaartekrachtsgreep van het zwarte gat kunnen losrukken en terug de ruimte schieten.Hoe dat wegschieten precies in zijn werk gaat, is overigens nog onduidelijk. Mogelijk dat de Integral-metingen meer duidelijkheid over dit proces kunnen geven.
Meer informatie:
Integral spots matter a millisecond from doom

23 maart 2011
Het nieuws was twee weken geleden al uitgelekt, maar nu is er wat meer informatie over de koele bruine dwerg die door een internationaal team van astronomen is opgespoord. Het object, dat gebukt gaat onder de aanduiding CFBDSIR 1458+10B, is de zwakste van een tweetal om elkaar draaiende bruine dwergen op 75 lichtjaar van de aarde. Het heeft een temperatuur van amper 100 graden. Bruine dwergen zijn feitelijk mislukte sterren. Ze hebben te weinig massa om de kernreacties op gang te brengen die sterren laten stralen. Hierdoor zijn bruine dwergen per definitie tamelijk koel en zenden ze in plaats van zichtbaar licht voornamelijk infraroodstraling uit. Bij het ontrafelen van de eigenschappen van deze koele bruine dwerg is gebruik gemaakt van drie verschillende telescopen. Dat CFBDSIR 1458+10 een dubbelster is, werd ontdekt met het Laser Guide Star (LGS) adaptieve optische systeem van de Keck II-telescoop op Hawaï. De astronomen hebben vervolgens de Canada-France-Hawaii-telescoop ingezet om met behulp van een infraroodcamera de afstand van de bruine dwerg te bepalen. Ten slotte werd de Europese Very Large Telescope in Chili gebruikt om het infraroodspectrum van het object te onderzoeken en zijn temperatuur te meten. De jacht op koele objecten is momenteel een hot topic in de astronomie. De Spitzer-ruimtetelescoop heeft onlangs twee andere zeer zwakke objecten ontdekt die meedingen naar de titel 'koelste bruine dwerg', al zijn hun temperaturen nog niet zo nauwkeurig gemeten. Toekomstige waarnemingen moeten uitwijzen hoe deze objecten zich verhouden tot CFBDSIR 1458+10B. 'Bij zulke temperaturen verwachten we dat een bruine dwerg veel meer op een reuzenplaneet lijkt dan eerder ontdekte bruine dwergen - hij zou zelfs wolken waterdamp in zijn atmosfeer kunnen hebben,' aldus Michael Liu van het Institute for Astronomy van de universiteit van Hawaï, die de hoofdauteur is van het artikel waarin de ontdekking van de koele bruine dwerg wordt beschreven. 'Sterker nog, als we in de nabije toekomst foto's gaan maken van grote gasplaneten bij zonachtige sterren, zullen vele daarvan volgens mij op CFBDSIR 1458+10B lijken.'
Meer informatie:
Een zeer koel tweetal bruine dwergen

17 maart 2011
Een internationaal team van astronomen, onder wie Saskia Hekker van de Universiteit van Amsterdam, heeft een manier gevonden om het diepe inwendige van rode reuzensterren te onderzoeken. De ontdekking is gedaan dankzij nauwkeurige metingen met de NASA-satelliet Kepler (Science Express,17 maart). Rode reuzen zijn opgezwollen, koele sterren die in hun laatste levensfase verkeren. Ook onze zon zal, over ongeveer vijf miljard jaar, tot zo'n kolos uitgroeien. Het onderzoek aan deze sterren kan dus meer inzicht geven in het uiteindelijke lot van onze eigen ster. Net zoals seismologen de trillingen van een aardbeving kunnen benutten om de aardkern in kaart te brengen, kunnen astronomen gebruik maken van de oscillerende golven die in sterren optreden om hun inwendige te onderzoeken. Bij het analyseren van de Kepler-gegevens hebben de astronomen ontdekt dat er in rode reuzen oscillaties optreden die helemaal tot in het hart van de ster doordringen. Dat betekent niet alleen dat nu een gedetailleerd beeld kan worden verkregen van het diepe inwendige van deze sterren, ook kan hun chemische samenstelling en rotatiegedrag beter worden bepaald.
Meer informatie:
Astronomen nemen echo's waar uit de kern van een rode reus

9 maart 2011
Astronomen van de universiteit van Hawaï hebben een extreem koele bruine dwergster ontdekt. Vanwege zijn lage temperatuur is het object al nauwelijks meer een ster te noemen. Bruine dwergen vormen het overgangsgebied van (zware) planeten naar normale sterren. Deze 'mislukte sterren' zijn te klein om grootschalige fusiereacties in hun kern in gang te zetten, maar wijken qua opbouw sterk af van planeten. Anders dan dat van een planeet heeft het inwendige van een bruine dwerg overal dezelfde chemische samenstelling. De meeste bruine dwergen hebben temperaturen van enkele duizenden graden, maar op theoretische gronden werd verwacht dat er ook een categorie extreem koele exemplaren zou bestaan. Het nu ontdekte object, CFBDSIR J1458+1013A, lijkt tot die categorie te behoren. CFBDSIR J1458+1013A is naar schatting slechts zes tot vijftien keer zo zwaar als de planeet Jupiter en heeft een temperatuur van slechts 97 graden. Door die lage temperatuur is de bruine dwerg slechts waarneembaar als een zwakke bron van infraroodstraling.
Meer informatie:
'Very Cold' Brown Dwarf Discovered

9 maart 2011
Het groeiproces van een jonge ster gaat met horten en stoten. En dat is gunstig voor het ontstaan van planeten en 'babysterren', zo blijkt uit een nieuw Brits computermodel. Sterren ontstaan uit samentrekkende wolken van voornamelijk waterstofgas. Het materiaal uit die gaswolk valt niet rechtstreeks op de ster-in-wording, maar verzamelt zich in een schijf daaromheen. Die schijf bevat vaak voldoende materiaal voor de vorming van nóg een (kleine) ster of een aantal planeten. Maar dat vormingsproces wordt gehinderd door de grote uitbarstingen die de centrale jonge ster vertoont. Het Britse computermodel laat echter zien dat die ster het grootste deel van de tijd 'slaapt'. Steeds als hij een flinke portie materie uit de omringende schijf tot zich genomen heeft, is hij weer een paar duizend jaar rustig. En ondertussen verzamelt de accretieschijf nog steeds gas en stof uit de omgeving. Volgens de onderzoekers duren de rustige perioden van de ster lang genoeg om de accretieschijf zo omvangrijk te laten worden, dat hij in stukjes uiteenvalt. Afhankelijk van de grootte van deze fragmenten kunnen daaruit planeten of kleine sterren ontstaan. De nieuwe theorie kan een verklaring bieden voor het ontstaan van sterren die meer dan vijf keer zo licht zijn als onze zon. Deze 'babysterren' vertegenwoordigen meer dan zestig procent van alle sterren in ons Melkwegstelsel.
Meer informatie:
Baby stars born to 'napping' parents

2 maart 2011
Uit waarnemingen met de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer blijkt dat de ruimte tussen de sterren rijker is aan zogeheten buckyballen dan gedacht. Buckyballen heten officieel buckminsterfullerenen en zijn de grootste moleculen die in de ruimte gevonden zijn. Het zijn zeer stabiele, bolvormige moleculen die geheel uit koolstofatomen bestaan. De Spitzer-waarnemingen laten zien dat buckyballen juist niet voorkomen op de schaarse plekken waar weinig waterstof aanwezig is, zoals tot nog toe werd gedacht. Ze zijn gewoon te vinden in omgevingen die rijk zijn aan waterstofgas. Dat is opmerkelijk, omdat laboratoriumexperimenten erop wezen dat de aanwezigheid van waterstof de vorming van buckyballen belemmert. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de vorming van buckyballen in de ruimte zich op een andere manier voltrekt dan aanvankelijk werd aangenomen. Er zijn aanwijzingen dat ze ontstaan door de inwerking van ultraviolette straling op koolstofhoudende stofdeeltjes. Daarbij zouden niet alleen buckyballen gevormd worden, maar ook groter koolwaterstofmoleculen.
Meer informatie:
Buckyballs, Largest Known Molecules, More Common in Space Than Thought

23 februari 2011
Door de ontdekking dat de temperatuur van een ultracompacte ster snel afneemt, zijn astronomen een exotische materietoestand op het spoor gekomen. Twee onafhankelijke onderzoeksteams hebben uit gegevens van de Amerikaanse röntgensatelliet NASA afgeleid dat het inwendige van de neutronenster in de supernovarest Cassiopeia A (Cas A) zogeheten superfluïde materie bevat. Cas A is het restant van een zware ster die 330 jaar geleden tot ontploffing kwam. De kern van de oorspronkelijke ster is daarbij ineengestort tot een compacte bal die grotendeels uit neutronen bestaat. Uit Chandra-metingen blijkt dat deze neutronenster de afgelopen tien jaar ongeveer vier procent is afgekoeld. Dat lijkt niet zo veel, maar een dergelijke afkoeling is alleen mogelijk als zich in de neutronenster iets bijzonders afspeelt. Volgens de onderzoekers is er in zijn kern de afgelopen honderd jaar een superfluïdum van neutronen ontstaan. Dat wil zeggen: materie die zich in een wrijvingsloze toestand bevindt. Op aarde kan deze materietoestand alleen worden gerealiseerd bij temperaturen nabij het absolute nulpunt, maar bij de extreem hoge druk die in een neutronenster heerst is superfluïditeit ook bij veel hogere temperaturen mogelijk. De onderzoekers verwachten dat de snelle afkoeling nog enkele tientallen jaren doorgaat, maar daarna afneemt.
Meer informatie:
Superfluid And Superconductor Discovered In A Star's Core
NASA'S Chandra Finds Superfluid in Neutron Star's Core

10 februari 2011
Met de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer zijn in de Noord-Amerikanevel, een grote nevel van gas en stof in het sterrenbeeld Zwaan, meer dan tweeduizend jonge sterren ontdekt. Daarmee is het bekende aantal sterren in dit stervormingsgebied in één klap vertienvoudigd. De Noord-Amerikanevel dankt zijn naam aan het feit dat zijn vorm in zichtbaar licht wel wat weg heeft van het gelijknamige continent. Die gelijkenis is grotendeels te danken aan dichte, donkere stofbanden die het licht van erachter gelegen sterren en gaswolken tegenhouden. In het infrarood kijken we door dat stof heen, en ziet de nevel er heel anders uit. Achter het stof houden zich dus duizenden jonge sterren verscholen, maar daarmee heeft de Noord-Amerikanevel nog niet al zijn geheimen prijsgegeven. Onduidelijk is namelijk waar de straling vandaan komt die het gas in de nevel aan het gloeien brengt. Waarschijnlijk is een groepje zware, heldere sterren de bron van die straling, maar die sterren zijn ook op de Spitzer-opname niet te zien. Waarschijnlijk gaan ze schuil achter de dichtste stofwolken in het gebied.
Meer informatie:
New View of Family Life in the North American Nebula

2 februari 2011
Een internationaal team astronomen, onder wie de Groningse professor Amina Helmi, heeft een nieuwe stroom van sterren ontdekt in de Melkweg. De 'Aquarius-stroom' is genoemd naar het sterrenbeeld Waterman in welke richting hij zich bevindt. De ontdekking is gedaan binnen het RAVE-project, waarin de eigenschappen en snelheden van 250.000 individuele sterren zijn bepaald. De Aquarius-stroom bevindt zich, in tegenstelling tot eerder ontdekte 'sterrenkolonies' als de Helmi-stroom, in het galactisch vlak, en was daardoor moeilijk te vinden. De astronomen stelden met behulp van de RAVE-data van 12.000 sterren in dit gebied de radiale snelheid (de snelheid van een object van ons af of naar ons toe) vast en ontdekten dat vijftien sterren een afwijkende baan volgen. Ze bewegen met een relatieve snelheid tot 15.000 kilometer per uur door de schijf van de Melkweg. Uit computersimulaties blijkt dat deze sterren deel uitmaken van een grotere stroom die afkomstig is van een klein sterrenstelsel dat zo'n 700 miljoen jaar geleden door de Melkweg is aangetrokken en opgeslokt.
Meer informatie:
Astronomen vinden nieuwe sterrenstroom van extragalactische origine
Het RAVE-project

26 januari 2011
Europese sterrenkundigen hebben een mogelijke verklaring gevonden voor de stofschijf rond de hete reuzenster HD 62623. De oorzaak lijkt te liggen bij een (niet waarneembare) kleinere ster die om HD 62623 draait. Dichte stofschijven worden doorgaans alleen aangetroffen rond jonge sterren die nog bezig zijn om materie te verzamelen uit de gaswolk waarin zij geboren worden. HD 62623 is echter een reuzenster die op het punt staat om zijn laatste adem uit te blazen. De intense straling van deze ster zou stofvorming in zijn omgeving eigenlijk moeten verhinderen. Hoe komt HD 62623 dan aan die stofschijf? Interferometrische waarnemingen met de vier 1,8-meter hulptelescopen van de Very Large Telescope van de Europese zuidelijke sterrenwacht in Chili hebben een tipje van de sluier opgelicht. Uit de waarnemingen blijkt namelijk dat de manier waarop het stof rond HD 62623 draait zich goed laat verklaren als er op kleine afstand van de reuzenster een 'normale' ster van ongeveer één zonsmassa draait. De kleinere begeleider, die volkomen verbleekt bij het felle licht van HD 62623, zou zich moeten bevinden in het lege hart van de stofschijf. De getijdenkracht van zo'n stellaire begeleider kan ook het waargenomen grote massaverlies van de reuzenster - de bron van de materie in de stofschijf - goed verklaren.
Meer informatie:
Supergiant star gains thick dusty waist

13 januari 2011
De Amerikaanse sterrenkundige Sukanya Chakrabarti denkt een methode te hebben gevonden om een donker satellietstelsel van ons Melkwegstelsel op te sporen. De positie van het kleine sterrenstelsel zou te herleiden zijn uit de verdeling van het waterstofgas in de melkweg. Om veel grote sterrenstelsels, waaronder ook het onze, cirkelen misschien wel duizenden dwergstelsels die te lichtzwak zijn om op te vallen. Deze stelsels bestaan voor een groot deel uit donkere materie. Ze mogen dan weinig of geen licht uitzenden, de donkere satellieten hebben wel massa en oefenen dus een aantrekkingskracht uit op hun omgeving - bijvoorbeeld op het gas tussen de sterren van het stelsel waar ze omheen cirkelen. Berekeningen van Chakrabarti wijzen erop dat rimpelingen in het gas van ons Melkwegstelsel worden veroorzaakt door een klein sterrenstelsel dat zich vanaf de aarde gezien aan de andere kant van de melkweg bevindt. Het stelsel houdt zich daardoor schuil achter het gas en stof van ons eigen Melkwegstelsel. Binnenkort zal worden geprobeerd om het dwergstelsel op te sporen met de infraroodsatelliet Spitzer. Maar dat de methode van Chakrabarti werkt, staat al vast. Ze is met succes getest op twee andere sterrenstelsels met bekende zwakke satellieten.
Meer informatie:
Forget Planet X! New Technique Could Pinpoint Galaxy X

12 januari 2011
Een week geleden maakten astronomen al melding van het feit dat de Krabnevel, het beroemde restant van een supernova-explosie in het sterrenbeeld Stier, uitbarstingen van gammastraling vertoont. Ook de röntgenstraling van het object blijkt niet zo constant te zijn als tot nog toe werd gedacht. Veertig jaar lang hebben röntgensterrenkundigen de Krabnevel als ijkbron gebruikt. De röntgenstraling die de nevel produceert leek zelfs dermate constant dat de intensiteit ervan een veelgebruikte eenheid werd. Maar aan die gewoonte komt waarschijnlijk een eind.Uit waarnemingen van een aantal satellieten volgt namelijk dat de intensiteit van de meest energierijke röntgenstraling die de Krabnevel uitzendt variabel is. De afgelopen twee jaar is een daling van zeven procent geconstateerd. Ook is gebleken dat de intensiteit van de supernovarest sinds 1999 met 3,5 procent op en neer gaat. De oorzaak van de variaties is nog onduidelijk. De Krabnevel ontleent zijn energie aan het rondtollende restant van de bijna duizend jaar geleden ontplofte ster in zijn centrum. En de energie die deze zogeheten pulsar uitzendt lijkt niet te zijn afgenomen.
Meer informatie:
NASA Satellites Find High-Energy Surprises in 'Constant' Crab Nebula
The Crab Nebula: standard candle no more?

12 januari 2011
Voor het eerst is het directe bewijs gevonden dat cepheïden, sterren die een belangrijke rol spelen bij de bepaling van afstanden in het heelal, zich niet zo betrouwbaar gedragen als tot nu toe werd aangenomen. Dat blijkt uit waarnemingen van de ster Delta Cepheï en 25 andere cepheïden die met de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer zijn verricht. Cepheïden worden door astronomen als 'standaardkaarsen' gebruikt. Het zijn pulserende sterren met een bijzondere eigenschap: ze geven meer licht naarmate ze trager pulseren. Door de pulsperiode van een cepheïde te meten, kom je dus zijn werkelijke helderheid te weten. En door die intrinsieke helderheid ter vergelijken met de schijnbare helderheid zoals we die op aarde waarnemen, kun je zijn afstand berekenen. Uit de Spitzer-waarnemingen blijkt nu dat veel cepheïden massa verliezen. Hierdoor vormt zich een stoffige cocon rond de ster die van invloed is op zijn helderheid. En dat heeft consequenties voor de berekende afstand van zo'n ster.
Meer informatie:
Cosmology Standard Candle Not So Standard After All

11 januari 2011
Bij zijn speurtocht naar planeten bij andere sterren doet de Amerikaanse satelliet Kepler soms ook een bijzondere ontdekking van geheel andere aard. De helderheidsveranderingen die hij bij de ster KOI-126 heeft gemeten, blijken niet te worden veroorzaakt door een planeet, maar door een tweetal dwergsterren (Science Express, 11 januari). Alles bij elkaar is KOI-126 dus een drievoudige ster. De hoofdster is iets zwaarder en ruim twee keer zo groot als onze zon. De twee sterretjes die er als dubbelster omheen draaien zijn ongeveer vier keer zo klein en licht als de zon. De beide kleine sterren wentelen op een onderlinge afstand van slechts drie miljoen kilometer om elkaar heen. Gezamenlijk draait het tweetal op een afstand van nog geen 40 miljoen kilometer om de grote ster. Hoe deze bijzondere drievoudige ster tot stand is gekomen, is nog onduidelijk.
Meer informatie:
Twinkle, Twinkle, Twinkle: Triplet Stars Discovered

10 januari 2011
Uit een grote inventarisatie van rode dwergen blijkt dat deze kleine, koele sterren aanzienlijk minder actief zijn dan uit eerder onderzoek leek te volgen. Rode dwergen zijn de meest voorkomende sterren in het heelal. Ze staan bekend om hun grillige gedrag: de sterren vertonen soms kolossale uitbarstingen waarbij hete materie en energierijke straling worden uitgezonden. Bij zo'n 'sterrenvlam' kan net zo veel energie vrijkomen als bij honderd miljoen atoombomexplosies. Om een indruk te krijgen van de frequentie waarmee rode dwergen zo'n uitbarsting vertonen, hebben astronomen gebruik gemaakt van de gegevens van 215.000 rode dwergsterren die al in 2006 met de Hubble-ruimtetelescoop zijn verzameld. De ruimtetelescoop was dat jaar een week lang gericht op een klein hemelgebiedje in het sterrenbeeld Boogschutter. Niet om rode dwergen te onderzoeken, maar om naar eventuele planeten te speuren. Uit analyse van de sterhelderheden die toen zijn gemeten, is nu gebleken dat rode dwergsterren vijftien keer minder vaak opvlammen dan tot nog toe werd gedacht. Tijdens de week van metingen zijn slechts een stuk of honderd opvlammende rode dwergen geregistreerd. Overigens is daarbij vastgesteld dat rode dwergen die regelmatige helderheidsveranderingen vertonen ook de meeste sterrenvlammen produceren.
Meer informatie:
NASA's Hubble Finds That Puny Stars Pack A Big Punch

6 januari 2011
In september vorig jaar detecteerden enkele astronomen een uitbarsting van gammastraling uit de Krabnevel, het bijna duizend jaar oude restant van een supernova-explosie in het sterrenbeeld Stier. Vervolgwaarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop lieten zien dat de gasnevel enkele subtiele veranderingen vertoonde. In Science doen astronomen deze week verslag van de gamma-uitbarsting, maar de oorzaak van het verschijnsel blijft vooralsnog onduidelijk. 'We zijn met stomheid geslagen,' aldus onderzoeker Roger Blandford. De gamma-uitbarsting van september, die een paar dagen duurde, was niet de eerste die de Krabnevel vertoonde. Ook in februari 2009 en oktober 2007 zijn zulke uitbarstingen van energierijke straling waargenomen. De oorzaak wordt gezocht bij de pulsar in het hart van de nevel - het compacte, rondtollende restant van de ster die in het jaar 1054 ontplofte. Deze pulsar blaast voortdurend een wind van energierijke geladen deeltjes uit, die interacties aangaan met het sterke magnetische veld van de pulsar en daardoor straling uitzenden. Blijkbaar zijn de gamma-uitbarstingen veroorzaakt door geladen deeltjes die nog energierijker zijn dan normaal. Hoe deze deeltjes aan die extra energie zijn gekomen, is voorlopig een mysterie.
Meer informatie:
Fermi's Large Area Telescope Sees Surprising Flares in Crab Nebula

20 december 2010
Nieuwe waarnemingen door astronomen van de universiteit van Michigan wijzen erop dat de zwaarste sterren in het heelal niet per se in het gezelschap van andere sterren ontstaan. Ze kunnen het ook wel alleen af. Dat blijkt uit gedetailleerd onderzoek met de Hubble-ruimtetelescoop van zware sterren waarvan al het vermoeden bestond dat ze alleen waren. Met de ruimtetelescoop is op acht van deze reuzen, die 20 tot 150 keer zo zwaar zijn als de zon, ingezoomd. Vijf van de sterren blijken helemaal geen buren te hebben, drie maken deel uit van groepjes van tien of minder sterren. Doorgaans gaan astronomen ervan uit dat alleen grote stervormingsgebieden voldoende gas bevatten om zulke reuzensterren te produceren. Nu er ook eenzame reuzensterren gevonden zijn, kunnen er vraagtekens bij deze theorie worden gezet. Anderzijds kan niet worden uitgesloten dat de eenzame sterren in grote stellaire kraamkamers zijn ontstaan en daar later uit ontsnapt zijn.
Meer informatie:
The universe's most massive stars can form in near isolation

16 december 2010
Met de speciale APEX-radiotelescoop op een hoogvlakte in het noorden van Chili is de zwakke straling waargenomen van bijzondere moleculen in een donkere interstellaire gaswolk op 400 lichtjaar van de aarde. De moleculen, die onder meer deuterium (zwaar waterstof) bevatten, spelen een belangrijke rol bij het onderzoek van de omstandigheden waaronder sterren worden geboren. Sterren ontstaan uit verdichtingen in grote wolken van gas en stof. De temperatuur ter plaatse is dermate laag (260 graden onder nul) dat het meeste gas aan de aanwezige stofdeeltjes vastvriest. Hierdoor produceren zulke interstellaire wolken maar weinig moleculaire straling, wat hen lastig waarneembaar maakt. In het overgebleven gas kunnen echter bijzondere chemische reacties optreden waaruit bijzondere moleculen, bestaande uit twee waterstofatomen en één deuteriumatoom, voortkomen. Het onderzoek van deze bijzondere moleculen kan interessante informatie opleveren over de omstandigheden kort voor de stervorming. Het probleem is echter dat de toch al schaarse deuteriummoleculen straling uitzenden op een golflengte die door de waterdamp in de aardatmosfeer wordt geabsorbeerd. Om het ijle gas te kunnen waarnemen, moet daarom worden uitgeweken naar hoge en, vooral, droge waarnemingslocaties. Vandaar dat de APEX-telescoop op een hoogvlakte in de woestijn staat. Uit de APEX-waarnemingen van een koude gaswolk in het sterrenbeeld Slangendrager is nu gebleken dat de deuteriummoleculen niet - zoals verwacht - alleen in het koude hart van de gaswolk te vinden zijn. Ook meer naar buiten toe zijn de bijzondere verbindingen aangetroffen. Daaruit leiden de onderzoekers af dat het 'aanvriezen' van gasmoleculen aan stofdeeltjes een extreem efficiënt proces is.
Meer informatie:
Switching on the freezer's light

8 december 2010
Sterrenkundigen van de Armagh-sterrenwacht in Noord-Ierland hebben bij een onderzoek van kleine sterren met een afwijkende chemische samenstelling een exemplaar ontdekt dat opmerkelijk veel zirkonium bevat. Op aarde wordt zirkonium gebruikt om nepdiamanten te maken. Bij de ster LS IV-14 116 hangt het in wolkensluiers boven het steroppervlak. LS IV-14 116 maakt deel uit van een groepje hete sterren dat het einde van zijn bestaan nadert. Bekend was al dat deze sterren veel minder waterstof aan hun oppervlak vertonen dan soortgelijke sterren. Het Noord-Ierse onderzoek had tot doel om de chemische samenstelling van de sterren nader te onderzoeken. Zoals verwacht vertoonde het spectrum van LS IV-14 116 de 'vingerafdrukken' van diverse normale elementen, waaronder strontium en germanium. Maar enkele opvallende spectraallijnen lieten zich niet zo gemakkelijk identificeren. Nadere analyse heeft nu uitgewezen dat ze afkomstig zijn van een vorm van zirkonium die alleen voorkomt bij temperaturen boven de 20.000 graden. Het zirkoniumgehalte van LS IV-14 116 is tienduizend keer zo hoog als dat van de zon. Volgens de onderzoekers betekent dat niet dat de ster als geheel zo veel zirkonium bevat. Waarschijnlijk heeft het element zich, samen met andere metalen, opgehoopt in wolkensluiers rond de ster. Deze bijzondere wolken zouden ontstaan doordat de ster bezig is te krimpen, waardoor een soort toverbaleffect ontstaat: er komen steeds weer andere elementen 'bovendrijven'.
Meer informatie:
A sparkling zirconium star

7 december 2010
Amateurastronomen die zijn uitgekeken op zon, maan en sterrenstelsels kunnen vanaf nu ook het melkwegonderzoek een handje toesteken. Iedereen die een computer met internetverbinding heeft, kan meedoen met het Milky Way Project. De sterrenkunde maakt als een van de weinige wetenschappen al heel lang gebruik van de hulp van amateuronderzoekers. Dankzij het internet is hun rol alleen maar groter geworden - zeker sinds de start van het project Galaxy Zoo, waarbij honderdduizenden vrijwilligers grote aantallen sterrenstelsels helpen inventariseren. Op soortgelijke manier worden ook maankraters en uitbarstingen van de zon in kaart gebracht. Vanaf nu is er een nieuwe uitdaging: het inventariseren van de ontelbare objecten die zijn vastgelegd door NASA's infraroodsatelliet Spitzer. Daarbij gaat het vooral om het opsporen van grote gasbellen in ons Melkwegstelsel. Maar ook andere objecten zoals sterrenhopen kunnen worden aangegeven. Het doel is om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de stervormingsactiviteit in ons thuisstelsel.
Meer informatie:
Help Investigate Spitzer's Milky Way!
The Milky Way Project

26 november 2010
Net zoals archeologen het verval van radioactieve koolstof gebruiken om de ouderdom van organische materialen te bepalen, hebben astronomen het radioactieve verval van radioactief aluminium gebruikt om de leeftijd van sterren in een nabije sterrenhoop vast te stellen. Daaruit blijkt dat de zware sterren van de zogeheten Scorpius-Centaurus-associatie slechts enkele miljoenen jaren oud zijn. Het radioactieve isotoop aluminium-26, dat onder meer vrijkomt bij supernova-explosies, heeft een vervaltijd van ongeveer een miljoen jaar. Bij dat verval ontstaat naast stabiel magnesium ook gammastraling van een specifieke golflengte. Hierdoor kan vervalproces van grote afstand worden waargenomen - in dit geval met de Europese gammasatelliet INTEGRAL. De Scorpius-Centaurus-associatie bevindt zich op een afstand van 325 tot 500 lichtjaar en is daarmee de meest nabije verzameling van jonge, zware sterren. Uit de INTEGRAL-metingen blijkt dat een van de subgroepen van de associatie slechts ongeveer vijf miljoen jaar geleden is ontstaan.
Meer informatie:
INTEGRAL helps unravel the tumultuous recent history of the solar neighbourhood

25 november 2010
Sterrenkundigen hebben voor het eerst het bewijs gevonden dat in de hete gasbundels die jonge sterren uitstoten magnetische velden aanwezig zijn (Science, 26 november). Daarmee is aangetoond dat jonge sterren zich in dat opzicht niet onderscheiden van de superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels en de kleinere zwarte gaten en neutronensterren die materie van een naburige ster opslokken. Ook die andere objecten stoten bundels of jets van heet gas uit waarin magnetische velden gedetecteerd zijn. De jonge ster waarvan de jets met de Very Large Array-radiotelescoop (VLA) zijn waargenomen, heet IRAS 18162-2048. Hij is tot wel tienmaal zo zwaar als onze zon en bevindt zich op een afstand van ongeveer 5500 lichtjaar. De radiostraling die van zijn jets af komt is karakteristiek voor de straling die snel bewegende elektronen uitzenden als zij in een magnetisch veld verstrikt zijn geraakt. De onderzoekers hopen dat het onderzoek van deze stellaire jets meer duidelijkheid zal geven over de rol die magnetische velden bij de vorming van nieuwe sterren spelen. Ook levert zulk onderzoek naar verwachting meer inzicht op over de werking van de jets zelf.
Meer informatie:
Discovery at Young Star Hints Magnetism Common to All Cosmic Jets

23 november 2010
Een Britse doctoraalstudente heeft ontdekt dat lang niet alle sterexplosies door (amateur)astronomen worden gesignaleerd. Dat blijkt uit onderzoek met een satellietinstrument dat eigenlijk bedoeld is voor waarnemingen van grote uitbarstingen van de zon. Het betreffende meetinstrument, de Solar Mass Ejection Imager (SMEI) aan boord van de Coriolis-satelliet, brengt de hele hemel om de 102 minuten in kaart. Daarbij heeft hij al verscheidene novae (hevige ontploffingen in dubbelstersystemen) gedetecteerd. Doorgaans worden zulke sterexplosies voornamelijk ontdekt door amateurastronomen, die vervolgens hun beroepscollega's inseinen. Maar uit het onderzoek met de SMEI blijkt dat lang niet alle novae worden opgemerkt, zelfs niet als zij met het blote oog waarneembaar zijn. Nu bekend is dat de SMEI ook heel geschikt is voor het detecteren van novae, kan het helderheidsverloop van deze sterexplosies veel nauwkeuriger onderzocht worden.
Meer informatie:
Exploding Stars: What Are We Missing?
Solar Mass Ejection Imager

23 november 2010
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft met twee telescopen op Hawaï een unieke dubbelster ontdekt. De dubbelster bestaat uit een witte dwerg (het restant van een ster die zijn buitenlagen heeft weggeblazen) en een methaanrijke bruine dwerg (een mislukte ster). De beide sterren bewegen op een afstand van ongeveer 2,5 biljoen kilometer (een kwart lichtjaar) in een wijde baan om elkaar heen. Hun onderlinge afstand moet vroeger echter kleiner geweest: de ster waaruit de witte dwerg is voortgekomen was aanvankelijk immers aanzienlijk zwaarder en oefende daardoor ook een grotere aantrekkingskracht uit op zijn begeleider. Het onderzoek van dubbelstersystemen levert onder meer informatie op over de massa's van de beide sterren. Vooral voor de methaanrijke bruine dwerg, die een temperatuur van amper 1000 graden laat zien, is dat interessant, omdat de massa van sterren van dit type nog niet goed bekend was. De bruine dwerg blijkt slechts zeventig keer zo zwaar te zijn als de planeet Jupiter oftewel veertien keer zo licht als onze zon.
Meer informatie:
UKIRT Instrumental in Discovery of the First Methane Dwarf Orbiting a Dying Star
Astronomers find 'Rosetta Stone' for T-dwarf stars

19 november 2010
Het hete gas in de halo rond ons Melkwegstelsel is waarschijnlijk afkomstig van supernova-explosies die zich in het melkwegvlak hebben voltrokken. Dat blijkt uit gegevens die zijn verzameld met de Europese röntgensatelliet XMM-Newton. In de halo - het ijle omhulsel - van het Melkwegstelsel wordt gas van uiteenlopende dichtheden en temperaturen aangetroffen. De heetste component is erg ijl, maar door zijn temperatuur van enkele miljoenen graden toch een waarneembare bron van röntgenstraling. Het bestaan ervan is al meer dan tientallen jaren bekend, maar de oorsprong van het gas was niet onmiddellijk duidelijk. Volgens een van de mogelijke scenario's wordt de uitstoot van het hete gas veroorzaakt door supernova-explosie die zich in het vlak van het Melkwegstelsel afspelen. Bij zo'n explosie ontstaat als het ware een duizenden lichtjaren hoge fontein van gas dat uiteindelijk weer naar het melkwegvlak terugvalt. Die vermeende galactische fonteinen zijn echter niet direct waarneembaar, omdat de röntgenstraling die zij uitzenden door het veel koelere gas en stof in de melkweg wordt geabsorbeerd. Wetenschappers hebben nu de spectrale eigenschappen van het hete gas in de halo gemeten en deze vergeleken met de voorspellingen van drie verschillende ontstaansmodellen. Het fonteinscenario komt daar het beste uit.
Meer informatie:
New evidence for supernova-driven galactic fountains in the Milky Way

16 november 2010
Astronomen hebben in ons Melkwegstelsel een tiental bijzondere dubbelstersystemen ontdekt. Elk van de sterparen bestaat uit twee witte dwergsterren en de helft ervan zal binnen (astronomisch) afzienbare tijd tot ontploffing komen. Een witte dwerg is het hete, uitgeputte restant van een zonachtige ster die zijn buitenlagen heeft afgestoten. Zo'n dwergster is niet veel groter dan de aarde, maar kan de massa van de zon benaderen. De nu ontdekte witte dwergen zijn met éénvijfde zonsmassa overigens aan de lichte kant. In de onderzochte dubbelstersystemen spiralen de beide dwergsterren geleidelijk naar elkaar toe. In de helft van de gevallen zal dat er uiteindelijk toe leiden dat de ene ster de andere opslokt. In één geval zal dat 'al' binnen honderd miljoen jaar gebeuren. Wanneer twee van deze dwergsterren zich met elkaar verenigen, kan hun gezamenlijke massa een kritieke waarde overschrijden. Het resultaat is dan een supernova-explosie, maar waarschijnlijk wel een relatief zwakke variant.
Meer informatie:
Astronomers Discover Merging Star Systems that Might Explode

9 november 2010
De Amerikaanse infraroodsatelliet WISE heeft zijn eerste bruine dwerg ontdekt. Bruine dwergen zijn 'mislukte sterren': ze hebben meer massa dan de grootste planeten, maar zijn niet zwaar genoeg om energie op te wekken door middel van kernfusie. Hierdoor koelen ze in de loop van hun bestaan steeds verder af, totdat ze alleen nog op infrarode golflengten waarneembaar zijn. De WISE-satelliet is bezig om de hemel af te speuren naar alle mogelijke objecten die infraroodstraling uitzenden. Door de bijzondere samenstelling van hun atmosfeer, die onder meer methaan bevat, vertonen bruine dwergen zich op de WISE-beelden als opvallend groen getinte lichtpunten. Aan de hand van dit kleurcriterium zijn al tientallen bruine dwergkandidaten opgespoord, maar pas één van deze ontdekkingen is met behulp van telescopen op aarde bevestigd. De nieuwe bruine dwerg heeft de aanduiding WISEPC J045853.90+643451.9 gekregen. Hij bevindt zich op een geschatte afstand van achttien tot dertig lichtjaar en behoort met een oppervlaktetemperatuur van iets meer dan 300 graden Celsius tot de koelste in zijn soort. Naar verwachting zal WISE honderden van deze objecten opsporen.
Meer informatie:
Cool Star is a Gem of a Find

9 november 2010
Boven en onder het centrum van ons Melkwegstelsel bevindt zich een reusachtige bel die een vage gloed van gammastraling uitzendt. Dat blijkt uit waarnemingen met de Amerikaanse satelliet Fermi. De beide bellen, die samen een afstand van 50.000 lichtjaar overspannen, zijn wellicht de restanten van een uitbarsting die zich enkele miljoenen jaren geleden in het centrum van ons sterrenstelsel heeft voltrokken. Vanaf de aarde gezien bestrijken de beide bellen meer dan de helft van de hemel. Maar op zichtbare golflengten zijn ze niet waarneembaar. Wel zijn eerder ook op röntgen- en radiogolflengten vage aanwijzingen voor hun bestaan gedetecteerd. Hoe de beide bellen zijn ontstaan, is nog onduidelijk. De gammastraling die zij uitzenden, is veel energierijker dan de 'mist' van gammastraling waarvan het hele Melkwegstelsel doordrenkt is. Hun scherpe begrenzing duidt erop dat zij in relatief korte tijd zijn ontstaan. Hun oorzaak wordt vooralsnog gezocht bij het superzware zwarte gat dat in het Melkwegcentrum huist. Dat object is momenteel niet actief, maar bij veel andere sterrenstelsels hebben astronomen waargenomen dat zulke centrale zwarte gaten bundels van energierijke deeltjes aandrijven. Een andere mogelijkheid is dat de bellen het resultaat zijn van de enorme geboortegolf van sterren die enkele miljoenen jaren geleden in het Melkwegcentrum plaatsvond.
Meer informatie:
NASA's Fermi Telescope Finds Giant Structure in our Galaxy

3 november 2010
Wetenschappers van de universiteit van Californië in Los Angeles (UCLA) hebben aanwijzingen gevonden dat de kortste gammaflitsen uit het heelal worden veroorzaakt door kleine zwarte gaten die kort na de oerknal zijn ontstaan. Het bestaan van deze objecten is al in 1974 voorspeld door de Britse kosmoloog Stephen Hawking. Hawking stelde dat zwarte gaten niet het eeuwige leven hebben: ze 'verdampen' onder uitzending van deeltjesstraling. Deze 'Hawkingstraling' zou ertoe leiden dat kleine zwarte gaten die kort na de oerknal zijn ontstaan nu hun laatste adem uitblazen. Die 'adem' zou dan bestaan uit een korte stoot energierijke straling. Volgens de Californische onderzoekers is het heel goed denkbaar dat het bij de uitbarstingen van gammastraling van minder dan een tiende seconde die de afgelopen decennia met verscheidene satellieten zijn waargenomen, om zulke verdampende zwarte gaten gaat. Een belangrijke aanwijzing in die richting is dat de zeer korte gammaflitsen niet gelijkmatig over de hemel zijn verspreid. Dat wijst erop dat de explosies zich op relatief kleine afstand voltrekken, waarschijnlijk zelfs binnen ons eigen Melkwegstelsel. Daarin onderscheiden zij zich van hun langer durende soortgenoten, die aan ontploffende zware sterren in verre sterrenstelsels worden toegeschreven.
Meer informatie:
Study of Very Short Gamma-ray Bursts Provides Evidence for Primordial Black Holes
Gamma Ray Bursts 2010 Conference

27 oktober 2010
Sterrenkundigen hebben grote hoeveelheden buckminsterfullereen ontdekt - niet alleen in ons eigen Melkwegstelsel, maar ook in de Kleine Magelhaense Wolk, een klein, naburige sterrenstelsel. Deze uit zestig koolstofatomen bestaande, bolvormige moleculen zijn beter bekend als buckyballen. Het bestaan van deze 'koolstofballetjes' werd nog maar 25 jaar geleden aangetoond in een laboratorium op aarde. En pas enkele maanden geleden slaagde de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer er voor het eerst in om buckyballen in de ruimte op te sporen. Op dat moment was nog onduidelijk hoe toevallig die ontdekking was. Inmiddels is duidelijk geworden dat de ruimte wemelt van de buckyballen. Ze blijken niet alleen voor te komen in de omgeving van stervende sterren, die wolken stof uitstoten, maar ook in de vrijwel lege ruimte tussen de sterren. Opmerkelijk genoeg zijn de buckyballen ook te vinden in omgevingen waar veel waterstof is - dit terwijl uit laboratoriumonderzoek juist was gebleken dat waterstofatomen de vorming van de bolvormige moleculen hinderden. De implicaties van deze ontdekking kunnen vérstrekkend zijn. Buckyballen kunnen fungeren als kleine, beschermende 'kooitjes' voor andere moleculen en atomen. Het vermoeden bestaat dat zij een belangrijke rol hebben gespeeld bij het op aarde afleveren van allerlei stoffen die van belang waren voor het ontstaan van het leven.
Meer informatie:
Space Buckyballs Thrive, Finds NASA Spitzer Telescope
Spitzer Goes Buck Wild and Finds Buckyballs Floating Between the Stars
Buckyballs Discovered In Another Galaxy

27 oktober 2010
Een team astronomen, onder wie de Nederlander Jason Hessels (ASTRON/UvA), heeft met de Green Bank Telescope in West Virginia de zwaarste neutronenster tot nu toe gevonden. Deze ontdekking zet verschillende theorieën binnen de natuur- en sterrenkunde op hun kop. Het resultaat wordt op 28 oktober in Nature gepubliceerd. Neutronenster PSR J1614-2230, die samen met een witte dwergster een bijzonder dubbelstersysteem vormt, is bijna twee keer zo zwaar als onze zon. 'Dit is verrassend', zegt hoofdauteur Paul Demorest van het Amerikaanse National Radio Astronomy Observatory (NRAO), 'want veel theoretische modellen voor de inwendige samenstelling van zulke sterren hadden zo'n grote massa niet voorspeld.' Een neutronenster is de ineengestorte kern van een zware ster, die overblijft als de ster aan het eind van zijn leven als supernova explodeert. Al zijn massa is samengeperst in een bol met een diameter van slechts ongeveer twintig kilometer, waardoor de protonen en elektronen zijn samengesmolten tot neutronen. Een theelepel neutronenster-materie weegt meer dan 500 miljoen ton. Om de massa van neutronenster PSR J1614-2230 te kunnen meten, hebben de astronomen gebruik gemaakt de regelmatige flitsen radiostraling die deze uitzendt. Elke keer als deze radiopulsen vanaf de aarde gezien vlak langs de begeleidende dwergster gaan, worden ze een beetje vertraagd. Dit relativistische effect kan worden gebruikt om de massa van zowel de pulserende neutronenster als zijn begeleider te meten. Vooraf hadden de astronomen de massa van de neutronenster geschat op 1,4 zonsmassa. Ze waren dus verbaasd dat hij in werkelijkheid 1,97 keer zo zwaar is als de zon. Zelfs de theoretische modellen die stellen dat neutronensterren ook exotische deeltjes zoals hyperonen of kaonen bevatten, kunnen dit meetresultaat niet verklaren.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Astronomers Discover Most Massive Neutron Star Yet Known

26 oktober 2010
Een internationaal gezelschap van wetenschappers die gebruik maken van gegevens van de NASA-satelliet Kepler, is meer te weten gekomen over de grootte, leeftijd en evolutie van allerlei soorten sterren. De nieuwe inzichten komen voort uit waarnemingen van oscillaties of 'bevingen' bij duizenden sterren. Het onderzoek van zulke sterbevingen is vergelijkbaar met het onderzoek van aardbevingen, waaruit seismologen informatie afleiden over het inwendige van onze planeet. Van de best onderzochte ster, KIC 11026764, is nu bekend dat hij tweemaal zo groot is als onze zon en ruim een miljard jaar ouder. De ster is momenteel bezig om op te zwellen tot een rode reus, net zoals de zon dat over enkele miljarden jaren zal doen. Ook onderzocht is de veranderlijke ster RR Lyrae. Van deze ster is al meer dan honderd jaar bekend dat hij met een periode van ongeveer 13,5 uur in helderheid toe- en afneemt. Ontdekt is nu dat er bovenop die oscillatie van 13,5 uur nog een tweede regelmatige variatie optreedt, die precies twee keer zo lang duurt. De onderzoekers vermoeden dat de beide cycli verband met elkaar houden.
Meer informatie:
NASA'S Kepler Spacecraft Takes Pulse Of Distant Stars
NASA Kepler Press Conference
NASA's Kepler Mission changing how astronomers study distant stars

26 oktober 2010
Astronomen van het Space Telescope Science Institute in Baltimore (VS), onder wie de Nederlander Roeland van der Marel, hebben tienduizend jaar in de toekomst gekeken. In de toekomst van de bolvormige sterrenhoop Omega Centauri althans. Omega Centauri bestaat uit bijna tien miljoen sterren die allemaal om het centrum van de sterrenhoop heen zwermen. Hoewel deze sterren met grote snelheden bewegen, is daar door hun grote afstand op het eerste gezicht weinig van te merken. Pas na jaren zijn kleine verplaatsingen waarneembaar, en dan nog alleen met een instrument als de Hubble-ruimtetelescoop. Door Hubble-opnamen uit de periode 2002-2006 met elkaar te vergelijken, hebben de astronomen de snelheden en bewegingsrichtingen van meer dan honderdduizend sterren van Omega Centauri in kaart gebracht. Met behulp van deze gegevens hebben zij een filmpje gemaakt dat laat zien hoe deze sterren de komende tienduizend jaar door elkaar krioelen. De analyse moet meer inzicht geven in de manier waarop sterrenhopen als deze zijn ontstaan. Ook kunnen eventueel aanwezige zwarte gaten met massa's van ruwweg tienduizend zonsmassa's worden opgespoord.
Meer informatie:
Hubble Data Used to Look 10,000 Years into the Future
Omega Centauri Model Zoom Sequence and Future Star Motions (video)

22 oktober 2010
Japanse en Amerikaanse astronomen hebben een object in ons Melkwegstelsel ontdekt dat een enorme uitbarsting van röntgenstraling vertoonde. Het object, dat in de richting van het sterrenbeeld Centaurus staat, is waarschijnlijk een bijzondere dubbelster. De röntgenbron heeft de aanduiding MAXI J1409-619 gekregen. Hij is genoemd naar de Monitor of All-Sky X-ray Image, een instrument dat deel uitmaakt van de Japanse module van het internationale ruimtestation ISS. MAXI is een soort bewakingscamera die de hemel afspeurt naar opvallende bronnen van röntgenstraling. Ook in september werd met dit instrument al een röntgenuitbarsting waargenomen. MAXI J1409-619 is een zogeheten röntgennova. Hij bestaat uit een zware ster en een neutronenster (of een zwart gat), die om elkaar heen draaien. Tussen de ster en zijn compacte begeleider vindt materie-overdracht plaats. Het vermoeden bestaat dat een plotselinge verheviging van de materiestroom aan de basis van röntgenuitbarstingen als deze staat.
Meer informatie:
Japanese and U.S. Space Telescopes Reveal Previously Unknown Brilliant X-Ray Explosion in Our Milky Way Galaxy
Monitor of All-sky X-ray Image (MAXI)

14 oktober 2010
Niet elke neutronenster die uitbarstingen van energierijke straling vertoont heeft een extreem sterk magnetisch veld. Dat concludeert een team van Europese sterrenkundigen uit onderzoek van de vermeende 'magnetar' SGR 0418 (Science Express, 14 oktober). Neutronensterren zijn de compacte restanten van zware sterren die als supernova zijn geëxplodeerd. Deze objecten hebben een magnetisch veld dat miljarden keren zo sterk is als dat van een ster als onze zon. In extreme gevallen is dat magnetische veld zelfs nog eens een factor duizend sterker. De neutronenster wordt in dat geval een magnetar genoemd - een afkorting die staat voor magnetic star. Magnetars staan bekend om hun korte uitbarstingen van röntgen- of gammastraling. Hoewel gedacht wordt dat de energie voor deze uitbarstingen afkomstig is van extreem sterke magnetische velden, toont het nieuwe onderzoek aan dat dit niet altijd het geval is. Uit waarnemingen met drie verschillende röntgensatellieten blijkt dat SGR 0418, die vorig jaar werd ontdekt na een aantal uitbarstingen van gammastraling, een magnetisch veld heeft dat veel te zwak is voor een magnetar. De vraag is nu waar de energie voor de uitbarstingen in dit geval dan wél vandaan komt en of andere 'gewone' neutronensterren ook röntgen- en gamma-uitbarstingen kunnen vertonen.
Meer informatie:
Mysterious pulsar with hidden powers discovered

8 oktober 2010
Een team Groningse astronomen heeft een zeer sterke en brede ijzer-emissielijn gevonden in het röntgenspectrum van XTE J1652-453, een recent ontdekt röntgendubbelstersysteem dat zeer waarschijnlijk een zwart gat bevat. De ontdekking heeft tot enige opschudding geleid binnen de sterrenkundige wereld. Dit is namelijk de eerste keer dat zo'n sterke lijn is waargenomen bij een röntgenbron in ons eigen Melkwegstelsel. Naast de sterkte van de emissielijn is ook zijn vorm een belangrijke bevinding, omdat deze karakteristiek blijkt te zijn voor een roterend zwart gat. Zwarte gaten zijn de overblijfselen van zeer zware sterren die aan het eind van hun leven onder hun eigen zwaartekracht in elkaar klappen. Een zwart gat zendt zelf geen waarneembare straling uit en wordt slechts gekenmerkt door zijn massa en zijn rotatiesnelheid. De enige manier om deze te bepalen is door het gedrag van de materie in de nabijheid van het zwarte gat te bestuderen. In het geval van een röntgendubbelsterrensysteem, waarin een gewone ster en een zwart gat om elkaar heen draaien, wordt het gedrag van het gas onderzocht dat van de begeleidende ster naar het zwarte gat toe spiraalt. Dit gas vormt daarbij een zogenoemde accretieschijf die om het zwarte gat heen draait en daarbij zo heet wordt dat het röntgenstraling uitzendt.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

4 oktober 2010
Een paar weken geleden constateerden enkele astronomische satellieten dat er uit de richting van het sterrenbeeld Stier meer gammastraling kwam dan gebruikelijk. Verdachte nummer één is dan al snel het restant van een ster die ruwweg duizend jaar geleden als supernova explodeerde. Afgelopen zondag heeft de Hubble-ruimtetelescoop opnamen van dit restant, de zogeheten Krabnevel, gemaakt. Uit de beelden blijkt dat deze nevel enkele subtiele veranderingen vertoont. De uitbarsting van gammastraling was waarschijnlijk afkomstig van de pulsar in het hart van de Krabnevel, het compacte restant van de kern van de voormalige ster. Wat er precies is gebeurd, is nog onduidelijk. Zeker is alleen dat de pulsar enkele dagen lang tweemaal zo veel gammastraling uitzond als normaal. Door de enorme uitstoot van energie zijn gasflarden in de omgeving van de pulsar duidelijker zichtbaar geworden dan voorheen. Zelfs duizend jaar na de supernova-explosie roert de ster zich dus nog steeds.
Meer informatie:
The Crab is still crabby

30 september 2010
Zweedse en Canadese astronomen hebben een ster opgespoord die als twee druppels water op de zon lijkt. De ster bevindt zich in de open sterrenhoop M67, op een afstand van 3000 lichtjaar. Dat M67 qua chemische samenstelling en leeftijd veel op de zon lijkt, was al langer bekend. Het onderzoek van de afzonderlijke sterren van deze sterrenhoop is echter een tijdrovend en moeizaam proces. Bij een voorselectie, die in 2008 plaatsvond, werden uiteindelijk tien kandidaten uitgekozen die op het eerste gezicht het meest op de zon leken. Een van die sterren, M67-1194, is in het eerste kwartaal van 2009 nauwkeurig onderzocht met de Europese Very Large Telescope in Chili. Uit de analyse van de metingen blijkt dat de chemische samenstelling van de ster verbluffend veel op die van de zon lijkt - meer nog dan die van zonachtige sterren die veel minder ver van ons verwijderd zijn. Volgens de onderzoekers zijn de overeenkomsten tussen M67-1194 en de zon zelfs dermate treffend, dat je haast zou denken dat de zon bij haar ontstaan, 4,5 miljard jaar geleden, tot M67 heeft behoord. Helemaal onmogelijk is dat niet: uit computersimulaties blijkt dat tachtig procent van de sterren van M67 in de loop van de tijd uit de sterrenhoop is ontsnapt. Maar gezien de nogal verschillende banen die M67 en de zon in het Melkwegstelsel volgen, lijkt het niet erg waarschijnlijk dat onze zon dit scenario heeft gevolgd. Wel lijkt het aannemelijk dat de zon is ontstaan in een omgeving die veel op die van sterrenhoop M67 lijkt.
Meer informatie:
M67-1194, an unusually Sun-like solar twin in M67 (pdf)

23 september 2010
Als het om de geboorte van sterren gaat, tasten astronomen letterlijk in het duister. De vorming van sterren voltrekt zich immers in ondoorzichtige wolken van gas en stof. Een internationaal team van sterrenkundigen heeft nu echter een tot voor kort onbekend fenomeen ontdekt dat zulke wolken gemeen lijken te hebben, en dat meer inzicht kan geven in het beginstadium van sterren. Dit zogeheten kernschijnsel wordt veroorzaakt door de verstrooiing van infrarode straling aan relatief grote stofdeeltjes (Science, 24 augustus). De ontdekking komt voort uit waarnemingen met de Amerikaanse infraroodtelescoop Spitzer die eerder dit jaar werden gepubliceerd. Uit die waarnemingen bleek dat het dichte hart van de moleculaire gaswolk L 183 in het sterrenbeeld Slang een onverwacht sterke bron van mid-infrarode straling is. Vervolgonderzoek van meer dan honderd andere moleculaire wolken heeft nu aangetoond dat deze ontdekking geen toevalstreffer is geweest. Ongeveer de helft van de onderzochte gaswolken vertoont dit kernschijnsel. De verstrooide infrarode straling geeft niet alleen informatie over de grootte en dichtheid van de stofdeeltjes, maar ook over de leeftijd van het kerngebied van de gaswolk en over de chemische processen die zich daar afspelen. Zelfs uit het ontbreken van het kernschijnsel in sommige gaswolken kunnen interessante conclusies worden getrokken. Zo is bekend dat in de buurt van enkele kernschijnsel-loze gaswolken in het zuidelijke sterrenbeeld Zeilen verscheidene supernova-explosies hebben plaatsgevonden. Volgens de onderzoekers is het denkbaar dat de schokgolven van deze explosies de grote stofdeeltjes in dit gebied verwoest hebben.
Meer informatie:
Coreshine provides insight into stellar births

16 september 2010
Hoe worden nieuwe sterren precies geboren? Met de Nederlandse 'moleculenjager' HIFI proberen sterrenkundigen nu al bijna anderhalf jaar die vraag te beantwoorden. De resultaten zijn veelbelovend: tot op heden zijn maar liefst 62 wetenschappelijke artikelen op basis van de waarnemingen van HIFI gepubliceerd. HIFI is een van de drie wetenschappelijke instrumenten aan boord van de Europese infraroodsatelliet Herschel. Enkele van de belangrijkste ontdekkingen die met HIFI zijn gedaan, hebben betrekking op het watermolecuul. Water speelt een rol in alle fasen van het dynamische proces van ster- en planeetvorming. In dichte interstellaire gaswolken zorgt water (in gasvorm) voor koeling, waardoor de wolken sneller kunnen samentrekken tot nieuwe sterren. Vastgesteld is dat de hoeveelheid water in zulke gaswolken sterk varieert - niet alleen van wolk tot wolk, maar ook binnen de wolken. Rond sommige jonge sterren blijkt veel water aanwezig, wat erop wijst dat deze sterren hun omgeving al flink hebben opgewarmd. Het gevolg hiervan is dat verdere stervorming in deze wolken moeilijk zal zijn, omdat warme wolken niet gemakkelijk samentrekken. Een tweede, onverwacht resultaat was de ontdekking van twee nieuwe vormen van water in de ruimte: elektrisch geladen water (OH+ en H2O+) en zwaar water (D2O). Het bestaan van elektrisch geladen water is een aanwijzing dat er UV-straling in het spel is. Deze straling is afkomstig van jonge zware sterren die hun omgeving 'kapot stralen' en aldus ongeschikt maken voor verdere stervorming. Behalve deze nieuwe vormen van water heeft HIFI in de ruimte nog andere nieuwe moleculen gevonden. Wellicht het belangrijkste hiervan is het molecuul waterstoffluoride, dat vooral in heel ijle wolken veel voorkomt.
Meer informatie:
HIFI leidt al tot meer dan 60 wetenschappelijke artikelen

1 september 2010
Astronomen hebben waterdamp waargenomen in de atmosfeer van de grote rode koolstofster CW Leonis. De ster, in het sterrenbeeld Leeuw, is een paar honderd keer zo groot als de zon, en is op infrarode golflengten de helderste aan de hemel. Tot nu toe werd de vorming van waterdamp in de atmosfeer van zo'n ster voor onmogelijk gehouden: zuurstofatomen zouden zich met de alomtegenwoordige koolstofatomen verbinden tot koolmonoxide-moleculen (CO), waardoor zich geen waterdamp (H2O) zou kunnen vormen. Onder invloed van energierijke ultraviolette straling blijkt de vorming van waterdamp nu toch mogelijk te zijn. De vondst is gedaan met de Europese ruimtetelescoop Herschel door een team astronomen onder leiding van Leen Decin (Universiteit van Amsterdam en Universiteit Leuven). De resultaten worden op 2 september gepubliceerd in Nature.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

26 augustus 2010
Sterrenkundigen hebben ontdekt dat de ster HD 49933 een activiteitscyclus vertoont zoals de zon, maar dan veel korter. De activiteitscyclus van de zon duurt ongeveer 11 jaar: tijdens elk maximum zijn er veel meer zonnevlekken en zonnevlammen zichtbaar dan tijdens het minimum. De cyclus van HD 49933, op 100 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Eenhoorn, duurt echter minder dan één jaar, waarschijnlijk doordat de ster aanzienlijk groter en heter is dan de zon. De ontdekking van de cyclus werd gedaan met behulp van de Franse satelliet CoRoT, die stertrillingen opmeet. Het is voor het eerst dat de activiteitscyclus van een ster is ontdekt op basis van deze asteroseismologie-techniek. Onderzoek aan de cycli van andere sterren biedt mogelijk ook een beter inzicht in de cyclus van onze eigen zon. De nieuwe resultaten zijn deze week gepubliceerd in Science.
National Center for Atmospheric Research
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

23 augustus 2010
Planeten die een baan beschrijven rond een nauwe dubbelster - twee sterren die op heel kleine onderlinge afstand om elkaar heen bewegen - lopen grote kans om met elkaar in botsing te komen. Dat blijkt uit metingen van de Amerikaanse Spitzer Space Telescope die op 19 augustus gepubliceerd zijn in Astrophysical Journal Letters. Spitzer mat de infrarode warmtestraling van drie nauwe dubbelstersystemen. Deze zogeheten RS CVn-sterren (genoemd naar het prototype RS Canes Venaticorum, in het sterrenbeeld Jachthonden) bestaan uit twee sterren die op een afstand van hooguit een paar miljoen kilometer om elkaar heen zwieren. De drie nauwe dubbelstersystemen blijken omgeven te worden door grote hoeveelheden warm stof. Dat kan geen stof zijn uit de ontstaansperiode van de sterren: dat zou in de afgelopen paar miljard jaar al lang uit het stelsel zijn weggeblazen. Er moet dus sprake zijn van een continue productie van nieuw stof. De onderzoekers suggereren dat het stof afkomstig is van onderlinge botsingen van planeetachtige objecten in een baan rond de dubbelsterren. Doordat de twee sterren in de loop van de tijd steeds dichter om elkaar heen gaan cirkelen, ontstaan zwaartekrachtsverstoringen in een eventueel planetenstelsel. Die kunnen leiden tot onderlinge botsingen, waarbij relatief kleine planetoïden of volwaardige planeten compleet verpulverd worden.
Meer informatie:
Pulverized Planet Dust May Lie Around Double Stars
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

18 augustus 2010
Nieuwe metingen aan een verre sterrenhoop zetten vraagtekens bij de gangbare ideeën over de evolutie van zware sterren. Sterren die meer dan tien keer zo zwaar zijn als de zon, exploderen aan het eind van hun leven als supernova. Wat er van de kern van de ster overblijft, hangt af van de beginmassa. Sterren tussen 10 en 25 keer de massa van de zon eindigen hun leven als kleine, supercompacte neutronenster; sterren die meer dan 25 keer zo zwaar zijn als de zon eindigen als zwart gat. Tenminste, dat was de gangbare theorie. De nieuwe metingen zetten daar echter vraagtekens bij. Met de Europese Very Large Telescope in Chili is ontdekt dat een neutronenster in de sterrenhoop Westerlund 1 het overblijfsel is van een ster die ooit meer dan 40 keer zo zwaar is geweest als de zon. Om de een of andere reden is de kern van die reuzenster bij de supernova-explosie toch niet ineengestort tot een zwart gat. Dat de voorloper van de 'magnetar' (een neutronenster met een extreem sterk magneetveld) zwaarder moet zijn geweest dan 40 zonsmassa's, blijkt uit massabepalingen van andere sterren in Westerlund 1. Alle sterren in de sterrenhoop zijn een paar miljoen jaar geleden tegelijkertijd ontstaan. De allerzwaarste sterren leven het kortst, en knallen het eerst uit elkaar als supernova. Omdat er in de sterrenhoop nog steeds sterren tussen 30 en 40 zonsmassa's worden aangetroffen, moet de voorloper van de magnetar wel zwaarder zijn geweest dan 40 zonsmassa's, anders was hij nog niet geëxplodeerd. Hoe de ster heeft kunnen voorkomen dat hij ineenstortte tot een zwart gat is niet duidelijk. Mogelijk is hij tijdens zijn korte leven veel massa verloren door materie-overdracht aan een begeleider.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Persbericht ESO
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

17 augustus 2010
Sterrenkundigen van de Universiteit van Amsterdam en van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA hebben een snel rondtollende neutronenster ontdekt die pulsen van röntgenstraling uitzendt en een baan beschrijft rond een gewone ster, waardoor hij met de regelmaat van de klok aan het zicht wordt onttrokken. De ontdekking van de eclipserende röntgenpulsaar maakt het binnenkort hopelijk mogelijk om de middellijn en de massa van de neutronenster heel nauwkeurig te bepalen. Daardoor komen astronomen meer te weten over de inwendige opbouw van deze bizarre sterren. Neutronensterren zijn de compacte overblijfselen van zware sterren die hun leven hebben beëindigd in een supernova-explosie. Ze zijn zwaarder dan de zon, maar niet groter dan een kilometer of twintig. De nieuw ontdekte ster (J1749 geheten) zuigt gas op van zijn begeleider. Dat gas wordt sterk verhit en zendt röntgenstraling uit. Doordat de neutronenster 518 keer per seconde (!) om zijn as draait, zien sterrenkundigen die röntgenstraling in de vorm van heel korte pulsen. Tijdens een röntgenuitbarsting op 10 april werd de ster waargenomen door de Amerikaanse Rossi X-ray Timing Explorer. Uit de precisiemetingen blijkt dat de neutronenster en de begeleider eens in de 8,8 uur om elkaar heen bewegen. Daarbij wordt de neutronenster regelmatig door de begeleider bedekt - vanaf de aarde kijken we kennelijk vrijwel exact 'van opzij' tegen de baan van de dubbelster aan. Door in de toekomst met een gewone telescoop ook nauwkeurige metingen te verrichten aan de beweging van de begeleider, is het mogelijk om de massa van de neutronenster te bepalen. Uit de waarnemingen van de onderlinge bedekkingen kan ook de middellijn worden afgeleid. Op die manier zal het mogelijk zijn om informatie te verkrijgen over de dichtheid en de inwendige structuur van de neutronenster.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Animatiefilmpje van de eclipserende röntgenpulsar.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl;

12 augustus 2010
Astronomen hebben met behulp van de Amerikaanse satelliet Fermi gammastraling waargenomen van een zogeheten nova (Science, 13 augustus). Dat is verrassend, omdat tot nog toe werd aangenomen dat deze sterexplosies niet krachtig genoeg zijn om zulke energierijke straling te produceren. Een nova is een ster die plotseling en kortstondig helderder wordt. De uitbarsting ontstaat als een onopvallende witte dwergster zo veel materie van een begeleidende ster heeft aangezogen, dat er aan zijn oppervlak een thermonucleaire explosie optreedt. Vergeleken met supernova-explosies, waarbij de ontploffende ster compleet aan flarden wordt geblazen, zijn nova-explosies van bescheiden omvang. Toch was de nova V407 Cygni, die op 11 maart verscheen, een krachtige bron van gammastraling - de meest energierijke vorm van straling die we kennen. De astronomen denken dat het ontstaan ervan op een toevalligheid berust: de begeleidende ster van de witte dwerg van V407 is een rode reuzenster die momenteel veel gas de ruimte in blaast. Hierdoor zou het tot een ongewoon harde botsing zijn gekomen tussen de schokgolf van de nova-explosie en het gas in de omgeving.
Meer informatie:
Fermi Detects 'Shocking' Surprise from Supernova's Little Cousin

12 augustus 2010
Drie amateurwetenschappers uit de VS en Duitsland hebben met hun eigen thuiscomputer een nieuwe neutronenster ontdekt, die nog 'verstopt' zat in signalen uit het heelal (Science Express, 12 augustus). Zulke neutronensterren, of pulsars, ontstaan als zware sterren aan het einde van hun leven ontploffen. Net als 250.000 andere vrijwilligers uit 192 landen stellen deze drie amateurwetenschappers iedere dag hun thuis- of werkcomputer beschikbaar voor sterrenkundige zoektochten met het project Einstein@Home. Dit internationale project maakt het voor iedereen mogelijk nieuwe sterren te ontdekken. Jason Hessels en Joeri van Leeuwen van het Nederlandse instituut voor radioastronomie ASTRON voeren, met een internationaal team van astronomen, een zoektocht naar zulke neutronensterren uit met de Arecibo-radiotelescoop in de Verenigde Staten. Deze zoektocht wordt door de honderdduizenden thuiscomputers geanalyseerd. Met de Westerbork Synthese Radio Telescoop van ASTRON werd de nieuw ontdekte ster daarna precies gelokaliseerd. Dit is de eerste sterrenkundige ontdekking die gedaan is door 'computervrijwilligers'. De neutronenster, PSR J2007+2722 genaamd, tolt 41 keer per seconde om zijn as. De meeste snel draaiende neutronensterren worden vergezeld door een tweede ster, die de snelle draaiing van de neutronenster veroorzaakt. De net ontdekte pulsar is echter alleen. Dat maakt de ster extra interessant: waarschijnlijk is de andere ster weggelanceerd.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)
Einstein@Home

2 augustus 2010
Dertig jaar geleden ontdekten sterrenkundigen dat ons Melkwegstelsel en andere sterrenstelsels in het heelal een mysterieuze gloed van infraroodstraling uitzenden. Door laboratoriumonderzoek hebben NASA-wetenschappers nu ontdekt waar die gloed vandaan komt. De bron blijkt te bestaan uit roetachtige deeltjes in de ruimte - zogeheten polycyclische aromatische koolwaterstoffen of PAK's. Voor dit onderzoek zijn in het laboratorium de omstandigheden van de ruimte nagebootst. Daarbij is gekeken naar de soorten licht die PAK's in het luchtledige bij temperaturen van -270 tot +1000 graden Celsius uitzenden. Dat heeft geresulteerd in een database van bijna zevenhonderd spectra, waaruit blijkt dat de ruimte wemelt van de PAK's. Veelal betreft het exotische soorten die op aarde niet worden aangetroffen. De roetachtige deeltjes zijn waarschijnlijk afkomstig van koele, koolstofrijke sterren. De deeltjes, die ongeveer ontstaan zoals in de uitlaatgassen van een verbrandingsmotor, worden door de sterrenwind de ruimte in geblazen.
Meer informatie:
NASA Reveals Key to Unlock Mysterious Red Glow in Space

29 juli 2010
Amerikaanse astronomen hebben een bruine dwerg - een kleine, 'mislukte' ster - ontdekt die om een jonge, zonachtige ster draait. Het bijzondere aan de ontdekking is de kleine, maar toenemende afstand tussen de beide hemellichamen. De ster PZ Telescopii en zijn kleine begeleider zijn momenteel minder dan drie miljard kilometer van elkaar verwijderd - vergelijkbaar met de afstand tussen onze zon en de planeet Uranus. Op opnamen die zeven jaar geleden zijn gemaakt, is de begeleider echter niet te zien, wat er op wijst dat hij toen veel dichter bij de ster stond. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de bruine dwerg in een langgerekte baan om de ster beweegt. PZ Telescopii is een jonge versie van onze zon, met een geschatte leeftijd van slechts twaalf miljoen jaar. Zijn begeleider is ongeveer 36 keer zo zwaar als de planeet Jupiter, en heeft daarmee te weinig massa om net zo veel licht en warmte te produceren als een normale ster.
Meer informatie:
Brown Dwarf Found Orbiting A Young Sun-Like Star

27 juli 2010
Het nog in aanbouw zijnde 'neutrino-observatorium' IceCube, bestaande uit duizenden sensors diep in de ijskap van Antarctica, levert al wetenschappelijke resultaten op. En wel op een onderzoeksterrein waar het eigenlijk niet voor ontworpen is: de kosmische straling. IceCube is bedoeld voor de detectie van energierijke neutrino's - vrijwel ongrijpbare deeltjes, afkomstig van supernova-explosies en zwarte gaten aan de noordelijke (!) hemel die dwars door de aarde heen zijn gegaan. Maar ondertussen worden de detectors voortdurend gebombardeerd met andere deeltjes uit de ruimte, die zijn vrijgekomen bij botsingen tussen deeltjes van de kosmische straling en atomen in de aardatmosfeer. Voor neutrinowetenschappers is die kosmische straling niets anders dan storende 'ruis', maar andere wetenschappers zijn er juist erg in geïnteresseerd. Uit de IceCube-metingen blijkt dat de kosmische straling aan de zuidelijke hemel niet gelijkmatig uit alle richtingen komt. Deze 'anisotropie' lijkt een voortzetting te zijn van de eerdere waargenomen ongelijkmatige verdeling van de kosmische straling op het noordelijk halfrond. Wat de oorzaak van het onregelmatige patroon is, is nog onduidelijk. Het is mogelijk dat de straling afkomstig is van het overblijfsel van een relatief recente en nabije supernova-explosie.
Meer informatie:
IceCube spies unexplained pattern of cosmic rays

22 juli 2010
Sterrenkundigen hebben, met behulp van de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer, voor het eerst zogeheten buckyballs waargenomen (Science Express, 22 juli). Dat zijn moleculen, bestaande uit zestig koolstofatomen die een bolletje vormen. Buckyballs werden een kwart eeuw geleden voor het eerst waargenomen in een laboratorium. Sterrenkundigen hielden er al geruime tijd rekening mee dat zij deze grote moleculen ook in de ruimte zouden ontdekken. En dat is nu dus gebeurd. Naast echte buckyballs is ook een rugbybalvormige variant, bestaande uit zeventig koolstofatomen, waargenomen. Beide soorten maken deel uit van een klasse van moleculen die officieel buckminsterfullerenen heten. De koolstofbolletjes zijn ontdekt in de planetaire nevel Tc 1 - het restant van een ster die zijn buitenste gaslagen heeft weggeblazen.
Meer informatie:
NASA Telescope Finds Elusive Buckyballs in Space for First Time

22 juli 2010
Honderd miljoen jaar geleden baande een drievoudige ster zich een weg door het drukke centrum van ons Melkwegstelsel. Daarbij kwam het trio sterren zó dicht bij het zwarte gat dat zich daar schuilhoudt, dat één van hen werd opgeslokt. De beide andere sterren werden het Melkwegstelsel uit geslingerd en zijn uiteindelijk tot één zware ster gefuseerd. Het lijkt vergezocht, maar dat is het scenario dat sterrenkundigen voor ogen hebben om de eigenschappen van de supersnelle ster HE 0437-5439 te kunnen verklaren. Uit waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop blijkt dat deze ster, die met een snelheid van 2,5 miljoen kilometer per uur door de ruimte scheurt, zich inderdaad van het melkwegcentrum verwijdert. Alles bij elkaar zijn de afgelopen vijf jaar een stuk of zestien van die supersnelle sterren ontdekt. En van allemaal werd al vermoed dat zij uit de kern van ons sterrenstelsel afkomstig zijn. Maar nu is dat voor één van die sterren ook met metingen bevestigd. Geschat wordt dat er op deze manier gemiddeld eens in de honderdduizend jaar een ster uit ons Melkwegstelsel wordt verbannen. De ster bevindt zich inmiddels al in de verre buitenwijken van het Melkwegstelsel, op ongeveer 200.000 lichtjaar van het centrum. Ondanks zijn grote snelheid moet HE 0437-5439 er honderd miljoen jaar over hebben gedaan om zo ver te komen.
Meer informatie:
Hyperfast Star Was Booted From Milky Way
Black hole at Milky Way core powers galaxy's fastest stars

14 juli 2010
Europese astronomen zijn er voor het eerst in geslaagd om de materieschijf rond een zware babyster in beeld te brengen. Daarmee is het directe bewijs geleverd dat zware sterren op dezelfde manier ontstaan als hun kleinere soortgenoten (Nature, 15 juli). De astronomen hebben een object onderzocht dat bekendstaat onder de cryptische naam IRAS 13481-6124 - een 20 zonsmassa's wegende, jonge ster op een afstand van ongeveer tienduizend lichtjaar. Uit eerdere waarnemingen was al gebleken dat de ster een jet vertoont - een straalstoom van materie. Zo'n jet wijst doorgaans op de aanwezigheid van een schijf van gas en stof, van waaruit materie naar een nog in 'aanbouw' zijnde ster toe stroomt. Om vast de stellen of dat ook bij deze ster het geval is, hebben de astronomen ESO's Very Large Telescope Interferometer (VLTI) ingezet - een instrument met een beeldscherpte die meer dan tien keer zo groot is als die van de huidige optische telescopen in de ruimte. Met de VLTI kon inderdaad worden vastgesteld dat IRAS 13481-6124 is omringd door een materieschijf. Bij lichte sterren zijn zulke schijven al veel vaker in beeld gebracht. Maar bij zo'n zware ster is nu voor het eerst gelukt. Daaruit blijkt dat de vorming voor alle sterren op dezelfde manier verloopt, ongeacht hun massa.
Meer informatie:
All Stars are Born the Same Way
Photo Proof: Super Stars Of The Universe Have Humble Beginnings
Dust Disk Found Around Massive Star;

7 juli 2010
Door waarnemingen met ESO's Very Large Telescope en NASA's röntgensatelliet Chandra met elkaar te combineren, hebben astronomen de krachtigste jets ontdekt die ooit bij een stellair zwart gat zijn waargenomen. Het object, dat ook wel een microquasar wordt genoemd, blaast een duizend lichtjaar grote bel van heet gas de ruimte in. En daarbij wordt tienmaal zo veel energie de ruimte in gepompt als bij de overige microquasars die we kennen (Nature, 8 juli). Bekend is dat zwarte gaten enorme hoeveelheden energie uitstoten als zij materie opslokken. Het vermoeden bestond dat deze energie grotendeels vrijkwam in de vorm van straling, en met name röntgenstraling. Uit dit nieuwe onderzoek blijkt echter dat sommige zwarte gaten net zo veel, en misschien zelfs veel meer, energie uitstoten in de vorm van twee bundels van snel bewegende deeltjes. Deze snelle jets komen in botsing met het omringende interstellaire gas, en verhitten het, waardoor het gaat uitdijen. De astronomen hebben de plekken waar de jets inbeuken op het interstellaire gas rond het zwarte gat kunnen waarnemen. Daarbij is vastgesteld dat de bel van heet gas uitdijt met een snelheid van bijna een miljoen kilometer per uur. Het bellenblazende zwarte gat bevindt zich op een afstand van 12 miljoen lichtjaar, in het buitengebied van het spiraalstelsel NGC 7793. Uit de waargenomen afmetingen en uitdijingssnelheid van de gasbel leiden de astronomen af dat de jet al minstens 200.000 jaar actief is.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

30 juni 2010
Veel van de oude sterren van het Melkwegstelsel zijn overblijfselen van kleinere sterrenstelsels die ongeveer vijf miljard jaar geleden door ons stelsel zijn opgeslokt. Dat blijkt uit computersimulaties door een internationaal team van sterrenkundigen, onder wie Amina Helmi van het Kapteyn Instituut in Groningen. De computersimulaties laten zien dat de oude sterren, die nu een reusachtige wolk om het Melkwegstelsel vormen, door de zwaartekrachtsinteracties uit de aan flarden getrokken dwergstelsels zijn ontsnapt. Sterrenkundigen denken dat het heelal ooit wemelde van de kleine sterrenstelsels, die door botsingen zijn uitgegroeid tot veel grotere exemplaren.
Meer informatie:
'Galactic archaeologists' find origin of Milky Way's ancient stars

29 juni 2010
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft ontdekt hoe zware sterren worden gevormd. Uit onderzoek met de UKIRT-infraroodtelescoop op Hawaï blijkt dat ze in de meeste gevallen op dezelfde manier ontstaan als lichte sterren. Bekend was al dat lichte sterren zoals onze zon ontstaan door de 'instorting' van een wolk gas en stof. Dat gas en stof spiraalt naar de evenaar van de jonge ster, waardoor zich een schijf van materie rond de ster vormt. Een deel van die materie komt uiteindelijk niet in de ster terecht, maar wordt in richtingen loodrecht op de schijf terug de ruimte in geblazen. De vraag was of sterren van tien zonsmassa's en meer op dezelfde manier ontstaan. Dat is niet zo vanzelfsprekend, omdat deze sterren al heel snel zo veel energie uitstralen, dat de vorming van een materieschijf wordt geremd. Omdat de meeste zware sterren bij hun ontstaan in reusachtige stofwolken zijn gehuld, is er niet veel zicht op hun ontstaansproces. In het infrarood kan echter door dat stof heen worden gekeken. En dan blijkt dat zeker driekwart van de zware sterren-in-wording net zo'n dubbele uitstroom van materie vertonen als lichte sterren. Dat betekent dat ook zware sterren ontstaan door materie te verzamelen in een schijf rond hun evenaar.
Meer informatie:
UKIRT Unveils the Mysteries of Massive Star Formation

24 juni 2010
Sterrenkundigen hebben veertien sterren ontdekt die tot de koelste in het heelal behoren. Het betreft zogeheten bruine dwergen: sterren die niet genoeg massa hebben om door middel van kernfusie energie te produceren. Ze geven zo weinig licht, dat ze met normale telescopen niet waarneembaar zijn. De veertien bruine dwergen zijn ontdekt met de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer. Ze hebben oppervlaktetemperaturen van 200 tot 350 graden Celsius, wat absurd koud is voor sterren. Ter vergelijking: de oppervlaktetemperatuur van de zon bedraagt ongeveer 5500 graden. Bruine dwergen teren voornamelijk op de warmte die ze bij hun ontstaan hebben gekregen. In de loop van hun bestaan worden ze steeds koeler. Naar verwachting zijn er nog veel meer van deze extreem koele sterren in ons Melkwegstelsel. Er wordt zelfs over gespeculeerd dat onze zon zo'n bruine dwerg als begeleider heeft. Mocht dat zo zijn, dan zal deze vrijwel zeker worden opgespoord met een andere infraroodsatelliet die momenteel de hemel afspeurt: de Wide-Field Infrared Survey Explorer (WISE).
Meer informatie:
The Coolest Stars Come Out of the Dark

24 juni 2010
Een internationaal team van radiosterrenkundigen heeft het gedrag van rondtollende neutronensterren bestudeerd, en een techniek bedacht om hun bruikbaarheid als natuurlijke klokken nog verder te vergroten (Science Express, 24 juni). Snel roterende neutronensterren of pulsars worden al sinds 1967 waargenomen, voornamelijk met radiotelescopen. Al kort na hun ontdekking bleek dat de stralingspulsen die zij produceren uitermate regelmatig zijn. Desondanks vertoont het rotatiegedrag van de neutronensterren kleine onregelmatigheden, die hun bruikbaarheid als natuurlijke klokken aanzienlijk beperken. De sterrenkundigen hebben tientallen jaren van waarnemingen met de 76-meter radioschotel in Jodrell Bank (Engeland) geanalyseerd, om de kleine afwijkingen in het 'tikken' van de pulsars beter te leren begrijpen. Bekend was al dat de rotatie van pulsars heel geleidelijk vertraagt. Naar nu gebleken is, gaat dat niet gelijkmatig, maar afwisselend in twee verschillende tempo's. En aan de vorm van de uitgezonden stralingspulsen is te zien welke vertraging op dat moment wordt gevolgd. Dit laatste maakt het mogelijk om een correctie op de waargenomen pulsen toe te passen. Daarmee wordt de nauwkeurigheid van de 'pulsarklokken' aanzienlijk vergroot.
Meer informatie:
Astronomers making good time

21 juni 2010
Spaanse en Amerikaanse wetenschappers hebben in de omgeving van een ster in het sterrenbeeld Perseus de stof anthraceen opgespoord. Deze organische stof bestaat uit zeer grote moleculen, en kan onder invloed van ultraviolette straling aminozuren vormen. De ontdekking is gedaan met de 4,2-meter William Herschel-telescoop op het Canarische eiland La Palma en de 9,2-meter Hobby-Eberly-telescoop in Texas. Eerder was anthraceen al aangetoond in meteorieten, maar het is nu voor het eerst dat dit molecuul in de omgeving van een ster is gevonden. Volgens de onderzoekers maakt hun ontdekking het waarschijnlijker dat er in de interstellaire ruimte ook aminozuren te vinden zijn. In de ruimte zijn zo'n beetje alle ingrediënten opgespoord die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het ontstaan van leven op aarde.
Meer informatie:
Super-complex organic molecules found in interstellar space

21 juni 2010
Sterrenkundigen van SRON en de Universiteit Utrecht hebben de 'vingerafdrukken' van zuurstof gevonden in de röntgenstraling van een neutronenster die een witte dwerg opeet. Het bijzondere is dat die vingerafdrukken vervormd zijn door de extreme zwaartekracht die er heerst. Het is voor het eerst dat dit effect aan de hand van zuurstof kan worden bestudeerd. De neutronenster die de onderzoekers observeerden maakt deel uit van de dubbelster 4U 0614+091. Hierin draaien een neutronenster en een zuurstofrijke witte dwerg ruwweg elke vijftig minuten om elkaar heen. De witte dwerg - feitelijk een uitgebrande ster - draait op zo'n kleine afstand rond de neutronenster dat het zuurstofrijke gas van de dwerg wordt weggezogen en in een schijf dicht om de neutronenster heen gaat wervelen. Door de extreme zwaartekracht en het hete gas in de schijf is de 'vingerafdruk' van zuurstof in de röntgenstraling die de neutronenster uitzendt vervormd. Helaas zijn de tot nog toe verzamelde gegevens niet nauwkeurig genoeg om de omvang van de neutronenster nauwkeurig te kunnen bepalen. Hiervoor zijn meer waarnemingen nodig.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

17 juni 2010
Duitse en Amerikaanse sterrenkundigen hebben een ster ontdekt waarvan de geboorte in volle gang is. De ster is nog volop bezig met het aantrekken van gas en stof uit zijn omgeving. De ster-in-wording maakt deel uit van een stervormingsgebied L1448 in het sterrenbeeld Perseus en is ongeveer 800 lichtjaar van ons verwijderd. In die reusachtige gaswolk ontstaan onder invloed van de zwaartekracht verdichtingen van gas en stof. Als er op een plek voldoende materie bijeengebracht is, ontstaat een dichte, hete kern: de proto-ster. De nu ontdekte ster bevindt zich nog vóór het proto-sterstadium. Hij zendt nog maar weinig licht uit en is alleen waarneembaar met submillimeter- en infraroodtelescopen. Hoe lang het nog duurt voordat hij een 'echte' ster wordt, is onzeker.
Meer informatie:
Astronomers Witness A Star Being Born

2 juni
2010

Een internationaal team van sterrenkundigen heeft ontdekt dat een jonge sterrenhoop in het stervormingsgebied NGC 3603 nog niet tot rust is gekomen. Dat blijkt uit een 'trajectmeting' met een tussenpoos van tien jaar met de Hubble-ruimtetelescoop. In de gasnevel NGC 3603 bevindt zich een verzameling van tienduizend jonge sterren binnen een slechts drie lichtjaar groot gebied. Deze compacte sterrenhoop is zowel in 1997 als in 2007 met de ruimtetelescoop waargenomen. De analyse van de opnamen, die twee jaar in beslag nam, heeft de exacte snelheden van een paar honderd leden van de sterrenhoop opgeleverd. Het resultaat is verrassend: zelfs nu, een miljoen jaar na hun ontstaan, bewegen de sterren die tweemaal zo zwaar zijn als onze zon gemiddeld nog even snel als de sterren van zeven zonsmassa's. Verwacht was dat inmiddels een evenwicht zou zijn bereikt, waarbij de zware sterren al aanzienlijk lagere snelheden zouden hebben dan de lichte sterren. De ontdekking maakt het minder waarschijnlijk dat deze sterrenhoop zich uiteindelijk zal ontwikkelen tot een zogeheten bolvormige sterrenhoop - een stabiele, kogelronde verzameling sterren die miljarden jaren intact blijft.
Meer informatie:
Hubble catches stars on the move
Sterne kommen nicht zur Ruhe

26 mei 2010
Amerikaanse radiosterrenkundigen hebben een groot aantal tot nog toe onbekende stervormingsgebieden in ons Melkwegstelsel opgespoord. De stellaire kraamkamers zijn aan het licht gekomen bij een gerichte selectie van gegevens, afkomstig van de infraroodsatelliet Spitzer en de grote VLA-radiotelescoop in New Mexico. Ze zijn vervolgens nader onderzocht met de Green Bank-radiotelescoop in Virginia. De gevonden stervormingsgebieden zijn niet of nauwelijks waarneembaar met gewone telescopen: ze gaan schuil achter gas- en stofwolken in de melkweg. Om ze te kunnen vinden, moeten sterrenkundigen hun toevlucht nemen tot golflengten langer dan die van zichtbaar licht - radio- en infraroodstraling. De aldus opgespoorde stervormingsgebieden liggen in het kerngebied en de spiraalarmen van ons Melkwegstelsel. Sommige bevinden zich op grotere afstand van het melkwegcentrum dan onze zon. Dat maakt hun ontdekking des te interessanter, omdat dit informatie kan opleveren over de chemische evolutie van het Melkwegstelsel. Er zijn aanwijzingen dat objecten meer elementen zwaarder dan waterstof bevatten, naarmate hun afstand tot het melkwegcentrum groter is. Onderzoek van de nu ontdekte stervormingsgebieden kan daar uitsluitsel over geven.
Meer informatie:
Astronomers discover new star-forming regions in Milky Way

26 mei 2010
Australische en Amerikaanse sterrenkundigen hebben ontdekt waar de raadselachtige koude gaswolken vandaan komen die 'boven' het vlak van ons Melkwegstelsel zweven. Hun oorsprong moet worden gezocht bij de intense deeltjeswinden en explosies van jonge, hete sterren. Begin deze eeuw werd met behulp van de Green Bank-radiotelescoop in Virginia (VS) een groot aantal wolken van koud waterstofgas ontdekt, die zich op hoogten van 400 tot 15.000 lichtjaar boven de schijf van het Melkwegstelsel bevinden. De gaswolken zijn ruwweg 200 lichtjaar groot en bevatten ongeveer 700 keer zoveel materie als onze zon. Onderzoek van ongeveer 650 van deze gaswolken boven twee ver uiteen gelegen gebieden van ons Melkwegstelsel heeft opmerkelijke verschillen aan het licht gebracht. Boven het ene onderzochte gebied is het aantal gaswolken, en bovendien ook hun gemiddelde hoogte, veel groter dan boven het andere. Dat blijkt de sleutel tot hun verklaring. Het gebied waarboven de meeste gaswolken zweven, is namelijk een veel actiever stervormingsgebied dan het andere. Daaruit concluderen de sterrenkundigen dat het gas is weggeblazen uit de omgeving van jonge, hete sterren, die een krachtige stroom deeltjes uitstoten en hun korte bestaan vaak met een supernova-explosie afsluiten.
Meer informatie:
Astronomers Discover Clue to Origin of Milky Way Gas Clouds

24 mei 2010
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft hevige uitbarstingen waargenomen van een tweetal sterren dat in minder dan een half uur om elkaar heen wentelt. Deze uitbarstingen treden op met een opmerkelijke regelmaat: eens in de twee maanden. De twee sterren zijn heliumrijke witte dwergen - de compacte restanten van niet al te zware sterren. De dubbelster, die de aanduiding KL Draconis draagt, bevindt zich in het sterrenbeeld Draak. De onderlinge afstand tussen de beide sterren is dermate klein, dat de de zwaarste dwergster helium van de andere dwergster opslokt. Het aangezogen helium valt niet rechtstreeks op het oppervlak van de ster, maar hoopt zich op in een materieschijf rond de ster. Het is in deze schijf dat, zodra zich voldoende helium heeft verzameld, de tweemaandelijkse uitbarstingen optreden.
Meer informatie:
Helium pair have regular violent flare ups

20 mei 2010
Nieuwe waarnemingen met de Amerikaanse infraroodsatelliet Spitzer laten zien dat compacte dubbelsterren uit één en dezelfde gaswolk ontstaan. Dat werd op theoretische gronden al vermoed, maar doorslaggevend bewijsmateriaal ontbrak nog. De meeste sterren in ons Melkwegstelsel vormen tweetallen. De afstanden tussen de beide componenten van zo'n dubbelster lopen enorm uiteen. Aangenomen werd dat sterren die een wijde dubbelster vormen uit afzonderlijke gaswolken zijn ontstaan. Compacte dubbelsterren zouden ontstaan als een gaswolk tijdens de samentrekking die tot stervorming leidt in stukken uiteenvalt. De Spizer-waarnemingen lijken dat te bevestigen. Op infraroodopnamen van een twintigtal sterren-in-wording is te zien dat het gasomhulsel waarin de jonge sterren nog gehuld zijn in de meeste gevallen een uitgerekte vorm heeft. Dat beeld komt overeen met de resultaten van computersimulaties van de vorming van compacte dubbelsterren.
Meer informatie:
Two Peas in an Irregular Pod

20 mei 2010
De voor zover bekend heetste planeet van ons Melkwegstelsel is wellicht ook de kortst levende. Het onfortuinlijke hemellichaam wordt namelijk opgeslokt door zijn moederster. Zo blijkt uit waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop. De planeet, die bekendstaat als WASP-12b, draait op zo'n kleine afstand om zijn ster, dat hij is verhit tot meer dan 1500 graden. Bovendien is zijn vorm onder invloed van enorme getijkrachten uitgerekt tot die van een rugbybal. De kolos is driemaal zo groot en anderhalf keer zo zwaar als de planeet Jupiter. Uit waarnemingen met een instrument van de ruimtetelescoop blijkt dat de WASP-12b materie verliest, die uiteindelijk door de ster zal worden opgeslokt. Sterrenkundigen schatten dat de ster, die 600 lichtjaar van ons verwijderd is, haar planeet binnen ongeveer 10 miljoen jaar geheel verorberd zal hebben.
Meer informatie:
Hubble Finds Star Eating a Planet

18 mei 2010
Amerikaanse sterrenkundigen hebben een dubbelster ontdekt, die uit twee zogeheten witte dwergsterren bestaat. De kleine sterren draaien om elkaar heen, waarbij ze elkaar vanaf de aarde gezien beurtelings bedekken. Dat laatste heeft het mogelijk gemaakt om de grootte van de beide sterren te meten. Witte dwergen zijn de overblijfselen van sterren die aan het einde van hun bestaan hun buitenlagen hebben weggeblazen. Normale exemplaren bevatten ruwweg net zo veel massa als onze zon, maar zijn desalniettemin ongeveer net zo klein als onze aarde. De witte dwergen die de onderzochte dubbelster NLTT 11748 vormen, wentelen in minder dan zes uur om elkaar. De kleinste van de twee is een normale witte dwerg, die grotendeels uit koolstof en zuurstof bestaat. De ander is een bijzonder geval: deze is rijk aan helium, bevat veel minder massa en is ruim vier keer zo groot als de aarde. Het is voor het eerst dat de grootte van zo'n heliumrijke witte dwerg rechtstreeks is gemeten. Volgens de onderzoekers zullen de beide dwergsterren elkaar de komende miljarden jaren steeds dichter naderen. Uiteindelijk zal het tot een botsing komen, die een catastrofale explosie tot gevolg kan hebben.
Meer informatie:
Unique Eclipsing Binary Star System Discovered

12 mei 2010
Astronomen uit onder meer Spanje hebben een harde sterrenkundige noot gekraakt. Ze hebben aangetoond dat de sterrenhoop NGC 6791 niet zes miljard jaar oud is, zoals tot nog toe werd gedacht, maar acht miljard jaar (Nature, 13 mei). Tot nog toe lukte het maar niet om een eenduidige leeftijd voor NGC 6791 te vinden. Op basis van de eigenschappen van de oudste normale sterren in de sterrenhoop was een leeftijd van acht miljard jaar vastgesteld. Maar een andere dateringsmethode, gebaseerd op de snelheid waarmee witte dwergen (uitdovende sterren) afkoelen, bleef steken bij zes miljard jaar. Het nieuwe onderzoek toont nu aan dat witte dwergen minder snel afkoelen dan gedacht. Of beter gezegd: in het inwendige van deze sterren treden nog fysische processen op waarbij warmte vrijkomt. Als deze processen in rekening worden gebracht, blijkt dat ook de witte dwergsterren in NGC 6791 acht miljard jaar oud zijn.
Meer informatie:
Scientists from the UPC Barcelona Tech has precisely calculated the age of the stars

11 mei 2010
De Europese infraroodsatelliet Herschel heeft een opmerkelijke ontdekking gedaan: een gat in de ruimte. Het gat biedt sterrenkundigen een verrassend kijkje in de eindfase van het stervormingsproces. Sterren ontstaan in dichte wolken van gas en stof. Hoewel sterren-in-wording aanvankelijk steeds meer gas naar zich toe trekken, ontwikkelen ze op een gegeven moment twee jets die als reusachtige 'bladblazers' hun omgeving schoonblazen. Herschel lijkt nu het resultaat van zo'n schoonmaakactie te hebben waargenomen. Anders dan gedacht blijkt de zwarte plek naast het stervormingsgebied NGC 1999 namelijk geen dichte wolk van gas en stof te zijn, waar geen licht doorheen komt. Nader onderzoek met Herschel en telescopen op aarde heeft aangetoond dat zich hier juist weinig gas en stof bevinden. Sterrenkundigen vermoeden nu dat de jets van jonge sterren in NGC 1999 het gas en stof ter plaatse helemaal hebben weggeblazen. De vermeende donkere gaswolk is dus juist een opening in het lichtgevende gas van NGC 1999 zelf.
Meer informatie:
Herschel finds a hole in space

10 mei 2010
In augustus van dit jaar zal een internationaal team van sterrenkundigen een bijzonder stervormingsgebied aan de zuidelijke hemel nader onderzoeken. In deze stellaire kraamkamer, die de aanduiding BY72 draagt, ontstaan momenteel sterren die tot wel vijftig keer zo zwaar kunnen worden als onze zon. De manier waarop zulke zware sterren geboren worden, is tot nog toe niet helemaal duidelijk. BY72 is een wolk van gas en stof op een afstand van 8000 lichtjaar in de richting van het sterrenbeeld Kiel. Het bijzondere aan deze gaswolk is dat de samentrekking die uiteindelijk tot de geboorte van nieuwe sterren leidt nog niet zo lang bezig is. Er zijn nog nietveel sterren uit het gas ontstaan. Andere opmerkelijke eigenschappen van BY72 zijn de snelheid waarmee hij samentrekt en de grote hoeveelheid materie die hij heeft verzameld. Hoewel de gaswolk slechts enkele lichtjaren groot is, bevat hij mogelijk 20.000 zonsmassa's aan gas en stof.
Meer informatie:
Astronomers plan second look at mega star birthing grounds

4 mei 2010
Onderzoek van oude sterren in ons Melkwegstelsel wijst erop dat ver uit elkaar gelegen delen van ons stelsel gelijktijdig en uit één en dezelfde gaswolk zijn ontstaan. Dat is in directe tegenspraak met de heersende theorie over het ontstaan van sterrenstelsels. Volgens deze theorie zouden stelsels als het onze klein zijn begonnen en geleidelijk zijn 'gegroeid' door het opslokken van andere kleine sterrenstelsels. Dit nieuwe, voorlopige onderzoeksresultaat is gebaseerd op waarnemingen van de bolvormige sterrenhoop 47 Tucanae met de Hubble-ruimtetelescoop. Deze sterrenhoop ligt ver van de kern van het Melkwegstelsel, maar blijkt daar niettemin sterke overeenkomsten mee te vertonen. Ze hebben een vergelijkbare chemische samenstelling en zijn beide 11 tot 12 miljard jaar oud. Eerdere ouderdomsschattingen van 47 Tucanae kwamen nog uit op 9 miljard jaar. Dit resultaat wijst erop dat de kern en de buitendelen van het Melkwegstelsel tegelijkertijd zijn ontstaan. Daaruit zou je kunnen concluderen dat ons stelsel in één keer is gevormd uit een kolossale gaswolk. Maar er zijn ook andere verklaringen denkbaar voor de waargenomen overeenkomsten. Zo zou een botsing met een ander sterrenstelsel materie uit de buitendelen van het Melkwegstelsel naar de kern kunnen hebben gedreven.
Meer informatie:
New Hubble pictures suggest Milky Way fell together
Webcast over onderzoek 47 Tucanae

23 april 2010
Op zaterdag 24 april 2010 is het precies twintig jaar geleden dat de Hubble Space Telescope gelanceerd werd. Ter gelegenheid van die verjaardag heeft het Space Telescope Science Institute in Baltimore een spectaculaire foto vrijgegeven van een deel van de Carina-nevel, een groot stervormingsgebied op 7500 lichtjaar afstand in het zuidelijke sterrenbeeld Carina (Kiel). Nevelflarden en stofkolommen worden beschenen door jonge, pasgeboren sterren in de omgeving, waardoor ze langzaam 'verdampen'. Binnenin de dichtste stofwolken ontstaan nieuwe sterren. De Amerikaans-Europese Hubble-telescoop heeft de afgelopen twintig jaar op elk deelgebied van de astronomie voor revolutionaire ontwikkelingen gezorgd. In mei 2009 werd de vijfde en laatste onderhoudsvlucht uitgevoerd, waarbij onder andere een nieuwe camera werd geplaatst. De foto van de Carina-nevel is met deze Wide Field Camera 3 gemaakt. Naar verwachting zal de ruimtetelescoop nog vijf à tien jaar in bedrijf zijn.
Meer informatie:
Starry-Eyed Hubble Celebrates 20 Years of Awe and Discovery
Hogeresolutieversie van de 'verjaardagsfoto'
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

22 april 2010
Met de in aanbouw zijnde LOFAR-telescoop in Noord-Drenthe (LOw-Frequency ARay) is de langgolvige radiostraling van zes pulsars waargenomen, die tegelijkertijd op veel kortere golflengten werden bestudeerd door grote radioschotels in Duitsland en Engeland. LOFAR is een revoluitonaire radiotelescoop die uiteindelijk uit tienduizenden kleine, eenvoudige antennes zal bestaan, verspreid over een groot deel van Noordwest-Europa. Pulsars - compacte, snel roterende sterren die regelmatige pulsen van radiostraling uitzenden - worden gewoonlijk op golflengten van enkele centimeters of decimeters waargenomen. Met LOFAR zijn nu simultaanwaarnemingen verricht op golflengten tot 7 meter. Door de pulsars in zo'n breed golflengtegebied te bestuderen, hopen astronomen meer te weten te komen over hun opbouw en over het ontstaan van de pulsen. LOFAR zal in de loop van komend jaar worden voltooid. De officiële inauguratie staat al iets eerder gepland, op 12 juni.
Meer informatie:
Additional Eyes for Pulsar Astronomers
LOFAR
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

21 april 2010
Met de Europese VISTA-telescoop in Noord-Chili is een indrukwekkende infraroodfoto gemaakt van de Kattepootnevel, een groot stervormingsgebied op 5500 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Schorpioen. De nevel, met een middellijn van ongeveer 50 lichtjaar, bestaat uit dichte gas- en stofwolken waarin nieuwe sterren ontstaan. Op foto's die in zichtbaar licht zijn gemaakt ziet hij eruit als de pootafdruk van een kat. Op de nieuwe foto die op infrarode golflengten gemaakt is met de 4,1-meter VISTA-telescoop (Visible and Infrared Survey Telescope for Astronomy) op de bergtop Paranal zijn de dichtste stofwolken nog steeds donker, maar in grote delen van de nevel zijn ook de pas gevormde sterren te zien: de infrarode warmtestraling van die sterren dringt door het stof heen. De VISTA-telescoop zal de komende jaren worden ingezet om de zuidelijke sterrenhemel op infrarode golflengten in kaart te brengen, als voorbereiding voor detailwaarnemingen van interessante objecten met de Europese Very Large Telescope.
Meer informatie:
VISTA Captures Celestial Cat’s Hidden Secrets
VISTA
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

15 april 2010
Metingen van het Amerikaanse Chandra X-ray Observatory - een röntgentelescoop in een baan om de aarde - wijzen uit dat een jonge neutronenster in het sterrenbeeld Cassiopeia in tien jaar tijd drie procent is afgekoeld. Het is voor het eerst dat astronomen de snelle afkoeling van een jonge neutronenster direct hebben waargenomen. Neutronensterren zijn de uiterst compacte, snel roterende overblijfselen van zware sterren die aan het eind van hun leven een supernova-explosie ondergaan. Direct na het ontstaan hebben ze een temperatuur van miljarden graden, maar ze koelen aanvankelijk heel snel af, onder andere door het uitzenden van neutrino's - hoogenergetische elementaire deeltjes zonder elektrische lading en met een vrijwel verwaarloosbare massa. Met de Chandra-ruimtetelescoop zijn tussen 2000 en 2009 regelmatig metingen verricht aan de neutronenster die eind zeventiende eeuw ontstond bij een supernova-explosie in het sterrenbeeld Cassiopeia. Die heeft momenteel een oppervlaktetemperatuur van ongeveer twee miljoen graden. De Chandra-metingen laten echter zien dat hij in het afgelopen decennium drie procent koeler is geworden. De manier waarop neutronensterren afkoelen wordt mede bepaald door hun inwendige structuur. De nieuwe metingen, die vandaag gepresenteerd worden op de National Astronomy Meeting 2010 van de Royal Astronomical Society in Glasgow, zullen dan ook mogelijk meer informatie opleveren over het inwendige van neutronensterren.
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

12 april 2010
Met de Europese Herschel Space Telescope is een indrukwekkende infraroodfoto gemaakt van de Rozetnevel, waar momenteel zware sterren worden geboren. Sterren ontstaan in kosmische stofwolken. Door de absorberende werking van het stof is het geboorteproces niet te zien met een gewone telescoop. Een infraroodkunstmaan zoals Herschel kijkt echter door het stof heen. Eerder zijn al stervormingsgebieden in beeld gebracht waar relatief lichte sterren ontstaan, zoals onze eigen zon. Zware sterren zijn zeldzamer, en de dichtstbijzijnde zware protosterren bevinden zich op veel grotere afstanden. Met de gevoelige Herschel-satelliet kunnen die nu echter ook bestudeerd worden. De Rozetnevel bevindt zich op ongeveer vijfduizend lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Eenhoorn. De bijbehorende moleculaire stofwolk bevat genoeg materiaal voor de vorming van tienduizend sterren zoals de zon. De heldere gebiedjes op de infraroodfoto van Herschel (die samengesteld is uit metingen op verschillende infraroodgolflengten) markeren de geboorteplaatsen van kosmische zwaargewichten: sterren die ongeveer tien keer zo zwaar zijn als de zon.
Meer informatie:
Baby stars in the Rosette cloud
Persbericht Jet Propulsion Laboratory
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

7 april 2010
Sterrenkundigen van de universiteit van drie Amerikaanse universiteiten zijn er voor het eerst in geslaagd om een glimp op te vangen van het mysterieuze, donkere object dat de ster Epsilon Aurigae met grote tussenpozen bedekt. Op beelden die met een speciaal infrarood-instrument zijn gemaakt is de schaduw van het object te zien, dat blijkbaar zo plat is als een pannenkoek (Nature, 8 april). Epsilon Aurigae is een van de helderste sterren van het sterrenbeeld Voerman. Al meer dan 175 jaar is bekend dat Epsilon vrij weinig licht uitzendt voor een ster van deze massa. Bovendien neemt de helderheid van de ster eens in de 27 jaar gedurende meer dan jaar sterk af. Dat wees erop dat er een donkere begeleider om Epsilon heen draait. Maar gezien de duur van de 'verduistering' kon dat geen normaal sterachtig object zijn. De waargenomen sterbedekkingen zouden verklaarbaar zijn als de begeleider van Epsilon een kleine ster met een omringende stofschijf was. Dat blijkt nu inderdaad het geval te zijn: de beelden tonen hoe een dunne, deels doorzichtige, wolk voor de ster langs trekt.
Meer informatie:
Astronomers take close-up pictures of mysterious dark object
Astronomers Capture a Rare Stellar Eclipse in Opening Scene of Year-long Show

1 april 2010
Met de Spitzer Space Telescope houden sterrenkundigen een groep van vele honderden jonge sterren in de Orionnevel nauwlettend in de gaten. De sterren zijn ongeveer één miljoen jaar oud, en bijna even 'rumoerig' als een kleuterklas. Ze vertonen relatief grote helderheidsvariaties. Die worden deels veroorzaakt door koelere en hetere gebieden aan het oppervlak van de snel roterende sterren, maar deels ook doordat de sterren omgeven worden door ronddraaiende wolken en schijven van stof en gas waaruit in de toekomst planeten kunnen ontstaan. De Spitzer-ruimtetelescoop registreert de infrarode warmtestraling van de sterren en van de stofschijven, en door het gebied vele tientallen malen te fotograferen in de loop van enkele maanden, krijgen astronomen een beter idee van de processen die sterren in hun kleuterfase doormaken. De afgebeelde infraroodfoto (waarbij verschillende infraroodgolflengten kunstmatig zijn weergegeven in verschillende kleuren) is een van de Spitzer-opnamen van het betreffende deel van de Orionnevel.
Meer informatie:
Colony of Young Stars Shines in New Spitzer Image
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

31 maart 2010
Vorm en uiterlijk van het stervormingsgebied Gum 19 worden in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van één extreem heldere reuzenster. Dat blijkt uit een nieuwe infraroodfoto van de nevel, gemaakt met de SOFI-camera van de Europese New Technology Telescope op de La Silla-sterrenwacht in Noord-Chili. De nevel, op 22.000 lichtjaar afstand in de richting van het zuidelijke sterrenbeeld Vela (Zeilen) heeft op de infraroodfoto één heldere en één donkere zijde. Het heldere gebied ontstaat doordat interstellair stof opgewarmd wordt door de straling van de reuzenster, V391 Velorum geheten. Die ster (in het midden van de foto) heeft een oppervlaktetemperatuur van zo'n 30.000 graden Celsius. Het veranderlijke karakter van de ster leidt ook tot schokgolven in de nevel, waaruit nieuwe sterren ontstaan - min of meer op de grens van het heldere en donkere deel van de nevel. In de toekomst, wanneer V391 Velorum zal exploderen als supernova, zal de structuur van de Gum 19-nevel nog veel ingrijpender worden beïnvloed.
Meer informatie:
The Light and Dark Face of a Star-Forming Nebula
De Europese infraroodcamera SOFI
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

29 maart 2010
De Amerikaanse ruimtetelescopen Chandra en Spitzer hebben de resten van een geëxplodeerde ster in beeld gebracht. De supernova-explosie vond plaats in een sterrenhoop, dus temidden van een groot aantal andere sterren. De stofdeeltjes in het weggeblazen materiaal worden verwarmd door deze sterren, waardoor ze infraroodstraling uitzenden. Die warmtestraling is vastgelegd door de Spitzer Space Telescope (oranje op de foto). De kern van de geëxplodeerde ster is ineengestort tot een compacte, snel roterende pulsar, die energierijke deeltjes de ruimte in blaast. Die 'pulsarwind' draagt ook bij aan de opwarming van het supernova-stof. De röntgenstraling van de pulsar (de witte stip) en de pulsarwind (blauw) is opgemeten door het Chandra X-ray Observatory. Normaal gesproken wordt het stof in een supernovarestant pas 'zichtbaar' wanneer er krachtige schokgolven optreden. Zulke schokgolven vernietigen echter de kleinste stofdeeltjes. In het geval van G54.1+0.3 (het catalogusnummer van deze supernovarest) is het echter mogelijk om het stof in de oorspronkelijke samenstelling te bestuderen.
Meer informatie:
Ashes to Ashes, Dust to Dust
Persbericht Chandra X-ray Observatory
Dit nieuwsbericht is toegevoegd door Govert Schilling - allesoversterrenkunde.nl

17 maart 2010
Nieuwe beelden van de Europese satelliet Planck laten zien dat ons Melkwegstelsel doortrokken is van lange filamenten van koud stof en gas. Hoe deze draderige structuur is ontstaan, is nog niet helemaal duidelijk. Vermoedelijk worden het stof en gas door hete, jonge sterren uit het melkwegvlak weggeblazen, maar mogelijk spelen ook magnetische velden een rol bij hun ontstaan. Het stof heeft temperaturen die uiteenlopen van twaalf tot enkele tientallen graden boven het absolute nulpunt (-273 graden Celsius). Een van de vraagstukken die Planck moet oplossen, is waarom het stof zowel op grote als op kleine schaal een soortgelijke weefselstructuur vertoont. Dat is overigens niet de hoofdtaak van deze satelliet, die bestaat uit het nauwkeurig in kaart brengen van de kosmische achtergrondstraling. Daarbij wordt de hele hemel afgescand en ontstaat tegelijkertijd ook een zeer gedetailleerde kaart van ons Melkwegstelsel.
Meer informatie:
Planck sees tapestry of cold dust

12 maart 2010
Nieuwe gegevens over de ruimtelijke snelheden van sterren in onze omgeving duiden erop dat de ster Gliese 710 vrijwel precies onze kant op komt. Volgens de Russische sterrenkundige Vadim Bobilev bestaat er een kans van 86 procent dat de ster over anderhalf miljoen jaar door de buitenwijken van ons zonnestelsel heen ploegt. In 1997 inventariseerde de Europese satelliet Hipparcos de nauwkeurige posities en snelheden van ongeveer 100.000 min of meer nabije sterren. Daaruit bleek dat 156 van die sterren op enig moment de zon tot op een afstand van minder dan drie lichtjaar kunnen naderen. En dat zou erop neer komen dat we ruwweg eens in de twee miljoen jaar een stellaire bezoeker mogen verwachten. In 2007 zijn de Hipparcos-gegevens echter enigszins bijgesteld en nadien zijn ook andere gegevens van stersnelheden beschikbaar gekomen. Daardoor moeten nog eens negen sterren aan de groep van potentiële passanten worden toegevoegd. Maar dat is niet de meest opmerkelijke aanvulling: gebleken is dat de oranje dwergster Gliese 710, die nu nog meer dan 60 lichtjaar van ons verwijderd is, nog dichterbij kan komen dan gedacht. Zoals het er nu naar uitziet, zal Gliese waarschijnlijk zo dichtbij komen, dat de wolk van vele miljarden komeetachtige objecten die ons zonnestelsel omhult in beroering wordt gebracht. Deze zogeheten Oortwolk strekt zich uit tot op een afstand van één à twee lichtjaar. Dat lijkt ver weg, maar een grote verstoring van de Oortwolk zou een zwerm kometen richting zon dirigeren. En daardoor zou de kans van een komeetinslag op aarde aanzienlijk kunnen toenemen.
Meer informatie:
Orange Dwarf Star Set to Smash into The Solar System

11 maart 2010
Astronomen van de Universiteit van Amsterdam hebben ontdekt dat de röntgenstraling die het zwarte gat in de dubbelster XTE J1550-564 uitzendt, soms wordt gedomineerd door de jet (de snelle straalvormige gasstroom die uit het zwarte gat komt) en niet door de accretieschijf. Dit opmerkelijke resultaat komt niet overeen met het heersende idee dat de röntgenstraling uit de schijf van materie komt waarmee het zwarte gat in dit dubbelstersysteem zich voedt. Bijzonder aan het onderzoek is dat de astronomen hun conclusie trekken op basis van waarnemingen, en niet van modellen. Ze bestudeerden XTE J1550-564 op röntgen-, optische en infraroodgolflengten en slaagden erin de emissie van de jet te scheiden van die van de accretieschijf. XTE J1550-564 is een dubbelstersysteem, waarvan het zwarte gat van tien zonsmassa's één component is. De andere is een gewone ster, waarvandaan voortdurend gas naar het zwarte gat toe stroomt. De twee draaien in een zeer nauwe baan om elkaar heen. Het materiaal dat de ster aan het zwarte gat verliest, verzamelt zich in een zeer snel roterende accretieschijf. Sinds de ontdekking van dit soort röntgendubbelsterren, is er onder astronomen veel discussie geweest over de oorsprong van de röntgenstraling. Gebleken is nu dat de 'harde' röntgenstraling wordt gedomineerd door de jet, variërend van 10 tot 100%, en niet door de accretieschijf.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

9 maart 2010
Astronomen van onder meer de Radboud Universiteit Nijmegen hebben ontdekt dat de twee sterren in de dubbelster HM Cancri in slechts 5,4 minuten om elkaar heen draaien. Daarmee is HM Cancri de dubbelster met veruit de kortst bekende baanperiode. Het is ook een van de allerkleinst mogelijke dubbelsterren, met een totale afmeting van niet meer dan 8 maal de diameter van de aarde. Het dubbelstersysteem HM Cancri bestaat uit twee witte dwergen, die zo dicht bij elkaar zitten dat er massa overstroomt van de ene naar de andere. Witte dwergen zijn de uitgebrande sintels van sterren zoals de zon en bestaan uit helium, of koolstof en zuurstof. HM Cancri werd in 1999 door ROSAT als zwakke röntgenbron ontdekt. In 2001 werd de 5,4 minuten-periode gevonden uit lichtvariaties in het röntgen en het optische licht. Of deze periode ook de baanperiode van de dubbelster was, is echter lang onduidelijk gebleven. Het zou zo kort zijn dat veel astronomen niet konden geloven dat dit klopte. Een internationaal team van astronomen, onder leiding van Gijs Roelofs van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics, heeft nu met behulp van de grootste telescoop ter wereld, de 10-m Keck telescoop op Hawaï, kunnen aantonen dat ook de baanperiode daadwerkelijk 5,4 minuten is. Dit is gedaan door de snelheidsvariaties in de spectraallijnen van HM Cancri te detecteren.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

4 maart 2010
De Europese ruimtetelescoop Herschel heeft in de Orionnevel de chemische vingerafdrukken gevonden van vele organische en anorganische moleculen. HIFI, het Nederlandse meetinstrument van Herschel, onthulde deze vingerafdrukken in de vorm van een zeer gedetailleerd spectrum van de Orionnevel, een van de dichtstbijzijnde kraamkamers van sterren en planeten in ons Melkwegstelsel. Het spectrum geeft een goede indruk van de schat aan nieuwe informatie die Herschel-HIFI gaat opleveren over hoe organische moleculen zich vormen in de ruimte. Het Orion-spectrum - een grafiek die weergeeft hoeveel licht er van iedere kleur is gemeten - maakt duidelijk dat HIFI uitstekend werkt sinds het ruimte-instrument weer operationeel is (vanaf januari 2010). Een opvallend kenmerk van het HIFI-spectrum van Orion is het rijke, dichte patroon van 'pieken'. Elke piek in het spectrum vertegenwoordigt licht met een hele specifieke kleur. Doordat ieder molecuul zijn eigen serie kleuren heeft, vertegenwoordigt iedere piek dan ook een specifiek molecuul. De Orionnevel staat bekend als een van de meest veelzijdige chemische fabrieken in de ruimte, en omdat we de chemische processen en de vorming van moleculen nog niet volledig begrijpen is de nevel een ideaal studieobject. Na eerste bestudering van het patroon van pieken hebben sterrenkundigen een aantal 'gewone' moleculen geïdentificeerd zoals water, koolmonoxide, formaldehyde, methanol, dimethylether, waterstofcyanide, zwaveldioxide, zwavelmonoxide en hun bijbehorende isotopen. Naar verwachting zullen ook nieuwe organische moleculen opduiken.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

4 maart 2010
Een team van astronomen, onder leiding van de Groningse sterrenkundige Maarten Breddels, heeft de afstanden van twintigduizend nabijgelegen sterren in de Melkweg bepaald voor RAVE, het Radial Velocity Experiment.Deze stercatalogus is beschikbaar voor sterrenkundigen over de hele wereld om ons sterrenstelsel te doorgronden. Uiteindelijk zal de catalogus groeien tot een miljoen sterren. Bijna twaalf jaar geleden produceerde de Europese satelliet Hipparcos een catalogus met de geprojecteerde snelheden van de sterren op de hemelbol. Later, toen de snelheden van deze sterren in de gezichtslijn werden gemeten, kregen astronomen een compleet beeld van de nabije sterren en hun bewegingen. Het is relatief makkelijk de posities van sterren op de hemelbol te meten, maar het bepalen van de afstand van een ster tot de aarde stelt eisen aan de observatietijd en modelleertechnieken. Alleen wanneer de afstand bekend is, is het mogelijk te bepalen hoe snel de sterren echt bewegen. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk te bepalen hoeveel massa de Melkweg bevat, of om sterstromen te ontdekken waarmee we de geschiedenis van ons sterrenstelsel beter leren begrijpen.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

3 maart 2010
Een pas ontdekte ster in een klein naburig sterrenstelsels heeft belangrijke aanwijzingen opgeleverd over de evolutie van ons Melkwegstelsel. De ster maakt deel uit van een dwergstelsel in het sterrenbeeld Sculptor (Beeldhouwer), op een afstand van 280.000 lichtjaar. Hij blijkt vrijwel dezelfde chemische samenstelling te hebben als de oudste sterren in het Melkwegstelsel (Nature, 4 maart). Dat versterkt het vermoeden dat ons stelsel is ontstaan door de geleidelijke samenklontering van dwergstelsels. Het buitenste omhulsel van ons Melkwegstelsel, de halo, bestaat uit sterren die - anders dan bijvoorbeeld onze zon - arm zijn aan elementen zwaarder dan helium. Omdat aangenomen werd dat deze sterren afkomstig zijn van recent opgeslokte dwergstelsels, werd verwacht dat in nog bestaande nabije dwergstelsels sterren met weinig zware elementen te vinden zouden zijn. Maar die sterren bleven spoorloos, waardoor enige twijfel ontstond over het samenklonteringsscenario. Die twijfel lijkt nu te zijn weggenomen: de vermeende verschillen in chemische samenstelling kunnen voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan de gebruikte opsporingstechnieken. Hierdoor werden de sterren met de minste zware elementen juist over het hoofd gezien. De nu onderzochte ster in het Sculptor-stelsel bevat meer dan 4000 keer zo weinig elementen zwaarder dan helium dan onze zon. De verwachting is dat in de nabije toekomst, als grotere telescopen beschikbaar komen, meer van die 'metaalarme' sterren in nabije dwergstelsels kunnen worden opgespoord.
Meer informatie:
Ancient Star Supports Cannibal Theory Of Milky Way Growth
Old star is 'missing link' in galactic evolution

23 februari 2010
Ongeveer een kwart van de bolvormige sterrenhopen in ons Melkwegstelsel is afkomstig van andere sterrenstelsels. Dat stellen onderzoekers van de Swinburne University of Technology (Australië). Dat sommige van deze sterrenhopen, die ongeveer een miljoen oude sterren bevatten, elders vandaan komen, werd al langer vermoed. Maar het was moeilijk om aan te geven voor welke dat het geval is. De onderzoekers hebben dat nu opgelost door, met behulp van gegevens van de Hubble-ruimtetelescoop, een zeer nauwkeurige database van de chemische samenstelling van 93 bolvormige sterrenhopen aan te leggen. Daaruit blijkt dat een kwart van de sterrenhopen een samenstelling heeft die afwijkt van die van sterrenhopen die in ons Melkwegstelsel zelf zijn ontstaan. Volgens de onderzoekers betekent dit dat tientallen miljoenen sterren van ons Melkwegstelsel, dat overigens meer dan 100 miljard sterren telt, afkomstig is van naburige kleine sterrenstelsels. Sommige bolvormige sterrenhopen zouden zelfs de voormalige kernen van zulke dwergstelsels kunnen zijn.
Meer informatie:
Alien invaders pack the Milky Way

19 februari 2010
Een pas opgestart project van het Max Planck Instituut voor Radioastronomie heeft al binnen enkele weken een eerste pulsar opgeleverd. Het object, dat de aanduiding PSR J1745+10 heeft gekregen, bevindt zich op de positie waar eerder met de gammasatelliet Fermi een heldere bron van gammastraling is ontdekt. Hij blijkt zich als een kosmische 'vampier' te gedragen. Pulsars zijn de compacte restanten van zware sterren die met hoge snelheid om hun as tollen en aan beide magnetische polen een bundel van straling uitzenden. Doordat deze magnetische polen doorgaans niet aan de uiteinden van de rotatie-as liggen, zwiepen de beide bundels in de rondte als de lichtbundels van een vuurtoren. Bij sommige pulsars is één van de stralingsbundels bij elke draaiing eventjes op de aarde gericht, waardoor we de pulsar aan en uit zien knipperen. Tot nog toe zijn ongeveer 2000 van die knipperende objecten ontdekt, veelal met behulp van radiotelescopen. Sommige pulsars maken deel uit van een dubbelstersysteem en slokken materie van de begeleidende ster op. Dat leidt ertoe dat zij steeds sneller gaan rondtollen. De nu ontdekte pulsar maakt al bijna 400 omwentelingen per seconde en behoort daarmee tot de klasse van millisecondepulsars. De pulsar en zijn begeleidende ster draaien in minder dan achttien uur om hun gezamenlijke zwaartepunt. Het lijkt erop dat pulsar zijn begeleider al vrijwel geheel leeggezogen heeft. Op dit moment bevat de ster nog slechts een paar procent van een zonsmassa aan materie. Dat betekent dat de ster binnen afzienbare tijd geheel verdwenen zal zijn.
Meer informatie:
Schwarze Witwe im Weltall

18 februari 2010
Astronomen, onder wie de Nederlanders Wouter Vlemmings en Huib Jan van Langevelde, hebben met behulp van de MERLIN-radiotelescoop laten zien dat magneetvelden ook een belangrijke rol spelen bij de geboorte van zware sterren. Dat magneetvelden erg belangrijk zijn bij de vorming van lichtere sterren zoals onze zon, was al bekend. De nieuwe studie laat zien dat de manieren waarop zware en lichte sterren worden gevormd, veel meer op elkaar lijken dan eerder werd gedacht. Zware sterren met een massa van meer dan acht keer die van de zon, zijn van cruciaal belang voor de vorming van andere sterren, planeten en het leven in het heelal. Hoewel ze zeldzaam zijn, bestieren ze de samenstelling en de evolutie van de interstellaire materie in de Melkweg en zijn ze verantwoordelijk voor de productie van zware elementen zoals ijzer. Astronomen dachten altijd dat straling en turbulentie de dominante factoren zijn bij de vorming van zware sterren, en dat hun vormingsproces daardoor heel anders verloopt dan dat van lichtere sterren. Maar uit onderzoek van een zware proto-ster in het sterrenbeeld Cepheus blijkt wat anders. De ster, op 2300 lichtjaar afstand van de aarde, bevindt zich in een van de dichtstbijzijnde moleculaire wolken waar zware sterren worden gevormd. Bij eerdere waarnemingen van dit object werd de stofschijf ontdekt vanwaaruit gas op de proto-ster valt. In het nieuwe onderzoek hebben de astronomen ontdekt dat het magneetveld van de proto-ster verrassend regelmatig en sterk is. Dat impliceert dat het magneetveld bepaalt hoe materie wordt overgebracht van de schijf naar de groeiende protoster.
Meer informatie:
Origineel persbericht (Nederlandstalig)

16 februari 2010
Een Brits/Chinees team van sterrenkundigen heeft ontdekt dat de rode reuzenster Eta Cancri een kleine begeleider heeft. Deze begeleider is een zogeheten ultrakoele dwerg: een kleine ster die veel koeler is dan andere sterren. De oppervlaktetemperatuur van de rode dwerg bedraagt slechts 2000 graden, bijna 4000 graden minder dan de oppervlaktetemperatuur van onze zon. Ultrakoele dwergen zijn sterren met planeetachtige eigenschappen. Ze geven weinig licht en door hun betrekkelijk lage temperatuur kunnen er in de steratmosfeer zelfs een soort wolken ontstaan. Het oppervlak van rode reuzen zoals Eta Cancri is overigens ook tamelijk koel. Ze ontstaan doordat normale sterren van het kaliber zon aan het eind van hun bestaan tot enorme afmetingen opzwellen. Over ongeveer 5 miljard jaar zal ook onze zon deze ontwikkeling doormaken.
Meer informatie:
Red dwarf/red giant binary found in UK/China Collaboration

16 februari 2010
Op nieuwe opnamen van de Amerikaanse gammasatelliet Fermi is te zien waar supernovaresten - de overblijfselen van ontplofte zware sterren - hun energierijke deeltjesstraling produceren. Deze ontdekking brengt sterrenkundigen een stap dichter bij het begrijpen van de oorsprong van zogeheten kosmische straling. Kosmische straling bestaat voor het overgrote deel uit protonen die met bijna de snelheid van het licht door de ruimte razen. Op hun weg door het Melkwegstelsel worden deze deeltjes afgebogen door de alom aanwezige magnetische velden. Dat maakt het moeilijk om te achterhalen waar ze precies vandaan zijn gekomen. Maar waar de deeltjes in botsing komen met atomen van het interstellaire gas, ontstaat gammastraling. Bekend is dat supernovaresten belangrijke leveranciers van energierijke protonen zijn. Met de Fermi-satelliet zijn vier van die supernovaresten - één jonge en drie oudere - nader bekeken. Daarbij is gebleken dat oude supernovaresten extreem veel gammastraling van betrekkelijk lage energie produceren, en relatief weinig gammastraling van hoge energie. Bij jonge supernovaresten is die verdeling anders. Het lijkt erop dat jonge supernovaresten zowel sterkere magnetische velden als energierijkere kosmische straling hebben. En dat is in overeenstemming met de meest gangbare theorie voor het ontstaan van deze deeltjesstraling. Al in 1949 opperde de Italiaanse natuurkundige Enrico Fermi namelijk dat de deeltjes van de meest energierijke kosmische straling zijn versneld door magnetische velden in gaswolken.
Meer informatie:
NASA's Fermi Closes on Source of Cosmic Rays

10 februari 2010
Op dit moment werken tienduizenden pc's, verspreid over de hele wereld, aan het vaststellen van de exacte vorm van ons Melkwegstelsel. De gezamenlijke rekenkracht van dit MilkyWay@Home-project is reusachtig: onlangs werd de op één na snelste supercomputer op aarde in snelheid gepasseerd. Bij soortgelijke projecten wordt naar signalen van buitenaardse beschavingen gezocht (Seti@home) en de werking van eiwitten onderzocht (Folding@home). Tegenwoordig worden bij sterrenkundige waarnemingscampagnes zo veel gegevens verzameld, dat er nooit voldoende supercomputers beschikbaar zijn om alles door te rekenen. Bij MilkyWay@Home wordt gebruik gemaakt van de database van de Sloan Digital Sky Survey. Elk van de deelnemende pc's verwerkt een kleine portie gegevens. Daarbij wordt de driedimensionale verdeling van sterren en andere materie in het Melkwegstelsel in kaart gebracht. De projectwetenschappers zijn er vooral benieuwd naar hoe de sterren van de verschillende dwergstelsels die de afgelopen miljoenen jaren door het Melkwegstelsel zijn opgeslokt zich over het stelsel hebben verdeeld. Deze berekeningen leveren onder meer informatie op over de globale verdeling van de donkere materie in het Melkwegstelsel, waar nog weinig over bekend is.
Meer informatie:
PCs Around the World Unite To Map the Milky Way
MilkyWay@Home

9 februari 2010
Een Frans-Amerikaans team van sterrenkundigen heeft de ruimtelijke verdeling van het ons omringende interstellaire gas tot op een afstand van ongeveer duizend lichtjaar in kaart gebracht. Daarbij is gebruik gemaakt van het feit dat interstellair gas donkere (absorptie)lijnen veroorzaakt in het lichtspectrum van achtergrondsterren. In combinatie met eerder gepubliceerde resultaten heeft dat geresulteerd in een catalogus van absorptiemetingen van 1857 sterren binnen een omtrek van ruwweg 2600 lichtjaar. Op de overzichtskaart is duidelijk te zien dat onze zon zich in een relatief gasarme omgeving bevindt: de zogeheten Lokale Holte. Hoe deze leegte is ontstaan, is nog onduidelijk. Maar veel sterrenkundigen denken dat het lege gebied ontstaan is door een reeks nabije supernova-explosies die zich ongeveer 15 miljoen jaar geleden heeft voltrokken.
Meer informatie:
A New 3D Map Of The Interstellar Gas Within 300 Parsecs From The Sun

9 februari 2010
Met behulp van de nieuwe Europese surveytelescoop VISTA is een indrukwekkende overzichtsfoto gemaakt van de Orionnevel, een bekend stervormingsgebied in het gelijknamige sterrenbeeld. Vergeleken met de meeste andere telescopen van dit kaliber heeft VISTA een enorm groot beeldveld. Bovendien is VISTA behalve voor zichtbaar licht ook gevoelig voor nabij-infrarode straling. Dat laatste betekent dat er diep in stofrijke stervormingsgebieden kan worden gekeken, om te zien wat zich daar afspeelt. De Orionnevel bevindt zich op een afstand van 1350 lichtjaar en is al met een kleine telescoop te zien. Op zichtbare golflengten zijn de jonge sterren die zich in het hart van de nevel hebben gevormd echter moeilijk waarnembaar: alleen de vier helderste zijn te zien. De VISTA-opnamen tonen nog tal van andere sterren, waarvan vele nog onvoltooid zijn. Deze sterren-in-wording stoten gasstromen uit die snelheden van 700.000 km/uur kunnen bereiken. Met de VISTA-telescoop zal de komende jaren de gehele zuidelijke sterrenhemel nauwkeurig in beeld worden gebracht.
Meer informatie:
Orion in a New Light

3 februari 2010
Met de Europese Very Large Telescope is een opname gemaakt van het stervormingsgebied NGC 3603 en omgeving. NGC 3603 is een zogeheten starburst-gebied: een 'sterrenfabriek' die op volle toeren draait. Met een afstand van 22.000 lichtjaar is dit de meest nabije stellaire kraamkamer van deze omvang. De jonge, hete sterren die hier zijn ontstaan, produceren zo veel straling en sterrenwind dat zij het stof en gas uit hun omgeving hebben weggeblazen. Daardoor is een verzameling van duizenden sterren in alle soorten en maten tevoorschijn gekomen. De meeste daarvan hebben een massa die vergelijkbaar is met die van onze zon of minder dan dat. Deze staan dus nog maar aan het begin van een bestaan dat miljarden jaren gaat duren. Maar sommige van de jonge sterren zijn veel zwaarder en verbruiken hun brandstof dermate snel, dat hun einde al in zicht is. De recordhouder is een ster van bijna 120 zonsmassa's. Deze ster in NGC 3603 is daarmee - voor zover bekend - de zwaarste ster van ons Melkwegstelsel.
Meer informatie:
The Stars behind the Curtain

29 januari 2010
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft een bruine dwerg - een kleine, 'mislukte' ster die weinig energie produceert- ontdekt met een ongekend lage temperatuur. Het object, dat de aanduiding SDSS1416+13B heeft gekregen, draait in een wijde baan om een andere bruine dwerg waarvan het bestaan al langer bekend was. De twee bevinden zich op een afstand van 15 tot 50 lichtjaar, wat heel nabij is naar sterrenkundige maatstaven. De oppervlaktetemperatuur van SDSS1416+13B bedraagt naar schatting ruim 200 graden. Het spectrum oftewel de samenstelling van het licht van het sterretje is echter zo ongewoon, dat het moeilijk is om zijn temperatuur exact te bepalen. De onderzoekers vermoeden dat beide bruine dwergen minstens 8 miljard jaar oud zijn.
Meer informatie:
Astronomers discover cool stars in nearby space

28 januari 2010
Op donderdag 28 januari detecteerden twee amateursterrenkundigen uit Florida (VS) een helderheidsuitbarsting van de ster U Scorpii. Daarmee gaven zij het startschot voor een snelle waarneemcampagne met de Hubble-ruimtetelescoop en andere satellieten. Haast was geboden, want naar verwachting zal de uitbarsting van de ster al binnen een dag over zijn hoogtepunt heen zijn. De uitbarsting van U Scorpii komt niet als een donderslag bij heldere hemel. Deze ster behoort namelijk tot de kleine categorie van zogeheten recurrente novae: sterren die eens in de tien tot honderd jaar aanzienlijk in helderheid toenemen. Een jaar geleden sprak de Amerikaanse sterrenkundige Bradley Schaefer al de verwachting uit dat de uitbarsting van U Scorpii aanstaande was. Recurrente novae zijn dubbelstersystemen waarin een normale ster en een compacte witte dwergster op geringe afstand om elkaar heen draaien. Door de overdracht van materie van de normale ster verzamelt zich gas aan het oppervlak van de witte dwerg. En steeds als zich daar genoeg gas heeft opgehoopt, vindt een thermonucleaire explosie plaats.
Meer informatie:
Long Anticipated Eruption of U Scorpii Has Begun
U Scorpii Erupts As Predicted

27 januari 2010
Een van de grootste vraagstukken in de moderne sterrenkunde betreft het ontstaan van de allerzwaarste sterren. Nieuwe waarnemingen met de Gemini North-telescoop op Hawaï wijzen er nu op dat deze stellaire reuzen op dezelfde manier geboren worden als lichtgewichten zoals onze zon. In vergelijking met lichte sterren voltrekt de geboorte van een zware ster zich heel snel. Tegen de tijd dat de laatste flarden van de gaswolk waaruit hij is ontstaan zijn opgetrokken, is de ster eigenlijk al volwassen. Het ontbreekt daardoor aan kennis over zware babysterren. Met geavanceerde infraroodinstrumenten is het nu gelukt om door het omringende gas en stof van een ster-in-wording heen te kijken. En wat blijkt? Hoewel hij al zeker tien keer zo zwaar is als onze zon, ziet de jonge ster er net zo uit als lichtere sterren-in-wording. Hij is omringd door een schijf van materie van waaruit gas naar de ster toe stroomt. Ook ontsnapt er gas met snelheden tot 300 kilometer per seconde aan de polen van de ster - een verschijnsel dat ook bij veel kleinere sterren is waargenomen.
Meer informatie:
Are the Largest Stars Born Like our Sun?

20 januari 2010
Met behulp van de 2,2-meter telescoop van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht op de berg La Silla (Chili) is een spectaculaire opname gemaakt van een groot stervormingsgebied dat bekend staat als de Kattenpootnevel. Dit complex van gloeiende gas- en stofwolken ligt niet ver van het centrum van ons Melkwegstelsel. De Kattenpootnevel dankt zijn bijnaam aan het opvallende patroon van heldere en minder heldere gaswolken, die een reusachtige pootafdruk van een kat lijken te vormen. De officiële aanduiding van het nevelcomplex is NGC 6334. NGC 6334 bevindt zich op een afstand van 5500 lichtjaar in de richting van het sterrenbeeld Schorpioen. Het nevelcomplex, dat ongeveer 50 lichtjaar groot is, behoort tot de meest actieve stervormingsgebieden in ons Melkwegstelsel. Waarschijnlijk gaan tussen het gas en stof enkele tienduizenden sterren schuil, waarvan sommige bijna tienmaal zo zwaar zijn als onze zon.
Meer informatie:
On the Trail of a Cosmic Cat

13 januari 2010
Een van de sterren van het beroemde dubbelstersysteem Algol is de bron van een reusachtige magnetische lus. Dat blijkt uit onderzoek met een wereldwijd netwerk van gevoelige radiotelescopen (Nature, 14 januari). Algol bevindt zich op een afstand van 93 lichtjaar. Hij bestaat uit een ster van ongeveer drie zonsmassa's en een lichtere begeleider die op een afstand van minder dan 10 miljoen kilometer om elkaar wentelen. Vanaf de aarde gezien schuiven de om elkaar draaiende sterren bij elke omloop voor elkaar langs, wat in regelmatige helderheidsvariaties resulteert die gemakkelijk waarneembaar zijn met het blote oog. De pas ontdekte magnetische lus ontspringt aan de polen van de lichte begeleider en wijst steeds in de richting van de zware ster. Vermoed wordt dat de enorme omvang ervan te danken is aan de getijwerking van de begeleidende ster. Ook onze zon kent van deze magnetische (of coronale) lussen, maar die zijn beduidend kleiner. Volgens de onderzoekers kan het bestaan van de 'reuzenlus' de uitbarstingen op röntgen- en radiogolflengten helpen verklaren die eerder bij Algol zijn waargenomen. Volgens hen is de kans groot dat in andere dubbelstersystemen soortgelijke magnetische structuren bestaan.
Meer informatie:
Giant Magnetic Loop Sweeps Through Space Between Stellar Pair
UI astronomers capture first-of-kind image at distant star

10 januari 2010
Een internationaal team van sterrenkundigen heeft een gedetailleerde opname gemaakt van de ster Betelgeuze. Op het oppervlak van deze rode superreus zijn twee enorme heldere vlekken te zien, waarvan de omvang vergelijkbaar is met de afstand zon-aarde (150 miljoen kilometer). Deze vlekken, die daardoor een groot deel van het steroppervlak bedekken, zijn het gevolg van opstijgend (relatief) heet gas uit het inwendige van Betelgeuze. Afgezien van de zon zijn alle sterren zelfs door de grootste telescopen slechts waarneembaar als nietige puntjes van licht. Alleen met behulp van bijzondere instrumenten, zogeheten interferometers, lukt het om details te zien op het oppervlak van de allergrootste sterren. Betelgeuze, die 600 keer zo groot is als onze zon en niet al te ver weg staat, is in dat opzicht een dankbaar waarneemobject. Op Betelgeuze zijn al eerder lichte en donkere plekken waargenomen, maar niet eerder zo gedetailleerd als nu. Ze zijn het gevolg van convectie: reusachtige gasbellen uit het inwendige van de ster stijgen naar de oppervlakte, geven hun warmte af en zakken weer omlaag. Hetzelfde verschijnsel treedt ook op in onze zon, zij het op veel kleinere schaal. De heldere plekken op het oppervlak van Betelgeuze zijn ongeveer 500 graden warmer dan de gemiddelde temperatuur van de ster (ruim 3000 graden).
Meer informatie:
Unprecedented details on the surface of the Betelgeuse star

8 januari 2010
Bij onderzoek met de Japans/Amerikaanse röntgensatelliet Suzaku is in twee supernovaresten 'fossiele straling' van de supernova-explosie ontdekt. Dankzij deze straling kan zelfs nu, duizenden jaren na dato, nog worden vastgesteld hoe heet de inmiddels sterk afgekoelde supernovaresten ooit zijn geweest. Volgens de onderzoekers wijst de waargenomen röntgenstraling erop dat de supernova-explosies plaatsvonden in een relatief gasrijke omgeving. Dit gas is mogelijk door de ster zelf uitgestoten vóór deze supernova werd. Een zware ster verliest tegen het eind van zijn bestaan namelijk veel materie, waardoor een omhullende cocon van gas en stof ontstaat. Als de ster uiteindelijk explodeert, gaan er hevige schokgolven door de cocon, waardoor deze wordt verhit tot temperaturen van meer dan 50 miljoen graden. En hierdoor raken de aanwezige atomen van bijvoorbeeld silicium en zwavel al hun elektronen kwijt. Na de explosie koelt een supernovarest sterk af, maar door de uitdijing van het gas is de dichtheid ervan zo laag geworden, dat de 'naakte' atoomkernen niet zo snel meer elektronen kunnen invangen. Hierdoor blijft het gas ook duizenden jaren na de supernova-explosie nog een bron van röntgenstraling.
Meer informatie:
Suzaku finds 'fossil' fireballs from supernovae

7 januari 2010
Uit een internationaal onderzoeksproject blijkt dat het magnetische veld in het centrum van ons Melkwegstelsel zeker tien keer zo sterk is als dat in de rest van het stelsel. Meer dan tien procent van alle magnetische energie in het Melkwegstelsel blijkt geconcentreerd in een volume dat minder dan een tiende procent is van het totaal (Nature, 7 januari). Dat resultaat is van belang omdat het sterrenkundigen een ondergrens geeft voor de absolute sterkte van het magnetische veld van het Melkwegstelsel. Naar de exacte waarde voor het magnetische veld in het galactisch centrum wordt al dertig jaar gezocht. De magnetische veldsterkte in de ruimte tussen de sterren speelt een belangrijke rol bij tal van sterrenkundige berekeningen. Als dat veld sterker is dan gedacht, ontstaat de vraag hoe dat kan: vroeg in de geschiedenis van het heelal waren de magnetische velden namelijk nogal zwak.
Meer informatie:
Scientists reveal Milky Way's magnetic attraction

6 januari 2010
De halo van donkere materie die ons Melkwegstelsel omhult, heeft de vorm van een reusachtige, samengedrukte strandbal. Dat concluderen Amerikaanse sterrenkundige uit onderzoek van de baanbeweging van een klein dwergstelsel om het Melkwegstelsel. Sterrenstelsels zoals het onze bestaan voor meer dan zeventig procent uit donkere materie. Maar deze materie is, zoals de naam al aangeeft, onzichtbaar. De enige manier waarop donkere manier zich kenbaar maakt, is door middel van de zwaartekrachtsinvloed die zij op andere, zichtbare materie uitoefent - bijvoorbeeld op de beweging van sterren. Nu draaien er om het Melkwegstelsel enkele kleinere sterrenstelsels, die door de getijwerking van ons stelsel aan flarden worden getrokken. Hierdoor laten ze langs hun omloopbaan een heel spoor van sterren achter. Waarnemingen van deze 'kosmische broodkruimels' kunnen worden gebruikt om erachter te komen welke krachten er op deze 'Klein Duimpje'-stelsels werken. Maar dat klinkt makkelijker dan het is. Pogingen om het spoor van het zogeheten Sagittarius-dwergstelsel in overeenstemming te brengen met modellen van de vorm van de donkere halo van het Melkwegstelsel, leverden tot nog toe geen eenduidig resultaat op. Daar lijkt nu echter een oplossing voor te zijn gevonden: de halo is blijkbaar veel minder symmetrisch dan gedacht. Hij lijkt op een strandbal die van opzij wordt samengedrukt. Dat levert overigens weer een nieuw probleem op, want de mate van afplatting, en de oriëntatie ervan, is veel sterker dan op theoretische gronden werd verwacht.
Meer informatie:
Astronomers Map The Shape Of Galactic Dark Matter

5 januari 2010
Door nauwe samenwerking van gamma- en radiosterrenkundigen is een groot aantal 'snelle' pulsarkandidaten opgespoord. En dat opent de weg naar het aantonen van een verschijnsel dat al bijna een eeuw geleden door Albert Einstein is voorspeld: gravitatiegolven. Pulsars zijn de snel om hun as tollende restanten van ontplofte sterren. Vanaf de aarde zijn deze objecten herkenbaar als bronnen van zeer constante pulsen van straling. Aan de hand van uiterst kleine veranderingen in de rotatie van deze pulsars hopen sterrenkundigen het bestaan van gravitatiegolven - kleine verstoringen van ruimte en tijd - te kunnen aantonen. Maar daarvoor hebben zij gegevens nodig van grote aantallen pulsars, verspreid over de hele hemel, die honderden keren per seconde om hun as tollen: zogeheten millisecondepulsars. Tot nog toe waren slechts ongeveer 150 van deze pulsars ontdekt, waarvan meer dan de helft ook nog eens op een kluitje zit in enkele bolvormige sterrenhopen. Dankzij de Amerikaanse gammasatelliet Fermi komt daar nu verandering in. Met Fermi zijn honderden nieuwe bronnen van gammastraling ontdekt waarvan vele tot de gezochte categorie pulsars behoren. Vervolgwaarnemingen met radiotelescopen hebben in drie maanden tijd zeventien nieuwe millisecondepulsars opgeleverd - ongeveer net zo veel als in de afgelopen vijftien jaar. De onderzoekers hopen dat het 'netwerk' van millisecondepulsars nu binnenkort fijnmazig genoeg is om de voorspelling van Einstein te kunnen bevestigen.
Meer informatie:
Astronomers Get New Tools For Gravitational-Wave Detection
Nature's Most Precise Clocks May Make
Astronomen ontdekken handenvol milliseconde pulsars

5 januari 2010
Al geruime tijd is bekend dat het superzware zwarte gat in het centrum van ons Melkwegstelsel geen grote eter is. De brandstof voor dit zwarte gat, dat Sagittarius A* (of Sgr A*) wordt genoemd, is afkomstig van de intense winden van de zware, jonge sterren in zijn omgeving. Deze sterren bevinden zich echter niet zo heel erg dichtbij, waardoor het zwarte gat niet veel materie te pakken krijgt. Aanvankelijk hadden sterrenkundigen berekend dat Sgr A* ongeveer 1 procent van de sterrenwinden opslokt, maar dat blijkt nog veel minder te zijn: slechts een honderdste procent. De vraag is nu waarom dat zo is. Een theoretisch model op basis van gegevens die met de röntgensatelliet Chandra zijn verzameld, biedt mogelijk uitkomst. Het lijkt erop dat de materie in de directe omgeving van de zogeheten horizon van het zwarte gat zo heet is, dat zij een naar buiten gerichte druk uitoefent. Hierdoor kan veel minder stermaterie het zwarte gat bereiken dan tot nog toe werd aangenomen.
Meer informatie:
Peering Into The Heart Of Darkness

5 januari 2010
Rond Oud en Nieuw heeft de regelmatig optredende 'verduistering' van de doorgaans heldere ster Epsilon Aurigae zijn hoogtepunt bereikt. Om deze ster draait een merkwaardig object van forse omvang dat, vanaf de aarde gezien, eens in de 27 jaar het licht van Epsilon aanzienlijk tempert. De huidige verduistering begon in augustus 2009 en zal waarschijnlijk nog tot begin 2011 duren. Onder normale omstandigheden is Epsilon Aurigae helder genoeg om met het blote oog zichtbaar te zijn. Maar tijdens de verduistering is hij alleen nog waarneembaar met een verrekijker of telescoop. Het vermoeden bestaat dat er een schijfvormig object om de ster draait - bijvoorbeeld een ster of zelfs een dubbelster met omringende stofschijf. Maar de exacte vorm daarvan staat nog niet vast. Een bijkomende complicatie is dat Epsilon zelf mogelijk uit meerdere sterren bestaat. Omdat de beschikbare waarneemtijd bij grote sterrenwachten schaars en kostbaar is, leunt het onderzoek van Epsilon Aurigae zwaar op waarnemingen van amateurastronomen. Ditmaal zal hun bijdrage omvangrijker zijn dan ooit tevoren, want dankzij de opkomst van de digitale fotografie beschikken ook amateurs tegenwoordig over moderne waarneeminstrumenten. De eerste resultaten van hun waarnemingen zijn dinsdag bekendgemaakt tijdens de 215de bijeenkomst van de American Astronomical Society.
Meer informatie:
2010: The Year Of The Baffling Eclipse (pdf)
Centuries-Old Star Mystery Coming To A Close

4 januari 2010
Met behulp van adaptieve optiek, die het beeldvertroebelende effect van de aardatmosfeer tegengaat, heeft een internationaal team van sterrenkundigen een detailrijke opname gemaakt van de naaste omgeving van de zware ster Eta Carinae. Deze ster was in april 1843 het toneel van een enorme uitbarsting die twintig jaar duurde. Bij die uitbarsting is naar schatting twintig zonsmassa's aan materie de ruimte in geblazen en het resultaat is nog steeds waarneembaar: een compacte wolk van lichtend gas die de Homunculusnevel wordt genoemd. Met behulp van de Gemini South-telescoop in Chili is het hart van die Homunculusnevel nader bekeken. Binnen de gasnevel blijkt nóg een lichtende gaswolk aanwezig te zijn, die Kleine Homunculus is gedoopt. Volgens de onderzoekers zou deze het overblijfsel kunnen zijn van een kleinere uitbarsting van Eta Carinae, die aan het eind van de 19de eeuw is waargenomen. Eta Carinae bevindt zich op een afstand van ongeveer 8000 lichtjaar en bestaat uit ten minste twee sterren, waarvan de grootste zeker honderd maal zo zwaar is als onze zon. De nog onbegrepen uitbarsting die de ster halverwege de 19de eeuw onderging kan worden beschouwd als een mislukte supernova-explosie. Dat neemt niet weg dat Eta Carinae naar verwachting binnen een miljoen jaar alsnog een echte supernova zal worden.
Meer informatie:
Revealing the Explosive Heart of Eta Carinae

4 januari 2010
Sterrenkundigen van Villanova University in Pennsylvania denken dat de relatief nabije dubbelster T Pyxidis binnenkort het toneel zal zijn van een allesverwoestende supernova-explosie. T Pyxidis bestaat uit een normale ster die materie overdraagt aan een nabije witte dwergster. Dat leidde zo eens in de twintig jaar tot thermonucleaire ontploffingen aan het oppervlak van de witte dwerg: zogeheten nova-explosies. Maar de laatste van deze explosies was in 1967. Sindsdien houdt T Pyxidis zich opvallend stil. Volgens de sterrenkundigen kan dat betekenen dat zich nu zo veel materie op de witte dwergster verzamelt, dat deze uiteindelijk een bepaalde kritische massa zal bereiken. Dat idee wordt versterkt door de ontdekking dat T Pyxidis aanzienlijk dichterbij staat dan tot nog toe werd aangenomen: zijn afstand bedraagt ongeveer 3000 lichtjaar. Dat betekent dat de schattingen van de hoeveelheid materie die de witte dwerg bij de laatste nova-explosies is kwijtgeraakt naar beneden moeten worden bijgesteld. Daardoor is het denkbaar dat hij de afgelopen eeuwen niet lichter is geworden, maar juist zwaarder. Die gewichtstoename kan niet eeuwig doorgaan. Uiteindelijk wordt de witte dwergster zo zwaar, dat hij onder zijn eigen gewicht ineenstort, waardoor een nieuwe, veel grotere explosie optreedt. Bij zo'n supernova-explosie komt tien miljoen keer zo veel energie vrij als bij een 'gewone' nova-explosie. En een groot deel van die energie komt vrij in de vorm van gammastraling. Voor alles wat leeft op onze planeet is het te hopen dat het niet zo ver zal komen. Want zelfs op 3000 lichtjaar afstand kan de uitbarsting van gammastraling verwoestende gevolgen hebben voor de ozonlaag in de aardatmosfeer.
Meer informatie:
The Long Overdue Recurrent Nova T Pyxidis: Soon To Be A Type Ia Supernova?

vervolg archief Melkweg